Bijlage 6 - Achtergronddocument Veenweideprogramma-2021-2030
Tekst van het document
Veenweideprogramma 2021-2030
Achtergronddocument Maart 2021
2
3
Inleiding In dit achtergronddocument Veenweideprogramma 2021-2030 vindt u nadere informatie over de problematiek, kennis en inzichten, opgaven en ontwikkelingen over het Friese veenweidegebied. Het biedt een nadere onderbouwing van de keuzes in het Veenweideprogramma 2021-2030 over de ambities en doelen, en de acties en maatregelen in de programmalijnen.
Inhoudsopgave
4
1. Opgaven en functies in het veenweidegebied
7
1.1 Veenoxidatie 1.2 Klimaateffecten 1.3 Waterkwaliteit 1.4 Effecten van bodemdaling op bebouwing en infrastructuur 1.5 Landbouw 1.6 Natuur en biodiversiteit 1.7 Landschap, cultuurhistorie en archeologie 1.8 Stikstof
7 7 9 9 9 10 13 14
2. Ontwikkelingen in beleid
15
2.1 Klimaatakkoord en Klimaatwet 2.2 Klimaatadaptatie 2.3 Regionale Energiestrategie 2.4 Nationale Omgevingsvisie
15 15 16 16
3. Kennis en onderbouwing: wat hebben we geleerd en gedaan
17
3.1 Pilots en proeven 3.2 Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) 3.3 Bodemdaling 3.4 CO2-emissie en -reductie 3.5 Keuzes in Veenweideprogramma 2020-2030 3.6 Grondwaterstudie
17 20 24 24 24 26
4. Aanpak
28
4.1 Transitieaanpak 4.2 Integrale gebiedsaanpak
28 28
5. Kosten Veenweideprogramma
37
5.1 Kosten aanpassingen landbouw 5.2 Kosten aanpassingen waterhuishouding incl. klimaatadaptatie 5.3 Overige aanpassingskosten 5.4 Programmakosten
37 38 38 38
6. Monitoring
39
6.1 Monitoring op (strategische) hoofddoelen 6.2 Monitoring in kansrijke gebieden 6.3 Relatie met brede welvaart
39 40 40
7 Referenties
40
5
1. Opgaven en functies in het veenweidegebied Bodemdaling in het veenweidegebied brengt negatieve effecten met zich mee. Woningen, wegen en riolering verzakken, natuurgebieden komen steeds hoger komen te liggen ten opzichte van omliggend agrarisch gebied waardoor verdroging toeneemt en de kwaliteit van het landschap verandert. De bodemdaling heeft ook consequenties voor het watersysteem. Met de bodemdaling zakken de grondwaterstanden gestaag waardoor de kans op verzilting in het veenweidegebied en daarbuiten toeneemt. De polderkaden langs boezemvaarten en meren moeten vaker worden opgehoogd. Dit leidt tot meer kosten voor het waterbeheer. Veenoxidatie gaat gepaard met CO2 uitstoot en draagt zo bij aan de klimaatopwarming. En door de opwarming van het klimaat krijgen we te maken met grotere extremen in weersomstandigheden. Naast lagere perioden van droogte zullen ook steeds vaker extremere buien voorkomen. De belangrijkste opgaven voor het veenweidegebied zijn het verminderen van de negatieve effecten van bodem daling, het verminderen van de CO2 uitstoot en klimaat adaptatie. Maar in het veenweidegebied komen nog meer vraagstukken en opgaven bij elkaar.
1.1
Veenoxidatie
Om het veengebied voor landbouw te kunnen benutten werd het veen ontwatert en ontgonnen. Door deze ontwatering werd ook het proces van bodemdaling ingezet. Door ontwatering kan er zuurstof bij het veen komen waar door het veen verteert. Het grootste deel verdwijnt hierbij als CO2 in de lucht. Door verdere intensivering van de land bouw is de mate van ontwatering van het veen toegenomen en is dit proces van verteren van het veen versneld. De bodemdaling verloopt langzaam, in de orde van grootte van een centimeter tot enkele millimeters per jaar. Dit is afhankelijk van het bodemtype, maar ook de hoogte van de grondwaterstand en de temperatuur spelen hierin een belangrijke rol. Bij lage grondwaterstanden en hoge temperatuur verteert er meer veen. Tijdens de afgelopen droge, hete zomers was de bodemdaling dan ook groter dan in andere jaren.
1.2
Klimaateffecten
Bij de oxidatie van veen komt CO2 vrij, een broeikasgas dat zorgt voor opwarming van de aarde en leidt tot klimaat verandering. Het verbranden van fossiele brandstoffen t.b.v. de mondiale energievoorziening is weliswaar de grootste bron van broeikasgassen in de atmosfeer, maar ook de veenoxidatie is een bron. Het stoppen of vertragen van veenoxidatie levert een bijdrage aan vermindering van broeikasgassen.
6
Wetenschappers voorzien dat een bij een opwarming van meer dan 2 graden Celsius sprake zal zijn van een ernstige verstoring van het mondiale klimaatsysteem met grote nadelige gevolgen. Hierdoor worden onze ecosystemen, voedselproductie en veiligheid bedreigd. Ook bij een klimaatopwarming < 2 graden Celsius is de impact van klimaatverandering al groot. Extreem weer, natuurrampen en het falen van klimaatmaatregelen worden wereldwijd aangemerkt als de grootste risico’s (World Economic Forum, 2017). Door klimaatverandering krijgen we ook in Fryslân te maken met meer extreme weersomstandigheden, zoals lange droogteperiodes of felle regenbuien waarbij in korte tijd heel veel water op een paar vierkante kilometer valt (clusterbuien). Dit alles vraagt om een robuust en veer krachtig watersysteem in Fryslân om deze omstandigheden goed op te kunnen vangen. Droogte en hogere temperaturen versnellen de veenafbraak. De provinciale Omgevingsvisie, de Beheernota Boezem en Deelsystemen, de a.s. Omgevingsvisie van het waterschap en dit Veenweideprogramma, hebben als doel dat het veenweidegebied in 2050 klimaatbestendig is ingericht (zie ook H. 2). Ook in gemeentelijke visies en beleid krijgt klimaatadaptatie veel aandacht zodat de leefomgeving de gevolgen van klimaatverandering goed kan opvangen. De gezamenlijke overheden hebben hiervoor hun handen inéén geslagen.
Klimaatadaptatiestrategie Fryslân In het landelijke Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is als doel gesteld dat Nederland in 2050 zo goed mogelijk ‘klimaat bestendig’ is ingericht voor wateroverlast, droogte, hitte en overstromingen. Door de Friese overheden is afgesproken om een nieuw Fries Bestuursakkoord Waterketen op te stellen voor de periode 2021-2025 (FBWK 3). Het accent van het FBWK 3 zal komen te liggen op klimaatadaptatie en water bewustzijn. Binnen het FBWK wordt daarnaast toegewerkt naar een gedragen regionaal uitvoeringsprogramma klimaatadaptatie als middel om op een doelmatige wijze toe te werken naar een klimaatbestendig Fryslân in 2050 en koppelkansen maximaal te benutten. De Friese overheden hebben met elkaar afgesproken om volgens de methodiek van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie in drie stappen aan de slag te gaan met klimaat adaptatie: • Stap 1 (weten): we brengen in beeld brengen wat de kwetsbaarheden zijn; • Stap 2 (willen): we gaan in gesprek met alle betrokkenen om gezamenlijk ambities te formuleren voor een klimaatbestendig Fryslân; • Stap 3 (werken): we gaan samen aan de slag om onze leefomgeving klimaatbestendig te maken.
