CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Reactienota Veenweideprogramma-lr

Het Debat 12 oktober 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203053.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 6 van 6

10 alinea's met “breed”: 84 85 136 239 242 355 454 652 657 1537

201 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker verzoekt volwaardige vertegenwoordiging van huiseigenaren in de BOF en de gebiedscommissies. Dit zou bijvoorbeeld gedaan kunnen worden door Vereniging Eigen Huis of vertegenwoordiging vanuit de KCAF.

INSPREKERS

134

In het programma geven we aan dat we het karakteristieke veenweidelandschap zoveel mogelijk willen behouden. Op sommige plekken lukt dat niet meer en komen nieuwe veenlandschappen met nieuwe kwaliteiten tot ontwikkeling ten behoeve van klimaatadaptatie, natuurontwikkeling en nieuwe economische dragers zoals recreatie. De mogelijk­ heden hiervoor zijn opgenomen in het programma.

KERN ZIENSWIJZE

De gevolgen voor het karakteristieke veenweidelandschap zullen verstrekkend zijn; het veenweidelandschap zal veranderen in een veenlandschap. REACTIE

Landschap is altijd aan verandering onderhevig. Het huidige veenweidelandschap is ook niet hetzelfde als dat van 25 jaar of nog langer geleden. De uitdaging is ervoor te zorgen dat landschappelijke kernkwaliteiten herkenbaar blijven en dat nieuwe kwaliteiten voortbouwen op bestaande kwaliteiten. De inzet van het programma is voor grote delen van het gebied wel gericht op behoud van de karakteristiek van een veenweidelandschap.

INSPREKERS

221 INSPREKERS

REACTIE

175

Om de eigenaren van woningen meer te betrekken wordt een funderingstafel in het leven te roepen. Eigenaren krijgen een belangrijke plek aan deze tafel. Het doel en de opzet van de tafel worden de komende tijd uitgewerkt. Besluitvorming hierover vindt plaats parallel aan de besluitvorming over dit Veenweideprogramma. Deelname aan gebiedscommissies wordt per gebied bepaald. Daarbij is het de bedoeling dat alle belangen worden vertegenwoordigd, ook die van de woningeigenaren.

KERN ZIENSWIJZE

Ten aanzien van nieuwe of al bestaande schades is inspreker het niet met de redenering eens dat de verantwoordelijk­heid bij de huiseigenaar ligt en dat de verantwoordelijkheid van overheden uitsluitend moreel is. Door bewust overheidsbeleid om intensieve landbouw mogelijk te maken in het veenweidegebied, zijn de water­ standen stelstelmatig verlaagd met als gevolg schade aan funderingen en huizen. Door verschillende mensen is de vergelijking met de situatie in Groningen al gemaakt. Ook hier is het inmiddels duidelijk, dat de gezamenlijke overheden hun verantwoordelijkheden niet kunnen ontlopen en er voor zorg zullen moeten dragen dat – natuurlijk met inbreng van de huiseigenaren – de schade hersteld kan worden. REACTIE

In 2022 nemen we aanvullende besluiten o.a. over de aanpak funderingsproblematiek. Hierbij wordt een aantal maatregelen onderzocht, waaronder financiële regelingen. Over de uitkomst daarvan kunnen we nu nog niets zeggen, dit vraagt om een politieke afweging. Uitgangspunt van ons rechtsstelsel is dat eigenaren zelf verantwoordelijk zijn voor hun eigendommen. Dat geldt ook voor het onderhoud daarvan. Daarnaast is het algemene uitgangspunt dat een ieder zijn eigen schade draagt. Een uitzondering daarop kan zijn wanneer er sprake is van ingrijpen of nalaten van de overheid dat als onrechtmatig kan worden gezien.

78

INSPREKERS

Wonen INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183 KERN ZIENSWIJZE

Met de druk op de woningmarkt in de steden en het “inburgeren” van thuiswerken, zou landelijk wonen een nieuwe impuls kunnen krijgen. Een rustige setting en een hoge landschaps­kwaliteit worden dan woonwensen die voor meer mensen bereikbaar worden. Zeker wanneer een snellere trein­verbinding met de Randstad realiteit wordt.

209 REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Inspreker beschrijft de jaren van ellende die de familie heeft gehad met de zwakke fundering die leidde tot verzakking, scheurvorming en problemen met goten en leidingen. Inspreker schrijft ook dat de familie last en werk heeft van een verzakkend erf. Inspreker vindt het funderingsloket een positieve stap, maar wil graag benadrukken dat een renteloze lening niet hetzelfde is als een schadevergoeding.

Het Veenweideprogramma richt zich niet primair op het huisvestingbeleid. Een goede ruimtelijke kwaliteit draagt bij aan een aantrekkelijk woongebied en is een trekker voor de gastvrijheidseconomie. In de gebiedsaanpak gaan we het principe ‘ omgevingskwaliteit als ontwerpbasis’ toepassen. Het programma biedt wel de ruimte voor landelijk wonen als economische drager in het veenweidegebied; het ruimtelijk kader en de regels hiervoor staan in ruimtelijke plannen/ regelgeving van gemeenten en provincie.

KERN ZIENSWIJZE

Idzegea is nationaal bekend greidfûgelgebiet en is ook bij de toerist een gewaardeerd gebied om haar specifieke (landschappelijke) kwaliteiten. Dit is waardevol, maar zal goed in samenspel plaats moeten vinden met toekomst­ gerichte landbouw. Het Veenweideprogramma moet voor­ waarden scheppen voor de boeren, die nu in het gebied wonen en werken, om ook in de toekomst goed te kunnen blijven boeren. REACTIE

We onderschrijven deze opvatting. In het gebied Idzegea willen we hier graag in samenwerking met de betrokkenen invulling aan geven.

INSPREKERS

5 KERN ZIENSWIJZE

Bij eerdere ruilverkaveling was er weinig respect voor landschap en oer-structuren (blz. 22 en ook 30). Ondanks goede bedoelingen dreigt ook dat nu weer.

REACTIE

REACTIE

Het is in bepaalde gevallen mogelijk om een schade­ vergoeding te claimen. Dan moet er echter een causaal verband aangetoond worden tussen de schade en een schadeveroorzakende handeling of besluit. Een schade­ vergoeding zal in de praktijk meestal niet de volledige schade dekken. Een schadevergoeding is zeker niet hetzelfde als een (renteloze) lening.

