CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Achtergronddocument Veenweideprogramma-2021-2030

Het Debat 12 oktober 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203016.742 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het alternatief kansrijke gebieden heeft een negatief baten­ kostensaldo, maar dit alternatief is geleidelijk op te schalen naar de integrale aanpak en heeft dan wel zin als opstapje en test. Conclusies samengevat Samengevat zijn op basis van de MKBA zowel het landbouw­voorstel, de integrale aanpak als het initiatief­ voorstel te verdedigen, evenals de kansrijke gebieden benadering mits deze als opstapje naar de integrale aanpak fungeert. Er komt uit de MKBA dus geen duidelijk voorkeurs­alternatief naar voren. Wel zijn er twee duidelijke afvallers: de alternatieven referentie en de generieke veenweidevisie leggen het duidelijk af tegen de overige alternatieven. De maatschappelijke baten van beide alternatieven zijn maar iets meer dan de helft van de maatschappelijke kosten ervan. In het generieke veenweide alternatief lijkt de situatie ten opzichte van de referentie zelfs te verslechteren: het kost tientallen miljoenen euro’s, waar nauwelijks baten tegenover staan. Deze conclusies zijn gebaseerd op de gepubliceerde kennis (van den Akker et.al. 2018) over de mate van CO2 uitstoot van verschillende bodemtypes bij verschillende grondwaterstanden. Uit recente metingen (waarover nog niet is gepubliceerd) blijkt echter dat de CO2 uitstoot hoger is dan tot op heden aangenomen. In de MKBA is hier om deze reden ook een gevoeligheidsanalyse op gepleegd.

Uit deze gevoeligheidsanalyse blijkt dat de klimaatbaten bij een aantal varianten toenemen en in alle varianten hun positieve saldo behouden.

23

3.3

Bodemdaling

De mate van bodemdaling hangt sterk samen met het bodem­type en de mate van ontwatering. De dikte van het veenpakket, en het wel of niet aanwezig zijn van een kleidek op het veen, speelt hierbij een belangrijke rol. Door een hogere grondwaterstand, dus minder ontwatering, zal het veen minder oxideren en daardoor zal de bodem minder dalen. Voor veen met een dikte van meer dan 80 cm zonder een kleidek is bij een waterpeil van 90 cm beneden maaiveld uitgegaan van een bodemdaling van 17 mm/jaar. Als er sprake is van een kleidek is uitgegaan van 11 mm/jaar. Voor een dun veenpakket is uitgegaan van 12 mm en voor moerige gronden 5 mm. De meeste vermindering van bodemdaling is de bereiken bij dik veen zonder kleidek en de minste bij moerige gronden. De mate van vermindering hangt nauw samen met de mate van vernatting van het veen. In het programma is uitgegaan van een gemiddelde beperking van de bodemdaling met 2 mm per jaar.

3.4

CO2-emissie en -reductie

Methoden voor bepalen CO2-emissie In de MKBA is gebruik gemaakt van een methode die emissie­getallen baseert op een (lineaire) relatie tussen bodem­daling en emissie. Dit is de methode van Wageningen Universiteit (WUR) die landelijk gebruik wordt en waar ook de landelijke doelstelling van jaarlijks 1,0 Mton CO2-reductie in 2030 voor het totale Nederlandse veenweide­gebied op gebaseerd is. Om nog meer te weten te komen over de relatie tussen peilopzet en CO2-emissie doen we mee aan een landelijk onderzoeksprogramma naar CO2-metingen. Tevens doen we zelf onderzoek naar CO2-emissie. Dit doen we onder verschillende omstandigheden, zowel met als zonder onderwater­drainage en met verschillende droogleggingen en veenbodems.

CO2 reductie volgens MKBA Uit de analyse van de “vermeden klimaatschade” in de MKBA zijn een aantal conclusies te trekken: • De meeste winst op vermindering van CO2-uitstoot en beperken van bodemdaling is te halen in de dikkere veenpakketten (met of zonder kleidek); • In veen met een dik kleidek (> 40 cm) zijn de CO2uitstoot en de bodemdaling weliswaar gering, maar het verhogen van het peil tot aan de onderkant van het kleidek heeft ook slechts beperkte invloed op de landbouw­opbrengsten; • Ook in de dunne veenpakketten (40-80 cm) is nog een substantiële reductie van CO2-uitstoot te realiseren; • De moerige gronden kennen weliswaar een geringere CO2-uitstoot per ha, maar door de grote oppervlakte van dit bodemtype is ook hier nog wel een substantiële reductie te behalen.

24

3.5 Keuzes in Veenweideprogramma 20202030 Keuze voor integrale aanpak en uitwerking daarvan In de MKBA is geconcludeerd dat de integrale aanpak de grootste welvaartswinst oplevert, het hoogste rendement kent per geïnvesteerde euro, en het minst gevoelig is voor tegenvallers. De integrale aanpak is een mix van de landbouw­variant en de variant op basis van het initiatief­ voorstel. Bij het opstellen van het Veenweideprogramma zijn de varianten gepreciseerd en is verder invulling gegeven aan deze mix. Om te komen tot een mix van de landbouwvariant en de variant initiatiefvoorstel, is een nadere analyse per bodemtype gedaan. Uit deze analyse blijkt dat de meeste bodem­daling plaatsvindt in de veenbodems zonder klei­ dek. Ook kent dit bodemtype de hoogste CO2 uitstoot. Daarna volgen de veenbodems met een dunne kleiklaag. Veenbodems met een dikke kleilaag en moerige gronden kennen de minste bodemdaling en CO2-uitstoot. De verwachting is nu dat het optimale grondwaterpeil voor zo min mogelijk emissies van broeikasgassen rond de 20 cm beneden maaiveld moet zijn (Jurasinski et al, 2016). Om de gronden ook landbouwkundig te kunnen blijven gebruiken wordt in het programma uitgegaan van een grondwater­ stand van 40 cm beneden maaiveld. Op grond van deze analyse wordt prioriteit gegeven aan het gebied met een dik veenpakket, zowel zonder als met een dun kleidek (27.000 ha).

In deze gebieden wordt de komende jaren ingezet op hogere grondwaterstanden (40 cm beneden maaiveld) door aanpassingen in het peilbeheer en in de waterhuishoudkundige infrastructuur. De jaarlijkse CO2-reductie die hiermee bereikt kan worden is op basis van de huidige kennis gerekend op ruim 250.000 ton CO2 (t.o.v. 2020). Dit is een voorlopige berekening. Wanneer er duidelijkheid is over een landelijke monitorings- en berekenings­systematiek kan preciezer worden bepaald wat de bijdrage van bepaalde bodemtypen en maatregelen aan de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen is. In 2026 wordt de balans opgemaakt van vijf jaar uitvoering en wordt op basis van de dan opgedane kennis en voort­ schrijdende inzichten besloten welke maatregelen worden ingezet in de overige gebieden. Naast de beoogde reductie van CO2, kan bij deze aanpak de bodem­daling beperkt worden: dit kan per deelgebied verschillen, maar gemiddeld gaat het om 0,2 cm minder bodem­daling per jaar. Ook hiervoor geldt dat dit gebaseerd is op een voorlopige berekening en dat dit preciezer wordt bepaald als er meer duidelijkheid is over een landelijke monitorings- en berekeningssystematiek. In de MKBA is het verhogen van de peilen uitgesmeerd over de hele periode 2020-2120.