7
De resultaten van stap 1 (weten) staan in de Friese Klimaat atlas, raadpleegbaar via: www.frieseklimaatatlas.nl. Hierin is te zien in welke mate de verschillende onderdelen (water overlast door neerslag, hitte, droogte en overstroming) voor kunnen komen en waar dit speelt in Fryslân. Naar aanleiding van de resultaten van de klimaatatlas is ook een begin gemaakt met stap 2 (willen) d.m.v. het
opstellen van een Klimaat Adaptatie Strategie Fryslân (KAS-F). De KAS-F zit momenteel in de testfase en om er in de praktijk ervaring mee op te doen. De KAS-F is onder verdeeld in zes verschillende landschappen (Wadden eilanden, kleilandschap, veenlandschap, zandlandschap, stadslandschap, dorpslandschap). Over het veenlandschap is het volgende opgenomen:
Figuur 1.1: Specifieke effecten klimaatverandering op veenweidelandschap
Wateroverlast De KAS-F sluit aan bij de Normering Regionale Water overlast (NRW) die in de verschillende watersystemen in Fryslân vanaf 2020 bepaald zal worden. Dit is tevens een voorbereiding op het Veiligheidsplan-III, dat het water schap zal opstellen en vaststellen. Bij de toetsing wordt gekeken of het watersysteem aan de normen voor water overlast voldoet. Daarnaast wordt onderzocht in hoeverre het systeem klimaatbestendig is en ook op de langere termijn de “klimaatbuien” aan kan. Na de analyse en het Veiligheidsplan-III, zal een concrete vertaling naar het aantal hectares waterberging worden gemaakt. Bij de actualisatie van het Veenweideprogramma in 2022 zal de waterbergingsopgave concreet ingevuld worden. Droogte De Friese meren en vaarten voeren op grote schaal inlaatwater uit het IJsselmeer aan voor handhaving van de oppervlaktewaterpeilen in de boezem en in de deelsystemen van het beheergebied van het waterschap. Om in de zomerperiode voldoende water te hebben, zal in het voorjaar een watervoorraad gevormd moeten worden. Dit kan door water vast te houden in het hoger gelegen zuidoostelijke gebied van Fryslân (afdammen, hogere stuwpeilen); de afvoer wordt daarmee vertraagd en het water krijgt de kans om te infiltreren in de diepere ondergrond. Daarnaast kunnen er waterconserverings bekkens worden ingericht met zoet water.
Daarmee kunnen de sloten in het veenweidegebied en op de hoger gelegen zandgronden, en de boezem van zoet water worden voorzien. De precieze opgave moet nog bepaald worden met de samenwerkende overheden in de KAS-F. Daarnaast dient waterconservering in visie- en beleidsvorming mee genomen te worden, zoals dat nu ook gebeurt bij het opstellen van de Lange Termijn Visie Friese Boezem. Overgangszones Plaatselijk hebben droogtegevoelige natuurgebieden en kwetsbare infrastructuur en funderingen baat bij overgangszones (zones waarin een hoog peil wordt na gestreefd). De Friese overheden onderzoeken waar deze overgangszones nodig zijn en verwerken deze in gebieds plannen. Daarnaast loopt er een onderzoek naar de effectiviteit van hoogwatercircuits (hwc) rondom bebouwingslinten. Deze hwc’s hebben als doel het nathouden van de funderingen. Onderzocht wordt of de bestaande hwc’s wel effectief zijn en of er methodes zijn om de effectiviteit te vergroten door proeven te houden met verschillende soorten infiltratie. Zie ook paragraaf 3.1 Pilots en proeven.
1.3
Figuur 1.2: Strategieën en handelingsperspectieven voor het veenweidelandschap om met de gevolgen van klimaatverandering (zoals wateroverlast, hitte en droogte) om te gaan.
8
Waterkwaliteit
In de gebiedsgerichte aanpak wordt zoveel mogelijk gezocht naar koppelkansen. Eén van die koppelkansen is het verbeteren van de waterkwaliteit. De Europese Unie heeft doelstellingen voor de grond- en oppervlaktewater kwaliteit opgesteld. Lidstaten moeten in 2027 voldoen aan deze doelstellingen, die zijn opgenomen in de Europese
Kaderrichtlijn Water (KRW). In het kader van de KRW werken betrokken partijen aan maatregelen om de chemische en ecologische kwaliteit van grond-, oppervlakte-, en zwem water in Fryslân te verbeteren en zo de kwaliteitsdoelen KRW te halen; daarnaast is het tegengaan van zout intrusie (verzilting) een KRW-opgave. Verder werken provincie en Wetterskip Fryslân samen met doel- en belangenorganisaties aan het Stroomgebiedbeheerplan 3 (2022-2027), dat mede van invloed is op de water kwaliteit. Ook voor het veenweidegebied zetten we in op verdere verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater, bijvoorbeeld door het realiseren van natuurvriendelijke oevers. In de gebiedsplannen van de veenweidegebieden zullen waterkwaliteitsdoelen meegenomen worden.
1.4 Effecten van bodemdaling op bebouwing en infrastructuur Door de maaivelddaling krijgen steeds meer houten paalfunderingen te kampen met periodieke droogstand van de paalkoppen, met paalrot (schimmel) als gevolg. Bij doorgaande maaivelddaling in het veenweidegebied zullen naar schatting minimaal 3.000 en maximaal 7.000 woningen hier de komende jaren mee te maken krijgen. Ook bij op staal gefundeerde woningen komen funderings problemen voor. Naast funderingsschade treedt ook verzakkingsschade op aan nutsvoorzieningen en riool aansluitingen, en er is sprake van verzakkende tuinen. Daarnaast zullen door het groter wordende peilverschil tussen polderpeil en peil van de hoogwatercircuits, de kosten van in standhouden en beheer van de hoogwater voorzieningen toenemen.
1.5
Landbouw
Het veenweidegebied is voor een groot deel landbouw gebied met een vitale agrarische sector; van het totale oppervlak van 89.000 ha is 59.000 ha in gebruik als agrarische cultuurgrond. Het overgrote deel hiervan is grasland (90%), met een beperkt deel mais. Daarmee ligt 25% van de totale Friese landbouwgrond in het veenweidegebied. Het merendeel van de ruim 1.1000 agrarische bedrijven zijn melkvee houderijen (ruim 70%; totaal 800 melkveehouderijen, incl. moerige gronden gaat het om 900 melkveehouderijen). De landbouwsector levert producten waar vervolgens een keten aan bedrijven en sectoren waarde mee creëert. Ter indicatie: in 2019 bevond 10.1 % van het totale aantal banen in Fryslân zich in de agrifoodsector1; dit is in verhouding groot t.o.v. het aandeel in Nederland van ca. 6%.
Gebaseerd op CBS-cijfers. De agri-foodsector omvat naast de landbouw zelf ook de voedings- en genotsmiddelenindustrie, de groothandel, ondersteunende bedrijven, en bedrijven en instellingen voor ontwikkeling en onderzoek.
1
9
In de landbouw vindt schaalvergroting plaats. Zo daalde in de periode 2000-2017 het aantal melkveebedrijven in Fryslân sterk, van 4.000 naar 2.772 melkveebedrijven, terwijl het aantal koeien per melkveebedrijf toenam van gemiddeld 65 naar 114 koeien. In 2016 nam deze groei af vanwege de maatregelen om het fosfaatoverschot te beperken. Tegelijkertijd kiezen de laatste jaren meer agrarische bedrijven voor extensivering en verbreding van inkomsten. Zo is het areaal biologische landbouwgrond in Fryslân tussen 2009 en 2017 met ruim 50% toegenomen. Van het totaal aantal melkveehouderijen is 4% biologisch; vooral sinds 2015 is sprake van een sterke toename. De landbouw heeft in de afgelopen jaren vele stappen gezet in het beperken en mitigeren van de bijeffecten van de agrarische bedrijfsvoering. In het licht van maat schappelijke ontwikkelingen en internationale afspraken op het gebied van klimaatverandering, bodem- en water kwaliteit, staat de landbouwsector, net als andere sectoren, voor een veranderopgave. Om deze opgave te kunnen vervullen moet er een goed bedrijfseconomisch toekomst perspectief voor de sector als geheel en voor de individuele bedrijven blijven bestaan. Onder deze voorwaarden kan de sector duurzaam blijven produceren binnen de rand voorwaarden van natuur en milieu, waarbij de keten van grondstoffen op een zo laag mogelijke schaal gesloten is.