De huidige provinciale en gemeentelijke beleidskaders, regels en plannen - waaronder de provinciale structuurvisie Grutsk op e’ Romte, waarin de landschappelijke en cultuur­ historische kernkwaliteiten zijn weergegeven -, borgen volgens ons dat met het landschap zorgvuldig rekening wordt gehouden. We zien tegelijk ook kansen om nieuwe land­schappelijke kwaliteiten tot ontwikkeling te brengen.

79

Programmalijn 4: Integrale gebiedsaanpak Algemeen/ systematiek INSPREKERS

65, 71, 79, 88, 94, 104, 107, 216, 219, 220, 249

programma is immers dat veenafbraak, bodemdaling en CO2-uitstoot in het veenweidegebied zijn gestopt in 2050. Dit heeft niks te maken met duurzame energieopwekking en energie­besparing.

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Er wordt begonnen bij de ‘ontwikkelgebieden’ en vervolgens de ‘kansrijke gebieden’. Het bedrijf van insprekers ligt in geen van beide. Er is geen geld om de situatie in het gebied aan te pakken, maar het ontwerp-Veenweideprogramma legt wel een claim op het bedrijf. Dit lijkt volgens insprekers onredelijk.

In het Veenweideprogramma (H 4.) zijn geen doelen gesteld op het terrein van duurzame energieopwekking of energie­ besparing. Wel is aangeven dat er een koppelkans kan zijn. De doelen voor duurzame energieopwekking zijn landelijk vast­gesteld en worden regionaal uitgewerkt in Regionale Energie Strategieën.

REACTIE

We starten in de ontwikkelgebieden en kansrijke gebieden, en van daaruit werken we verder. Maar in de tussentijd sluiten we kansrijke initiatieven daarbuiten niet uit. Onze inzet is wel afhankelijk van beschikbare middelen, o.a. voor flankerend beleid. Dat geldt ook voor de inzet van maat­ regelen. Dit programma legt geen formele planologische claim op de gebieden of bedrijven. Wel onder­kennen we dat er een schaduwwerking optreedt en we beseffen dat dit leidt tot onzekerheden. Onzekerheden die voor een deel horen bij ondernemers­chap maar die ook belemmerend kunnen werken. We realiseren ons dat het programma niet alle onzeker­heden oplost, maar we willen ons samen met de landbouw­sector inzetten voor een goed toekomst­ perspectief.

INSPREKERS

166 KERN ZIENSWIJZE

Het geschetste landgoedmodel en nationaal park veen­ weide zijn een farce en een vernedering voor boeren. REACTIE

Dit zijn louter illustraties/ voorbeelden van modellen voor samenwerking. We zien ze zeker niet als een ‘vernedering voor boeren’ omdat ze elders succesvol zijn gebleken, ook voor boeren. Of de modellen ook in het veenweidegebied kunnen werken, zal de praktijk moeten uitwijzen. Dit zal alleen op basis van medewerking en draagvlak in een gebied gebeuren.

INSPREKERS

26,27, 28, 46, 120, 128, 215

INSPREKERS

INSPREKERS

INSPREKERS

251

195

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Gebieden waar geen geld of concrete plannen voor zijn, moeten uit het plan gehaald worden. Als de planmakers geen financiële verantwoordelijkheid kunnen nemen, mag die last niet bij de ondernemers gelegd worden.

Inspreker pleit voor een zitting van een biologische boer in de nog in te stellen gebiedscommissies.

REACTIE

De doelstellingen van het programma - verminderen veenoxidatie, duurzame toekomst voor de landbouw, en klimaatadaptatie - gelden voor het hele veenweidegebied. Duidelijkheid over deze doelen biedt de mogelijkheid om hierop te anticiperen en stappen te zetten in de in dit programma aangegeven richting. We beseffen dat we nog niet alles weten en precies in de vingers hebben. Daarom zijn er ijkmomenten ingebouwd om de balans op te maken en de aanpak bij te kunnen stellen. De ‘last’ ligt zeker niet alleen bij de ondernemers; er is aangegeven dat de landbouw wordt gesteund bij de noodzakelijke aanpassingen en er is flankerend beleid.

INSPREKERS

221 KERN ZIENSWIJZE

De grondgebruikers dienen een stevige stem in een gebiedscommissie te hebben. Zonder draagvlak van de grondgebruikers kan het gebied zich niet ontwikkelen in de gewenste richting.

25, 184 KERN ZIENSWIJZE

Bij het voorbeeld over samenwerkingsvormen wordt nationaal park genoemd; hierbij ook benoemen dat er ook nadelen kleven aan het aanmerken van een gebied als nationaal park. REACTIE

Nationaal park is genoemd als een voorbeeld. Mocht dit een veelbelovende optie zijn, dan wordt uiteraard een afweging gemaakt van de voor- en nadelen die dit heeft, voordat hier een politieke keuze over wordt gemaakt.

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker is van mening dat doelen op het terrein van duurzame energieopwekking en energiebesparing niet in een Veenweide-programma thuishoren. De ambitie van het

80

KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

202 KERN ZIENSWIJZE

Gebiedsgericht samenwerken met open vizier is hier de juiste keuze. Boeren kunnen hiermee kennis en kunde over het gebied inbrengen en voelen zich dan ook verantwoordelijk. De toekomst van het gebied is ook de toekomst van hun bedrijf en omgeving. Grondinstrumenten en de HAKLAMmethode kunnen hierbij de helpende hand bieden: Hoog als het kan, laag als het moet, meer automatische stuwen, berging of gemaalcapaciteit met peilbeheer door zelfsturing van de ingelanden. In overleg met boeren en met goede weersvoorspellingen kan er veel beter getuned worden aan het waterbeheer! Ook om het beweidings­ seizoen voor de koeien in stand te houden. REACTIE

REACTIE

Insprekers zijn blij dat het landgoedmodel wordt herkend en erkend als een model waarin sprake is van samenhang van functies en landbouw meer in balans is met en onder­ deel van natuur en landschap. En waarbij ook ruimte en aandacht is voor recreatie en andere ruimtelijke aspecten en de bedrijfsvoering mede gericht is op instandhouding van cultureel erfgoed.

REACTIE

Voor elk gebied wordt in overleg met vertegenwoordigers uit het gebied de samenstelling van de gebiedscommissies bepaald. Deze samenstelling kan per gebied verschillen, afhankelijk van de belangen in een gebied.

