Bijlage 5 - Rapport quickscan flora en fauna Legauke (ong.) te Opeinde
Tekst van het document
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA LEGAUKE (ONG.) TE OPEINDE
Rapportage quickscan flora en fauna Legauke (ong.) te Opeinde Opdrachtgever
KS NL 14 Petersplatz 10 80331 München
Rapportnummer Versienummer
11317.001 D1
Status
Eindrapportage
Datum
4 februari 2021
Vestiging
Overijssel Wilhelm Röntgenstraat 7a 8013 NE Zwolle 088 - 5001600 zwolle@econsultancy.nl
Opsteller
T.M. Boom, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
F.M. van der Heide, MSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt. In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Wet natuurbescherming, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING ......................................................................................................... 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................... 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen ..................... 4
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ..................................................................................................... 5
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING ..................................................... 6 4.1 4.2 4.3 4.4
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN .................................. 9 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6
6
Vogels ............................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................... 11 Overige zoogdieren ........................................................................................................ 11 Reptielen, amfibieën en vissen....................................................................................... 12 Ongewervelden............................................................................................................... 13 Vaatplanten..................................................................................................................... 13
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ......................................................................... 14 6.1 6.2
7
Zorgplicht .......................................................................................................................... 6 Soortenbescherming ........................................................................................................ 6 Gebiedenbescherming ..................................................................................................... 7 Houtopstanden ................................................................................................................. 8
Algemene broedvogels ................................................................................................... 14 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................... 14
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING ........................................................................ 15 7.1 7.2
Natura 2000 .................................................................................................................... 15 Natuurnetwerk Nederland ............................................................................................... 16
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................. 17
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ....................................................................................... 18
Bijlage 1 Bijlage 2
toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming verklarende woordenlijst 11317.001
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van KS NL 14 opdracht gekregen voor het uitvoeren van een quickscan flora en fauna aan de Legauke (ong.) te Opeinde. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van een zonnepark en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Econsultancy is lid van de branchevereniging "Netwerk Groene Bureaus" en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest voor ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 1 van 19
2 2.1
GEBIEDSBESCHRIJVING Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving
De onderzoekslocatie (± 12 ha) ligt aan de Legauke (ong.), circa 1,5 km ten noorden van de kern van Opeinde. Volgens de topografische kaart van Nederland zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 199.365, Y = 570.580. In figuur 1 is de topografische ligging van de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 1. Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een aantal agrarische percelen. Deze worden doorkruist door een bomenrij. De omgeving wordt eveneens voornamelijk gekenmerkt door agrarische percelen. Daarnaast zijn ten zuiden en oosten een aantal watergangen en plassen aanwezig. Ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is de bebouwde kom van Drachten gelegen. In figuur 2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. De figuren 3 t/m 8 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek (d.d. 26 november 2019).
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 2 van 19
Figuur 2. Luchtfoto onderzoekslocatie en directe omgeving.
Figuur 3. Overzicht onderzoekslocatie, gezien vanaf het zuidwesten.
Figuur 4. Westelijke grens van de onderzoekslocatie, gezien vanaf het zuiden.
Figuur 5. Zuidoostelijk deel van de onderzoekslocatie, gezien vanaf het zuidwesten.
Figuur 6. Noordelijk deel van de onderzoekslocatie, gezien vanaf het noorden.
Figuur 7. Bosschage ten westen van de onderzoekslocatie, gezien vanaf het westen.
Figuur 8. Watergang ten oosten van de onderzoekslocatie, gezien vanaf het zuidwesten.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 3 van 19
2.2
Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen
De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark te realiseren. In figuur 9 is een schets van de nieuwe situatie opgenomen.
Figuur 9. Impressie zonnepark.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 4 van 19
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 26 november 2019. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Friesland opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. De quickscan flora en fauna is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 5 van 19
4
OVERZICHT VAN DE NATIONALE NATUURWETGEVING
Dit hoofdstuk geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie wordt getoetst. Er wordt een globale toelichting gegeven ten aanzien van potentiële overtredingen van de Wet natuurbescherming bij de meest voorkomende soorten en soortgroepen. Dit hoofdstuk is niet toegespitst op de situatie op de onderzoekslocatie, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende wetgeving. De Wet natuurbescherming is gericht op: • • •
het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies; het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies.
De bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij soortenbescherming ligt grotendeels bij de provincies. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. 4.1
Zorgplicht
Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd. Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. In bijlage 1 wordt dit artikel nader toegelicht. 4.2
Soortenbescherming
Bij een quickscan flora en fauna wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of verblijfplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In bijlage 1 worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 6 van 19
4.3
Gebiedenbescherming
Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. 4.3.1
Natura 2000
Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn. Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000).
Het is krachtens de Wet natuurbescherming verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen (artikel 2.7, lid 2). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. 4.3.2
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • • • • •
bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; alle Natura 2000-gebieden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk,
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 7 van 19
genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. 4.4
Houtopstanden
De bescherming van houtopstanden conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. In bijlage 1 (tabel V) worden de regels nader toegelicht. Wanneer houtopstanden geveld worden, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Op basis van deze melding wordt door de provincie beoordeeld of de voorgenomen velling aanvaardbaar is in het kader van natuur- en landschapswaarden. Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Indien bij de voorgenomen ontwikkeling herplantplicht geldt, maar niet voldaan kan worden aan de herplantplicht op de projectlocatie zelf, dan dient een ontheffing aangevraagd te worden met betrekking tot de herplantplicht bij de desbetreffende provincie.
De provincie toetst vervolgens of voldaan wordt aan de bij de provinciale verordening gestelde regels voor herbeplanting op andere perceelsgronden. Deze regels hebben onder andere betrekking op de kwaliteit, oppervlakte en locatie van de andere grond en de natuurwaarde van de te vellen houtopstand. Tevens kan ontheffing verleend worden van herplantplicht ter plaatse, indien gewerkt wordt via een door het ministerie goedgekeurde gedragscode die gebruikt mag worden door een van de betrokken partijen voor een wijze van vellen en een wijze van herplanten.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 8 van 19
5
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat / verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft. 5.1 5.1.1
Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd)
Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. In het agrarische buitengebied waarin de onderzoekslocatie is gelegen kunnen dit de boomvalk, buizerd, havik, kerkuil, ooievaar, roek en sperwer zijn. Boomvalk De boomvalk bouwt zelf geen nest, maar gebruikt in het algemeen een oud kraaien- of eksternest. Tijdens het veldbezoek zijn dergelijke nesten niet aangetroffen. Derhalve kan een broedgeval van een boomvalk en daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten. Buizerd De buizerd broedt veelal in kruinen van hoge bomen en gebruikt daarvoor grote nesten van tot wel een meter in doorsnede. Hoge bomen zijn binnen de onderzoekslocatie niet aanwezig noch zijn er grote nesten aangetroffen. Derhalve is een broedgeval van een buizerd en daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort redelijkerwijs uit te sluiten. Havik De havik broedt hoog in de kroon van naald- en in mindere mate in die van loofbomen. Het nest is relatief groot met een basis van stevige takken. Hoge bomen zijn binnen de onderzoekslocatie niet aanwezig noch zijn er grote nesten aangetroffen. Derhalve is een broedgeval van een havik en daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort redelijkerwijs uit te sluiten.
Kerkuil De kerkuil leeft in Nederland voornamelijk in halfopen tot open cultuurlandschappen, waar de soort vrijwel uitsluitend in speciale nestkasten broedt. Incidenteel wordt ook wel een broedgeval in oude bebouwing zoals kerktorens en schuren waargenomen. Aangezien er geen nestkasten dan wel bebouwing binnen de onderzoekslocatie aanwezig is, kan een broedgeval van een kerkuil en daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 9 van 19
Ooievaar De ooievaar broedt voornamelijk op hoge plekken als telefoonpalen, schoorstenen, kerktorens, hoogspanningsmasten, bomen of op kunstmatige platformen. Dergelijke structuren zijn binnen de onderzoekslocatie niet aanwezig. Ook zijn er geen grote nesten aangetroffen. Derhalve kan een broedgeval van een ooievaar en daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort redelijkerwijs worden uitgesloten. Roek De roek broedt in sterk kolonieverband, welke kan bestaan uit meer dan 1.000 nesten. Roekenkolonies bevinden zich veelal in vrijstaande, hoge groepen bomen (vaak populieren) langs snelwegen, treinsporen of kanalen. Dergelijke clusters van nesten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Een broedgeval van een roek binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie en overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort zijn uitgesloten. Sperwer De sperwer broedt voornamelijk in dichte (naald)bossen met fijnspar en lariks, maar in sommige gevallen ook in tuinen en parken. Deze soort bouwt jaarlijks een nieuw nest, waardoor in lang bezette territoria veel oude nesten aanwezig zijn. Er zijn slechts een aantal bomen binnen de onderzoekslocatie aanwezig. Daarnaast zijn er geen nesten aangetroffen.