De provincie Fryslân streeft in dit verband naar een duur zame, natuurinclusieve landbouw: een landbouw die grondgebonden en circulair is, bijdraagt aan het herstel van de biodiversiteit, maatschappelijk draagvlak heeft, én duurzaam economisch renderend is. Deze ambitie sluit aan op de inzet van het rijk in de Visie Landbouw, Natuur en Voedsel: Waardevol en Verbonden (2019) om te komen tot een kringlooplandbouw2. In een stelsel van kringloop landbouw is verspilling van grond- en hulpstoffen mini maal doordat akkerbouw, veehouderij en tuinbouw in de eerste plaats grondstoffen uit elkaars ketens gebruiken, en reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en voedingsketens. Dit vraagt om verdergaande veranderingen. Zo is de eiwit behoefte in de veeteelt sterk afhankelijk van de import van soja uit met name Zuid-Amerika; bij de omschakeling naar kringlooplandbouw zullen de nog benodigde eiwitten veel meer een lokale/ regionale herkomst moeten hebben. Deze eiwittransitie is een majeure opgave voor de veehouderij. Maar het biedt ook economische kansen voor nieuwe afzet vormen, toelevering en verwerking.
Er zijn verschillende programma’s en maatregelen om de omschakeling naar een natuurinclusieve kringloop landbouw te stimuleren: via de budgetten van het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), de Regiodeal natuurinclusieve landbouw (2019) van de drie noordelijke provincies, programma’s voor agrarisch natuurbeheer, Natuer mei de Mienskip, Valuta voor Veen, en samenwerking met kennisinstituten zoals de Dairy Campus. De Regiodeal natuurinclusieve landbouw is gericht op de ontwikkeling van een structurele benadering, en deze te toetsen en toepasbaar te maken op basis van ecologischeen landbouwkundige kennis en kennis over gebieds
10
participatie en verdienmodellen. Het Friese veenweide gebied is een van de acht gebieden die als proeftuin zal fungeren. In het kader van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zal het Friese veenweidegebied mogelijk als koploper-/ pilotgebied worden aangemerkt, als onderdeel van een landelijk programma voor het landelijk gebied. In de Omgevingsagenda Noord Nederland werken het rijk, de drie noordelijke en gemeenten dit uit. Door bij deze pilotstatus aan te haken kan het gebied een beroep doen op extra rijksmiddelen die over twee, drie jaar mogelijk beschikbaar komen. Belangrijk voor een succesvolle transitie zijn, naast een goed bedrijfseconomisch toekomstperspectief voor de sector als geheel en voor de individuele bedrijven in het bijzonder, de ontwikkeling en toepassing van nieuwe agrarische verdienmodellen die zich in de praktijk hebben bewezen. Dit geldt zeker voor de landbouw in het veenweidegebied, die ook te maken gaat krijgen met hogere peilen en met haar ervaringen hiermee voorop kan lopen in de transitie. In de Casestudy in Aldeboarn - De Deelen is hier op bedrijfsniveau onderzoek naar gedaan; zie paragraaf 3.1 Pilots en proeven.
1.6
Natuur en biodiversiteit3
Een aanzienlijk deel van de natuurgebieden op het Friese vasteland ligt in het veenweidegebied, waaronder acht van de veertien Friese Natura 2000-gebieden. Het oppervlak natuurgebied (15.000 ha., excl. meren) bedraagt 19 procent van het veenweidegebied (excl. beekdalen). Figuur 1.3: soorten natuurgebieden in het veenweidegebied Type
Hectare
Landbouw veenweidegebied
52.000
Natuur in veenweidegebied: vaste grond
15.000
Natuur in veenweidegebeid: open water
12.000
Beekdalen: Landbouw
6.000
Beekdalen: Natuur
2.000
Totaal
87.000
Natuurinclusieve landbouw en kringlooplandbouw overlappen elkaar gedeeltelijk. Waar bij kringlooplandbouw het accent ligt op het sluiten van kringlopen van mineralen en grondstoffen, ligt dat bij natuurinclusieve landbouw op een verantwoord gebruik daarbij van natuur en natuurlijke processen. 3 De door Nederland gebruikte en internationaal geaccepteerde definitie voor biodiversiteit is: ‘De variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten (genen), tussen soorten en tussen ecosystemen.’ Wij operationaliseren dit als rijkdom aan planten-, en diersoorten. 2
Er zijn twee belangrijke typen natuur in het Friese veenweidegebied: 1. De veenweidenatuur (weidevogels en bloemrijke graslanden). De veenweidenatuur is vooral van (inter nationaal) belang voor weidevogels en bloemrijke graslanden (hoge botanische waarden). Deze natuur vinden we veelal terug aan de randen van de Natura 2000-gebieden en binnen de NNN (Natuurnetwerk Nederland); 2. De moerasnatuur (trilvenen, petgaten, moerasbos, riet landen, open water). De moerasnatuur (veelal in Natura 2000-gebieden) bestaat uit een mozaïek van open water, petgaten en bos, vaak omgeven door natte bloemrijke graslanden. De gebieden met open water zijn in de winter en het voorjaar van (internationaal) belang voor veel pleisterende watervogels. Verder zijn deze gebieden belangrijk voor zoogdieren en moerasvogels. Van de 15.000 ha natuur (exclusief Friese meren) in het veenweidegebied is ca. 8.000 ha verdrogingsgevoelig. Door bodemdaling en de daarmee samenhangende lagere grondwaterstanden neemt deze verdroging toe. Deze relatie is in de Natuurstudie onderzocht.
Vroeger vormden de veenweidegebieden een ideaal leefgebied voor planten en dieren. Door de sterke ontwatering van het gebied en het intensievere gebruik, is dit leefgebied minder geschikt geworden voor de soorten die hier eerder veel voorkwamen. Ondanks de inspanningen van natuurorganisaties en boeren (d.m.v. agrarisch natuurbeheer) neemt de rijkdom aan plantenen diersoorten af. De oorzaak is de afname van opper vlak en kwaliteit van leefgebieden (in brede zin) en de verbindingen daartussen. Sommige leefgebieden (moerasgebieden) laten herstel zien, maar niet over het geheel. Met name kwetsbare en beschermde soorten vragen aandacht. Herstel van de variëteit aan soorten, ecosystemen en landschappen is van belang voor een rijkere natuur. Dit is ook van belang voor ons welzijn, de recreatiesector en brede welvaart. Zo vormen een levende en gevarieerde bodem en voldoende bestuivende insecten, de basis voor een gezonde en toekomstbestendige voedselproductie. Amfibieën, vlinders en vissen vertonen gemiddeld een afname. De toename ligt vooral aan zoogdieren (her introductie), reptielen en libellen (klimaatverandering – zuidelijke soorten).
11
De tweede figuur heeft betrekking op de populatieomvang van beschouwde soorten in Fryslân. De Friese Rode Lijst soorten zijn sinds 1990 sterk in populatieomvang achteruit gegaan. De afname is bij de bedreigde Rode Lijstsoorten nog net iets sterker dan bij alle Rode Lijst soorten. De conclusie van deze twee tendensen is: Algemene soorten worden algemener en zeldzame soorten worden zeldzamer.
Figuur 1.4: Samenvattende natuurindex voor Fryslân vergeleken met de landelijke trend
Om de effecten van de uitvoering van de Veenweidevisie 2015 op N2000- en NNN-doelen te onderzoeken is een Natuurstudie uitgevoerd naar de grondwaterafhankelijke habitattypen. Voor 26 (geclusterde) natuurgebieden in het hydrologisch beïnvloedingsgebied van het veenweide gebied is eerst de huidige situatie (referentie) in beeld gebracht. Vervolgens zijn de effecten van de Veenweidevisie 2015 via twee scenario’s in beeld gebracht: • het uitvoeren van het generieke peilbeleid (90 cm drooglegging en 60 cm hoog zomerpeil; • het uitvoeren van het generieke peilbeleid plus kansrijke gebieden (idem als 1, maar met 40 cm drooglegging voor alle kansrijke gebieden). De uitkomsten van de Natuurstudie zijn zeer genuanceerd en verdienen verdere verdieping. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de grootste (negatieve) effecten te verwachten zijn in de pure veengronden (zowel bij dik veen als bij dun veen) en in de beekdalen. Verder blijkt dat het in de referentiesituatie voor vrijwel alle habitattypen al te droog is. Het College van GS heeft besloten de Natuurstudie in het kader van het Veenweideprogramma verder uit te werken voor de natuurgebieden die gekoppeld zijn of kunnen worden aan een kansrijk gebied. Voor de overige natuurgebieden dient de verdere uitwerking zijn beslag te krijgen in lopende of nog op te starten planprocessen.