Dit betekent een geleidelijke overschakeling naar andere verdienmodellen in de landbouw; om die reden is in de MKBA geen schade voor landbouw meegerekend. Om de beoogde doelen in 2030 te halen wordt ingezet op een snellere verhoging

van de peilen. Een snellere aanpak betekent een snellere omschakeling voor de landbouw en dat gaat gepaard met transitiekosten. Deze zullen met een goed flankerend beleid voor de landbouw moeten worden opgevangen. Bij de berekening is uitgegaan van de volgende emissie­ reductie per jaar ten opzichte van de huidige situatie (2020) per bodemtype, zowel per hectare als totaal:

Ton CO2-equivalenten per hectare &totaal aantal ton per bodem­type

Drooglegging 60cm WUR

Drooglegging 40 cm WUR

Drooglegging 30 cm WUR

Puur veenweide

-6,6 p/ha -85.000

-11,4 p/ha -145.000

-12,8 p/ha -164.000

Dikke kleilaag

-2,6 p/ha -23.000

-4,4 p/ha -38.000

-4,8 p/ha -42.000

Dunne kleilaag

-4,1 p/ha -67.000

-7,4 p/ha -119.000

-8,2 p/ha -132.000

Moerige gronden

-1,8 p/ha -13.000

-3,0 p/ha -21.000

-3,2 p/ha -23.000

Dunne toplaag

-5,3 p/ha -42.000

-8,3 p/ha -64.000

-8,8 p/ha -68.000

Natuurgebieden 15.000 hectare

p.m.

p.m.

p.m.

Figuur 3.4: De jaarlijkse emissiereductie per bodemtype t.o.v. de huidige situatie (2019). Zowel per hectare als de totaalsom van het bodemtype. De berekening is gebaseerd op emissiereductiecijfers uit de studie ‘Potentiële emissiereductie broeikas­ gassen Fries veenweidegebied’ (van den Akker et.al, 2018). Bij deze berekening zijn aanvullende gegevens gebruikt uit Wilson et.al. 2016.

Ambitie: 0,4 Mton CO2-reductie p/j in 2030 In het Klimaatakkoord (2019) is voor de veenweidegebieden een gezamenlijke opgave afgesproken van jaarlijks 1,0 Mton CO2-reductie in 2030 ten opzichte van 1990. Uitgaande van een evenredige bijdrage van het Friese veenweide­­gebied hierin, is de ambitie in het Veenweide­ programma 2020 – 2030 een vermindering van 0,4 Mton CO2-uitstoot p/j. In de afgelopen dertig jaar (1990 tot nu) is een begin gemaakt met het beperken van de CO2-uitstoot; de droog­leggingen zijn nu, als gevolg van bodem­daling, gemiddeld lager dan in 1990. Met het Veenweideprogramma 2021-2030 wordt het verkleinen van droogleggingen verder doorgezet. Zoals hier­voor aangegeven leidt de voorgestelde aanpak in het veenweide­gebied op basis van de huidige kennis en inzichten tot een reductie van CO2-uitstoot van 0,25 Mton p/j in 2030 (t.o.v. 2020!) voor de veengebieden met een dik veen­pakket. Daarnaast verwachten we ook nog een aanvullende reductie door vernatting van natuurgebieden. Er zijn nog de nodige onzekerheden over de CO2-uitstoot. Op basis van aanvullende kennis en voortschrijdend inzicht wordt in 2026 besloten welke aanvullende maatregelen

nodig zijn om de reductie van 0,4 Mton CO2 in 2030 te realiseren. Op basis hiervan verwachten we dat met een integrale aanpak de ambitie om jaarlijks 0,4 Mton minder CO2 uit te stoten realistisch en haalbaar is. Alternatief 1 Wanneer deze aanpak enkel in 6 tot 8 kansrijke gebieden wordt uitgevoerd bedraagt de CO2-reductie 0,1 Mton p/j. Alternatief 2 Een ander alternatief zou zijn om in de gebieden met een dik veenpakket in plaats van een grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld te kiezen voor 30 cm. Uit de berekeningen volgt dan een CO2-reductie van 0,38 Mton p/j. Relatie met CO2-reductie in natuur en beekdalen In de natuurgebieden wordt nu doorgaans al een kleinere drooglegging gehanteerd dan in de gebieden met de functie landbouw. De 15.000 hectares aan natuurgebieden (excl. de Friese meren) bestaan uit verschillende bodem­ types. Hoewel de natuurgebieden al een kleinere droog­

25

legging hebben, hebben de natuurorganisaties aangegeven dat ze de natuur nog meer willen vernatten. Dit initiatief van de Stichting Urgenda heet: ‘versneld vernatten veen­ weide’ en is tweeledig: door in de huidige natuur­gebieden anti-verdrogingsmaatregelen te nemen kan CO2 worden vastgehouden, en door het Natuur Netwerk Nederland (NNN) sneller te realiseren, kan ook CO2 worden bespaard. Als de Urgenda maatregel in heel Nederland binnen drie jaar wordt doorgevoerd, dan kan landelijk 0,2 Mton CO2 bespaard worden. In Fryslân liggen 8.000 hectares aan beekdalen die opgevuld zijn met veen. Hiervan is 6.000 hectare landbouw en 2.000 hectare natuur. Met de voorgestelde aanpak worden er geen directe maatregelen of ingrepen in de beek­­dalen genomen. Wel zorgt de vernatting in het veen­ gebied ervoor dat ook de beekdalen natter worden (zie tekst over de Grondwater­studie). De 8.000 hectares beek­ dalen zullen daarmee ook een bijdrage leveren aan de totale CO2-reductie. Hoeveel deze bijdrage precies is, zal nog nader onderzocht moeten worden. CO2-reductie op lange termijn (2120) In de MKBA is een doorrekening gemaakt van de CO2reductie voor een periode van 100 jaar.

De gemiddeld jaarlijkse reductie in de periode 2020 - 2120 bedraagt bij het hanteren van het initiatiefvoorstel 0,25Mton CO2 per jaar, gebaseerd op cijfers uit de studie ‘Potentiële emissiereductie broeikasgassen Fries veenweidegebied’ (van den Akker et.al, 2018) en met gegevens uit Wilson et.al. . Deze reductie is berekend op basis van een geleidelijke verhoging van de peilen. In het Veenweideprogramma wordt een snellere reductie van 0,4 Mton CO2 p/j in 2030 beoogd. Bij het initiatiefvoorstel wordt verdergaande vernatting voorgesteld, verder dan in de voorgestelde aanpak voor het Veenweideprogramma 2021 – 2030. Toch is de jaarlijkse CO2-reductie van het initiatiefvoorstel in de MKBAberekeningen lager. Dat komt omdat dit een gemiddelde reductie is over 100 jaar. In die 100 jaar blijft er veen oxideren. Deze oxidatie is minder dan de huidige oxidatie (2020), maar zorgt er wel voor dat het veen verdwijnt en bodem­types “opschuiven”. Zo wordt bijvoorbeeld het bodem­­type “puur veenweide” langzaam “dunne toplaag” en wordt “moerige grond” een zandgrond. Die hectares doen daarna verminderd, resp. niet meer mee met de CO2reductie berekeningen. Daarom is de jaarlijkse CO2-reductie op korte termijn hoger, dan op lange termijn.