Op basis van het voorgaande kan een broedgeval en daarmee een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de sperwer redelijkerwijs worden uitgesloten. Broedvogels met in uitzonderlijke gevallen een jaarrond beschermd nest De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie zijn onder andere de blauwe reiger, boerenzwaluw, gekraagde roodstaart, koolmees, pimpelmees en zwarte roodstaart waargenomen. Dit zijn echter algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen (zie hoofdstuk 6). 5.1.2
Overige broedvogels
De bomen en struiken op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten als merel, heggenmus, roodborst en winterkoning. Aangezien de vegetatie niet verwijderd zal worden komen de eventuele nesten van deze soorten niet in gevaar. De onderzoekslocatie biedt wel mogelijkheden voor nestlocaties voor weidevogels zoals kievit en grutto. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Overtredingen van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 6).
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 10 van 19
5.2
Vleermuizen
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen binnen het verspreidingsgebied van de baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie De onderzoekslocatie is geheel onbebouwd, waardoor verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten zijn. De aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn onderzocht op holtes, spleten en loshangend schors, welke kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen en daarmee zijn verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen eveneens uitgesloten. Een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen is door het bovenstaande uitgesloten. Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Het is door de onderlinge afstand tot de bebouwing en geschikte bomen in de omgeving niet aannemelijk dat er in de directe invloedssfeer van de onderzoekslocatie potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn die negatieve invloed kunnen ondervinden van de werkzaamheden. Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat, gebruikt kunnen worden door vleermuizen als gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis om te foerageren.
Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod aan foerageermogelijkheden echter niet in het geding komen, in de directe omgeving is meer geschikt foerageerhabitat voor vleermuizen aanwezig. Het betreft de houtwallen, bomenrijen en watergangen grenzend aan de onderzoekslocatie. Daarnaast kan de onderzoekslocatie in de nieuwe situatie nog steeds gebruikt worden als foerageerhabitat. Vliegroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. Er is slechts één bomenrij binnen de onderzoekslocatie aanwezig, die nergens naartoe leidt. Normaliter verbinden vliegroutes verblijfplaatsen met foerageergebieden. Dit is in onderhavige situatie niet het geval. Aangezien de bomenrij niet zal worden geveld leidt dit niet tot het verloren gaan van een vliegroute. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes uitgesloten. 5.3
Overige zoogdieren
Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. 5.3.1
Streng beschermde soorten
Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen et al. 2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de in Friesland streng beschermde boommarter, das, eekhoorn, en waterspitsmuis.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 11 van 19
Boommarter De boommarter komt vrijwel uitsluitend voor in bosrijke gebieden, waarin oude bomen met holen aanwezig zijn. Aangezien er slechts enkele bomen aanwezig zijn, biedt de onderzoekslocatie geen geschikt habitat voor een boommarter. Ook zijn er geen holtes in de aanwezige bomen aangetroffen en zijn er volgens de NDFF geen waarnemingen van een boommarter binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie bekend. Op basis van het voorgaande kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de boommarter redelijkerwijs worden uitgesloten. Das De das komt met name voor in reliëfrijke gebieden waarin hoog- en laaggelegen gronden op korte afstand van elkaar liggen. Vaak zijn dit kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende opgaande begroeiing in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen, singels en heggen. Tevens moet het voedselaanbod groot zijn en de menselijke verstoring laag. Tijdens het veldbezoek zijn op de onderzoekslocatie en de directe omgeving geen loop- of vraatsporen, potentiële burchten, latrines en/of wissels aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de das. Deze zijn niet aangetroffen, waardoor een vaste rust- en/of verblijfplaats van een das binnen de onderzoekslocatie redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daardoor kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de das eveneens redelijkerwijs worden uitgesloten.