We zijn het eens met een stevige inbreng van de grond­ gebruikers in het gebiedsproces, ook voor het draagvlak. Hun plek in de gebiedscommissie zal hierop afgestemd zijn.

Deze reactie sluit goed aan op de aanpak en strategie die in het programma is beschreven (H. 5). Samen en van onder­ op, waarbij lokale gebiedscommissies een belangrijke rol spelen. Ook het grondinstrumentarium en het HAKLAM principe willen we inzetten.

INSPREKERS

166

Specifieke gebieden

KERN ZIENSWIJZE REACTIE

We onderschrijven deze opvatting. Er zijn ook goede voorbeelden waarin dit model elders succesvol wordt toegepast. Als er initiatieven zijn voor het toepassen van het landgoedmodel in het veenweidegebied, willen we dit faciliteren.

Gebiedsplatforms zouden vanwege het grote belang van landbouw als grondgebruikers voor 2/3de deel uit boeren moeten bestaan.

INSPREKERS

74 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Zie reactie hierboven. Het exacte aandeel van grond­ gebruikers zal in overleg met betrokken partijen in het gebied nader bepaald worden.

Oproep om namens de boerenbedrijven van VVB Groote Veenp­older meer samen te werken met het gebied, de bedrijven en de rayonbeheerders; meer bottom-up i.p.v. topdown, ook om goodwill te creëren.

81

REACTIE

We onderschrijven deze reactie. De gebiedsgerichte benadering van het programma biedt de ruimte voor een bottom-up aanpak en samenwerken met partijen in het gebied.

Op dit moment is er niet voldoende geld voor de Groote Veenpolder. Maar bij de start van het proces in andere gebieden was er ook onvoldoende geld. Door met het gebied een goed plan op te stellen is er ook aanspraak te maken op geld dat beschikbaar is voor de aanpak van de veenweidegebieden.

INSPREKERS

34

INSPREKERS

106 KERN ZIENSWIJZE

Het ontwerp Veenweideprogramma legt een claim op de Groote Veenpolder die niet werkbaar is. Verzoek is om: peilmaatregel los te laten, deze inwisselbaar te maken voor bodemmaatregelen en daar ruimhartig budget beschikbaar voor te stellen, gronden met minder dan 80 cm veen uit het programma te halen, gebieden waar sprake is van wegzijging naar de Noordoostpolder uit het programma te laten, nog te betalen ruilverkavelingslasten voor de komende jaren te compenseren, de ambitie naar beneden bij te stellen en in overeenstemming te brengen met het beschikbare geld, en de boeren schadeloos te stellen voor de planologische schaduwwerking van het programma. REACTIE

We kennen de zorg van de boeren in de Groote Veenpolder en hebben hier oog voor, net als voor de zorg van de boeren in de rest van het gebied. En we beseffen ook dat we al deze zorg nu niet weg kunnen nemen. Het streven naar een hogere grondwaterstand is geen dogma, er moet rekening worden gehouden met de lokale gebiedsspecifieke omstandigheden, zoals de wegzijging naar de Noordoostpolder. Dit is onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak, samen met het gebied. We onderkennen ook het belang van goed bodembeheer en de kansen van bodemmaatregelen. AAN HET PROGRAMMA VOEGEN WE EEN PROGRAMMALIJN

KERN ZIENSWIJZE

It Leechlân wordt nog steeds als kansrijk gebied betiteld en niet als ontwikkelgebied. Er zou niet voldoende geld zijn. Het gebied heeft echter niet om geld gevraagd. Wat It Leechlân nodig heeft is: • bestuurlijke visie over behoud van het veenweide­ landschap, dat project- en natuurontwikkelaars buiten de deur houdt; • waardering, inrekening en vertrouwen in het gebied; • een dienende overheid voor oplossingen uit het gebied zelf; • weghalen van alle (generieke) restricties die boven het gebied hangen, waardoor perspectief geboden wordt voor de in dit veenweidegebied aanwezige noodzakelijke bedrijven. Er is hier al veel bereikt: nagenoeg geen inklinking van veen waardoor de CO2 uitstoot zoals nu voorgespiegeld niet klopt. Ga nu eerst meten wat er al in dit gebied is bereikt en wat de opgave evt. nog is. Koppelkansen in combinatie met restricties, negatief imago, en een nietover­all visie maken het gebied kapot. Prioriteit nummer één hierbij is dat er duidelijkheid komt voor het gebied als overgangs­gebied en bijbehorende stikstofdepositie. Kavel­ ruil, gerichte opkoop en herverdeling kunnen hier nu al prima worden ingezet; niet ter compensatie van negatieve effecten, maar als waardering en bevordering van de inzet van het gebied zelf. REACTIE

38, 74 KERN ZIENSWIJZE

Er is €65 miljoen beschikbaar. Dit is niet voldoende voor de twee ontwikkelgebieden. De Groote Veenpolder behoort tot de volgende groep van vier kansrijke gebieden waarvoor geen geld is. Geen geld, geen planologische claim. REACTIE

Dit programma legt geen formele planologische claim op de gebieden. Wel onderkennen we dat er een schaduw­ werking optreedt en we beseffen dat dit leidt tot onzeker­heden. Onzekerheden die voor een deel horen bij ondernemer­schap maar die ook belemmerend kunnen werken, bijvoorbeeld bij bedrijfsovernames. We realiseren ons dat het programma niet alle onzekerheden oplost, maar we willen ons samen met de landbouwsector inzetten voor een goed toekomst­perspectief.

82

We hebben begrip voor deze oproep vanuit dit gebied. Het gaat om de mensen die wonen en werken in het gebied en die willen we graag betrekken bij de verdere uitwerking van plannen in het gebied. De verkenningen die al in het gebied gedaan zijn en de voorstellen die er liggen, vormen hiervoor een goed vertrekpunt. De inzet en energie in het gebied willen we zoveel mogelijk gebruiken. Het programma en de aanpak daarin, bieden hiervoor ook de ruimte en mogelijkheden, incl. inzet van instrumenten en maatregelen. Het benutten van koppelkansen zien we als een mogelijkheid om meerwaarde in het gebied te bereiken door ook andere opgaven te laten profiteren van bepaalde inspanningen. Het moet niet als een belemmering gaan werken en daar zullen we ook op letten..