Op korte termijn levert het initiatievoorstel wel meer CO2-winst op; dit kan bijdragen aan het voorkomen van het passeren van het kantelpunt in het mondiale broeikassysteem en bij­ behorende klimaatopwarming.

26

3.6

Grondwaterstudie

Uit de Grondwaterstudie Fryslân blijkt de bijzondere positie van het Friese veenweidegebied. Het veenweidegebied ligt momenteel 1 à 3 meter onder NAP. Het gebied ligt daar­ mee meters lager dan het oostelijk gelegen zandgebied van Fryslân. Het veenweidegebied ligt ook lager dan het noord­(west)elijk gelegen zeekleigebied. Daardoor stroomt (dieper) grondwater vanuit het noordwesten en het zand­ gebied richting het Lage Midden van Fryslân; jaarlijks ca. 72 miljoen m3 grondwater, dat wordt opgevangen en deels weg­gepompt door de gemalen van het waterschap. Veen is slecht doorlatend en biedt weerstand tegen grondwater­ stroming vanuit de diepere ondergrond (kwel). Veen is als het ware “de deksel op de pan”. Als die veenlaag verdwijnt door oxidatie of vervening, ondervindt het diepere grond­ water steeds minder weerstand om naar boven te stromen. Dat blijkt ook in de diepe veenpolders, waar door het nagenoeg ontbreken van dikke veenpakketten sprake is van een constante toestroom van kwelwater uit de diepere ondergrond. Het veenweidegebied komt door de voortgaande bodem­ daling steeds lager te liggen ten opzichte van andere delen van Fryslân. De jaarlijkse toestroom van dieper grondwater is bij een gematigd klimaatscenario in 2085 met ca. 50% toegenomen ten opzichte van de huidige situatie.

De ontwatering van het veenweidegebied met poldersloten en gemalen heeft tot gevolg dat zoute kwel steeds verder land­­inwaarts komt (verzilting). Het leidt ook tot een versterking van de verdroging van de hogere zandgronden in Fryslân. De dominante invloed van het veengebied op het grondwatersysteem wordt dus steeds groter. In het kader van de Grondwaterstudie zijn enkele maatregel­­scenario’s specifiek voor het veenweidegebied doorgerekend. Met name het modelmatig verhogen van de peilen in het gebied tot een drooglegging van 30 cm, toont de dominante invloed van het veenweidegebied op het Friese grondwatersysteem. Niet alleen stijgen de grondwater­standen in het veenweidegebied, ook treden aanmerkelijk positieve effecten op de grondwaterstanden in het zuidoostelijke zandgebied op, met stijgingen tussen de 5 cm (op de hogere delen) en 50 cm (in de beekdalen) in 2085. In de beekdalen ligt nog ca. 8.000 hectare veengrond. Hogere grondwaterstanden in de beekdalvenen leiden tot gedeeltelijk behoud van deze veenbodems en tot vermindering van CO2-emissies.

Figuur 3.5: Figuur uit de Grondwateratlas Fryslân. Hierop is de huidige grondwatersituatie in de provincie Fryslân te zien. De blauwe peilen laten zien welke kwelstromen er zijn. De rode peilen laten de zoutindringing uit de Waddenzee zien

Ook het verziltingsproces vanuit het noordelijk zeeklei­ gebied vertraagt. Afhankelijk van het type maatregel en de schaal waarop deze wordt toegepast, bedraagt deze vertraging enkele jaren tot ruim 100 jaar. Op de langere termijn wordt het effect weer ongedaan gemaakt door de verdergaande zeespiegelstijging, bodemdaling en klimaat­­­verandering. De mate van klimaatverandering (o.a. zeespiegel­­stijging) is daarom medebepalend voor de snelheid van het verziltingsproces. Ingrepen in het veenweidegebied werken hydrologisch dus ook door naar andere gebieden. De Grondwaterstudie heeft een tijdshorizon van honderden jaren en de uitgevoerde MKBA heeft een tijdshorizon van 100 jaar. Alle onderzochte alternatieven in de MKBA dragen bij aan een vernatting van het veenweidegebied; de mate waarin verschilt per alternatief.

27

4. Aanpak 4.1

Transitieaanpak

Een duurzaam toekomstperspectief voor het veenweide­ gebied vraagt om een aanpassing in de manier waarop het ‘veenweidesysteem’ functioneert. Vooral de aanpassingen in de waterhuishouding, gericht op verminderen van de bodem­daling en de CO2 uitstoot, en als antwoord op de klimaat­verandering, hebben een groot effect. Het gebied zal natter worden en dit heeft gevolgen voor de aanwezige landbouw maar ook voor de andere functies in het gebied. Deze veranderingen grijpen in op verschillende domeinen; het institutionele, economische, ecologische en technologische domein. Ook grijpt dit in op verschillende schaal­niveaus; op het individuele niveau maar ook op het maatschappelijke. Een samenhangende veranderaanpak is nodig om verandering op gang te brengen. Omdat elk gebied zijn eigen gebiedspecifieke kenmerken heeft, vraagt elk gebied ook om een eigen invulling. Bij deze gebiedsspecifieke kenmerken gaat het om bodemopbouw, huidige landbouwstructuur, waterhuishoudkundige structuur en specifieke gebiedsopgaven. Integraliteit is een belang­rijk uitgangs­punt in deze verandering. De grootste uitdaging bij anders gaan denken, organiseren en sturen bij dergelijke veranderingen is cultuur­omslag. Transities vereisen echt anders gaan werken vanuit andere waarden. Technologie is belangrijk, maar transities zijn mensenwerk.

4.2

Integrale gebiedsaanpak

Voor het veenweidegebied zijn vier veenweidedoelen geformuleerd. We streven naar vermindering van (de negatieve effecten van) bodemdaling, vermindering van CO2 uitstoot, een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, en een klimaatadaptieve inrichting. Daarnaast willen we zoveel mogelijk meerwaarde bereiken door koppelkansen met andere, meer algemene doelen te benutten, zoals vermindering van de stikstofbelasting, herstel van biodiversiteit, en waterkwaliteit. Op basis van deze verschillende doelstellingen is een analyse gemaakt van gebieden waar veel van deze opgaven samen komen. Voor deze analyse zijn de volgende kaartbeelden gebruikt: • Veendikte meer of minder dan 80 cm; • Stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden; • Leefgebied open grasland (cluster weidevogelgebieden); • Leefgebied natte dooradering (biodiversiteit); • Aaneengesloten landbouwgebied (> 50 ha) met een drooglegging minder dan 60 cm; • Verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Deze kaartbeelden zijn geïntegreerd in een kaartbeeld waarop zichtbaar is waar meerdere opgaven elkaar over­ lappen en daarmee koppelkansen voor meerdere opgaven bestaan. Op de volgende pagina’s zijn eerst de kaarten per thema/ doelstelling weergegeven en daarna de geïntegreerde kaarten met koppelkansen.

