Bijlage 5a - Nadere toelichting geohydrologisch effecten Oudega grote meer (bijlage 1)
Tekst van het document
Nadere toelichting geohydrologisch effecten Oudega grote meer 20 juni 2023
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Verantwoording Titel
Nadere toelichting geohydrologisch effecten Oudega grote meer
Opdrachtgever
Gemeente Smallingerland
Projectleider
Koort Verveld
Auteur(s)
Rik Bulsink
Tweede lezer
Sam Romeijn
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Aantal pagina’s
11 (exclusief bijlagen)
Datum
20 juni 2023
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Inhoud 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 4
2
Systeembeschrijving.................................................................................................................. 5
3
2.1
Bodemopbouw ................................................................................................................... 5
2.2
Spreidingslengte ................................................................................................................ 6
Grondwatermodel ...................................................................................................................... 6 3.1
Modelopbouw ..................................................................................................................... 6
3.2
Peilbuizen en validatie ....................................................................................................... 6
4
Effectbeelden............................................................................................................................. 8
5
Conclusie ................................................................................................................................. 11
3/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
1 Inleiding In opdracht van gemeente Smallingerland heeft TAUW de afgelopen jaren geohydrologische studies uitgevoerd naar de effecten van ontwikkelingen in de buurt van Oudega. De gemeente is voornemens om bij Oudega een jachthaven en een meer te ontwikkelen. De geohydrologische effecten van deze plannen zijn door TAUW in beeld gebracht. Afgelopen jaren zijn meerdere plannen geanalyseerd en de resultaten hiervan liggen vast in diverse rapporten. Voor de realisatie van een meer bij Oudega is een m.e.r.-procedure gestart. Ter onderbouwing van de geohydrologische effecten is bij de procedure het TAUW-rapport ‘Geohydrologische effecten Oudega grote meer’ met kenmerk R001-1281827XJN-V02-agv-NL d.d. 18 november 2021 bijgevoegd. Commissie MER heeft de aanvraag bekeken en heeft een advies uitgebracht. De Commissie adviseert om de navolgbaarheid van de hydrologische berekeningen aan te vullen. Dit rapport heeft als doel om een nadere verduidelijking te geven op het rapport ‘Geohydrologische effecten Oudega grote meer’. Getracht is om de onduidelijkheden weg te nemen en een nadere context te geven van de berekeningen en resultaten. Specifiek zal er in dit rapport ingegaan worden op twee adviespunten van de commissie MER.
Ten eerste, dient er verduidelijking van het model een beschrijving van de modelopbouw toegevoegd te worden en er dient inzicht te worden in de resultaten van de validatie. Dit is ter onderbouwing van de nauwkeurigheid van het model en in welke mate deze geschikt is om de effecten van de ingrepen te bepalen. Ten tweede, dienen de effecten in de diepere watervoerende pakket in beeld gebracht te worden. Deze hebben mogelijk een grotere uitstraling naar de omgeving dan alleen de effecten in het bovenste watervoerende pakket. Dit rapport is een aanvulling op het rapport Geohydrologische effecten Oudega grote meer d.d. 18 november 2021 met kenmerk R001-1281827XJN-V02-agv-NL). Een belangrijk aandachtspunt is dat in het geohydrologisch rapport de effecten van verschillende ingrepen gezamenlijk in beeld zijn gebracht. Er is onderzoek gedaan naar de hydrologische effecten van zowel ingrepen in het noordelijke deel als het grote meer in het zuiden van het gebied. Het noordelijke deel van het plangebied is meegenomen in de berekeningen, om het gezamenlijke effect van het nieuwe boezemwater te analyseren. De m.e.r.-procedure gaat specifiek over het realiseren van het meer en de impact daarvan op de omgeving.