Insprekers vinden dat de prioriteiten daar moeten worden gelegd waar de problemen het grootst zijn.

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Wil het project enig kans van slagen hebben (waterpeil – 40 cm) zonder dat agrariërs teveel schade ondervinden, dan zal het bemalingsgebied De Kromme Jelte van ca. 500 ha. opgedeeld moeten worden in verschillende kleine peil­vakken zodat maatwerk mogelijk is; dit geldt met name voor het laagst gelegen gebied aan de Wymerts te Osinga­­huizen. Over de drooglegging hiervan zijn afspraken gemaakt in het kader van de ruilverkaveling Wymbritsera­ diel, waarvan de looptijd nog niet afgelopen is (brief provincie van 2-1-1991). Door het plaatsen van drijvende stuwen in de tochtsloot is waterpeil van - 40 cm c.q. huidig water­peil te realiseren. Anders ontstaat een grote schade­ post. Inspreker wil hierover meer duidelijkheid.

Op dit moment zijn er twee gebieden als ontwikkelgebied benoemd. In deze gebieden is het proces al enkele jaren aan de gang en zijn er ook landelijke middelen voor uit­ voering beschikbaar. In het programma is aangegeven dat de ambitie is om ook andere gebieden te promoveren tot ontwikkelgebied. Dit hangt o.a. af van de beschikbaar­heid van middelen.

REACTIE

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, zullen we met dergelijke lokale omstandigheden en afspraken rekening houden. Dit laat onverlet dat bestaande afspraken kunnen veranderen. In dat geval nemen we uiteraard de geldende regels en juridische waarborgen in acht.

INSPREKERS

99 KERN ZIENSWIJZE

De rapporten van Sweco, de MKBA en het verzoek van de Werkgroep landbouw Sneekermeer West van februari j.l. om de peilopgave in het gebied en de status kansrijk gebied op te heffen, is tot dusver door provincie en Wetterskip alleen beantwoord met het opheffen van de status van kan­srijk gebied. Ondanks de resultaten van het onderzoek van Sweco blijft een peilopgave boven het gebied ‘hangen’ en wordt pas in 2026 beslist over het gebied Sneekermeer west, waar over­wegend een kleipakket > 40 cm voorkomt en veen­oxidatie onder het kleipakket nauwelijks plaatsvindt.

INSPREKERS

101 KERN ZIENSWIJZE

Zodra de plannen voor de Groote Veenpolder en om­ liggende gebieden concreter worden, moet er een duidelijke uiteen­zetting komen over haalbaarheid, gevolgen en planning. Daarop moet het ook mogelijk zijn om bezwaar of een ziens­wijze in te dienen. REACTIE

BODEM EN GRONDGEBRUIK TOE.

INSPREKERS

INSPREKERS

81

De concrete uitwerking per gebied willen we maken in overleg met het gebied; hierbij houden we rekening met haalbaarheid, gevolgen en planning en willen we ruimte benutten voor maatwerk. Bij het nemen van formele besluiten, zoals een bestemmingswijziging of een peilbesluit, staat altijd de mogelijkheid van bezwaar en beroep open.

REACTIE

Een van de doelen van het programma is dat het water­ systeem waterrobuust en klimaatbestendig wordt in­ gericht. Mocht het niet effectief zijn om in deze gebieden maatregelen te nemen voor CO2 reductie, dan is het nog steeds nodig om ook in deze gebieden te zorgen dat we in de toekomst voldoende zoet water beschikbaar hebben en extremere neerslagperioden aan kunnen. In 2026 wordt besloten welke maatregelen er nodig zijn in de andere gebieden, en wat dit betekent voor het peilbeheer en de inrichting van het watersysteem. HIERBIJ BETREKKEN WE DE NIEUWSTE INZICHTEN EN ONDERZOEKS­R ESULTATEN M.B.T. CO2 REDUCTIE, BODEM ­ DALING, GRONDWATER­S TROMEN EN GRONDWATERBEHEER. DE TEKST HEBBEN WE HIEROP AANGEVULD.

INSPREKERS INSPREKERS

163

15, 114 KERN ZIENSWIJZE KERN ZIENSWIJZE

Insprekers vinden dat de Groote Veenpolder van een kans­ rijk gebied een ontwikkelgebied moet worden. Insprekers plaatsen vraagtekens bij de gebiedsprioritering. Op basis waarvan zijn de ontwikkelgebieden aangewezen? Wie bepaalt wanneer een gebied overgaat van een kansrijk naar een ontwikkel­gebied? En stel dat dat heel laat gebeurt, moeten de gebruikers in zo’n gebied dan maar wachten?

In Grouster Leechlan loopt twee jaar een proces waar vanuit het gebied voorstellen zijn gedaan voor wat de beste waterstand zou zijn zodat land nog goed te bewerken is en het veen behouden blijft. Nu komen er allemaal aanvullende voorwaarden. Inspreker zet vraagtekens bij de mate van bodemdaling in het gebied; inspreker wil graag met bedrijf verder, maar niet met allemaal beperkingen.

83

REACTIE

INSPREKERS

We snappen de zorg die er is bij 900 melkveebedrijven in het veenweidegebied. Een duurzaam toekomstperspectief voor deze bedrijven is daarom ook als belangrijk doel opgenomen in het programma. We hebben echter ook te maken met maatschappelijke opgaven op bijv. het gebied van klimaat. We vinden het proces samen met de betrokkenen in een gebied erg belangrijk. De inzet op deze gebieds­aanpak gaan we vergroten en we willen graag samen met het gebied de mogelijkheden en onmogelijk­ heden in beeld brengen. Hierbij houden we rekening met al lopende initiatieven en voorstellen, waarbij we wel voldoende dynamiek willen houden om adaptief op ontwikkelingen te kunnen inspelen.

186

INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker pleit voor het kansrijk gebied Idsegea voor het maken van stappen met grondaankopen ter compensatie van gronden die afgewaardeerd worden in verband met de peilaanpassingen, als vervolg op de verkavelingsanalyse die afgelopen jaar is gemaakt.

