CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Reactienota Veenweideprogramma-lr

Het Debat 12 oktober 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203053.267 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

10 alinea's met “breed”: 84 85 136 239 242 355 454 652 657 1537

REACTIE

REACTIE

Uit de praktijkonderzoeken die de afgelopen jaren zijn gedaan in de Groote Veenpolder is gebleken dat de grondwater­­standen daar sterk worden beïnvloed door specifieke lokale omstandigheden. De wegzijging van

Wat er in de toekomst nog nodig is om aan de klimaat­ doelen te voldoen kunnen we nu nog niet geheel voorzien. Hiervoor is in onze optiek eerst nog nader onderzoek nodig om meer inzicht te krijgen in de effectiviteit van

maat­regelen. Met dit programma sluiten we aan bij het landelijke veenplan dat vorig jaar aan de Tweede kamer is aan­geboden. We onderschrijven de aanbeveling om te investeren in het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen, ook voor nat veen. We zetten niet in op sterke vernatting van percelen tot vlak onder of op maaiveld, of het onder water zetten van percelen. Dit mede om broeikasgasvorming in de vorm van lach­gas en methaan te voorkomen. Bovendien willen we dat landbouw op graslandpercelen een belangrijke drager van het gebied blijft en een duurzaam toekomstperspectief houdt.

INSPREKERS

8 KERN ZIENSWIJZE

Vanuit het oogpunt van een efficiënt en toekomstbestendig waterbeheer zullen per gebied scherpere keuzes gemaakt moeten worden. Insprekers pleiten ervoor om in de overgangs­gebieden rond natuurgebieden bufferzones in te richten. Dat schept helderheid en focus voor de (gebieds)­ aanpak. Insprekers stellen concrete quick wins voor waar op korte termijn extra vernatting mogelijk is. REACTIE

INSPREKERS

174 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker pleit er voor dat al het veen in dit gebied in stand dient te blijven; van veen met een dikte van meer dan 80 cm tot en met de moerige gronden om daarmee verdere verdroging van de hogere zandgronden en toename van verzilting in Friesland tegen te gaan (op basis van Grondwateratlas 2019). De gebiedsprocessen om tot een hoog grondwaterpeil te komen dienen volgens inspreker in alle veengebieden van start te gaan.

M.b.t. bufferzones: zie reactie vorige reactie. De oppervlakte­­waterpeilen in het NNN worden zo hoog mogelijk om veen­oxidatie en maaivelddaling hierbinnen te vertragen. Het versneld en extra vernatten van het veen in deze natuurgebieden draagt zo aanzienlijk bij aan vermindering van de CO2-uitstoot. Dit past bij de maatregel ‘Versneld Vernatten Veenweide’, dat de Stichting Urgenda samen met de Friese Milieu Federatie, Natuurmonumenten en it Fryske Gea aan ons heeft aangeboden. In de periode tot 2023 gaan we met de (TBO’s) verkennen hoe we dit kunnen realiseren. Ook gaan we verkennen hoe we in aan­ sluiting op de Bosstrategie CO2 kunnen vastleggen, bijv. binnen de moerasnatuur en door de aanleg op geschikte plekken van veenbos.

REACTIE

Zie de vorige reacties. De focus op de dikkere veen­gebieden is een bewuste keuze van GS en DB in het ontwerp­ programma vanwege effectiviteit van maatregelen teneinde binnen enkele jaren al tot enige concrete reductie van C02-emissies en maaivelddaling te komen. Eventuele uit­breiding met dunnere veengebieden en/of de moerige gronden zal in 2022 worden overwogen. De resultaten van de grondwater­studie zullen vooral van invloed zijn op de keuze van maatregelen in de diepere veenpolders. Deze keuze wordt in 2026 gemaakt. Hierbij betrekken we ook de uitkomsten van de ‘Review brede grondwaterstudie Fryslân’ die de LTO heeft laten uitvoeren.

