CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 Reactienota op Advies commissie m.e.r. over Plan- en Projectmer Het meer, Oudega aan het water

Het Debat 19 september 2023, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan en Milieueffectrapport (MER) Oudega – Nije Aldegeaster Sânning1.624 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Reactienota op Advies commissie m.e.r. over Plan- en Projectmer Het meer, Oudega aan het water 1

INLEIDING

Voor het ontwerpbestemmingsplan 'Oudega – Nije Aldegeaster Sânning' geldt een verplichting voor het opstellen van een Planmer. De Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) is gevraagd te adviseren over het MER. In dit toetsingsadvies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER. 2

OPBOUW REACTIENOTA OP ADVIES VAN DE COMMISSIE

De hoofdpunten van het toetsingsadvies zijn hieronder (cursief) samengevat weergegeven en voorzien van een reactie. 3

TOETSINGSADVIES

A. Berekeningen hydrologie onvoldoende navolgbaar De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER een beschrijving van de modelopbouw op te nemen en met de resultaten van de ijking van het geohydrologisch model inzicht te geven in de nauwkeurigheid van de met het model berekende hydrologische effecten. Waar nodig kan hierbij tevens een gevoeligheidsanalyse voor relevante bodemparameters worden toegevoegd. Daarnaast adviseert de Commissie om behalve de in het MER gepresenteerde effecten op het ondiepe hydrologische systeem ook de effecten voor de stijghoogten in de diepere watervoerende pakketten in beeld te brengen. Deze hebben mogelijk een grotere uitstraling naar de omgeving. De hydrologische berekeningen zijn verduidelijkt met de rapportage 'Nadere toelichting geohydrologisch effecten Oudega grote meer' (zie bijlage 1 van deze reactienota). De conclusies uit dit rapport luiden als volgt: Het eerste adviespunt van de Commissie is om de onderbouwing van de geschiktheid en de nauwkeurigheid van het model toe te lichten. Er is bij de modelopbouw veel aandacht geweest voor het correct simuleren van het topsysteem met de correcte watergangen, peilen en parameters. Het studiegebied wordt gekenmerkt door een dunne watervoerende laag en daaronder zit een slecht doorlatende laag. De watergangen in het gebied hebben een grote hydrologische invloed.

In het gebied ontbreken peilbuizen met een voldoende lange meetreeks om een validatie uit te voeren. Er is wel een vergelijking gemaakt tussen peilbuisgegevens buiten het studiegebied en de berekende GHG en GLG. Uit deze controle blijkt dat de waardes van het model hooguit enkele cm tot enkele dm afwijken van de gemeten waardes. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het model voldoende geschikt is om de effecten van ingrepen in het gebied te bepalen. Het tweede adviespunt is in hoeverre de effecten van de ingrepen zichtbaar zijn in de diepere watervoerende pakketten. Deze kunnen mogelijk een grotere uitstraling hebben naar de omgeving. Op basis van de systeemanalyse kan geconcludeerd worden dat de effecten van de ingrepen niet doorstralen naar de diepere watervoerende pakketten vanwege de aanwezigheid van een zeer slechte doorlatende keileemlaag. Hierdoor zijn de effecten alleen zichtbaar in het eerste watervoerende pakket. Dit pakket heeft bovendien een geringe spreidingslengte waardoor de effecten tot een klein gebied beperkt blijven. De effectbeelden volgen de contouren van de ingrepen in het gebied. Daarbij zijn