1.7 Landschap, cultuurhistorie en archeologie
Figuur 1.5: Populatieomvang soorten Fryslân (index 1990 = 100)
De provinciale trend steeg met 20% tussen 1990 en 2005. Daarna verminderde de groei of is mogelijk sprake van stabilisatie. Die stijgende trend is veroorzaakt door toenames bij 83 van de 227 betrokken soorten. Daar staan afnames tegenover bij 67 van de 227 soorten.
12
Bovenstaande figuren laten op het eerste oog een verschillend beeld zien. Bij nadere beschouwing vullen de figuren elkaar echter aan. De eerste figuur omvat een samengestelde natuurindex voor alle soorten in Nederland resp. Fryslân. Deze algemene samenvattende natuurindex heeft eerst een groei door gemaakt; daarna verminderde de groei of is mogelijk sprake van stabilisatie.
Landschap en cultuurhistorie Het huidige veenweidelandschap is het resultaat van de wisselwerking tussen de natuurlijke omstandigheden en ingrijpen door de mens. Vanaf de vroege middeleeuwen is de invloed van de mens op het gebied steeds groter geworden. Het op grote schaal ontginnen van het veen en in cultuur brengen van gronden hebben een belangrijke stempel op het gebied gedrukt. Enkele (grote) natuur gebieden zijn in stand gebleven of door de veenontginning ontstaan. Het veenweidelandschap is grofweg in te delen in twee categorieën; het merengebied en het laagveengebied. Het merengebied wordt gekenmerkt door grote en kleinere meren en vaarten. Om de meren heen ligt een uitgestrekt laagveengebied, dat vanaf de 10de eeuw is ontgonnen; vanaf de 17e eeuw werd hier op grote schaal veen gewonnen. De ontginning heeft geleid tot grootschalige, regelmatige opstrekkende verkaveling, waarvan de richting loodrecht is op de veenrand en de veenstromen. Na de winning bleven uitgestrekte plassen en vergraven
land over. Er werden dijken rondom de te vervenen gebieden aangelegd, vaak met ringvaart. Zo ontstonden de uitgestrekte veenpolders met veenkaden, windmolens, windmotoren, (stoom)gemalen, ringvaarten en -sloten en sluizen. Deze diepe veenpolders zijn na droogmaking weer als landbouwgronden herverkaveld. In de provinciale structuurvisie Grutsk op ‘e romte (2014) staat meer achtergrondinformatie over de karakteristieken van beide deelgebieden. Het veenweidelandschap heeft een bijzondere, eigen karakteristiek die het gebied een herkenbaar profiel en een eigen identiteit geeft, zowel voor de eigen inwoners als binnen de context van heel Fryslân. Het is daarom belang rijk om dit landschap herkenbaar te houden. Het beperken van veenafbraak en bodemdaling draagt hier aan bij, want het verdwijnen van het veen heeft ook invloed op het gebruik en op de structuur van het landschap. Het fraaie landschap en de prachtige natuur zijn trekkers voor de gastvrijheidseconomie. Naast de opgaven uit het Veenweideprogramma, hebben nog andere programma’s (o.a. stikstof, KRW, RES) mede betrekking op het veenweide gebied. Om er voor te zorgen dat het veenweidelandschap bij nieuwe ingrepen en ontwikkelingen herkenbaar blijft, is de ‘Toolkit Landschap’ opgesteld. In de Toolkit worden de beeldbepalende landschapselementen beschreven.
De Toolkit biedt handvatten om bij ontwikkelingen en ingrepen in het veenweidegebied, de ruimtelijke kwaliteit ervan te behouden en te versterken. Archeologie en monumenten De oxidatie van het veen heeft ook effecten op archeo logische en monumentale waarden. Archeologische resten kunnen door de bodemdaling op een gegeven moment aan het oppervlak komen en dreigen daarmee verloren te gaan. Funderingen van monumentale gebouwen kunnen beschadigd raken. Het is daarom van belang om de oxidatie en maaivelddaling te beperken. Het Friese veenweidegebied omvat een gevarieerd archeologisch archief waarvan ons nog veel onbekend is. Door het oxideren van het veen bestaat het gevaar dat we dit archief voorgoed verliezen. Om deze kennislacune terug te dringen is een breed onderzoeksprogramma voor de archeologie in de veenweide opgezet volgens de cyclus van de archeologische monumentenzorg. Deze onder zoeken dienen meerdere doelen. In de eerste plaats om inzicht te geven waar de best bewaarde archeologische resten per periode zich bevinden. Met deze kennis kunnen de bestuurlijk integrale keuzes worden gemaakt over de gebieden waar wordt ingezet op behoud van de archeologie en welke gebieden gefundeerd kunnen worden vrijgegeven. Daarnaast kan de verworven kennis bijdragen aan lokale ontwikkelingen wanneer ze gekoppeld worden aan lokale opgaven.
Voor dit project werkt de provincie onder meer samen met de Rijksuniversiteit Groningen. Binnen de provincie wordt gewerkt met de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE); deze bestaat uit twee advieskaarten (voor de steentijdbronstijd, en voor de ijzertijd-middeleeuwen). Deze kaarten geven inzicht in de archeologische waarden en
13
archeologische verwachtingen. FAMKE maakt deel uit van de Cultuurhistorische Kaart (CHK2) van de provincie Fryslân, waarin ook cultuurhistorische waardevolle bovengrondse structuren en objecten zijn opgenomen. Dit is verwerkt in de provinciale structuurvisie Grutsk op ‘e romte.
1.8
Stikstof
In Nederland is de depositie van stikstof te hoog. Dit heeft nadelige effecten op natuurgebieden. In het Friese veenweidegebied liggen vier stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden: De Alde Feanen, Rottige Meente/ Brandemeer, Kleine Wielen en Van Oordts Mersken. Een van de bronnen van stikstofdepositie in natuurgebieden is de landbouw met de uitstoot van ammoniak (NH3). Om de stikstofdepositie te verminderen en tegelijk ontwikkelruimte voor (agrarische) bedrijven en projecten te creëren, werkten het rijk en de provincies sinds 2015 aan de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Door een rechtelijke uitspraak in 2019 is deze aanpak niet meer hanteerbaar. Het rijk, provincies en betrokken organisaties stellen nu een nieuwe aanpak op. Herstelmaatregelen voor stikstof gevoelige Natura 2000 gebieden zullen hiervan onderdeel blijven maken. Daarnaast worden voor de diverse sectoren generieke reductiemaatregelen ingesteld, zoals een vermindering van de maximum snelheid op autosnelwegen naar 100 km/u.
2. Ontwikkelingen in beleid 2.1
Klimaatakkoord en Klimaatwet
In het Klimaatakkoord van Parijs uit 2015 hebben landen afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken tot minder dan 2 graden Celsius ten opzichte van het preindustriële tijdperk. Bij een toename van meer dan 2 graden Celsius zal de klimaatverandering een onbeheersbare dynamiek kunnen krijgen en kunnen de gevolgen hiervan ontwrichtend uitwerken voor samenlevingen. Het verdrag is bindend en de deelnemende landen hebben zich aan deze doelstelling gecommitteerd. In Nederland is op 2 juli 2019 de Klimaatwet van kracht gegaan. Deze wet biedt een kader voor de ontwikkeling van beleid en maatregelen gericht op het onomkeerbaar en stapsgewijs terugdringen van de emissies van broeikas gassen in Nederland. Het uiteindelijk doel is dat in 2050 de uitstoot van broeikasgassen 95% lager ligt dan in 1990. Om deze doelstelling te kunnen bereiken zal voor 2030 al een reductie van 49% moeten worden nagestreefd. In 2050 zal de energieproductie vrijwel volledig energieneutraal/ fossielvrij moeten zijn. Om de doelen van deze Klimaatwet te halen hebben de overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties eind 2019 afspraken gemaakt in het landelijke Klimaatakkoord. Daarnaast moet de Nederlandse staat op basis van een rechtelijke uitspraak4 eind 2020 ten minste 25% minder broeikasgassen uitstoten ten opzichte van 1990.