INSPREKERS

67 KERN ZIENSWIJZE

Op Kleigronden > 40 cm met veen in de ondergrond teelt inspreker tulpen voorafgaand aan graslandverbetering. Dit hoog saldo voor gewas past daar prima bij het hoge organische stof gehalte van de kleigrond. Voorwaarde voor tulpenteelt is een heel goede ontwatering: op de betreffenden percelen is dit uitgevoerd door om de 6 meter te draineren. Onze bedrijfsmatige schade door uw peil­ verhoging op deze percelen is evident en hoog.

INSPREKERS

REACTIE

174

In het programma ligt in eerste instantie de focus op de gronden met een dik veenpakket, met of zonder kleidek tot 40 cm dik. Voor gronden met een dik kleidek wordt in 2026, op basis van de ervaringen die dan zijn opgedaan, een besluit genomen welke maatregelen worden ingezet in de overige gebieden (blz. 19 ontwerpprogramma).

KERN ZIENSWIJZE

Verdroging van de natuurgebieden dient volgens inspreker voor 2030 opgelost te zijn. REACTIE

We gaan verdroging in natuur zo veel mogelijk tegen door in gebiedsprocessen samen met de landbouw en terrein­ beherende organisaties (TBO’s) de mogelijkheden te bekijken om in en rondom verdrogingsgevoelige natuur­ gebieden overgangszones in te stellen. In deze zones worden de verschillen in grondwaterstanden tussen het natuur­gebied en het agrarisch gebied stapsgewijs over­ brugd, waardoor het grondwater in natuurgebieden beter op peil blijft (zie programmalijn 3).

47

INSPREKERS

159, 242, 243 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker heeft bezwaar tegen verhoging van het waterpeil. De aanwezige drainage zal niet meer goed werken; het peil is nu in de zomer al vaak te hoog tijdens regenachtige periodes.

gebied gekeken, o.a. naar de bodemopbouw en worden de consequenties van de peilverhoging in beeld gebracht. Als de peil­verhoging onevenredig nadeel oplevert, wordt hier een oplossing voor gezocht.

INSPREKERS

214

INSPREKERS

238 KERN ZIENSWIJZE

Er is een afspraak met de Bestuurscommissie Acht­ karspelen-zuid dat peilverhogingen in de polder de Izer­ mieden niet plaatsvinden. Hierbij wordt verwezen naar een bijlage.

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

In het programma ligt in eerste instantie de focus op de gronden met een dik veenpakket, met of zonder kleidek tot 40 cm dik. Voor gronden met een dik kleidek wordt in 2026, op basis van de ervaringen die dan zijn opgedaan, een besluit genomen welke maatregelen worden ingezet in de overige gebieden (blz. 19 ontwerpprogramma).

Hoe wordt omgegaan met de huidige peilen? Wordt aan het nu geldende peilbesluit vastgehouden tot het gebieds­ proces is afgerond. Of blijft deze vaststaan en zal bij bodem­daling een hogere grondwaterstand ontstaan? Ook na de peil­aanpassing in kansrijke gebieden?

De bijlage waarnaar verwezen wordt hebben wij niet aan­ getroffen bij de zienswijze. Peilen worden pas verhoogd nadat er een peilbesluit is vastgesteld. Dat is nu nog niet aan de orde. Bij de voorbereiding van een peilbesluit wordt eerst goed naar een gebied gekeken.

REACTIE INSPREKERS

83 KERN ZIENSWIJZE

Arbitrair is aangenomen dat het gebied op de Stiboka kaart met een kleidikte van 0 tot 30 cm ook veenweide betreft. Dit is te kort door de bocht. Ook de provincie onderkent dit, gezien de proef met het aanbrengen van een laagje klei op het veen in Delfstrahuizen om CO2 en inklinking veen tegen te gaan. Fryslân bevindt zich in het Noordzeebekken, dat geologisch al zakt met ca. 2,5 cm per eeuw. Dat mag genoemd worden en heeft invloed. REACTIE

Ook veengebieden met een kleidek stoten CO2 uit. Er treedt zuurstof toe via het kleidek (met name in de zomer als er scheuren in de klei ontstaan) waardoor veen oxideert. De proef met het inspoelen van klei richt zich op het beter binden van koolstof in de bovenste laag van de bodem zodat er minder CO2 vrijkomt. Zakken van het Noordzeebekken, stijging van de zeespiegel, bodemdaling door gaswinning, zijn allemaal processen die een rol spelen in de discussie hoe we ons land in de toekomst bewoonbaar houden. Het Veenweideprogramma richt zich met name op de gevolgen van veenoxidatie.