4/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
2 Systeembeschrijving 2.1
Bodemopbouw
De bodemopbouw in het gebied is afgeleid uit het REGIS-ondergrondmodel. Uit dit model blijkt dat de bodem is opgebouwd uit een eerste watervoerende laag van gemiddeld 2,5 m dikte bestaande uit de zandige formatie van Boxtel. In een klein gebied in het zuiden bevindt zich boven deze formatie van Boxtel een slecht doorlatende holocene deklaag. De (horizontale) grondwaterstroming in het bovenste watervoerend pakket wordt beperkt door de geringe dikte van maximaal enkele meters. Het eerste watervoerende pakket wordt aan de onderkant afgesloten door een slecht doorlatende keileemlaag van gemiddeld 5 meter dik (Formatie van Drente). Daarop volgt het tweede watervoerende pakket, de zand formatie van Drachten die aan de onderkant wordt afgesloten door de geologische basis (formatie van Peelo). In de boorprofielen uit het geotechnische onderzoek (Wiertsema, 2021) zijn de ligging van het eerste watervoerende pakket en keileemlaag terug te zien. Tabel 2.1 Overzicht van de bodemopbouw (bron: REGIS) Geologische eenheid
Doorlatendheid (m2/d)
0 - -2,5
Formatie van Boxel
25
- 2,5 - - 7,5
Formatie van Drente
- 7,5 - - 17,5
Formatie van Drachten
<17,5
Formatie van Peelo
Gemiddelde diepte m
Weerstand
NAP 1.000 dagen 50 10.000 dagen
Figuur 2.1 Doorsnede van bodemopbouw (bron REGIS)
5/11
Kenmerk
2.2
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Spreidingslengte
Het eerste watervoerende pakket heeft een gemiddelde doorlatendheid van 25 m2/dag en wordt aan de onderkant afgesloten door een slecht doorlatende laag met een weerstand van gemiddeld 1.000 dagen. Aan de bovenkant van het watervoerende pakket bevindt zich alleen in het zuidelijke gedeelte van het gebied een dunne holocene deklaag. Vanwege het grotendeels ontbreken van de deklaag en de lage doorlatendheid van het eerste watervoerende pakket is de spreidingslengte (λ), maat voor het hydraulische invloedgebied van een ingreep, relatief beperkt. Doordat het topsysteem geïsoleerd is als gevolg van de keileemlaag wordt de ondiepe grondwaterstroming in het eerste watervoerend pakket sterk bepaald door de ontwateringsmiddelen (waterlopen en drainage). De (horizontale) grondwaterstroming in het bovenste watervoerend pakket wordt beperkt door de geringe dikte van maximaal enkele meters.
3 Grondwatermodel 3.1
Modelopbouw
In deze modelstudie is gebruik gemaakt van het grondwatermodel MIPWA 3.1. Dit model is een gekalibreerd regionaal grondwatermodel. De lagenopbouw en parametrisatie in het model zijn gebaseerd op REGIS-data. Modelverbeteringen voor deze studie zijn doorgevoerd door het actualiseren van het oppervlaktewatersysteem. Hierbij zijn de peilen, locatie van peilvakken en de locaties van watergangen geactualiseerd naar de referentiesituatie. Daarnaast zijn rond het baggerdepot het maaiveld opgehoogd (voor de parameter OLF) en watergangen aangepast. Het correct opnemen van het watersysteem in het grondwatermodel is essentieel, omdat het topsysteem dun en geïsoleerd is. Het grondwatersysteem wordt in dit systeem met name bepaald door het ontwateringssysteem. Om dit systeem zo goed mogelijk te modeleren zijn tijdens een werksessie juni 2021 op basis van expert judgement een aantal uitgangspunten vastgesteld. Voor het meer zal worden gerekend met een bodemdiepte van 2 m vanaf het wateroppervlakte en een infiltratiefactor van 0,33. Voor de nieuwe hoofdwatergangen zal met een bodemweerstand van 10 dagen en voor de boezemuitbreiding van 6 dagen worden gerekend.
3.2
Peilbuizen en validatie
Voor een validatie is het wenselijk dat er voldoende peilbuisgegevens met een lange meetreeks aanwezig zijn. Binnen het interessegebied van deze studie zijn in de validatieset van MIPWA geen geschikte peilbuizen aanwezig. Een validatie op basis van peilbuizen is daarom niet mogelijk.
6/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Buiten het interessegebied zijn er wel 2 locaties met peilbuizen. Deze peilbuizen geven op de GHG en de GLG (figuur 3.1 en 3.2) afwijkingen van enkele cm tot enkele dm met de berekende waarden. Deze afwijkingen zijn voldoende acceptabel en geven niet het signaal dat het model niet goed functioneert. De berekende GHG en GLG in het gebied komen qua patroon overeen met de maaiveldhoogte. Dit duidt erop dat het topsysteem goed in het model zit en voldoende representatief is.
Figuur 3.1 Validatie referentie model GHG. Waarden zijn in m NAP
Figuur 3.2 Validatie referentie model GLG. Waarden zijn in m NAP
Validatie op debieten van gemalen is voor studies met deze omvang niet gebruikelijk. Over het algemeen zijn de metingen van de gemalen niet van voldoende kwaliteit en lang niet altijd beschikbaar. Daarnaast kunnen de uitkomsten van het grondwatermodel niet zomaar worden vergeleken met debietgegevens.