Eekhoorn De eekhoorn komt voornamelijk in naaldbossen of gemengde bossen met relatief veel naaldbomen voor. De soort wordt bij voldoende voedsel echter ook regelmatig binnen de bebouwde kom in tuinen en parken waargenomen. Eekhoorns bouwen een bolvormig nest met een doorsnede van 30 tot 50 cm op een hoogte van minstens 5 m boven de grond. Dergelijke nesten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, waardoor een vaste rust- en/of verblijfplaats van een eekhoorn binnen de onderzoekslocatie redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Derhalve kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze soort eveneens redelijkerwijs worden uitgesloten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis wordt vrijwel uitsluitend aangetroffen nabij water met een goed ontwikkelde watervegetatie en met oevers die ruig begroeid zijn. De watergangen grenzend aan de onderzoekslocatie alsmede de zaksloten binnen de onderzoekslocatie bieden ongeschikt habitat voor de waterspitsmuis; er zijn geen waterplanten aanwezig en de oevers zijn kort gemaaid. Ook zijn er volgens de NDFF geen waarnemingen van een waterspitsmuis binnen of in de omgeving van de onderzoekslocatie bekend. Op basis van al het voorgaande kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van de waterspitsmuis redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.3.2
Licht beschermde soorten
De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel, haas, konijn, ree en diverse muis- en spitsmuissoorten. Door de voorgenomen werkzaamheden bestaat de kans dat verblijfplaatsen worden vernield (zie hoofdstuk 6). 5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar geen beschermde reptielen binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 12 van 19
Alle reptielen stellen specifieke eisen aan het habitat die betrekking hebben op verschillende factoren, welke niet op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van reptielen is uitgesloten. Amfibieën Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 10 jaar geen beschermde amfibieën binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Door de aanwezigheid van oppervlaktewater kunnen algemeen voorkomende amfibieën zoals de bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad de onderzoekslocatie wel gebruiken als voortplantingshabitat. De onderzoekslocatie kan door de aanwezigheid van ruigere begroeiing en strooisellaag bij de bomenrijen ook als landhabitat worden gebruikt door bovenstaande soorten. Voor de te verwachten soorten geldt echter een algehele vrijstelling van de Wet natuurbescherming bij ruimtelijke ontwikkeling (zie hoofdstuk 6). Vissen De watergangen grenzend aan de onderzoekslocatie en de zaksloten binnen de onderzoekslocatie bieden geen geschikt habitat voor beschermde vissen als houting, steur, elrits of gestippelde alver. Derhalve kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vissen redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.5
Ongewervelden
Vlinders en libellen Er zijn slechts enkele vlinder- en libellensoorten die onder de Wet natuurbescherming bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebieden zijn te vinden. Beschermde soorten zijn op de onderzoekslocatie niet te verwachten en zijn volgens de NDFF ook niet binnen of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie waargenomen. Derhalve kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van deze twee soortgroepen redelijkerwijs worden uitgesloten Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. 5.6
Vaatplanten
Vrijwel de gehele onderzoekslocatie bestaat uit kort gemaaid gras en maisakkers. In dergelijke habitats zijn geen beschermde vaatplanten te verwachten. Deze zijn tijdens het veldbezoek ook niet aangetroffen noch zijn er volgens NDFF waarnemingen van beschermde vaatplanten binnen de onderzoekslocatie bekend. Derhalve kan een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vaatplanten redelijkerwijs worden uitgesloten.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 13 van 19
6
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er overtredingen van verbodsbepalingen uit soortbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming optreden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Wet natuurbescherming en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Wet natuurbescherming op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van ontheffingen. 6.1
Algemene broedvogels
Voor de algemene broedvogelsoorten die eventueel op de onderzoekslocatie zijn te verwachten (weidevogels) geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen). De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen van weidevogels de periode maart tot juni worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Geadviseerd wordt om een broedvogelinspectie te doen voorafgaand aan de werkzaamheden, indien deze in het broedseizoen vallen. 6.2
Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën
Voor de op de onderzoekslocatie te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen verblijfplaatsen worden vernietigd. Dit houdt normaliter een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 14 van 19
7
TOETSING AAN GEBIEDENBESCHERMING
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen vanuit natuurwetgeving beschermde gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. 7.1
Natura 2000
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Ondanks de relatief grote afstand van circa 4,4 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Alde Feanen, kan een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstoftoets uit te laten voeren.