In het Klimaatakkoord is voor de veenweidegebieden in Nederland afgesproken dat de jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen in 2030 met 1 miljoen ton CO2 equi valenten is afgenomen. Het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) hebben als vertegen woordigers van respectievelijk de provincies, water schappen en gemeenten het Klimaatakkoord ondertekend. De betrokken partijen hebben verder de Regiegroep Veenweide gevormd om gezamenlijk de afspraken van het Klimaatakkoord uit te voeren.
2.2
Klimaatadaptatie
Het doel van het landelijke Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is een klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting van Nederland in 2050. Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen moeten dit vanaf 2020 uitwerken en vertalen in hun beleid, programma’s en maatregelen. Het landelijke Bestuursakkoord klimaatadaptatie 2018 moet een impuls geven aan de aanpak van klimaatadaptatie en aan de uitvoering van de maatregelen zoals afgesproken in het Delta-programma Ruimtelijke adaptatie. De inzet is om in totaal € 300 miljoen van het Rijk en € 300 miljoen van de decentrale overheden beschikbaar te stellen.
14
De provincie wil volgens het provinciale Bestuursakkoord 2019-2023, Geluk op 1, in het veenweidegebied in 2030 een watersysteem waarbij veenoxidatie, verzilting en verdroging zoveel mogelijk voorkomen worden. Concreet is de inspanning gericht op: • een afname van de CO2-uitstoot in het Friese veenweide gebied; • het beperken van meer of nieuwe schade aan woningen door bodemdaling; • tientallen succesvolle voorbeelden van nieuwe oplossingen voor de landbouw op die locaties waar de landbouw nu onder druk staat. Er zal een balans nodig zijn tussen integraal maatwerk en algemene maatregelen, via een waaier aan maatregelen en samenwerking in het gebied. De provincie wil de boeren hierbij helpen om reële, houdbare verdienmodellen te vinden. Op basis van een Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) worden nog nadere keuzes gemaakt. Verder moeten de watersystemen in heel Fryslân worden aangepast aan de gevolgen van de klimaatverandering. Om in te spelen op de ontwikkelingen is het nodig water te kunnen vasthouden in tijden van droogte en te kunnen opvangen bij hevige regenval. De MKBA voor het veenweidegebied is inmiddels uit gevoerd (MKBA, Remming bodemdaling Friese veenweide gebied). Wetterskip Fryslân en Provinciale Staten hebben op grond daarvan aanvullende keuzes gemaakt. Deze zijn verwerkt in de provinciale Omgevingsvisie, De Romte Diele5.
Een duurzaam toekomstperspectief voor het gebied vraagt om een structurele verandering in de manier waarop het veenweidesysteem functioneert, zowel fysiek als sociaal economisch. De doelen voor het gebied zijn: • minder uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodem; • de bodemdaling is vertraagd waardoor de negatieve effecten ervan kleiner zijn; • meer en nieuwe schade aan woningen door bodemdaling wordt beperkt. Om de doelen te bereiken wordt gewerkt in drie sporen: via een integrale gebiedsaanpak kansen en draagvlak per gebied benutten en het gebiedsproces verbreden en aanvullen; nog overgebleven onzekerheden nader onder zoeken, verkleinen en vertalen in steeds gerichtere keuzen; vandaaruit gezamenlijk werken aan een integrale aanpak voor het hele veenweidegebied, met een goed en duurzaam perspectief voor de landbouw. Deze aanpak wordt uitgewerkt in een Veenweideprogramma. De rechterlijke uitspraak n.a.v. de eis van de stichting Urgenda tegen de Nederlandse Staat, in hoger beroep en in cassatie bevestigd.
4
Waarmee Gedeputeerde Staten op 11 mei 2020 hebben in gestemd. Provinciale Staten zullen deze Omgevingsvisie ter vaststelling waarschijnlijk in oktober 2020 behandelen.
5
15
Klimaatadaptatie is een opgave in de provinciale Omgevingsvisie (als invulling van het landelijke Delta programma Ruimtelijke Adaptatie). In 2050 is Fryslân waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Water zal meer ruimte moeten krijgen om weersextremen op te vangen. Ter indicatie: min. 600 hectare boezemuitbreiding en het inrichten van 1.500 hectare waterberging in natuur gebieden tot 2035; waterconservering en wateropslag zijn nodig voor situaties van extreme droogte, ook om minder afhankelijk te zijn van IJsselmeerwater. Hierbij wordt gezocht naar combinaties van grondgebruik. Hoeveel extra ruimte daadwerkelijk nodig is, hangt samen met lange termijn keuzes over de inrichting van de Friese boezem. In steden en dorpen zal eveneens meer ruimte moeten komen voor water en groen, ook om hittestress te beperken. Verder kijken provincie en waterschap o.a. naar mogelijkheden om de verzilting te beperken. De provincie stelt met waterschap en gemeenten een Klimaatadaptatiestrategie Fryslân op, waarin de maat regelen voor een klimaatbestendige inrichting worden uitgewerkt. Ook onderzoeken provincie, waterschap en gemeenten hoe ze overgangszones en functiecombinaties om meer water vast te kunnen houden kunnen realiseren. Als peilaanpassing vanuit het watersysteem nodig is, zal bekeken worden hoe grondgebruik, als uitkomst van een integrale afweging, beter kan samengaan.
Verder nemen provincie en waterschap maatregelen voor het verbeteren van de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater zodat aan de Europese Kaderrichtlijn Water wordt voldaan en op meer plekken gezwommen kan worden in schoon water. Zie voor uitgebreide toelichting paragraaf 1.3 Waterkwaliteit en Klimaatadaptatie. Volgens het Coalitieakkoord (2019 – 2023) van Wetterskip Fryslân neemt het waterschap een leidende rol in het realiseren van aanpassingen vanwege de klimaat verandering (klimaatadaptatie). Klimaatbestendigheid wordt integraal onderdeel van alle maatregelen en ontwikkelingen. Er wordt extra budget uitgetrokken voor maatregelen als waterberging en water opslag. Het waterschap, provincie en gemeentes gaan samen onderzoeken welke gebieden bij wateroverlast kunnen overstromen om zo water (tijdelijk) te kunnen bergen. In de Beheernota Boezem en Deelsystemen (2017) geeft Wetterskip Fryslân ook het belang aan van een toekomst bestendig systeem dat blijft voldoen aan de normen voor wateroverlast en watertekorten. Dit kan door de inrichting van het watersysteem adaptief aan te passen aan de klimaatontwikkeling. In periodes met veel neerslag kan de boezem gericht overstromen in opvangpolders (retentie gebieden). Verder zal onderzocht worden waar regenwater het beste vastgehouden kan worden, en dit zoveel mogelijk op te slaan voor droge tijden.
2.3
Regionale Energiestrategie
Naast klimaatadaptatie wordt in Fryslân ook gewerkt aan klimaatmitigatie. Fryslân is één van de dertig energieregio’s die in het kader van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategie (RES) een opgave heeft om duurzame energie op te wekken. De energieregio’s stellen Regionale Energiestrategieën (RES) op waarin ze aangeven hoe de opwek van duurzame energie gerealiseerd gaat worden en hoe deze ruimtelijk ingepast gaat worden. Het eerste bod dat de RES regio Fryslân6 heeft gedaan is een duurzame energieopwekking van in totaal 2,3 Twh. Dit bod is realistisch en concreet. Het merendeel van deze opwek is al gerealiseerd of vergund. De ruimtelijke toets op de betreffende projecten is gedaan in de (lokale) vergunningstrajecten. Daarmee voldoen deze projecten aan de provinciale en gemeentelijke kaders. Binnen de voorbereidings- en vergunningstrajecten is aandacht besteed aan het maatschappelijke draagvlak. Acceptatieen participatiegraad verschillen per project, maar in alle gevallen zijn de wettelijke procedures doorlopen en deze hebben geleid tot een vergunning.