Het huidige peilbesluit blijft gelden tot er een nieuw peil­ besluit is genomen. Nieuwe peilbesluiten zijn het sluitstuk van een proces met de streek. Geen peilaanpassingen zal in de meeste gebieden de komende 10 jaar geen directe problemen opleveren. In de gevallen waar dit wel tot directe problemen leidt, proberen we dit op te lossen.

INSPREKERS

214 KERN ZIENSWIJZE

Is het voor de gebieden in het zuiden van het veenweide­ gebied wel effectief om het waterpeil te verhogen omdat het water nog steeds naar de lager liggende Noordoost­ polder trekt. Ook in het gebied rond de waterwinning Spannen­burg is twijfel over het nut van peilverhoging. REACTIE

Lokaal kunnen dit soort gebiedsspecifieke omstandigheden een belangrijke rol spelen. Bij de gebiedsgerichte aanpak wordt dit in beeld gebracht en betrokken bij de concrete uitwerking in een gebied.

INSPREKERS

247 INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

168

Een grondwaterstand van -40 cm mag geen harde streef­ waarde zijn; het HAKLAM principe moet hierbij leidend zijn, waarbij de landgebruiker ook daadwerkelijk een hand aan de knop heeft en niet slechts op papier.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker is het oneens met de ingetekende peilverhoging voor percelen nabij Fonejacht; de percelen hebben een klei­dek van ca 50 zware klei en de bodem bestaat uit afwisselend veen en kleilagen. Verzoekt eerst goed te kijken naar de bodem alvorens het peil wordt verhoogd. REACTIE

De peilen worden pas verhoogd nadat er een peilbesluit is vastgesteld. Dat is nu nog niet aan de orde. Bij de voor­ bereiding van een peilbesluit wordt eerst goed naar een

48

REACTIE

De nadere invulling van het peilbeheer willen we baseren op maatwerk op basis van flexibel peilbeheer en het HAKLAM-principe. Pilots moeten inzichtelijk maken hoe dit in de praktijk ingevuld kan worden.

Peilverhoging kosten INSPREKERS

11, 16, 29, 30, 32,33, 35, 36, 38, 42, 43, 45, 46, 47, 49, 51, 58, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 92, 94, 96, 97, 98, 100, 104,107, 108, 109,110, 111,112, 113, 115,116,118, 121, 122,125, 128, 129,131, 132,133, 134, 136, 137, 141, 142, 144, 145, 147, 149, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 160, 161, 164, 167, 169, 170, 172, 176, 177, 178, 179,181, 185, 186, 187, 188, 190, 191, 192, 197, 199, 203, 204, 205, 208, 213, 214, 215, 216, 217,219, 220, 224, 225, 226, 227, 228, , 230, 232, 233, 234, 235, 238, 240, 241, 242, 243, 245, 246, 250, 251, 252, 253, 254, 255, 257 KERN ZIENSWIJZE