7/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
4 Effectbeelden In de hydrologische studie is onderzoek gedaan naar de hydrologische effecten van zowel ingrepen in het noordelijke deel als de aanleg van het grote meer in het zuiden van het gebied. Het betreft dus één hydrologische berekening van meerdere maatregelen. Hierdoor geven de resultaten (verandering in GLG en GHG) het effect weer van meerdere maatregelen die in het gebied worden genomen. In de berekening zijn ook de peilen verhoogd op basis van de aangeleverde, toekomstig gewenste streefpeilen (figuur 4.1). In het berekening zijn de volgende maatregelen gemodelleerd:
Uitbreiding van de nieuwe haven bij Oudega. Voor deze landschappelijke ingreep is een apart
bestemmingsplan opgesteld met een m.e.r beoordelingsnotitie, een melding ontgronding, aanvraag van een watervergunning en een peilbesluitprocedure Aanleg van het meer. Dit is onderdeel van de lopende m.e.r.-procedure
Wijziging van de waterpeilen in enkele polders. Voor deze peilwijzigingen wordt een aparte procedure doorlopen bij het waterschap
De effectbeelden volgen de contouren van de ingrepen in het gebied. De aanpassingen in het hydrologische systeem zijn duidelijk terug te zien in het effectbeelden voor zowel de GHG en GLG situatie (figuur 4.2 en 4.3). Dit berekende effectbeeld sluit aan bij de te verwachte effecten in een systeem met een beperkte spreidingslengte. Vanwege het dunne en geïsoleerde topsysteem werken de effecten niet door naar het diepere grondwatersysteem. De geohydrologische effecten van de aanleg van het meer zijn kleiner dan de effectenbeeld in figuren 4.2 en 4.3, omdat in deze figuren het gezamenlijke effect wordt weergegeven van diverse maatregelen waaronder de aanleg van het meer.
8/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Figuur 4.1 Peilverandering in de plansituatie ten opzichte van de huidige situatie (boven) in de winter en (onder) in de zomer
9/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
Figuur 4.2 Verandering gemiddeld hoogste grondwaterstanden (GHG) [m] in het scenario ten opzichte van de referentie
Figuur 4.3 Verandering gemiddeld laagste grondwaterstanden (GLG) [m] in het scenario ten opzichte van de referentie
10/11
Kenmerk
R001-1292136BRI-V02-pws-NL
5 Conclusie Het doel van deze rapportage is om de adviespunten van de Commissie MER te verduidelijken. Het eerste adviespunt van de Commissie is om de onderbouwing van de geschiktheid en de nauwkeurigheid van het model toe te lichten. Er is bij de modelopbouw veel aandacht geweest voor het correct simuleren van het topsysteem met de correcte watergangen, peilen en parameters. Het studiegebied wordt gekenmerkt door een dunne watervoerende laag en daaronder zit een slecht doorlatende laag. De watergangen in het gebied hebben een groot hydrologisch invloed. In het gebied ontbreken peilbuizen met een voldoende lange meetreeks om een validatie uit te voeren. Er is wel een vergelijking gemaakt tussen peilbuisgegevens buiten het studiegebied en de berekende GHG en GLG. Uit deze controle blijkt dat de waardes van het model hooguit enkele cm tot enkele dm afwijken van de gemeten waardes. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het model voldoende geschikt is om de effecten van ingrepen in het gebied te bepalen. Het tweede adviespunt is in hoeverre de effecten van de ingrepen zichtbaar zijn in de diepere watervoerende pakketten. Deze kunnen mogelijk een grotere uitstraling hebben naar de omgeving.
Op basis van de systeemanalyse kan geconcludeerd worden dat de effecten van de ingrepen niet doorstralen naar de diepere watervoerende pakketten vanwege de aanwezigheid van een zeer slechte doorlatende keileemlaag. Hierdoor zijn de effecten alleen zichtbaar in het eerste watervoerende pakket. Dit pakket heeft bovendien een geringe spreidingslengte waardoor de effecten tot een klein gebied beperkt blijven. De effectbeelden volgen de contouren van de ingrepen in het gebied. Daarbij zijn meerdere ingrepen (niet alleen de realisatie van het meer) gecombineerd in de hydrologische berekening.
11/11