KERN ZIENSWIJZE

In de ontwikkelgebieden Aldeboarn de Deelen worden al een aantal jaren gesprekken gevoerd met boeren, en verschillende onderzoeken en projecten gedaan. De problematiek wordt onderkend en de bijbehorende gewenste aanpak lijkt voldoende draagvlak te kunnen hebben, mits: er voldoende geld is voor compenserende en flankerende maatregelen en de blijvende boeren voldoende worden gecompenseerd in grond en geld; de stoppende boeren een eerlijke prijs krijgen voor hun bedrijf, verplaatsende boeren daarenboven worden gecompenseerd voor de verplaatsingskosten en het financiële gat tussen de waarde van grond die men achterlaat en verwerft wordt gedicht; de waarde van grond en gebouwen wordt gerelateerd aan het prijspeil 2019, zodat waarde­ vermindering als gevolg van planontwikkeling ‘Foarút mei de Fryske Feangreiden’ geen invloed heeft op de dan vast­gestelde dagwaarde; de gebiedscommissie het finale go/no-go geeft over de uitvoering van het gebiedsplan op basis van beschikbaar geld; de gebiedscommissie een even­ wichtige samenstelling heeft overeenkomstig de belangen. REACTIE

REACTIE

In overleg met de klankbordgroep van dit gebied gaan we aan de slag met het maken van een aankoopstrategieplan. Voor het aankopen van gronden is het verder nodig dat hiervoor voldoende middelen beschikbaar zijn. Ook hier wordt komend jaar op ingezet. Verder gaan we met het gebied aan de slag met de invulling van pilots en het maken van een gebiedsperspectief.

In de ontwikkelgebieden maken we samen met betrokkenen plannen voor de ontwikkeling van deze gebieden. Ieders belang wordt daarin meegenomen en mee­gewogen. Daarbij gaan we zorgvuldig met ieders belang om. In het Veenweideprogramma is aangegeven dat we hiervoor flankerend beleid ontwikkelen. En ten aanzien van gebieds­commissies zijn we het volledig eens met het plei­dooi voor een evenwichtige samenstelling.

INSPREKERS

INSPREKERS

41

2

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers vragen duidelijkheid over de begrenzing van het kansrijk gebied Aldeboarn De Deelen in relatie tot hun perceel en dat van de hun buren. Ofwel alle percelen die met een peilverandering en recreatie of andere vormen van exploitatie te maken krijgen behoren bij het kansrijk gebied ADD, of niet één, zodat willekeur en consequenties voor andere percelen voorkomen worden.

De bodemdaling in het gebied De geeuw poel en De joo poel in Idsegea is niet het rampscenario wat geschetst wordt in het algemene veenweidegebied. De grootste bodem­daling hier wordt veroorzaakt door grondkerende bewerkingen. Zie bodemdalingskaart Nederland: minder dan 1 mm per jaar in betreffende polder.

REACTIE

De bodemdalingskaart Nederland is gebaseerd op satelliet­ metingen. Deze metingen zijn afkomstig van harde objecten zoals wegen en gebouwen. Deze meetpunten geven dus geen beeld van de bodemdaling in de weilanden. Bij de uitleg van de bodemkaart van Nederland is dit toegelicht.

REACTIE

De kaart in figuur 7.3 van het programma geeft een ruwe contour weer van de kansrijke gebieden. Dit is geen exacte begrenzing. Alle belanghebbenden die te maken krijgen met peilveranderingen of andere vormen van exploitatie worden hierbij betrokken.

84

INSPREKERS

INSPREKERS

214

236

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker geeft aan dat indruk bestaat dat u als beleids­ maker veel te snel wilt met het in uitvoering brengen van het zo gewenste toekomstige beleid. Er is niet concreet beschreven wat de economische en sociale gevolgen zijn voor de boeren in de Brekkenpolder. De financiële onzekerheden zorgen voor veel frustratie bij de onder­ nemers in dit gebied. Er is in dit gebied zeer weinig vooruit­ gang geboekt in dit gebied en er zijn toezeggingen gedaan die niet zijn nagekomen. Zo zouden er peilbuizen worden geplaatst en het grondwaterpeil in beeld worden gebracht.

Inspreker doet een dringend beroep om samen met het gebied het Veenweideprogramma op een juiste wijze in te vullen met realistische verwachtingen en maatregelen zodat de landbouw in het gebied kan blijven bestaan. Het gebied Brekkenpolder heeft 11 landbouwbedrijven waarvan 8 met een bedrijfsopvolger. Dit is uniek want landelijk kent minder dan de helft van de bedrijven een opvolger.

REACTIE

De concrete economische gevolgen voor elke ondernemer zijn op bedrijfsniveau heel verschillend. Die kunnen we op dat niveau op dit moment niet in beeld brengen. We beseffen heel goed dat er economische gevolgen zullen zijn. In het programma is daarom aangegeven dat we de land­bouw willen steunen bij de noodzakelijke aan­ passingen. Onder de programmalijn ‘ It Nije Buorkjen’ is dit uitgewerkt. Voor het gebied Brekkenpolder zijn diverse overleggen geweest. Er zijn afspraken gemaakt over het plaatsen van peilbuizen in het kader van het project Boeren meten water. Door de Corona pandemie heeft dit vertraging opgeleverd. Dit is gecommuniceerd met het gebied.

REACTIE

Het gebied Brekkenpolder is een van de genoemde kans­ rijke gebieden. We gaan graag verder met het gebied in gesprek om invulling te geven aan de in het programma benoemde doelen.

85

Programmalijn 5: Onderzoek en monitoring INSPREKERS

26, 27, 28, 29, 30, 32, 40, 42, 45, 46, 49, 51, 53, 58,60, 116, 120, 128, 131, 133, 124,141, 142,145, 147,154, 155,156, 160, 161, 167, 170, 172, , 188, 190, 191, 192, 197, 213, 215, 225, 226, 227, 228, 230, 232, 233, 234, 235, 241, 242, 243, 249, 250, 252

Het programma biedt de nodige ruimte om aanvullend onderzoek uit te voeren en om maatregelen eerst in pilots uit te proberen. Pas als er meer zicht is op effectiviteit, kan een maatregel breder worden toegepast. De gefaseerde en adaptieve aanpak van het programma is zo mede afgestemd op de beschikbare kennis en op voort­schrijdende inzichten.

INSPREKERS

INSPREKERS

46, 128, 215

202

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vindt dat er onderzoek naar arbeidstijd en totale financiële gevolgen voor de landbouwsector plaats moet vinden.

In de visie wordt veel te gemakkelijk uitgegaan van de stuurbaarheid van grondwater. In een droge periode is niet alleen een hoog slootpeil voldoende, maar ook water­ aanvoer in het perceel. Hier is meer onderzoek voor nodig.