De voorgenomen verhoging van de grondwaterstand leidt tot belemmering in (duurzame) bedrijfsvoering en tot diverse vormen van financiële en bedrijfsmatige schade: Het melkvee zal jaarrond binnengehouden moeten worden (voldoet niet meer aan maatschappelijke eisen zuivelketen/ weidepremie/ biologische landbouw); voor vee dat nog wel geweid kan worden is er een groter risico voor veeziektes zoals leverbot en salmonellose, en maagdarmwormen en andere parasieten; verminderde opbrengsten en kwaliteit in ruwvoervoorziening, waardoor stikstof- en eiwitkringloop op bedrijf minder efficiënt wordt (minder circulair/ grond­ gebonden); kwaliteit, productiviteit en waarde van (weide) grond gaan achteruit; meer uitspoeling van meststoffen; het telen van andere (eiwit- en energierijke) gewassen zoals mais, tulpen en veldbonen zal (bijna) niet meer mogelijk zijn; de bewerkingskosten zullen hoger zijn (geeft ook meer broeikas­gassen) en gronden zijn kwetsbaarder voor situaties met hoge neerslag; het groeiseizoen wordt korter. Ook dreigt er gevaar dat de mestkelders gaan scheuren of drijven. REACTIE

We onderkennen de gevolgen voor de landbouw. Een van de doelen van het veenweideprogramma is daarom dat gestreefd wordt naar een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw. In de programmalijn ‘It nije buorkjen’

is aangegeven hoe we samen met de landbouwsector oplossingen willen zoeken voor de voorgestelde aan­ passingen. Daarin wordt de verdiencapaciteit van de land­bouw als een belangrijk thema uitgewerkt. We stimuleren en ondersteunen de ontwikkeling van nieuwe of aanvullende verdien­modellen voor de landbouw; deze verdien­modellen moeten ook voor de langere termijn houdbaar zijn. Samen met de sector worden de onder dit thema benoemde acties de komende tijd opgepakt. Hier is geen pas­klaar model voor te ontwikkelen, maar dit is maatwerk per ondernemer. Elke ondernemer zal hier op zijn eigen wijze invulling aan willen geven. We zien hier dus ook een belangrijke rol voor de landbouwsector zelf. Verder monitoren we de ontwikkelingen. In 2022 en 2026 kijken we hoe zaken ervoor staan en wat geleerd is. Op basis daarvan bepalen we wat een logische koers voor de daarop­volgende jaren is. Hierin zijn we uiteraard zorgvuldig. We laten zaken niet uit de hand lopen en voorkomen ongewenste ontwikkelingen door stapsgewijs te werken.

INSPREKERS

11, 16, 29 30, 32,33, 35, 36, 38, 42, 43, 45, 47, 49, 51, 52, 58, 60, 61, 62, 63, 64, 65, 66, 67, 69, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 80, 81, 82, 83, 84, 85, 86, 87, 88, 89, 90, 92, 94, 96, 97, 98, 100, 104,107, 108, 109,110, 111, 187, 129, 132, 133, 137, 144, 145, 147, 149, 152, 153, 156, 160, 161, 164, 166, 167, 177, 178,179, 186, 187, 205, 214, 216, 219, 220, 224, 246, 257 KERN ZIENSWIJZE

Investeringen vanuit de ruilverkaveling worden met de peilverhoging teniet gedaan terwijl er nog steeds betaald wordt voor deze ruilverkaveling (soms ook verwerkt in de pachtprijs). De waterschapslasten stijgen, terwijl de dienstverlening afneemt. Het programma besteedt geen aandacht aan de effecten op de waterschapslasten tot 2030. De ingelanden worden slechter bediend, terwijl de waterschapslasten stijgen; hier­door is de rek er wel uit. Indien andere belangen worden gediend, moeten deze ook meebetalen. Meer maat­werk leidt tot hogere kosten (qua personeelslasten, kunst­werken). Verzocht wordt te garanderen dat de kosten voor de uit­voering niet leiden tot tariefsverhoging voor de ingelanden. In het kader van de Ruilverkaveling Echtener en Grote polder zijn boerderijen verplaatst vanuit de Rottige Meenthe voor een betere toekomst, en dan gebeurt dit? REACTIE