Figuur 4.1: veendiktes in veenweidegebied

28

29

Figuur 4.2: stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden en veendiktes

30

Figuur 4.3: weidevogelgebieden en veendiktes

31

Figuur 4.4: natte dooradering en veendiktes

32

Figuur 4.5: aaneengesloten landbouwgebied met drooglegging < 60 cm en veendiktes

33

Figuur 4.6: verdrogingsgevoelige natuurgebieden en veendiktes

34

Figuur 4.7: koppelkansen bij veendikte < 80 cm

35

5. Kosten Veenweideprogramma Voor de inschatting van de kosten van het programma zijn enkele kostencomponenten onderscheiden. Dit zijn de transitiekosten voor landbouw, transitiekosten water­ huishouding en overige transitiekosten. Daarnaast zijn er nog algemene programmakosten. Omdat er nog geen concrete plannen zijn uitgewerkt gaat het om een zo goed mogelijke schatting van de kosten. Bij de periodieke herijking van het programma wordt de kosten­raming op basis van voortschrijdende inzichten bijgesteld.

5.1

Kosten aanpassingen landbouw

In het programma is aangegeven dat de problematiek van het veenweidegebied vraagt om een brede lange termijn­aanpak. Hiervoor wordt ingezet op een structurele verandering van de manier waarop het veenweidegebied functioneert bij hogere waterpeilen. Een belangrijke verandering is voorzien in de uitoefening van de landbouw. Om de doelen van dit programma te bereiken zal vernatting van het veen nodig zijn. Een verhoging van de peilen zal in veel gevallen op bedrijfs­ niveau leiden tot vermindering van opbrengst en verlies aan vermogens­waarde, terwijl aan de kostenkant de lasten min of meer gelijk blijven. Een directe omschakeling naar andere verdien­modellen die dit verlies compenseren, zal niet of maar gedeeltelijk mogelijk zijn. Om voor boeren deze overstap naar een op de nieuwe omstandigheden aangepaste bedrijfs­voering mogelijk te maken, moet er financieel ruimte zijn. Ook het aankopen van gronden en verplaatsen van bedrijven zal onderdeel uitmaken van deze aanpassing. Een precieze raming van deze aanpassingskosten is op dit moment niet te maken. In de MKBA is ook een vermindering van opbrengsten voor landbouw geraamd maar deze MKBA benadering leent zich niet voor het ramen van de omschakel­kosten voor landbouw8.

Daarom zijn de kosten voor de land­bouw ingeschat door de opbrengstderving over 10 jaar te bepalen, evenals de waardedaling van de grond als gevolg van verhoging van de peilen. Deze jaarlijkse opbrengst­derving is gekapitaliseerd voor een periode van 10 jaar zoals ook in het onteigeningsrecht gebruikelijk is. Deze kosten geven een indicatie van wat er in eerste instantie aan minder opbrengst en wat er aan waardedaling van grond verwacht kan worden. Met deze kosten kan aan boeren financieel tijd en ruimte worden geboden om een over­stap te maken naar een aangepaste bedrijfsvoering.

Figuur 4.8: koppelkansen bij veendikte > 80 cm

36

Berekening opbrengstderving Om de doelen van het programma te bereiken is vernatting van het veen nodig en wordt ingezet op hogere water­ peilen. Deze maatregel kan leiden tot opbrengst­derving en waardedaling van de grond. Met het rekenmodel Waternood9, aangepast met ervaringen van de Case study Aldeboarn de Deelen is berekend wat de effecten van peil­

wijziging zijn op de opbrengsten van de grond. Vernatting leidt tot wijziging van het grondwater­regime. Dit wordt uitgedrukt in een gemiddeld hoogste grondwater­stand (GHG) en een gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Verandering van het grondwaterregime kan leiden tot opbrengst­vermindering door vernatting en/of door droogte. Als indicatie is uitgegaan van een scenario met een droog­ legging van 40 cm; dit is doorgerekend en vergeleken met het scenario op basis van de huidige peilen. Hiermee is het verschil in opbrengst bepaald. Het totaal aan berekende opbrengst­derving voor 10 jaar bedraagt € 192 miljoen. We zien dit als een worst-case benadering. Door toepassing van flexibel peilbeheer kan de opbrengstderving van landbouw beperkt worden. Bodemtype

Ha

Dik veen = Veen > 80 cm zonder kleidek

11.926

Veen >80cm met dunne kleilaag <40 cm

15.969

Klei-op-veen = Veen met dik kleidek >40 cm

8.347

Dun veen = 40 tot 80 cm veen

7.540

Moerige gronden = minder dan 40 cm veen

15.745

Overig*

8.839

Totaal

68.366

*onder deze categorie vallen bodemtypes die in het veenweidegebied liggen en die niet onder de andere categorieën vallen, zoals: dun veen (< 80 cm) in klei bodemtype of onder een kleidek.

Waardedaling van de grond Waardebepaling van grond wordt in de praktijk gedaan op basis van een taxatie. Voor deze kostenberekening is uitgegaan van een rekenkundige bepaling voor het hele veenweide­gebied op basis van onderstaande tabel. Met doel­­realisatie wordt het opbrengend vermogen van de grond uitgedrukt. Als de doelrealisatie boven de 70% blijft is er van uitgegaan dat er geen waardedaling van de grond optreedt. Wanneer de doelrealisatie door de maatregel in een lagere klasse komt, leidt dit tot een bepaalde waarde­ daling van de grond.

In de MKBA zijn de totale maatschappelijke kosten en baten over een periode van 100 jaar als contante waarde berekend. Hierbij is geen aparte berekening gemaakt van ‘omschakelkosten’.

8

Waternood is een rekenmodel dat landelijk wordt gebruikt om opbrengstveranderingen in de landbouw als gevolg van water­ huishoudkundige ingrepen te berekenen.

9

37

6. Monitoring Door projecten en maatregelen van een programma te monitoren wordt inzicht verkregen in de voortgang van de doelen. Deze informatie kan leiden tot het bijsturen en/of bijstellen van de projecten en maatregelen in het Veenweide­programma 2021-2030. Bij de uitvoering van dit programma proberen we ook aan te haken op doelen uit aan­palende programma’s, zoals doelstellingen uit programma’s voor biodiversiteit/ natuur, stikstof en de Kader Richt­lijn Water (KRW). Deze aanpalende programma’s kennen hun eigen doelen en ook hun eigen monitoring van de voort­gang. In het kader van het Veenweideprogramma 2020-2030 worden alleen de specifieke hoofddoelen van dit programma gemonitord.

6.1 Monitoring op (strategische) hoofddoelen Doelrealisatie

Afwaardering

Waarde grond

70-100%

0%

50.000

60-70%

20%

40.000

50-60%

30%

35.000

40-50%

40%

30.000

30-40%

50%

25.000

20-30%

60%

20.000

0-20%

85%

7.500

toenemen om het verlies aan berging te compenseren en om de gevolgen van klimaatverandering te kunnen opvangen. Uitgaande van 68.000 ha veenweidegebied betekent dit een oppervlakte van 1360 ha. Bij een hectare­ prijs van € 50.000 betekent dit een investering van € 68 miljoen. Daarnaast zullen er ook aanpassingen in de water­ infrastructuur nodig zijn om verhoging van grondwater­ standen mogelijk te maken. De kosten hiervan worden geschat op € 500 per ha; totaal € 34 miljoen. De totale kosten voor aanpassen waterhuishouding en klimaat­ adaptatie komen daarmee op ruim € 102 miljoen.