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers vragen aandacht voor het gebrek aan zicht op effectieve maatregelen. Verwijzend naar het Klimaat­ akkoord (pag. 138) citeert men: ‘In de ‘Hoofdlijnen voor een Klimaatakkoord’ is het technisch potentieel van enkele maatregelen, zoals onderwaterdrainage in beeld gebracht. Kennisontwikkeling zal uitwijzen welke maat­regelen effectief zijn om de doelstelling van 1 Megaton CO2-eq reductie te behalen. De daadwerkelijke mix van maat­regelen die nodig is om deze doelstelling te realiseren wordt op basis hiervan bepaald en wordt op gebiedsniveau gerealiseerd.’ Uit diverse stukken, waaronder de kamerbrief Kabinets­ aanpak Klimaatbeleid nr. 562, kan men opmaken dat nu in het geheel nog niet duidelijk is met welke maatregelen op effectieve wijze CO2 reductie bereikt kan worden. Het is niet voor niks dat het Ministerie €76 miljoen heeft uitgetrokken voor onderzoek, pilots en demonstraties. Het gebrek aan zicht op werkende oplossingen wordt ook nog eens bevestigd door onderzoeken, zoals u zelf uitvoert naar het effect van onderwaterdrainage zoals gepubliceerd op de website www.veenweidefryslan.frl.

Insprekers verzoeken om enkele onderzoeksvragen specifieker te benoemen; wat dragen andere grondsoorten bij aan CO2 uitstoot; welk aandeel CO2-uitstoot is het gevolg van normaal bodemleven en welk aandeel is het gevolg van veenoxidatie; wat is de verandering in methaan­ uitstoot bij vernatting; wat leveren de maatregelen op; onderzoek naar financiële effecten voor de landbouw­ sector; onderzoek naar arbeidstijd die de boer kwijt is aan deelname aan het programma; onderzoek naar veeziektes. Men stelt vast dat u binnen dit Veenweideprogramma voor landbouwers ingrijpende maatregelen voorschrijft, zonder dat u de effecten goed kent. Hiermee maakt u de agrarische sector tot slachtoffer van beleid dat mogelijk er niet toe leidt dat gestelde doelen worden gehaald.

INSPREKERS

REACTIE

221

Uitgangspunt van het programma is dat er ook in toekomst nog een duurzaam perspectief is voor de landbouw in het veenweidegebied. Er zullen veranderingen plaats­ vinden en hierin willen we de sector ondersteunen. In de programmalijn It Nije Buorkjen is hier nadrukkelijk aandacht voor. Het verdienvermogen voor de landbouw is een belang­rijk thema in de aanpak. We betrekken hierbij actuele inzichten vanuit de landbouw.

KERN ZIENSWIJZE

Er zal een ‘nulmeting’ moeten komen om vast te leggen wat de situatie in het gebied en op perceelsniveau is, voordat de maatregelen uitgevoerd gaan worden. Dat geldt overigens ook voor de “HAKLAM”-proef die binnenkort in het gebied van start gaat. REACTIE

Monitoring is een belangrijk onderdeel van het programma. Op gebiedsniveau, in de ontwikkel- en kansrijke gebieden, kan dit verder worden ingevuld.

De relevante onderzoeksvragen die te maken hebben met broeikasgassen zijn ondergebracht in het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweiden en in het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling. We onderkennen dat de uitwerking van het programma financiële gevolgen heeft voor de landbouw; in de programma­­lijn ‘ It nije buorkjen’ wordt hier uitgebreid aandacht aan besteed, o.a. in de vorm van flankerend beleid voor ondersteuning van de landbouw.

86

INSPREKERS

5 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Er moet meer onderzoek komen naar de bodemgesteldheid bij vernatting en de invloed (dichtslibben) van de grond bij hoosbuien. REACTIE ER WORDT EEN PROGRAMMALIJN BODEM EN GROND ­ GEBRUIK AAN HET PROGRAMMA TOEGEVOEGD. DAARIN

Naast teelt met natte omstandigheden is zeker zo belang­ rijk onderzoek naar hoe om te gaan met droge zomers. Een van de belangrijkste proefprojecten wordt niet genoemd: BioClive van de Universiteit Utrecht. Zij doen vooral onderzoek naar het effect van diepwortelende grassen, gemengd tussen de andere grassoorten in een gevarieerde samen­stelling, wat bij droogte de plag toch vochtig houdt. Een peil van 40 cm is niet voldoende in een lange periode van droogte. Het gras gaat dood en de plag oxideert. Pas tussen 30 en 40 cm ontstaan er wat betere mogelijkheden, zie BioClive. Om het veen in stand te kunnen houden is een permanent levende en dus vochtige plag nodig, en dat bereik je niet met 40 cm, laat staan met > 40 cm.

WORDT OOK AANDACHT BESTEEDT AAN DRAAGKRACHT VAN DE GROND EN BODEM­V ERDICHTING.

INSPREKERS

46, 128, 208, 215 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

REACTIE

Hier wordt ook het nodige onderzoek naar gedaan. De eerste jaren van de aanpak staan ook nog in het teken van onderzoek en pilots. Daarom zijn ook een aantal ijk­ momenten ingebouwd. Op basis van nieuwe kennis en inzichten kan dan worden bijgestuurd.

Er moet onderzoek worden gedaan naar verandering (toename of afname) van veeziektes, insecten en bio­ diversiteit.

REACTIE

Onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering (o.a. droge zomers) wordt op diverse plaatsen gedaan. Resultaten van dit soort onderzoeken benutten we zo veel mogelijk binnen de aanpak. Binnen het Veenweideprogramma wordt in proeftuin de Welle op praktijkschaal onderzoek gedaan naar verschillende grasmengsels bij hogere waterpeilen. Het streef­­peil van 40 cm is een gemiddelde. Via het HAKLAM-principe willen we kijken wat mogelijk is in droge zomers om de grondlaag voldoende vochtig te houden.

REACTIE

Hier wordt al het nodige onderzoek naar gedaan. In 2020 is een onderzoek uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren naar toename van het risico op leverbot besmettingen. Ook wordt er landelijk en provinciaal het nodige onderzoek gedaan naar de insectenstand en de biodiversiteit.

WE HEBBEN DIT IN PROGRAMMALIJN 1 AAN DE OMSCHRIJVING VAN HET PEIL­B EHEER TOEGEVOEGD.