Met flankerend beleid (H. 6) wordt een pakket aan instrumenten ingezet waarmee we nadelige effecten voor individuele agrarische ondernemers willen mitigeren of compenseren. Per bedrijf wordt daarbij inzichtelijk gemaakt wat de nadelige gevolgen zijn en wat er per bedrijf nodig is om een toekomstbestendige bedrijfsvoering mogelijk te maken. Waar nodig en wenselijk zetten we onafhankelijke

49

deskundig­heid in voor het beoordelen van deze nadelige gevolgen. In dat totale plaatje betrekken we ook de resterende lasten van ruilverkaveling. Wat de effecten op de waterschapslasten zullen zijn kunnen we niet precies inzichtelijk maken. Wel is geconstateerd dat bij doorgaande bodemdaling de kosten toenemen, o.a. omdat er door het grotere hoogteverschil tussen boezem­ peil en polderniveau steeds robuustere polder­kaden nodig zullen zijn. Verder verwachten we door de klimaat­ verandering ook toenemende kosten voor het waterbeheer. Er zullen maatregelen nodig zijn om het watersysteem klimaat­­bestendig te maken. Onbekend is nog welke landelijke middelen hiervoor kunnen worden benut en welk deel door de regio moet worden ingebracht. Garantie dat de kosten van uitvoering niet leiden tot tariefsverhoging kunnen we niet geven.

INSPREKERS

67, 77, 86 KERN ZIENSWIJZE

Lager opbrengend vermogen van de grond betekent dat meer land nodig is voor een gelijke voedselproductie of minder voedsel bij een gelijke hoeveelheid land. Vrucht­ baar land is landelijk en wereldwijd schaars. Minder voedsel produceren in Nederland schuift de land- en voedsel­uitdaging af op andere (armere) landen. Dat is niet duurzaam. REACTIE

In de discussie over de voedselproductie spelen meerdere factoren een rol, niet alleen het lager opbrengend vermogen in veenweidegebieden. Ook de eiwittransitie speelt hier een rol in. Op landelijk niveau wordt op diverse fronten gewerkt aan het vraagstuk hoe we onze voedsel­ productie zo duurzaam mogelijk inrichten. De ontwikkeling richting kringlooplandbouw, de eiwittransitie en het nationaal programma landbouwbodems spelen hier een belang­rijke rol in.

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Doordat weidegang minder mogelijk is, zal er extra mest­ opslag nodig zijn en is er een hogere stikstofuitstoot.

INSPREKERS

REACTIE

INSPREKERS

46, 128, 193, 215

Met flexibel peilbeheer richten we ons op een grondwater­ stand die ook weidegang nog goed mogelijk maakt. Het risico dat vee vaker binnen gehouden moet worden bij natte omstandigheden neemt weliswaar toe, maar met goed bodembeheer, gericht op een draagkrachtige bodem, en flexibel peilbeheer, verwachten wij dat het aantal weide­dagen nog voldoende zal zijn voor de weidepremie. Het waterbeheer mag er niet toe leiden dat een duurzame, grondgebonden bedrijfsvoering met koeien in de wei wordt belemmerd. We gaan er juist van uit dat het waterbeheer een duurzame melkveehouderij stimuleert en aanzetten geeft tot een brede, inclusieve bedrijfsvoering waar aan­ vullende vergoedingen tegenover staan.

16, 158

INSPREKERS

Uitgangspunt van het programma is dat er een goed toekomstperspectief voor de landbouw blijft. We zetten daarom flankerend beleid in om de nadelige effecten voor de landbouw te compenseren. Een groot deel van het geld dat voor het programma is geraamd zal daarvoor worden ingezet.