5.3 Hiermee is de waardedaling van de grond becijferd op afgerond € 225 miljoen De totale kosten landbouw worden daarmee op €417 miljoen ingeschat. Dit is een eerste schatting op dit moment. In het programma is aan­ gegeven dat er een methodiek wordt ontwikkeld voor het afwaarderen van grond. Bij het afwaarderen van grond worden afspraken gemaakt over beperkingen in het gebruik van de grond en wordt hiervoor een eenmalig vergoeding afgesproken.

5.2 Kosten aanpassingen waterhuishouding incl. klimaatadaptatie Verhoging van de peilen brengt een aanpassing van de water­huishouding met zich mee. Door hogere peilen zal de bergings­capaciteit van het watersysteem kleiner worden. Ook zullen nieuwe kunstwerken (stuwen, duikers etc.) nodig zijn om het watersysteem aan te passen aan de nieuwe gebiedsinrichting. Verder is een belangrijke doelstelling dat het watersysteem robuust en klimaat­bestendig wordt ingericht om te zorgen voor voldoende water­beschikbaar­ heid en bergingscapaciteit. Om het watersysteem aan te kunnen passen zal ruimte nodig zijn. Ingeschat is dat de bergings­capaciteit in de polders met 2% zal moeten

38

Overige aanpassingskosten

Tijdens de looptijd van het programma verwachten we nog andere kosten die uit het Veenweideprogramma gefinancierd zullen worden. Daarvoor is een aanvullend budget van € 20 miljoen geraamd. Dit kan gezien worden als een post onvoorzien.

5.4

Programmakosten

Onder programmakosten vallen de diverse algemene kosten die gemaakt worden om het programma te ‘draaien’. Dit is ingeschat op € 1 miljoen per jaar, gedurende 10 jaar. Kosten samengevat Kosten aanpassingen land­bouw (incl. flankerende maatregelen)

€ 417 miljoen

Kosten aanpassingen waterh­uishouding inclusief klimaatadaptatie

€ 102 miljoen

Overige aanpassingskosten

€ 20 miljoen

Programmakosten

€ 10 miljoen

Totaal

€ 549 miljoen

Het Veenweideprogramma 2020-2030 heeft vier (specifieke) hoofddoelen. 1. Het beperken van de CO2 uitstoot vanuit het veen; 2. Het beperken van de negatieve effecten van bodem­ daling; 3. Het realiseren van een klimaatbestendig watersysteem; 4. Het realiseren van een duurzaam en passend toekomst­ perspectief voor de landbouw.

1, 2. Beperken van CO2 uitstoot, en van de negatieve effecten van bodemdaling Voor het meten van het beperken van de CO2-uit­stoot sluiten we aan bij het Nationaal Onderzoek Broeikas­gassen Veenweide (NOBV). Dit project richt zich op het onder­ zoeken van de uitstoot van broeikasgassen uit veen­bodems. Doel is de effectiviteit van verschillende maatregelen tegen veenafbraak te onderzoeken en de voorspellingen van de emissies onder verschillende omstandig­heden en bij verschillende maatregelen te verbeteren. Om dit gedegen in beeld te brengen, is het nood­­zakelijk om meerjarig te meten. Maatregelen die onderzocht worden zijn onderwaterdrainage, drukdrainage en verschillende natte teelten. Daarnaast wordt de bodemdaling gemeten en wordt onderzocht wat de huidige emissies van broeikasgassen uit verschillende veenbodems zijn. Om de processen goed te begrijpen en de modellen voor de emissies zo goed mogelijk te maken, zal ook onderzoek worden gedaan naar bodemleven, waterkwaliteit en andere factoren die de emissies beïnvloeden. Voor de uitvoering van het NOBV is een consortium gevormd van verschillende onderzoekspartijen: Deltares, Radboud Universiteit, Vrije Universiteit Amsterdam, Universiteit Utrecht, Wageningen Environmental Research en Wageningen Universiteit, met medewerking van Technische Universiteit Delft, B-ware en Kytalyk Carbon

Cycle Research VOF. Voor het onderzoeksprogramma heeft men vijf locaties geselecteerd waar al onderzoek naar maatregelen tegen veenafbraak plaatsvindt. De broeikasgas­metingen zullen in nauw overleg met alle betrokken partijen aan deze lopende onderzoeken gekoppeld worden. Dat heeft als voordeel dat er geen nieuwe proef­velden hoeven te worden aangelegd en dat er al een meer stabiele situatie is ontstaan. Daarnaast kan men daar­door gebruik maken van data die al op deze locaties zijn verzameld. Bij de selectie van de onderzoekslocaties is ook rekening gehouden met diversiteit in bodemopbouw, maatregelen en schalen van maatregelen. De geselecteerde locaties zijn Zegveld (Utrecht), Rouveen (Overijssel), Vlist (Zuid-Holland), Assendelft (Noord-Holland) en Aldeboarn (Fryslân). Het onderzoek wordt uitgevoerd onder regie van STOWA.

Binnen dit onderzoek werkt men de komende jaren aan de volgende doelstellingen: • het bepalen van de effecten van maatregelen in het veenweide­gebied op broeikasgasuitstoot en bodem­ daling; • het opstellen van een meetprotocol voor het meten van broeikasgasuitstoot en bodemdaling in het veenweide­ gebied; • het actualiseren en optimaliseren van het model­ instrumentarium voor het voorspellen van broeikasgas­ uitstoot en bodemdaling; • het opbouwen van een landelijk dekkend meetnetwerk dat gebruikt kan worden voor langjarige monitoring van de broeikasgasuitstoot en bodemdaling in het veenweidegebied. Daarnaast is het van belang om de mate van bodemdaling te meten. Deltares doet hier het nodige onderzoek naar, zie: https://www.deltares.nl/nl/topdossiers/bodemdaling/. Ook is bodemdaling onderdeel van het NOBV. Verder wordt gekeken naar de effecten van een maatregel op wateroverlast, zoetwatervraag, draagvlak en biodiversiteit.

3. Het realiseren van een klimaatbestendig watersysteem Watersysteem Met behulp van luchtfoto’s die jaarlijks in het voorjaar gemaakt worden, kunnen we bepalen met hoeveel hectare het wateroppervlak in het veenweidegebied is uitgebreid. Binnen de administratie van Wetterskip Fryslân, de zogeheten legger, wordt bijgehouden waar de retentie­ gebieden liggen. Hiermee worden veranderingen in waterbergings­capaciteit jaarlijks bijgehouden. Grondwaterstand In Fryslân worden de grondwaterstanden met peilbuizen continu gemonitord. Deze peilbuis monitoring kan worden uitgebreid in het veenweidegebied (toepassen in

39

verschillende veensoorten). Dit kan door het project ‘Boeren meten water’ verder uit te rollen in Fryslân. Hiermee kunnen we de effectiviteit van peilverhoging en slootuitbreiding op de grondwaterstand meten. Er kan dan gemeten worden of er in droge - neerslagloze - tijden voldoende water in de bodem wordt opgenomen.

4. Het realiseren van een duurzaam en passend toekomstperspectief voor de landbouw Voor het monitoren van de ontwikkelingen in de land­ bouw, met name de ontwikkeling en toepassing van nieuwe en houdbare verdienmodellen, sluiten we aan bij de monitoring in het kader van de provinciale Landbouw­ agenda. We spitsen dit toe op de situatie in het veenweide­ gebied. Ook sluiten we aan bij gegevens uit de landbouw­ sector en lopende gebiedspilots en experimenten.