meerdere ingrepen (niet alleen de realisatie van het meer) gecombineerd in de hydrologische berekening. B. Gevolgen waterrecreatie voor Natura 2000-gebied Alde Feanen De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER (en indien nodig een Passende Beoordeling) nader te onderbouwen dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebied Alde Feanen door een (tijdelijke) toename van waterrecreatie zijn uit te sluiten. Bijvoorbeeld door de mogelijke verplaatsingen van de Alde Feanen naar de Nije Aldegaester Sânning kwantitatief te onderbouwen op basis van de inmiddels beschikbare gegevens. In de notitie ‘Effect van recreatie als gevolg van Oudega aan het Water op de natuurwaarde van het Natura 2000-gebied Alde Feanen’ (zie bijlage 8 van bijlage 7 (Uitgebreide Natuurtoets Oudega waterontwikkeling De Gealanden) van de toelichting van het bestemmingsplan) is een raming opgenomen van het aantal recreanten dat als gevolg van het project ‘Oudega aan het water’ zou kunnen toenemen en dat een effect op het N2000-gebied zou kunnen hebben. In die notitie is onder meer rekening gehouden met het aantal extra watersporters dat de ontwikkeling van het haven- en melkfabriekgebied van Oudega zou kunnen opleveren. Dat extra aantal watersporters zou echter niet moeten worden meegerekend in het effect van het bestemmingsplan Nije Aldegeaster Sânning op N2000-gebied Alde Feanen.

De notitie is indertijd opgesteld in het licht van het totale project ‘Oudega aan het water’. Strikt genomen zou bij de beoordeling van het effect van recreatie als gevolg van het bestemmingsplan 'Nije Aldegeaster Sânning' alleen de recreatie die het gevolg is van het bestemmingsplan moeten worden beoordeeld. Omdat het bestemmingsplan slechts leidt tot extra ligplaatsen voor passanten, moet de vraag worden beantwoord of de uitvoering van het bestemmingsplan leidt tot het extra vaarbewegingen in het N2000-gebied Alde Feanen, bovenop de bestaande vaarbewegingen. Gezien de voorgenomen inrichting van het gebied 'Oudega – Nije Aldegeaster Sânning' is aannemelijk dat het nieuwe meer watersporters uit de omgeving aantrekt, waardoor het aantal vaarbewegingen in het Natura 2000-gebied Alde Feanen afneemt. Op dit moment valt dit niet met wetenschappelijke zekerheid kwantitatief te onderbouwen. C. Ontwikkeling natuurkwaliteit Riet Op pagina 80 van het MER staat dat de beoogde rietoevers in het nieuwe meer worden aangelegd met de bouwvoor (toplaag) uit het plangebied en rietplaggen uit de Zetsloot. Tegelijkertijd is de nutriëntenbelasting zodanig dat verruiging (verbossing) kan optreden terwijl door ganzenvraat (lokaal broedende Grauwe Ganzen) mogelijk geen waterriet tot ontwikkeling kan komen.

De Commissie beveelt aan: • na te gaan of met rasters gewerkt kan worden om begrazing te beperken; • de eventuele successie van de oevervegetaties te monitoren en na te gaan of het beheer hierop kan worden aangepast. Vooruitlopend op In het MER is de gedachte geweest om riet vanuit een bestaande sloot (Setsloot) in het aangrenzend agrarisch gebied in te zetten (riettransplantatie) voor het maken van de rietoevers van het meer. Uit nieuw onderzoek, ter voorbereiding op mitigerende maatregelen, is echter gebleken dat de modderkruiper daar leeft. Het voornemen is nu om het riet te gebruiken wat zich spontaan ontwikkeld heeft op de niet afgewerkte zone van het voormalige nabijgelegen baggerdepot. Dit is een laatste stuk van het baggerdepot waar wel de bagger is verwijderd, maar wat niet weer op maaiveldhoogte is gebracht omdat toen al duidelijk was dat daar het meer zal worden gemaakt. De bagger is daar verwijderd en de bouwvoor was daar al weggehaald voor het baggerdepot. Er heeft zich ter plekke op het zand met hier en daar wat veen een volle begroeiing