KERN ZIENSWIJZE

De hogere grondwaterstand zorgt er voor dat de draag­ kracht minder wordt. Dat heeft negatieve gevolgen voor het aantal bewerkbare dagen per groeiseizoen en de geschikt­heid van landbouwmachines. De gevolgen van een veranderend machinepark zijn groot voor loonbedrijven en daarmee wordt ook de kostprijs van agrariërs verhoogd. Naast ondersteuning van agrariërs op het gebied van aan­ gepaste machines of het versneld afschrijven van huidige machines, moet deze ondersteuning ook open staan voor loon­bedrijven. REACTIE

Er zijn diverse factoren in de veenweideaanpak die kostprijs­verhogend voor de agrarische bedrijven zijn. Onder het thema ‘verdien­vermogen van de landbouw’ zijn diverse acties benoemd waarmee we willen werken aan een goed toekomst­perspectief voor de agrarische sector. Verder wordt met flankerend beleid (H. 6) een pakket aan instrumenten ingezet waarmee we nadelige effecten voor individuele agrarische ondernemers willen mitigeren of compenseren. Per bedrijf wordt daarbij inzichtelijk gemaakt wat de nadelige gevolgen zijn en wat er per bedrijf nodig is om een toekomstbestendige bedrijfsvoering mogelijk te maken. Ook hebben we oog voor de gevolgen voor de loonbedrijf­ sector. Zo is er vorig jaar een subsidieregeling geweest voor werktuigen voor maisteelt met een niet-kerende grond­ bewerking. Bovendien kunnen veranderingen ook kansen bieden voor nieuwe markten en klanten.

KERN ZIENSWIJZE

Peilverhoging zal leiden tot bedrijfseconomische schade/ extra kosten voor bedrijf. Inspreker doet een voorstel ter compensatie voor opbrengstderving en waardedaling.

202 KERN ZIENSWIJZE

Het slootwaterpeil op 40 cm onder maaiveld zetten is niet het walhalla. In natte perioden heb je dan een probleem, te weinig berging en de koeien moeten eerder op stal. REACTIE

Zie vorige reactie. Het doel is niet om het slootwaterpeil het hele jaar op 40 cm onder het maaiveld te zetten. Doel is om met flexibel peilbeheer in te spelen op de omstandig­ heden en dan met name op het verloop van de grondwater­ stand. Dit door gebruik te maken van het principe ‘hoger als het kan, lager als het moet’. We onderkennen dat de buffer voor waterberging bij een hoger peil afneemt. Daarom houdt het programma rekening met maatregelen in het kader van klimaatadaptatie om de water­berging bij een hoger waterpeil te vergroten.

Kaartbeelden INSPREKERS

2, 33, 35 36, 47, 57,61, 75, 108, 110,184, 188, 199, 208, 238, 240, 242, 253, 254 KERN ZIENSWIJZE

De kaartbeelden zijn onzorgvuldig. Kaartmateriaal over grondsoort komt niet altijd overeen met de feitelijke situatie.

INSPREKERS REACTIE INSPREKERS KERN ZIENSWIJZE

Ook voor de melkprijs heeft peilverhoging grote gevolgen: weidepremie en planetproof melkstroom vallen weg, bij elkaar 3,5 centen melkgeld per liter. Als de koeien niet naar buiten kunnen, zijn er ook minder weidevogels (minder mest op land, minder vliegen). Bij koeien op stal is er ook meer ammoniakuitstoot en gaat door extensivering eiwit van eigen land naar beneden. INSPREKERS

REACTIE

50

INSPREKERS

206

REACTIE

46, 64, 80, 128, 190, 215

16, 158, 208 Ook bij hogere grondwaterstanden zal nog steeds weide­ gang mogelijk zijn. Ook in andere gebieden in het land waar hogere peilen worden gehanteerd wordt nog vee geweid. Wel vraagt dit om meer aandacht voor de draag­kracht van de bodem. De bodem wordt in meerdere opzichten steeds belangrijker. Om die reden wordt in het veenweide­ programma extra aandacht besteed aan goed bodembeheer.

KERN ZIENSWIJZE

Peilverhoging zal leiden tot bedrijfseconomische schade/ extra kosten voor bedrijf. Verzoekt om ingetekende peil­ verhoging achterwege te laten.

KERN ZIENSWIJZE

Door een te hoog waterpeil, zijn er veehouders die de koeien niet meer kunnen weiden. Hierdoor ontvangen ze minder opbrengsten, ze hebben namelijk geen recht meer op weidepremie, en ze hebben meer kosten. Daar komt bij dat het beeld van de koeien in de wei daarmee weg is. Dat is ook te zien door toeristen en andere mensen van de recreatie.