Figuur 10. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 15 van 19
7.2
Natuurnetwerk Nederland
De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 1 km ten zuiden van de onderzoekslocatie. In figuur 11 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Figuur 11. Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 16 van 19
8
HOUTOPSTANDEN
De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij Gedeputeerde Staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij een eventuele kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De houtopstanden op en rond de onderzoekslocatie blijven bij de realisatie van het zonnepark behouden. Derhalve zal er geen overtreding zijn op artikel 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 17 van 19
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van KS NL 14 een quickscan flora en fauna uitgevoerd aan de Legauke (ong.) te Opeinde. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen realisatie van een zonnepark en heeft als doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel I. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel I. Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen. Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Ontheffingsaanvraag
algemeen
minimaal
mogelijk
nee
nee
broedvogelinspectie naar grondbroeders voorafgaand aan werkzaamheden, indien deze binnen broedseizoen vallen
jaarrond beschermd
nee
nee
nee
nee
-
verblijfplaatsen
nee
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
nee
nee
nee
-
vliegroutes
nee
nee
nee
nee
-
Grondgebonden zoogdieren
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemeen voorkomende zoogdieren als egel, haas, konijn en diverse muizensoorten.
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
aandacht voor zorgplicht ten aanzien algemeen voorkomende amfibieën als bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.
Reptielen
nee
nee
nee
nee
-
Vissen
nee
nee
nee
nee
-
Libellen en dagvlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
nee
nee
nee
nee
-
Gebied aanwezig
Ingreep verstorend
Nader onderzoek
Vergunningplicht
Natura 2000
4,4 km
mogelijk
ja
mogelijk
Natuurnetwerk Nederland
1 km
nee
nee
nee
-
Houtopstanden
nee
n.v.t.
nee
nee
-
Broedvogels
Vleermuizen
Gebiedsbescherming
Bijzonderheden / opmerkingen*
geadviseerd wordt om een stikstoftoets uit te laten voeren.
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek.
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 18 van 19
Conclusie en aanbevelingen De aanwezigheid van jaarrond beschermde broedvogels en vleermuizen valt uit te sluiten op de onderzoekslocatie vanwege het ontbreken van geschikte nest- en verblijfmogelijkheden. Er zijn op de onderzoekslocatie geen vogelnesten aangetroffen en er wordt ook niet verwacht dat op de locatie vogels zullen broeden. Echter valt het niet uit te sluiten dat er in de toekomst algemene grondbroedende vogelsoorten zoals kievit en grutto besluiten te broeden op de onderzoekslocatie. Alle nesten zijn beschermd op het moment dat zij in gebruik zijn. Om dit risico weg te nemen wordt geadviseerd om een broedvogelinspectie te doen voorafgaand aan de werkzaamheden, indien deze in het broedseizoen vallen Voor overige beschermde soorten zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (het onnodig doden, verwonden en/of beschadigen van dieren dient vermeden te worden) ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die op de onderzoekslocatie zouden kunnen voorkomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Ondanks de relatief grote afstand van circa 4,4 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Alde Feanen, kan een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstoftoets uit te laten voeren. Ten aanzien van beschermde houtopstanden en het Natuurnetwerk Nederland worden geen bezwaren voorzien.
Econsultancy Zwolle, 4 februari 2021
Rapport 11317.001 versie D1
Pagina 19 van 19
GERAADPLEEGDE BRONNEN Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J. Thissen, K. Canters, & J. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. Nationale Database Flora en Fauna (NDFF), uitvoerportaal; https://ndff-ecogrid.nl, zoekgebied Opeinde, periode 2010-2020 WEBSITES www.friesland.nl (NNN en beschermde gebieden in Friesland) www.ravon.nl (soortgegevens reptielen, amfibieën en vissen) www.sovon.nl (soortgegevens vogels) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ (Natura 2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten) www.verspreidingsatlas.nl/ (verspreidingsgegevens NDFF) www.zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Rapport 11317.001 versie D1
Bijlage 1 toelichting verbodsbepalingen Wet natuurbescherming Zorgplicht Het eerste artikel in de Wet natuurbescherming heeft betrekking op de zorgplicht en heeft betrekking op het voorkomen of beperken van schade aan soorten en gebieden, voor zover deze niet middels overige verbodsbepalingen zijn gereguleerd (zie tabel II). Het gaat daarbij in de praktijk vooral om minder streng beschermde soorten, waarbij het onnodig doden, verwonden of beschadigen dient te worden vermeden. Tabel II. Zorgplicht Artikel 1.11. Zorgplicht 1.
Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorg houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.
2.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; “de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Deze formulering van de zorgplicht brengt met zich mee dat wanneer men een bepaalde handeling wilt verrichten die gevolgen voor natuurwaarden zou kunnen hebben, men zich daaraan voorafgaand op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van het voorgenomen handelen. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing, ook al vindt er geen overtreding van een verbodsbepaling plaats. Indien er aanleiding is maatregelen te nemen ten aanzien van de zorgplicht, zal dat voor het betreffende beschermde natuurgebied en de betreffende soortgroep in deze rapportage worden aangegeven. Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; • • •
soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10).
In tabel III t/m V worden deze artikelen nader toegelicht.
Rapport 11317.001 versie D1
Tabel III. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.1 Wet natuurbescherming Artikel 3.1. Soorten van de Vogelrichtlijn 1.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
2. 3. 4. 5.
Toelichting Alle inheemse vogelsoorten in Nederland vallen onder de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn is een richtlijn vanuit de Europese Unie uit 1979 en heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de Lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. De lijst met soorten is niet limitatief.
Tabel IV. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.5 Wet natuurbescherming Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn
1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van deze soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten uit de Habitatrichtlijn of het Verdrag van Bern in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 3.5 over in het wild levende dieren van verschillende soortgroepen. In de wet wordt voor vogelsoorten uit bijlage II van het verdrag van Bern geen uitzondering gemaakt. Van de vogelsoorten die in Nederland voorkomen is hieronder een selectie gemaakt. Van de overige soortengroepen zijn alle soorten genoemd. Soorten Planten
drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kruipend moerasscherm, zomerschroeforchis
Zoogdieren
bever, hamster, hazelmuis, lynx, Noordse woelmuis, otter, wolf, wilde kat
Walvisachtigen
bruinvis, bultrug, butskop (hille), dwergpotvis, dwergvinvis, gestreepte dolfijn, gewone dolfijn, gewone spitsdolfijn, gewone vinvis, griend, grijze dolfijn, kleine zwaardwalvis, narwal, Noordse vinvis, orka, potvis, spitsdolfijn van Gray, tuimelaar, walrus witflankdolfijn, witsnuitdolfijn, witte dolfijn
Vleermuizen
Bechsteins vleermuis, bosvleermuis, Brandts vleermuis, franjestaart, gewone baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, grote hoefijzerneus, grote rosse vleermuis, ingekorven vleermuis, kleine dwergvleermuis, kleine hoefijzerneus, laatvlieger, meervleermuis, mopsvleermuis, Noordse vleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis, tweekleurige vleermuis, vale vleermuis, watervleermuis
Amfibieën
boomkikker, geelbuikvuurpad, heikikker, kamsalamander, knoflookpad, poelkikker, rugstreeppad, vroedmeesterpad
Reptielen
dikkopschildpad, gladde slang, Kemps’ zeeschildpad, lederschildpad, muurhagedis, soepschildpad, zandhagedis
Vissen
houting, steur
Vlinders
apollovlinder, boszandoog, donker pimpernelblauwtje, grote vuurvlinder, moerasparelmoervlinder, monarchvlinder, pimpernelblauwtje, teunisbloempijlstaart, tijmblauwtje, zilverstreephooibeestje
Libellen
bronslibel, gaffellibel, gevlekte witsnuitlibel, groene glazenmaker, mercuurwaterjuffer, Noordse winterjuffer, oostelijke witsnuitlibel, rivierrombout, sierlijke witsnuitlibel
Insecten
brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, oeveraas, vermiljoenkever
Overig
Bataafse stroommossel, platte schijfhoren
Rapport 11317.001 versie D1