87

Programmaorganisatie INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183

Kosten en financiering Willen we in de toekomst samenwerken als gelijkwaardige partners, dan is het noodzakelijk dat vanuit de Raden mede­ zeggenschap ontstaat rond het programma.

KERN ZIENSWIJZE

Gemeenten geven aan, in het belang van de leefomgeving, de inwoners en ondernemers in deze gebieden, graag samen te willen werken om daarmee zoveel mogelijk invulling te geven aan het principe van één overheid. REACTIE

Wij onderschrijven het belang van samenwerken aan het Veenweideprogramma. We geven in het programma aan dat we werken met een programma-organisatie waarin gemeenten vertegenwoordigd zijn en er naar bestuurlijke afstemming wordt gezocht. De afspraken over samen­ werking tussen de partijen worden vastgelegd in een samenwerkings­overeenkomst.

REACTIE

We onderschrijven deze oproep van de gemeenten. Hier zijn al de nodige stappen in gezet en er wordt verder gewerkt aan de inbedding bij colleges en raden. Vanuit het principe ‘werken als één overheid’, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, willen we deze samenwerking graag in gelijkwaardig­heid voortzetten en verankeren in een samenwerkings­overeenkomst.

INSPREKERS

221 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

56 KERN ZIENSWIJZE

Insprekers zijn bij concrete onderhandelingen alleen bereid te onderhandelen met partijen die daadwerkelijk bevoegd zijn. Overige stuur- of coördinatiegroepen staan hierbuiten en vertragen en verstoren slechts de weg naar een gepaste oplossing. REACTIE

In de gebiedsprocessen werken we met stuurgroepen of gebiedscommissies. Deze commissies krijgen een mandaat om samen met het gebied voor dat gebied een gebiedsplan te maken. Als het op bedrijfsniveau tot concrete onder­ handelingen komt, bijvoorbeeld over aan- of verkoop van gronden, zal dit zijn met een daartoe bevoegde partij of persoon.

INSPREKERS

Inspreker heeft vernomen dat er kortgeleden twee commissies (afwaardering en verdienmodellen) ingesteld zijn. Vanuit het gebied Idzegea wil inspreker een zetel in beide commissies. Dit is voor het draagvlak in het gebied van essentieel belang. REACTIE

Er is een werkgroep ingesteld om te onderzoeken welke spelregels we willen hanteren bij het afwaarderen van grond. De landbouw is in deze werkgroep vertegen­ woordigd. De resultaten van deze werkgroep worden vervolgens besproken in het BOF, waar ook de diverse belangen zijn vertegenwoordigd.

INSPREKERS

222 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker geeft aan dat het plaatslijk belang Aldeboarn ook deel uitmaakt van het bestuurlijk platform en helaas niet vermeld wordt op figuur op pagina 37 van het programma.

9, 13, 17, 157, 180, 182, 183 REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Een gelijkwaardige positie voor gemeenten (en gemeente­ raden) is noodzakelijk. Het opstellen van het Veenweide­ programma is primair een verantwoordelijkheid (en onder­ deel van de collegeprogramma’s) van de Provincie en het Wetterskip. Beide besturen hebben aan de voor­kant richting gegeven aan het programma, door een richting­gevend besluit te nemen naar aanleiding van een MKBA. Deze inbedding ontbreekt (nog) bij de Colleges en de Raden van de veenweide­gemeenten. Het onderwerp veenweide is in de meeste collegeprogramma’s niet opgenomen en onze Raden hebben in het voortraject geen inbreng kunnen leveren.

88

Het figuur op pagina 37 in het hoofdstuk over programmaorganisatie gaat over de programma-organisatie van het gehele Friese veenweidegebied. In het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF) zit niemand van een plaatselijk belang. In de Stuurgroep van het ontwikkelgebied van Aldeboarn de Deelen zit wel een vertegenwoordiger van Plaatselijk Belang.

INSPREKERS

29, 30, 32, 37, 38, 39, 40, 42, 45, 48, 49, 74, 100, 101,116, 118, 131, 133, 134, 141, 142, 145, 147, 154, 155,156, 160, 161,167,170, 172, 188, 190, 191, 192, 197, 204, 213, 230, 232, 233, 234, 235, 214, 236, 241, 243, 247, 255

Tegenover beperking van een rendabele bedrijfsvoering moet voldoende compensatie staan; hierbij moeten kredietverstrekkers meegenomen worden vanwege minder onderpand door waardedaling van de grond. REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

Er is onvoldoende geld om het hele gebied aan te pakken, terwijl met het programma wel een claim op het gehele gebied wordt gelegd. Zo is op een begroting van €550 miljoen op dit moment €65 miljoen beschikbaar. Dit is niet voldoende voor de twee ontwikkelgebieden. De ambities zijn veel te groot. Eerst moet het vele geld geregeld worden, anders hoeft niet eens gedacht te worden aan start in de kansrijke gebieden. Er wordt heel gemakkelijk gerekend op een groot deel van de klimaatgelden, maar komt dit geld er daadwerkelijk en wordt dit dan wel gebruikt om ondernemers te compenseren? Het exploiteren van een gezond landbouwbedrijf wordt onmogelijk gemaakt door een pakket aan maatregelen zonder dat de financiële middelen vanuit de overheid al beschikbaar zijn. De afspraak geen geld, geen Zwitsers is van groot belang voordat in een gebied aan de slag gegaan wordt.

Omdat de concrete uitwerking van plannen nog moet plaats­vinden, is een heel nauwkeurige raming nu nog niet te maken. De kosten zijn voorlopig geraamd op 550 miljoen. Bij de verdere concretisering van plannen zal blijken of dit genoeg is. Bij de ijkmomenten in 2022 en 2026 wordt ook de financiële balans opgemaakt. Zoals in het programma is aangegeven, is er veel aandacht voor de verdiencapaciteit van de landbouwsector. Het doel is dat er ook een duur­ zaam toekomstperspectief is voor de landbouw in het gebied. Ook andere partijen worden hierbij betrokken.