119 KERN ZIENSWIJZE

De huidige melkprijs laat het niet toe om minder efficiënt te werken. REACTIE

We onderkennen dat binnen het gangbare verdienmodel voor de melkveehouderij de melkprijs een belangrijke factor is. Het flankerend beleid houdt daar rekening mee. De melkprijs kent echter ook de nodige dynamiek en er zijn diverse nieuwe prijsvormen in ontwikkeling, zoals weide­ melk, die andere verdienmodellen mogelijk maken.

De kaartbeelden zijn afkomstig uit de Bodemkaart van Nederland. Deze kaart geeft inzicht in de aard en samen­ stelling van de bovengrond. De Bodemkaart van Nederland is gebaseerd op boorprofielen die zijn verkregen door bemonsteringen van de bodem tot een diepte van ongeveer 1.50 m. Een boorprofiel bevat kenmerken over de opbouw en samenstelling van de bodem. Er zijn inmiddels zo’n 340.000 boorprofielen gemaakt. De kaart wordt van een steeds betere kwaliteit door gebruik van nieuwe bemonsteringen in het veld en inzet van extra gegevens verkregen uit satellietwaarnemingen en het Actueel Hoogte­bestand Nederland. Het kan dus zijn dat er verschillen zijn met de feitelijke situatie. In de gebieds­ aanpak wordt gekeken welke afwijkingen er zijn ten opzichte van de bodemkaart. Hiervoor kunnen gerichte extra grond­boringen voor worden gedaan.

51

INSPREKERS

101, 210

Peilverhoging specifiek

INSPREKERS

REACTIE

119, 208, 214, 242, 257

Dat nattere omstandigheden het risico op leverbot­ besmettingen toeneemt wordt onderkend. Afgelopen jaar is hier in het kader van het Veenweideprogramma onderzoek naar gedaan door de Gezondheidsdienst voor dieren.

INSPREKERS KERN ZIENSWIJZE

Gedetailleerde kaarten zijn onontbeerlijk. Aan de hand van de kaart(en) kunnen insprekers niet zien welke percelen tot zijn eigendom behoren en wat de gevolgen zijn. REACTIE

We baseren ons voor dit programma op de Bodemkaart van Nederland (zie reactie hierboven). Bij uitwerking per gebied betrekken we ook ander bronmateriaal als dat beter is toegespitst op de plaatselijke situatie.

INSPREKERS

107 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker denkt nu onder veen > 80 cm te vallen. Waarop is dit gebaseerd? REACTIE

We baseren ons voor dit programma op de Bodemkaart van Nederland (zie reactie hierboven). Bij uitwerking per gebied betrekken we ook ander bronmateriaal als dat beter is toegespitst op de plaatselijke situatie.

INSPREKERS

240 KERN ZIENSWIJZE

Nagenoeg de hele boerderij heeft een kleilaag van een meter. Opvallend is dat de percelen die in de grondsoort­ kaart staan als ‘klei op veen (kleilaag meer dan 40 cm)’ de grootste peilverhoging ondergaan binnen onze percelen. Op deze percelen zit circa 90 tot 110 cm klei. Inspreker snapt dan ook niet waarom deze percelen dan de grootste peil­ verhoging moeten ondergaan.

32, 33, 35 36, 40, 46, 53, 67, 128, 195, 215, 224, 257

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Bij een peil van 40 cm onder maaiveld is er te weinig buffer als er veel regenwater op komst is.