Artikel 3.5. In het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn appelvink, baardman, beflijster, bergeend, bergfluiter, bijeneter, blauwborst, blauwe kiekendief, boerenzwaluw, bontbekplevier, bonte strandloper, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, boompieper, boomvalk, bosrietzanger bosruiter, bosuil, braamsluiper, brandgans, bruine kiekendief, buizerd, casarca, Cetti’s zanger, draaihals, duinpieper, dwergmeeuw, dwergstern, Engelse kwikstaart, Europese kanarie, fitis, fluiter, geelgors, gekraagde roodstaart, gele kwikstaart, geoorde fuut, glanskop, goudhaan, grasmus, graspieper, graszanger, grauwe kiekendief, grauwe klauwier, grauwe vliegenvanger, griel, groene specht, groenling, grote bonte specht, grote gele kwikstaart, grote karekiet, grote stern, grote zilverreiger, havik, heggenmus, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kerkuil, klapekster, klein waterhoen, kleine barmsijs, kleine bonte specht, kleine karekiet, kleine plevier, kleine zilverreiger, kleinst waterhoen, kluut, kneu, koolmees, koereiger, kraanvogel, krekelzanger, kortsnavelboomkruiper, kruisbek, kuifmees, kwak, kwartelkoning, lepelaar, matkop, middelste bonte specht, nachtegaal, Noordse stern, oehoe, oeverloper, oeverpieper, oeverzwaluw, ooievaar, orpheusspotvogel, paapje, pestvogel,
pimpelmees, poelruiter, porseleinhoen, purperreiger, putter, ransuil, rietgors, rietzanger, rode wouw, roerdomp, roodborst, roodborsttapuit, roodhalsfuut, rouwkwikstaart, sijs, slangenarend, slechtvalk, smelleken, snor, sperwer, spotvogel, sprinkhaanzanger, steenuil, steltkluut, strandplevier, taigaboomkruiper, tapuit, tjiftjaf, torenvalk, tuinfluiter, velduil, visarend, visdief, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal, winterkoning, witbandkruisbek, witte kwikstaart, witwangstern, nachtzwaluw, woudaap, zeearend, zwarte mees, zwarte ooievaar, zwarte roodstaart, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw, zwartkop, zwartkopmeeuw
Vogels
Tabel V. Verbodsbepalingen en toelichting Artikel 3.10 Wet natuurbescherming Artikel 3.10. Andere soorten Het is verboden om: 1. 2. 3.
In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A1, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B2, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Toelichting Het gaat bij artikel 10 om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Dieren zijn opgenomen in bijlage onderdeel A1. Planten zijn opgenomen in bijlage onderdeel B2 van de Wet natuurbescherming. Voor een aantal zoogdieren, amfibieën en reptielen geldt per provincie een vrijstelling onder bepaalde voorwaarden. Dit verschilt per provincie. De betreffende soorten zijn aangegeven met een sterretje. Daarnaast is het mogelijk dat sommige provincies ook ‘eigen’ beschermde soorten hanteren, als aanvulling op het landelijke. Soorten Dieren
Planten
Zoogdieren
aardmuis*, boommarter, bosmuis*, bunzing*, damhert, das, dwergmuis*, dwergspitsmuis*, edelhert, eekhoorn*, egel*, eikelmuis, gewone bosspitsmuis*, gewone zeehond, grote bosmuis, grijze zeehond, haas*, hermelijn*, huisspitsmuis*, konijn*, molmuis, ondergrondse woelmuis*, ree*, rosse woelmuis*, steenmarter*, tweekleurige bosspitsmuis*, veldmuis*, veldspitsmuis, vos*, waterspitsmuis, wezel*, wild zwijn, woelrat*
Amfibieën
Alpenwatersalamander, bruine kikker*, gewone pad*, kleine watersalamander*, meerkikker*, middelste groene kikker*, vinpootsalamander, vuursalamander
Reptielen
adder, hazelworm*, levendbarende hagedis*, ringslang
Vissen
beekdonderpad, beekprik, elrits, gestippelde alver, grote modderkruiper, kwabaal
Dagvlinders
aardbeivlinder, bosparelmoervlinder, bruin dikkopje, bruine eikenpage, donker pimpernelblauwtje, duinparelmoervlinder, gentiaanblauwtje, grote parelmoervlinder, grote vos, grote vuurvlinder, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine heivlinder, kleine ijsvogelvlinder, kommavlinder, pimpernelblauwtje, sleedoornpage, spiegeldikkopje, veenbesblauwtje, veenbesparelmoervlinder, veenhooibeestje, veldparelmoervlinder, zilveren maan
Libellen
beekrombout, bosbeekjuffer, donkere waterjuffer, gevlekte glanslibel, gewone bronlibel, hoogveenglanslibel, Kempense heidelibel, speerwaterjuffer
Overige soorten
Europese rivierkreeft, vliegend hert