6.2

7 Referenties Van den Akker, J.J.H., H.T.L. Massop en R.P.J.J. Rietra, (2018). Potentiële emissiereductie broei-kasgassen Fries veenweidegebied; Waterhuishoudkundige en bodembeheermaatregelen om broeikasgasemissies te beperken, Wageningen University and Research, Wageningen. Wilson, D., Blain, D., Couwenberg, J., Evans, C. D., Murdiyarso, D., Page and S. E. Tuittila, (2016). “Greenhouse gas emission factors associated with rewetting of organic soils”, in: Mires and Peat, Vol. 17.

Bijlagen

Monitoring in kansrijke gebieden

In een aantal kansrijke gebieden (veenweide-ontwikkel­ gebieden) zijn gebiedsprocessen opgestart. Deze processen moeten leiden tot een inrichtingsplan voor een gebied. De processtappen om te komen tot een inrichtingsplan worden gemonitord. Onderdeel van deze inrichtingsplannen is het opstellen van een monitoringsplan voor het betreffende gebied. In het monitoringsplan moeten betrokken partijen aandacht besteden aan de (specifieke) hoofddoelen van dit programma en de wijze van monitoren.

6.3

Relatie met brede welvaart

Het Veenweideprogramma heeft raakvlakken met vergroting van brede welvaart als overkoepelende ambitie in het provinciale Bestuursakkoord 2019-2023. Om deze reden beoordelen we de maatregelen uit het Veenweide­ programma zoveel mogelijk op de dimensies van brede welvaart, zoals aangegeven in het Bestuursakkoord. Ons doel hierbij is om vanuit een integraal perspectief naar het veenweide­gebied te kijken en van daaruit bredere, maatschappelijke effecten te realiseren op het geluk in Fryslân.

40

41

Bijlage 1: Overzicht innovatieprojecten Dit schema geeft een overzicht van de innovatieprojecten van de afgelopen jaren (2016 – 2019). Hierin wordt beschreven wat er gedaan is en wat de resultaten zijn geweest. Tevens geeft het een overzicht van de projecten die nog lopen en wat de doelstelling daarvan is.

Waterexperimenten Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Proeven Onderwater­ drainage (OWD)

DOEL: Vaststellen of toepassing van onderwater­drainage (OWD) de maaivelddalingen effectief beperkt en de uitstoot van broeikas­gassen substantieel reduceert, met behoud van perspectief voor de landbouw, en bepalen wat de effecten zijn op water­kwantiteit (o.a. inlaat­behoefte) en water­kwaliteit. De onderzoeken bestaan uit veldproeven en model­studies op perceel- en peilvakniveau. De veld­proeven zijn vooral gebruikt voor onderzoek naar de effectiviteit van onderwater­drains om maaiveld­dalingen (en daarmee ook beperking van broeikasgas­­emissies) te beperken en om de effecten op het bedrijfsresultaat te bepalen. De model­ studies zijn uitgevoerd om inzicht te krijgen in de effecten van onderwaterdrains op de waterkwantiteit en de water­kwaliteit. Hierbij is met name voor de modellering op perceel­niveau gebruik gemaakt van de meet­resultaten van de veldproeven voor kalibratie en validatie. De doelstelling van deze onderzoeken is om, voordat grootschalig wordt geïnvesteerd in onderwaterdrains, duidelijkheid te scheppen over de voor- en nadelen van toepassing van onderwaterdrains.

De proef met OWD op 8 locaties is afgerond per 2019. Rapportage per september 2020. Het project loopt door, met name de CO2 metingen. Dit gebeurt in samen­ werking met het NOBV (Nationaal Onderzoek Bodem­daling Veenweide); o.a. in Oldeboorn met een continue meting met een hoog detail­niveau en mobiele CO2 metingen op 16 locaties, waarvan 3 op locaties met OWD (Koufurderrige, Gersloot en Spanga).

Stabiliteit slootkanten en kades bij wisselende peilen

DOEL: Bepalen wat de invloed is van flexibel peilbeheer op stabiliteit van oevers. Er zal worden gezocht naar maatregelen om schade aan oevers te minimaliseren.

Loopt door. Rapportage in ca. november 2020.

Verkenning effectiviteit greppelinfiltratie en bevloeien.

42

DOEL: De doelstelling is om met flexibel peilbeheer/ HAKLAM, de maaivelddaling en de broeikasgas­ emissie effectief reduceren. RESULTATEN: Een watervergunning voor vijf jaar met daarin een door de boeren geaccordeerd flexibel peilbeheer. Na 2 en 4 jaar zal gerapporteerd worden, en na vijf jaar wordt op basis van de ervaringen een definitief peilbesluit genomen. Er zal worden gestuurd met Boeren Meten Water meetpinnen.

DOEL: Effect van greppelinfiltratie en bevloeien op grondwaterstand. Er wordt ook een verkenning uitgevoerd naar het voeden van de infiltratiegreppels (hevelen; inlaten uit boezem, gecontroleerde boezen, of hoger gelegen peilvak, of gebruik maken van zonnecelpompen)

Loopt door tot minstens eind 2020, maar waarschijnlijk tot eind 2021.

RESULTAAT: Een rapportage t/m eind 2020 per juni 2021 van de effectiviteit van de maatregelen.

RESULTATEN: Een rapportage met de resultaten van het onder­ zoek. Sinds 2017 wordt onderzoek gedaan naar de effectiviteit van OWD in het Friese veenweide­gebied. Er is onderzoek gedaan op acht representatieve boerderijen. OWD leidt tot hogere grondwater­ standen in de zomer, lagere in de winter, maar lijkt broeikas­gas niet te verminderen. Pilots grondwater gestuurd peilbeheer (HAKLAM, Hoog Peil Als het Kan, Lager Als het Moet), met participatie door betrokken boeren.

RESULTATEN: Een rapportage met: a) zones binnen Fryslân die in meerdere of mindere mate gevoelig zijn voor instabiliteit van oevers door flexibel peil; b) factoren die een rol spelen bij instabiliteit van oevers; c) mogelijke maatregelen om schade te voorkomen.

Invloed van flexibel peilbeheer op voor­ komen van leverbot en salmonellabacterie.

DOEL: Bepalen wat de relatie is tussen voorkomen van leverbot en salmonella, en het toepassen van flexibel peilbeheer en greppelinfiltratie.

Het project zal waarschijnlijk doorlopen tot zeker eind 2022. Onderdeel van de proef is monitoring van de ziektes in

RESULTAAT: Een rapportage per eind 2020 van de mate van relatie. Er zal worden gewerkt met 1 of 2 bemalingsgebieden en peilvakken per kansrijk gebied. In totaal zal ervaring worden opgedaan in minimaal 6 gebieden. Er zal ook ervaring worden opgedaan buiten kansrijke gebieden (o.a. Hommerts). Eerste rapportage periode t/m december 2021, per juni 2022.

43

Bodemprojecten Eerste helft / medio 2020 wordt gewerkt aan een Bodem­ strategie Veenweide Fryslan. Dit met eerste input vanuit de lopende (gelopen) bodemprojecten. Hieruit volgen naar verwachting nog meerdere (innovatie-)bodemprojecten Veenweide voor 2021 t/m 2023.