INSPREKERS

125 KERN ZIENSWIJZE

De kosten zijn veel te laag geraamd. Met een schade van al gauw €10.000 per ha en grond nodig voor waterberging, is het benodigde bedrag een factor 2 hoger dan nu geraamd. REACTIE

REACTIE

Zoals aangegeven, is de focus eerst gericht op de gebieden met dik veen en de kansrijke gebieden en ontwikkel­ gebieden; bij de herijking in 2022 en 206 bepalen we de inzet voor andere gebieden. Deze gefaseerde aanpak heeft mede met de beschikbaarheid van middelen te maken. Ondertussen gaan we aanvullende middelen werven. De veenweide­problematiek, en dan met name de CO2 reductie­opgave, overstijgt de regio. Daarom vinden we het belangrijk dat er landelijke en Europese middelen beschik­ baar komen voor de aanpak van de problematiek. Door aan te geven wat we willen (de doelen) en hoe we dit willen realiseren (strategie en aanpak), kunnen we ons overleg met het Rijk over het beschikbaar stellen van middelen op een goede wijze ondersteunen. In het programma is het principe ‘geen geld, geen Zwitsers’ opgenomen. Er worden geen maatregelen doorgevoerd als er geen dekking voor is.

Zie vorige reactie.

INSPREKERS

26, 27, 28, 120, 130 KERN ZIENSWIJZE

Kan de waterschapheffing niet worden ingezet om de kosten van het programma (deels) te dekken?; boeren die nadeel ondervinden hoeven minder te betalen en natuurorganisaties die die baat hebben bij het programma zouden dan meer betalen. REACTIE

Het belastingstelsel van de waterschappen kent niet de mogelijkheid voor een dergelijke tariefdifferentiatie. Om de kosten de dekken zetten we in op andere middelen, zoals in H. 9 is aangegeven.

INSPREKERS

INSPREKERS

101

46, 128, 215

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

De financiële onderbouwing is vaag. Het is onduidelijk wie de hoge kosten gaat dragen. De rekening ligt vooralsnog voornamelijk bij de boeren via de grote stijging van waterschaps­lasten.

Het programma is opgesteld in belang van heel Friesland. Naast herverdeling (waterrecreatie en natuur moeten meer betalen) van de waterschapsbelasting binnen het veenweide­gebied, zouden de kosten via de

89

waterschapsbelasting door alle inwoners en bedrijven in Friesland gedragen kunnen worden.

te maken over de financiering van de aanpak van de veenweidegebieden.

Overig

REACTIE

Het belastingstelsel van de waterschappen kent niet de mogelijkheid voor een dergelijke tariefdifferentiatie. Om de kosten de dekken zetten we in op andere middelen zoals in H. 9 is aangegeven. De kosten die het waterschap maakt, worden via de waterschapsheffing door alle inwoners en bedrijven binnen het beheergebied van het waterschap gedragen.

INSPREKERS

182, 208 KERN ZIENSWIJZE

Wij vinden dat de kosten van de veenweideproblematiek niet onevenredig bij een specifieke groep moet worden neergelegd. REACTIE

INSPREKERS

26, 27, 28, 46,120, 128, 130, 215 KERN ZIENSWIJZE

Kunnen SNL gelden niet worden ingezet voor dekking van het veenweideprogramma?

De veenweideproblematiek is een gemeenschappelijk probleem. De kosten die gemaakt worden om de doelen te kunnen realiseren, zullen niet bij een specifieke groep neergelegd worden. In H. 9 is aangegeven hoe we de financiering van het programma de komende jaren willen realiseren.

REACTIE

Met SNL gelden worden subsidies verstrekt voor het behoud en ontwikkeling van (agrarische) natuurgebieden en land­schappen. SNL middelen kunnen heel goed onder­ deel zijn van het verdienmodel van agrarische bedrijven.

INSPREKERS

INSPREKERS

56

INSPREKERS

174 KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Het Veenweideprogramma gaat over een groter gebied dan waar nu de veenpakketten zitten. Van deze huidige en extra gebieden is er maar een klein gebied waar veen kan worden behouden. Nu er veel meer hectares in het programma zitten, hebben alle maatregelen een grote impact op een veel te groot gebied, waar dus geen veen kan worden behouden. REACTIE

Naast de doelstelling om de negatieve effecten van veen­oxidatie te beperken, kent het programma ook een doelstelling om de watersystemen klimaatbestendig in te richten. Dit geldt ook voor de gebieden waar dunnere veen­pakketten zijn of sprake is van een dik kleidek. In het programma is aangegeven dat in 2026 een besluit wordt genomen over de in deze gebieden benodigde maatregelen.

Enerzijds dient de vervuiler te betalen. Anderzijds dient de prijs voor zuivel en voedsel te stijgen. Een vleestaks is een mooi begin.

46, 128, 215 REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Bestaande subsidies en gelden mogen niet gebruikt worden om gaten in de begroting mee te dichten. Daarnaast moeten bestaande inkomsten (met veel voorwaarden) beschik­baar blijven voor de landbouwers.

Het Veenweideprogramma is niet de plaats om beleid m.b.t. beprijzing e.d. uit te werken.

REACTIE

Welke middelen ingezet kunnen worden is een politieke afweging. Dit kan gevolgen hebben voor bestaande budgetten. Uitgangspunt voor de landbouw in het veenweide­gebied is dat er ook in de toekomst nog een goed inkomen is te verwerven. Daarom wordt hier in het programma ook veel aandacht aan besteed.

INSPREKERS

9 KERN ZIENSWIJZE

Voor de financiering van de ambities van het Veenweide­ programma zijn op termijn meer middelen noodzakelijk. Om de voortgang en uitvoering van het programma te kunnen borgen moet de provincie, eventueel samen met het Rijk, tijdig meer geld beschikbaar stellen. REACTIE

Voor de financiering is inderdaad meer geld nodig. In H. 9 is aangegeven dat we de samenwerking met het Rijk en andere provincies willen intensiveren om afspraken

90

91

COLOFON Uitgave: Provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân, november 2020 Provincie Fryslân Postbus 20120 8900 HM LEEUWARDEN Tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25 www.fryslan.frl provincie@fryslan.frl Wetterskip Fryslân Fryslânplein 3 8914 BZ Leeuwarden Postbus 36, 8900 AA Leeuwarden (058) 292 22 22 www.wetterskipfryslan.nl Veenweideprogramma www.veenweidefryslan.frl veenweidevisie@fryslan.frl Vormgeving & opmaak GH+O communicatie & creatie, Leeuwarden Fotografie Daniël Hartog Projectteam Veenweideprogramma

92

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603842/1