met riet en lisdodde ontwikkeld die zal worden gebruikt voor het enten van de rietbegroeiing om het te maken meer. Verder is het voornemen conform het advies vanuit het MER om in de aanbestedingsstukken op te nemen dat deze oevers zoveel mogelijk aan het begin van de werkzaamheden moeten worden gemaakt zodat er tijd van groeien is voordat het gebied voor de boezem staat. Dat wordt momenteel verwerkt in de concept aanbestedingsstukken. De eerste groeijaren van het riet zullen dus zijn in de periode dat de aannemer er aan het werk is en er ecologische begeleiding plaatsvindt. De kans dat er dan veel ganzenvraat plaatsvindt is klein. Ondergedoken waterplanten Voor de kieming en ontwikkeling van ondergedoken waterplanten is voldoende licht op de waterbodem nodig. Een bodem met teveel nutriënten kan dit mogelijk in de weg staan. Dit geldt ook voor een te hoge stand van bodemwoelende vissoorten als brasem in de eerste jaren na aanleg. De Commissie beveelt aan: • de ontwikkeling van ondergedoken waterplanten te monitoren en jaarlijks te evalueren en zo nodig passende maatregelen te nemen. Heel geleidelijk wordt de boezem helderder waarmee de kans op ondergedoken waterplanten toeneemt. Het meer bij Oudega wordt in ieder geval 2 meter diep (t.o.v. de waterlijn) en krijgt een zandbodem.

Wetterskip Fryslân verwacht dat de boezem over 60 jaar zo helder is dat er in water met een dergelijke diepte en bodem kans is op ondergedoken waterplanten. Vooralsnog is een diepte van 2 meter dus afdoende. In water van 3 meter diepte zal die kans helemaal niet optreden. Nader wordt verkend of het technisch mogelijk is (de zandlaag ter plekke is zeer hard) en financieel haalbaar, om het meer op een diepte van 3 meter te brengen. D. Mogelijk archeologische waarden verstoord door baggerdepot De conclusie in het MER dat er geen archeologische waarden (meer) in het geding zijn in het kader van het huidige besluitvormingstraject is correct. Het is echter niet duidelijk waarom er (kennelijk) zonder verder archeologisch onderzoek een vergunning voor aanleg en/of verwijdering van het baggerdepot is verleend. De Commissie beveelt aan: • in het besluit samen te vatten hoe de afwikkeling van het proces rond archeologie (eerdere adviezen omtrent archeologisch onderzoek, eventuele randvoorwaarden in het geldende bestemmingsplan en vergunningverlening voor het baggerdepot) is verlopen. Deze aanbeveling heeft geen betrekking op de procedure waarvoor advies wordt gevraagd. Volledigheidshalve geven wij wel aan hoe het proces ten aanzien van archeologie voor het voormalige baggerdepot is verlopen.

In het kader van eerdere fasen van de planvorming is in 2009 een verkennend archeologisch booronderzoek gedaan door Sweco (toen nog Grontmij). Op grond hiervan werd geadviseerd tot nader archeologisch onderzoek. Dit archeologisch onderzoek had beter in beeld moeten zijn bij de inrichting van het voormalige baggerdepot in 2015 en de ontmanteling ervan in 2020, en de voorbereiding van de realisatie van Waterfront Oudega. Bij onderzoeken voor het Meer bij Oudega is hierop gewezen door advies- en onderzoeksbureau RAAP. Als reactie hierop is voor de werkzaamheden voor Waterfront Oudega gekozen voor archeologische begeleiding door archeologisch advies- en onderzoeksbureau De Steekproef. De conclusie uit deze begeleiding is dat er geen bijzonderheden zijn aangetroffen. Daarmee achten we de kans groot dat dit ook het geval zou zijn geweest bij de inrichting van het

baggerdepot. Maar dit had vooraf geconcludeerd moeten worden op basis van karterend archeologisch onderzoek zoals geadviseerd door Sweco in 2009 en terug moeten komen in de vergunningverlening voor inrichting en ontmanteling van het baggerdepot en realisatie van Waterfront Oudega.

Bijlage 1

Nadere toelichting geohydrologisch effecten Oudega grote meer (20 juni 2023)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13012816/1