2.4
Nationale Omgevingsvisie
3.1
Pilots en proeven
Deze paragraaf geeft een overzicht van proeven die reeds gedaan zijn en van proeven die de komende tijd opgestart gaan worden. Een completer overzicht van alle onderzoeken en pilots is te vinden in bijlage 1. CO2 metingen De laatste jaren worden er veldmetingen gedaan om de precieze CO2-emissie uit de veengronden vast te stellen. De metingen worden gedaan bij diverse waterpeilen en met of zonder specifieke water infiltrerende voor zieningen zoals onderwaterdrainage (OWD). De metingen laten afwijkende CO2-emissie zien dan in eerdere onder zoeken is gebleken. In eerdere onderzoeken werd uit gegaan van afgeleide getallen en slechts beperkte directe metingen. Deze constateringen hebben gediend als input voor het Nationaal Onderzoeksprogramma Bodemdaling, waarin vanaf 2020 op meerdere locaties
en met meerdere meetmethodieken de uitstoot van broeikasgassen wordt gemeten. Deze metingen worden verricht onder verschillende omstandigheden, zowel met verschillende droogleggingen als met verschillende bodemsamenstellingen en veensoorten. Daarnaast wordt onderzoek gedaan naar het proces van veenoxidatie. Hierbij kijkt men vooral naar welke fysische en biologische factoren een rol spelen bij veenafbraak. Infiltratiemethodes
Onderwaterdrainage (OWD) Sinds 2017 doen Wageningen University & Research en de Radboud Universiteit onderzoek naar de effectiviteit van OWD en drukdrainage in het Friese veenweidegebied. Er is onderzoek gedaan op acht representatieve boerderijen. OWD heeft zijn hydrologische werking aangetoond, met andere woorden: OWD leidt tot hogere grondwaterstanden in de zomer en lagere grondwaterstanden in de winter. OWD heeft echter nog niet bewezen dat het ook van
Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Eind april 2020 informeerde de minister van BZK de Tweede Kamer over de aanvullende richtinggevende keuzes in de Nationale Omgevingsvisie. Zo is o.a. aangegeven dat het kabinet kiest voor het aanpakken van bodemdaling door in bepaalde gebieden te kiezen voor vernatting, zoals ook al opgenomen in het Klimaatakkoord. Ook wordt gekozen en voor het maken van een lange termijn aanpak voor het landelijk gebied, met aandacht voor robuuste natuur, bufferzones rond Natura 2000-gebieden en ruimte voor agrarische functies in de voor landbouw goed geschikte gebieden. In deze kamerbrief is specifieke aandacht voor bodemdaling in veenweidegebieden. Voorstel is dat hier de benadering gaat veranderen: overheden zullen in samenwerking met de mensen die wonen en werken in de gebieden steeds minder «peil volgt functie» en steeds vaker «functie volgt peil» hanteren. In augustus is de NOVI in de Tweede Kamer besproken en vastgesteld.
De RES regio Fryslân beslaat het grondgebied van alle Friese gemeenten.
6
16
3. Kennis en onderbouwing: wat hebben we geleerd en gedaan
Figuur 3.1 Een mobiele meetopstelling met drie closed chambers. Dit is één van de meetmethodes die wordt gebruikt om de CO2-uitstoot van de Friese Veenweide te meten.
17
invloed is op de CO2-emissie: de uitstoot van broeikasgas lijkt bij OWD niet te verminderen.
Greppelinfiltratie Er wordt ook een verkenning uitgevoerd naar het voeden van infiltratiegreppels door het hevelen van water uit de boezem of een hoger gelegen peilvak, of door gebruik te maken van zonnecelpompen. Flexibel peilbeheer De komende vijf jaar wordt er geëxperimenteerd met flexibel peilbeheer in het project ‘Hoger als het kan, lager als het moet’ (HAKLAM). De doelstelling is om met HAKLAM de maaivelddaling en broekgasemissie effectief te reduceren. In verschillende gebieden wordt het peilbeheer in de sloten ingesteld op basis van de metingen van de ‘Boeren Meten Water’ grondwatermeetpinnen, binnen een vooraf vastgestelde bandbreedte. Hiermee wordt meer kennis vergaard over de relatie tussen slootwaterpeil en grondwaterstand. Op basis van de ervaringen worden er definitieve peilbesluiten genomen. Daarnaast wordt bekeken wat de invloed is van flexibel peilbeheer op stabiliteit van oevers en gezocht naar maatregelen om de schade aan oevers te minimaliseren. Tevens wordt er onderzocht wat de relatie is tussen het voorkomen van leverbot en salmonella en het toepassen van flexibel peilbeheer en greppelinfiltratie. Klei in veen Landelijk doet men onderzoek naar de effecten van het aanbrengen van klei (in de vorm van bagger) in veen. De centrale vraag is of het aanbrengen van relatief kleine hoeveelheden klei effect heeft op veenafbraak.
We weten dat lutumdeeltjes uit het slib zich kunnen binden aan de organische stof uit het veen en een stabiel kleihumus complex vormen. Door deze binding vertraagt mogelijk de afbraak van het veen. Momenteel wordt dit principe onderzocht in lab- en veldproeven. De eerste metingen wijzen op een interactie tussen klei en veen, maar dit is een langzaam proces. De Friese klei zorgt voor demping van CO2-emissies, zowel op veen van Oldelamer als Gersloot. Er lijkt dus zeker perspectief te zijn voor het toevoegen van klei in veen om veenafbraak te verminderen in de veenweiden, maar exacte kwantificering is nog niet voorhanden. Het vervolg van dit onderzoek zal uitwijzen wat het effect over langere tijd is, en welke eigenschappen van klei hierbij een sleutelrol spelen. Verdiencapaciteit Landbouw
Valuta voor Veen In het kader van de Green Deal Nationale Koolstofmarkt is een verkenning gedaan naar de kansen en haalbaarheid van een creditsysteem voor de reductie van CO2-emissie door vernatting van landbouwgrond. Zo’n credit kan dan op de vrijwillige markt voor CO2-credits (ook wel certificaat genoemd) verhandeld worden. Er is een geaccrediteerde methodiek vastgelegd voor het realiseren van CO2-credits op de pure veengronden. Inmiddels is het eerste project
18
waar CO2 certificaten voor gekocht kunnen worden van start gegaan. Voor dit project geld een prijs van € 70 per certificaat. Een certificaat staat voor 1 ton CO2 reductie. Op basis van praktijkervaringen wordt een plan gemaakt voor verdere opschaling en uitrol van Valuta voor Veen.
Better Wetter
verdienmodel te creëren. Het Veenweideprogramma zal daarop stevig moeten inzetten. En ook met structurele aanvullende verdienmodellen, die omschakeling naar een aangepast bedrijfssysteem mogelijk moeten maken, zal aankoop van gronden elders onontbeerlijk zijn om ruimte te creëren voor kavelruil en extensivering.
Omschakeling naar Jersey-ras
Pilot bodemvruchtbaarheid Aldeboarn – De Deelen Deze pilot onderzoekt de toepassing van bodem vruchtbaarheidsproducten (geen kunstmest). Doel is onder andere om de bodem natter/vochtiger te houden zodat de veenoxidatie vertraagt. Dit wordt gezet naast de opbrengsten van grasland en de effecten op biodiversiteit. Naast monitoring van vocht en van opbrengsten, wordt ook de biodiversiteit (insecten en spinnen boven- en ondergronds) gemonitord.
Uit het onderzoek is gebleken dat andere melkveerassen, zoals het Jersey-ras, geen hoger bedrijfssaldo realiseren bij een hoger waterpeil dan Holstein Friesians. Wel is te concluderen dat de bedrijfssaldo’s dalen als het waterpeil omhoog gaat. Dit geeft aan hoe belangrijk het is om bedrijven te ondersteunen wanneer het waterpeil wordt verhoogd.