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Niet kerende grond­ bewerking (NKG) en telen van mais op veen.

DOEL: Minder diepe bodembewerking betekent minder kans op oxidatie en CO2-emissies, daarnaast betere draag­kracht bodem. Mais lijkt het grondwater boven­dien minder uit te putten dan gras, behalve bij extreme droogte.

Loopt door.

Machines voor nat veen, communicatie project.

DOEL: Wat zijn voor de loonwerksector de gevolgen van toekomstige peilverhoging in het Friese veenweide­gebied. In gesprek komen met loonwerkers over maat­regelen die genomen moeten en kunnen worden. Dit gebeurt in het kader van de beoogde bewust­wording bij de loonbedrijven ten aanzien van de water­­problematiek in het veenweidegebied. De (agrarische)­loonbedrijven zijn voor de melkvee­houderij een belangrijke schakel in het voederwinnings­proces. Zonder de machines van de loon­ bedrijven komt deze voederwinning bij veel melkvee­ bedrijven in gevaar.

Loopt nog; is vertraagd vanwege PFAS-kwestie in 2019. Afronding najaar / winter 2020 (2021).

Twee sporen aanpak: 1. Maisdemo’s met NKG bij veel boeren in veenweidegebied. 2. Nader onderzoek naar integrale verduurzaming van de maïsteelt op veen, en ook daarbinnen voor het hele pallet gericht op a. vervanging van glyfosaat, b. alternatieven voor chemische bestrijdings­middelen en c. versterking van de biodiversiteit (weidevogels).

RESULTATEN: Afstemming Friese loonbedrijven met die uit Westelijk veengebied. Plenaire afsluitende, informerende bijeenkomst voor alle loonbedrijven in Friese veenweidegebied. Handleiding / flyer voor loon­bedrijven die werken in veengebieden.

Doorgaan met het stimuleren van niet-kerende grondbewerking, en daarbinnen voor het hele pallet van verduurzaming van de teelt van a. onderzoek, b. communicatie en c. financiële stimulering. RESULTATEN: Resultaat van 1. (Demo’s): De proeven laten zien dat niet-kerende grond­bewerking maisopbrengsten geeft die niet onder­doen voor de opbrengsten bij ploegen. Resultaat van 2. (Verduurzaming): Twee jaren van beproeven van teelt van mais zonder genoemde middelen. Drie jaren van beproeven in hoeverre mais­teelt kan samengaan met versterking van het vliegvlug krijgen van weidevogels (kievit). Verkenning biodiversiteit bij mais op veen en andere veldmetingen

DOEL: Hoewel maïs een uitheems gewas is en daardoor niet goed past binnen natuurinclusief boeren, is het voor veehouders een belangrijke aanvullende voedselbron. De uitdaging is nu om dit maïs op veen op zo’n manier te telen, dat de biodiversiteit op deze percelen vergroot kan worden. Daarnaast is het van belang dat de geteelde maïs een vergelijkbare opbrengst per hectare levert als in de gangbare teelt. De BFVW is gevraagd om mee te denken in deze pilot. RESULTATEN: Verkenning loopt nog.

44

Pilot Bodemvruchtbaar­ heid ADD inclusief grondwater-meetplan.

Loopt door. Is een bijdrage aan het project dat uitgevoerd wordt door de BFVW en maakt onderdeel uit van het project verduurzaming teelt mais.

DOEL: Onderdeel van de pilot is de toepassing van bodem­ vruchtbaarheidsproducten (geen kunstmest). Doel is onder andere om de bodem natter/ vochtiger te houden zodat de veenoxidatie vertraagt. Dit wordt gezet naast opbrengsten grasland en effecten op biodiversiteit. Naast monitoring van vocht en opbrengsten, wordt ook de biodiversiteit (insecten en spinnen boven- en ondergronds) gemonitord.

Loopt nog.

RESULTATEN: Project loopt nog (mogelijk is monitoring nodig na 2021). Bodem APK.

DOEL: Boeren doen meer kennis op over en experimenten met de onderwerpen bodem en water op veengronden. a. boeren informeren over en enthousiasmeren voor nieuw bodembeheer en nieuwe technieken voor waterbeheer; b. boeren laten oefenen met toepassen van maatregelen, technieken en modellen, zodat deze methoden beproefd worden op veengrond en de werkwijze en effecten vastgelegd kunnen worden.

Afgerond. In 2019 is LTO gestart met de Noordelijke Bodem APK met een looptijd van 3 jaar. Hieraan nemen ook weer groepen boeren uit het Friese veenweidegebied deel.

RESULTATEN: Kennis en informatie zijn gedeeld. Maatregelen en methoden zijn beproefd.

45

Verdiencapaciteit landbouw

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Integraal Bodemproject Feangreide (LBI)

DOEL: Een uitvoeringsopzet voor o.a. specifiek maatwerk voor het schalterveen rond Koufurderrige, maar ook voor andere specifieke (veen)bodemlandbouwproblemen bij de andere vijf deelnemende boeren in Âldegae (SWF), De Veenhoop, Hommerts en Doniaga; de opzet sluit aan bij de opzet van de Feangreidefisy: Fase 1: feiten herkennen en erkennen: de zes melkvee­houders met bodemproblemen. Fase 2: oplossingen in beeld brengen: een in samenhang en samen­ werking opgesteld plan van aanpak: “Integrale bodem­ verbetering ‘Koufurderrige’’(vanaf nu ‘Fean­greide’), plus het voorgestelde onderzoek en uit­testen van maatregelen. Fase 3: keuzes maken: op basis van de bereikte (test)resultaten na drie jaar, algemeen doorvoeren van de meest succesvolle maat­regelen. Tijdens de drie jaren worden groepen boeren elders in het (Friese) veenweidegebied uitgenodigd mee te kijken en te luisteren bij de demo’s.

Net gestart. Loopt nog.

Better Wetter.

DOEL: Welk gewas kan men telen op natte veengrond, welke producten kun je daarvan maken en zijn daar kopers voor.

Loopt door. Langjarig perspectief; er zijn nog wel 10 tot 15 jaren nodig voor ontwikkeling teelten, producten en markten.

RESULTATEN: In 2019 is een tussenrapportage opgeleverd door het projectteam Better Wetter. Daarin staat o.a. deze conclusie m.b.t. verdiencapaciteit: Onderzoek naar de (regionale) afzetmogelijkheden en de vraag naar lisdodde biomassa vanuit de markt is onmisbaar om tot een integraal verdienmodel te komen. Vanuit de gemeente Dantumadiel wordt gewerkt aan het deelproject Veenmarktplaats, waarbij wordt samengewerkt met regionale constructiebedrijven, lokale boeren, meubelmakers en andere stakeholders. Proeftuin de Welle.