akkerboterbloem, akkerdoornzaad, akkerogentroost, beklierde ogentroost, berggamander, bergnachtorchis, blaasvaren, blauw guichelheil, bokkenorchis, bosboterbloem, bosdravik, brave hendrik, brede wolfsmelk, breed wollegras, bruinrode wespenorchis, dennenorchis, dreps, echte gamander, franjegentiaan, geelgroene wespenorchis, geplooide vrouwenmantel, getande veldsla, gevlekt zonneroosje, glad biggenkruid, gladde zegge, groene nachtorchis, groensteel, groot spiegelklokje, grote bosaardbei, grote leeuwenklauw, honingorchis, kalkboterbloem, kalketrip, karthuizeranjer, karwijselie, kleine ereprijs, kleine schorseneer, kleine wolfsmelk, kluwenklokje, knollathyrus, knolspirea, korensla, kranskarwij, kruiptijm, lange zonnedauw, liggende ereprijs, moerasgamander, muurbloem, naakte lathyrus, naaldenkervel, pijlscheefkalk, roggelelie, rood peperboompje, rozenkransje, ruw parelzaad, scherpkruid, schubvaren, schubzegge, smalle raai, spits havikskruid, steenbraam
Rapport 11317.001 versie D1
Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden onder conform hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming heeft als doel om het aanwezige areaal bos in Nederland te behouden. Onder houtopstanden vallen alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van tien are of meer of rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat. Binnen de Wet natuurbescherming zijn op houtopstanden de artikelen van toepassing die zijn opgenomen in tabel VI. Tabel VI.
Bescherming houtopstanden in de Wet natuurbescherming
Artikel 4.1
De artikelen uitgezonderd artikel 4.6 zijn niet van toepassing op: a) Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) Houtopstanden op erven of in tuinen; c) Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) Kweekgoed; f) Wegbeplantingen, beplantingen langs waterwagen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden bestaande uit wilgen en populieren; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3. zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Artikel 4.2
1. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij Gedeputeerde Staten. 3. Gedeputeerde Staten kunnen het vellen van houtopstanden telkens voor ten hoogste vijf jaar verbieden ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden.
Artikel 4.3 lid 1 en 2
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, of anderszins teniet is gegaan, draagt de rechthebbende zorg voor het op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. De rechthebbende vervangt binnen drie jaar na de herbeplanting, bedoeld in het eerste lid, herbeplanting die niet is aangeslagen.
Artikel 4.4 lid 1
De artikelen 4.2, eerste en derde lid, en 4.3, eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing op: het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in en aantoonbaar wordt gerealiseerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel in het kader van natuurontwikkeling en -beheer
Artikel 4.5
Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van artikel 4.3, eerste en tweede lid, ten behoeve van herbeplanting op andere grond, indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Rapport 11317.001 versie D1
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst
Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied/NNN hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied/NNN, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Expert Judgement Inschatting van een deskundige op grond van zijn kennis en ervaring. Foerageerhabitat Het gebied waarbinnen een soort voedsel zoekt. Foerageren Zoeken en vinden van voedsel door dieren (jachtgebied). Functioneel leefgebied Hiermee wordt het gebied dat is benodigd om de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste- rust of verblijfplaats te behouden. Een nestlocatie of voortplantingsplaats kan bijvoorbeeld alleen succesvol functioneren, wanneer er voldoende habitat (schuilgelegenheid, voedsel etc.) van voldoende kwaliteit aanwezig is om te kunnen paren, eieren te leggen en jongen groot te brengen. Gunstige staat van instandhouding Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een soort of habitattype als de omstandigheden waarin de soort of het habitattype voorkomt perspectief bieden op een duurzaam voortbestaan van die soort of dat habitattype.