Proeftuin de Welle Nabij Woudsend is een pilot opgezet om ervaring op te doen met de exploitatie van nat veen. De pilot richt zich op het meten van de productie van verschillende soorten grasmengsels bij hogere (grond)waterstanden en de draagkracht.
Onderzoek naar de (regionale) afzetmogelijkheden en de vraag naar lisdodde biomassa vanuit de markt is onmis baar om tot een integraal verdienmodel te komen. Vanuit de gemeente Dantumadiel wordt gewerkt aan het deel project Veenmarktplaats, waarbij wordt samengewerkt met regionale constructiebedrijven, lokale boeren, meubelmakers en andere stakeholders.
Niet kerende grondbewerking Proeven met maisteelt laten zien dat niet-kerende grondbewerking maisopbrengsten geeft die niet onderdoen voor de opbrengsten bij ploegen en woelen. Maïs lijkt het grondwater bovendien minder uit te putten dan gras, behalve bij extreme droogte. Naast Mais zonder kerende grondbewerking heeft ook het beperken van het scheuren van grasland een positieve invloed op de CO2 uitstoot. Case-study Kansrijk gebied Aldeboarn - De Deelen In het kansrijke gebied Aldeboarn – De Deelen is op bedrijfsniveau onderzocht welke gevolgen een peil verhoging zal hebben voor het bedrijfsresultaat van de agrariërs in het gebied, en welke aanvullende verdien mogelijkheden en (compensatie)maatregelen de gevolgen kunnen opvangen. Hierbij is uitgegaan van drie bedrijfs systemen en drie peilscenario’s. Vernatting leidt tot verminderde inkomsten en vermogens derving van de agrarische bedrijven. De systematiek om de precieze schade te berekenen kent nog onzekerheden, maar zonder compensatie van de schade of nieuwe inkomsten zal het rendement van bedrijven verminderen. De huidige compensatiemogelijkheden (extra verdiensten uit de markt en inkomsten uit het leveren van maatschappelijke diensten, zoals “plus op de melkprijs” en groenblauwe diensten) zijn met name voor de korte termijn (6-7 jaar) relevant.
Ze zijn voor de langere termijn nog niet voldoende zeker om een bedrijfssysteem naar nattere omstandigheden aan te passen. Conclusie is dan ook dat het ontwikkelen van compensatie maatregelen en passende randvoorwaarden bij aanvullende verdienmogelijkheden, een cruciale schakel vormen in een transitie naar een bedrijfsvoering die invulling geeft aan maatschappelijke doelen. Flankerende maatregelen zijn dus nodig om ook voor de langere termijn een houdbaar
Waterwijzer De Waterwijzer (WWL, zie: De Waterwijzer Landbouw) is ontwikkeld in opdracht van Stowa door een consortium met onder andere de Wageningen Universiteit. De Water wijzer is een instrument voor het bepalen van het effect van veranderingen in hydrologische condities op gewasopbrengsten. Deze veranderingen kunnen worden veroorzaakt door waterbeheer, herinrichtingsprojecten, (drink)waterwinningen, maar ook door het klimaat. Gewassen en de agrarische bedrijfsvoering stellen specifieke eisen aan de waterhuishouding. De WWL geeft een reproduceerbare inschatting van het effect, in termen van indirecte en directe effecten, waarbij de directe effecten verder zijn uitgesplist naar aandeel in droogte-, zuurstof-, en/of zoutstress. Samen met de ontwikkelaars wordt het instrument verfijnd voor toepassing in het Friese veenweidegebied. Funderingen In 2018-2019 zijn onderzoeken (juridische analyse en omvang problematiek) gedaan naar de funderings problematiek in het Friese veenweidegebied. Er is een werkgroep samengesteld met medewerkers van gemeenten, Wetterskip en provincie. Het verkrijgen van meer concreet inzicht in de problematiek (‘facts and figures’) is een belangrijk onderdeel van de aanpak. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar de functionaliteit van de hoogwatercircuits.
Uit een juridische analyse blijkt dat volgens ons rechtsstelsel het uitgangspunt is dat eigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigendommen. Zij zijn derhalve ook zelf verantwoordelijk voor de deugdelijkheid van funderingen en het onderhoud daarvan. In het schadevergoedingsrecht is verder uitgangspunt dat een
19
De MKBA heeft een tijdhorizon van 100 jaar: van 2020 tot 2120 en een prijspeil van nu (2018/2019). Aan de kosten zijde van de MKBA wordt gewerkt met jaarlijkse directe kosten voor waterbeheer. Aan de batenzijde staan zowel positieve als negatieve (maatschappelijke) baten, én vermeden maatschappelijke kosten doordat de bodemdaling en CO2-uitstoot beperkt worden. Uit de MKBA blijkt dat investeren in het Friese veenweide gebied maatschappelijk loont. Er komt echter niet één beste alternatief naar voren, en er blijven onzekerheden. Wel is duidelijk dat niets doen of doorgaan op de huidige voet (de alternatieven ‘referentie (recht zo die gaat)’ en ‘generieke veenweidevisie’) over het geheel genomen het minst scoren. Hierna gaan we nader in op de gehanteerde methode (analyse), alternatieven en de conclusies van de MKBA. Voor de complete onderbouwing verwijzen we naar het MKBArapport. Analyse aan de hand van de bodemtypen Op basis van de MKBA is een analyse gedaan naar de CO2 reductie en de mate van bodemdaling van de verschillende bodemtypen, en de kosten en baten van de doorgerekende varianten per bodemtype. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderscheiden bodemtypen met de functie landbouw hebben. Tevens is een kaart bijgevoegd waarop is aangegeven waar deze bodemtypes voorkomen.
In de MKBA zijn vijf alternatieven geanalyseerd ten opzichte van deze referentiesituatie: • Generieke veenweidevisie: waarbij de diepste droog leggingen (> 90cm) worden opgeheven en geen grote veranderingen in agrarisch grondgebruik c.q. verdien model optreden; • Landbouwvoorstel: waarin de drooglegging verder wordt teruggedrongen en door toepassing van onderwaterdrainage (ODW) verandering in agrarische verdienmodellen wordt voorkomen; • Kansrijke gebiedenbeleid: waarbij in een beperkt aantal kansrijke gebieden in een deel van het gebied de drooglegging verder wordt teruggedrongen conform het landbouwvoorstel, en in een ander deel conform het initiatiefvoorstel (zie hieronder) waarbij grotere veranderingen in het verdienmodel optreden; • Integrale aanpak: waarbij wat in de kansrijke gebieden gebeurt, in het hele veenweidegebied wordt uitgerold; • Initiatiefvoorstel7: waarin de droogleggingen het meest worden gereduceerd en er relatief grote veranderingen in verdienmodellen optreden. In tabel 3.1 (blz. 13) van de MKBA staan de alternatieven nader beschreven. Kosten en baten Aan de kostenzijde van de MKBA staan de directe kosten voor inrichting van het watersysteem (hoeveelheid stuwen, dammen, duikers en pompen), voor waterbeschikbaarheid (hoeveelheid inlaten, watergangen, keringen en bergings areaal) en voor onderwaterdrainage.
Figuur 3.2: Bodemtypes in veenweidegebied
ieder zijn eigen schade draagt. Wanneer funderingen in de loop van de tijd schade oplopen, dient deze daarom in beginsel door de eigenaar zelf te worden gedragen. Een uitzondering op dit uitgangspunt kan op zijn plaats zijn indien sprake is van ingrijpen of nalaten door de overheid dat als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd. Bij rechtmatig overheidshandelen kan ingeval van onevenredige benadeling sprake zijn van een verplichting tot nadeelcompensatie. Dit neemt echter niet weg dat overheden toch een rol kunnen nemen in het voorkomen, beperken of herstellen van schade. Het provinciale bestuursakkoord ‘Geluk op 1’ heeft bijvoorbeeld als ambitie dat meer en nieuwe schade aan woningen in het veenweidegebied wordt voorkomen. Door meer voorlichting en advies kan meer bewustwording worden gecreëerd, en kennis worden gedeeld over
20
funderingsproblematiek. Een gezamenlijke werkgroep van provincie, gemeenten en waterschap verkent de mogelijkheden om nog andere vormen van ondersteuning aan eigenaren met funderingsschade te bieden.