RESULTATEN: Project is pas gestart. Klein IN veen (onderdeel van groot landelijk onderzoek naar de effecten van het aanbrengen van klei (in de vorm van bagger) IN veen)

DOEL: De centrale vraag is of het aanbrengen van relatief kleine hoeveelheden klei effect heeft op veenafbraak. Wat we weten is dat lutumdeeltjes uit het slib zich kunnen binden aan de organische stof uit het veen en een stabiel kleihumus complex vormen. Door deze binding vertraagt mogelijk de afbraak van het veen. Momenteel wordt dit principe onderzocht in lab- en veldproeven. RESULTATEN: Vooralsnog wijzen de metingen op een interactie tussen klei en veen, maar ook dat dit een langzaam proces is. Er lijkt dus zeker perspectief te zijn voor het toevoegen van klei in veen om veenafbraak te verminderen in de veenweiden, maar exacte kwantificering is nog niet voorhanden. Het vervolg van dit onderzoek zal uitwijzen wat het effect over langere tijd is, en welke eigenschappen van klei hierbij een sleutelrol spelen. De Friese klei doet het erg ‘goed’ qua demping van CO2emissies, zowel op veen van Oldelamer als Gersloot.

Loopt nog; vervolg hierop naar verwachting vanaf 2020.

DOEL: Ervaring opdoen met en inzicht krijgen in de mogelijkheden om nat veen, met een drooglegging van 40 cm en 20 cm, rendabel te exploiteren. Het project richt zich op het meten van de productie van verschillende soorten grasmengsels, van de grondwater­ peilen en de draagkracht.

Loopt door tot zeker eind 2021. Eerste rapportage t/m periode eind 2020.

RESULTATEN: Bij eerste rapportage. Valuta voor Veen 1.0

DOEL: Verkenning naar de kansen en haalbaarheid van een systeem om voor het verminderen van CO2-uitstoot door vernatting van landbouwgronden een (vrijwillige) financiële tegen­vergoeding vanuit de ‘markt’ op te zetten. En daarmee een (extra) financiële stroom te organiseren om de CO2emissie-reductie door landbouwers te faciliteren.

Project 1.0 is afgerond; er komt een nieuw project 2.0, waarin de nadruk ligt op het verder uitrollen van Valuta voor Veen binnen de kansrijke gebieden.

RESULTATEN: Er is een geaccrediteerde methodiek vastgelegd voor het realiseren van CO2 credits. Er is een project gerealiseerd.

De veldproeven bij twee boeren in Delfstrahuizen gaan in 2020 uitgevoerd worden om de praktische en logistieke aspecten van Klei IN Veen in beeld te krijgen.

46

47

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Casestudy ADD

DOEL: Zoeken naar combinaties van (innovatieve) maatregelen waarmee meerdere doelen zijn te realiseren: Welk inkomens- en vermogensverlies treden op als gevolg van peilverhoging? Met welke aanvullende verdienmogelijkheden en (compensatie)­maatregelen valt dit verlies op te vangen? Met welke combinatie van maatregelen is een combinatie van doelen te realiseren.

Afgerond fase 1; met nieuwe vragen is een fase 2 gestart.

Omschakeling Jerseys.

DOEL: Vergelijken van de bedrijfsvoering en het bedrijfsresultaat met de verschillende veerassen in het scenario van vernatting van het veenweidegebied. Op die manier kan dit rapport ondersteuning bieden in de keuze voor de overstap op een ander melkveeras.

Afgerond.

RESULTATEN: Algemene Conclusies: • De systematiek om schade te berekenen kent nog veel onzekerheden en leemtes; • Vernatting leidt tot (aanzienlijke) schade en maakt aanpassing van bedrijf(systeem) noodzakelijk; • Zonder compensatie van de schade en/of nieuwe inkomsten, zal het rendement van veel agrarische bedrijven sterk onder druk komen te staan; • De benodigde compensatiemogelijkheden en de rand­ voorwaarden m.b.t. ecosysteem- of groenblauwe diensten zijn of nog niet aanwezig, of zodanig (lees: alleen voor korte termijnen van 6-7 jaar af te sluiten) dat agrarische bedrijven hun bedrijfssysteem nog niet aan nattere omstandigheden kunnen aanpassen; • Het vasthouden aan de wens om peilvakken niet te verkleinen is in geval voor extreem grote peilvakken als uitgangspunt onhoudbaar; • De in de Doorrekening gekozen uitgangspunten wat betreft compensatiemogelijkheden zijn discutabel. Zo is een plus op de melkprijs door Friesland Campina niet gegarandeerd, zijn nieuwe inkomsten niet exclusief voor natter veen beschikbaar en is het landbouwgebied direct rondom De Deelen vanwege predatie minder geschikt als ‘robuust weidevogelgebied’. Op grotere afstand van De Deelen ligt dit anders. • Compensatiemogelijkheden kunnen goed gekoppeld worden aan maatschappelijke doelen; • Compensatiemaatregelen zullen niet vrijblijvend zijn.

48

RESULTATEN: Uit het onderzoek is gebleken dat andere melkveerassen geen hoger bedrijfssaldo realiseren bij een hoger water­peil dan Holstein Friesians. Wel is te concluderen dat de bedrijfs­ saldo’s dalen als het waterpeil omhoog gaat. Dit geeft aan hoe belangrijk het is om bedrijven te ondersteunen wanneer het waterpeil omhoog gaat. Aangezien de saldo’s alle jaren lager zullen zijn als gevolg van de lagere gewasopbrengsten, kan dit niet als éénmalige vergoeding. Het is verstandig om voorafgaand aan de verhoging van de waterpeilen, een plan van aanpak te maken zodat de continuïteit van de betreffende melkveebedrijven niet in gevaar komt. Waterwijzer

DOEL: Het ontwikkelen van een instrumentarium voor het kwantificeren van effecten van waterbeheer en klimaat op de landbouwproductie.

Loopt door in 2020.

RESULTATEN: Instrumentarium is ontwikkeld en wordt gebruikt door de doelgroep.

49

Overig

Project

Doel en resultaten

Afgerond of loopt door

Boeren meten water

DOEL: Middels peilbuizen meten wat het effect is van maatregelen voor bodem en peilopzet op de grondwaterstand (grondwater­peil en bodemvocht). De deelnemende boeren kunnen realtime de resultaten opvragen middels een app. In studiegroepen bespreekt men met elkaar de resultaten. Er zijn met de boeren uit de kansrijke gebieden vooraf meetplannen opgesteld op basis van de pilots die uitgevoerd worden in dat gebied.

Loopt door.

Metingen uitstoot broeikasgassen op de diverse pilotlocaties

DOEL: Middels mobiele meetkamers wordt gemeten wat de CO2 uitstoot is onder verschillende omstandigheden en met verschillende maatregelen. Zo trachten we meer inzicht te krijgen in het effect van maatregelen (op het gebied van bodem en peilopzet) voor de verschillende bodem­ samenstellingen en veensoorten.

Loopt door.

RESULTATEN: Zullen nog beschikbaar komen. Muizen monitor

DOEL: Het doel van dit project was om een digitaal informatie­ platform op te zetten (i.s.m. LTO Noord), waar aan boeren en andere geïnteresseerden actuele informatie en kennis worden geboden over muizenuitbraken en maatregelen om schade te beheersen en te herstellen.

Afgerond per juni 2020.

RESULTATEN: Om het doel mogelijk te maken is een satellietviewer ontwikkeld, een muizenmonitor en een efficiënte methode om de aanwezigheid van muizen op een perceel te monitoren. Verder is de effectiviteit van bevloeien om de plaag te bestrijden beoordeeld.

50

51

52

53

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603841/1