3.2 Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA) In 2019 is een MKBA uitgevoerd voor het Friese Veenweidegebied (MKBA, Remming bodemdaling Friese veenweidegebied). Doel van deze MKBA is om een onder bouwing te geven voor een te kiezen richting voor de aanpak van het Friese veenweidegebied. De MKBA vormt daarmee een belangrijke bouwsteen voor het Veenweide programma 2020-2030.
Benaming
Beschrijving bodemtype
Veen met dik kleidek
Toplaag > 40 cm klei, onderliggende veenlaag > 80 cm
Veen met dun kleidek
Toplaag < 40 cm klei op veen, onderliggende veenlaag > 80 cm
Puur & dik veen
Toplaag > 80 cm veen
Dun veen
Tussen 40 en 80 cm veen
Moerige grond
< 40 cm veen Ondergrond: zand en niet aaneengesloten keileemlagen
Gehanteerde alternatieven in de MKBA t.o.v. de referentie situatie In de referentiesituatie ‘Recht zo die gaat’ worden de diepste droogleggingen geleidelijk opgeheven waardoor het huidige landgebruik zoveel mogelijk blijft bestaan. Het bijbehorende landbouwkundige verdienmodel is gangbare en grondgebonden landbouw.
7
Aan de batenzijde van de MKBA staan de gevolgen van verandering in drooglegging en toevoeging van onderwaterdrainage. Het gaat hierbij om gevolgen van de remming van bodemdaling: • de afname van zakkingsschades (reparatiekosten) aan kunstwerken en andere infrastructurele objecten zoals wegen en riolen, en de afname van funderingsschade door verzakking van woningen; • de afname van klimaatschades c.q. de afname van uitstoot van broeikasgassen; • de vermijding van Kader Richtlijn Water (KRW) kosten van fosfaatuitspoeling door verbetering van de water kwaliteit. Het gaat ook om effecten van de verminderde drooglegging zelf, namelijk: • het ontstaan van meer geschikt leefgebied voor weide vogels, waar mensen welvaart aan ontlenen omdat zij deze dieren waarderen en beleven; • de verandering in landbouwopbrengsten en landbouw subsidies door verandering in verdienmodellen; • de toe-/afname van de recreatieve belevingsbaten van landschap.
Het initiatiefvoorstel is door de Statenfracties 50PLUS, Christen Unie, D66, GrienLinks, Partij van de Arbeid en Partij voor de Dieren op 16 april 2018 ingediend bij de Provinciale Staten van Fryslân.
21
Conclusies MKBA: In de onderstaande tabel zijn de uitkomsten van de MKBA voor de vijf alternatieven in kosten en baten schematisch weergegeven. De CO2 baten zijn de grootste batenpost in de MKBA. Daarnaast hebben de maatregelen in het veenweidegebied ook effecten op de mate van bodemdaling:
• De bodemdaling in het veenweidegebied is in de referentiesituatie (‘recht zo die gaat’) gemiddeld 5,6 mm per jaar (periode 2020-2120); • Bij het landbouwvoorstel wordt de gemiddelde bodem daling teruggebracht naar 4,9 mm per jaar; • Bij het initiatiefvoorstel (maximaal nat) zal de gemiddelde bodemdaling 4,1 mm per jaar bedragen; Minder bodemdaling zorgt voor verschillende baten, die ook in de onderstaande tabel zijn verwerkt.
Op basis hiervan zijn een aantal hoofdconclusies te trekken: Conclusie 1: investeren in het veenweidegebied loont maatschappelijk De eerste conclusie uit de MKBA is dat het maatschappelijk loont om te investeren in het veenweidegebied. Hoewel meerdere alternatieven in absolute zin een negatief kosten-baten saldo hebben, verbetert ten opzichte van de referentiesituatie bij vrijwel alle alternatieven de situatie sterk. De maatschappelijke opbrengsten van de investeringen in die alternatieven lopen van ruwweg 4 tot meer dan 8 keer zo veel als de kosten ervan. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de vermeden maatschappelijke kosten van CO2 uitstoot. Uitzondering hierop is het alternatief generieke veenweidevisie, dat voor zijn extra kosten nauwelijks maatschappelijke baten oplevert. Twee alternatieven leiden ook in absolute zin tot een positief saldo. Dat zijn de integrale aanpak en het landbouwvoorstel: zij kennen als geheel meer maatschappelijke baten dan kosten. Conclusie 2: in sommige alternatieven komen de lasten vooral bij de landbouw terecht Vrijwel alle alternatieven (op het alternatief ‘generieke veenweidevisie’ na) leveren aanzienlijke maatschappelijke meerwaarde op voor de maatschappij/burgers in het algemeen. Dat zit vooral in afgenomen uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen. De (netto) voor- of nadelen voor andere partijen zijn relatief bescheiden.
Uitzondering hierop vormt het initiatiefvoorstel, dat van alle voorstellen (in eerste instantie) het meest nadelig uitpakt voor de landbouw. In mindere mate geldt dat ook voor de integrale aanpak. Zowel het landbouwvoorstel als kansrijke gebieden leiden niet tot deze nadelige effecten voor de landbouw, en wel tot voordeel voor burgers (zij het minder dan in de integrale aanpak of het initiatiefvoorstel).
Figuur 3.3: De uitkomsten van de MKBA, zowel in absolute zin (witte kolommen) als in relatieve zin (blauwe kolommen) en per beleidsalternatief.
22
Conclusie 3: er blijven onzekerheden De problematiek in het veenweidegebied is complex, met waterhuishoudkundige, economische, maatschappelijke, natuur-, woon- en andere aspecten. Voor het toekennen van waarden aan al deze aspecten bestaat geen standaard methode. Daarom zitten in de resultaten van de MKBA nog onzekerheden. Zo zijn er verschillen tussen eerder berekende en recent gemeten CO2-emissies. Ook roepen recente onderzoeksresultaten twijfel op over de effectiviteit van onderwaterdrainage (een belangrijk onderdeel van het landbouwvoorstel). De inkomsten van boeren zouden verhoogd kunnen worden door alternatieve inkomsten bronnen, bijv. via alternatieve teelten (vooral van belang in het initiatiefvoorstel). Maar reele mogelijkheden daarvoor zijn nog speculatief (of in discussie, zoals bij zonnepanelen). Ook is onzeker of melkprijzen voor natuurinclusieve bedrijfsvormen in de landbouw hoger blijven als ze grootschalig worden toegepast. En de waarde die de maatschappij toekent aan cultuurlandschap (inclusief archeologie) en natuur is niet eenduidig te bepalen. Tenslotte worden de uitkomsten sterk beïnvloed door het waarderen van minder stikstofuitstoot. De landelijke
stikstofproblematiek kwam pas in een laat stadium van de MKBA naar voren, waardoor slechts kon worden volstaan met een beperkte gevoeligheidsanalyse; deze onderstreepte wel het potentiële belang van stikstof. De uitkomsten van de MKBA zijn gevoelig voor boven genoemde onzekerheden. Het initiatiefvoorstel is zowel in positieve als negatieve zin het meest gevoelig voor veranderingen in aannames. Hierdoor kan het positieve batenkostensaldo van dit voorstel nog groter worden (zelfs de hoogste van alle alternatieven); het saldo kan echter ook negatief uitvallen. Conclusie 4: er komt niet één beste alternatief uit de MKBA naar voren In eerste instantie lijkt de conclusie dat de integrale aanpak in de MKBA het gunstigst naar voren komt: deze kent het op één na hoogste rendement van de investeringen (elke geïnvesteerde euro betaalt zichzelf vijf keer terug in maatschappelijk rendement). In de praktijk is dit minder eenduidig en o.a. afhankelijk van de vraag welke middelen beschikbaar zijn en nog kunnen komen. Het landbouwvoorstel en de integrale aanpak zijn de twee duurste alternatieven. Mochten de middelen voor die beide alternatieven er niet zijn, dan weegt het maatschappelijk rendement per euro zwaarder. In dat geval scoort het initiatiefvoorstel het beste.