Insprekers voeren aan dat door de maatregelen het buiten laten lopen van koeien moeilijk, zo niet onmogelijk wordt. Omdat door peilverhoging de grondopbrengst afneemt, zullen de hectares die nu beweid worden nodig zijn om wintervoorraad van te kunnen oogsten. Ook zullen de kruiden die nu in het grasland staan minder groeien op nattere grond, waardoor het percentage kruidenrijk grasland niet meer gehaald kan worden en daarmee deze duurzame manier van produceren niet meer uitgeoefend kan worden. Gras krijgt bij hogere peilen een lagere voedings­waarde. De CO2 uitstoot per eenheid voedsel (melk) stijgt hierdoor en dit verlaagt het duurzame verdienmodel. REACTIE

Met flexibel peilbeheer richten we ons op een grondwater­ stand die ook weidegang nog goed mogelijk maakt. Het risico dat vee vaker binnen gehouden moet worden bij natte omstandigheden neemt weliswaar toe, maar met goed bodembeheer, gericht op een draagkrachtige bodem, en flexibel peilbeheer, verwachten wij dat het aantal weidedagen nog voldoende zal zijn voor de weidepremie. Het waterbeheer mag er niet toe leiden dat een duurzame, grondgebonden bedrijfsvoering met koeien in de wei wordt belemmerd. We gaan er juist van uit dat het waterbeheer een duurzame melkveehouderij stimuleert en aanzetten geeft tot een brede, inclusieve bedrijfsvoering waar aanvullende vergoedingen tegenover staan. Ons is niet bekend dat de kruidenrijkheid van graslanden afneemt bij hogere peilen; het omgekeerde effect is ook mogelijk doordat andere soorten meer kansen krijgen. We verwachten dat de CO2-uitstoot bij hogere peilen per saldo afneemt. Daar doen we nog nader onderzoek naar. Door goed te monitoren houden we ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en grijpen we zo nodig in.

REACTIE

Als er sprake is van een kleilaag van meer dan een meter heeft peilverhoging om bodemdaling te vertragen niet veel zin. Bij de gebiedsgerichte uitwerking wordt in beeld gebracht waar afwijkingen in bodemtypen voorkomen (bijvoorbeeld door extra grondboringen) en hoe hier mee omgegaan kan worden.

INSPREKERS

REACTIE

INSPREKERS

We onderkennen dat de buffer voor waterberging bij een hoger peil afneemt. Daarom houdt het programma rekening met maatregelen in het kader van klimaatadaptatie om de waterberging bij een hoger waterpeil te vergroten.

88

INSPREKERS

115 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Voorstel voor een maatwerkoplossing is het dicht houden van afvoerbuizen van de sloten. Door gebiedseigen kwel­ water stijgt het slootwaterpeil en wordt verdroging voor­ komen. Als er te weinig gebiedseigen water is, kan water worden ingelaten. Dus hoog als het kan, laag als het moet.

De nadere invulling van ons peilbeheer wordt gebaseerd op maatwerk op basis van flexibel peilbeheer en het HAKLAMprincipe. In dat kader houden we rekening met zulke plaatselijke omstandigheden.

REACTIE

INSPREKERS

Bij de gebiedsgerichte uitvoering houden we maatwerk­ oplossingen tegen het licht. Met het principe van ‘hoog als het kan, laag als het moet’ wordt de komende tijd samen met boeren ervaring opgedaan in een aantal pilots. Daarbij meten we ook het effect op de grondwaterstand en de CO2 uitstoot. Meer flexibiliteit in peilbeheer, gericht op een goede grondwaterstand, is onderdeel van de aanpak van het programma.

46, 83, 128, 215

INSPREKERS

Zie reacties hierboven m.b.t. flexibel peilbeheer en HAKLAM. In het kader van flankerend beleid en evt. nadeel­ compensatie kan met zulke specifieke kostencomponenten rekening worden gehouden. Er blijft echter altijd sprake van een zeker bedrijfsrisico bij veranderende productie­ omstandigheden, marktontwikkelingen e.d.

KERN ZIENSWIJZE

De percelen dichtbij de boerderij liggen lager dan verderop. Bij peilverhoging zijn kavelpaden nodig om koeien te laten weiden op de verst gelegen percelen. Met kosten voor kavel­pad en meer arbeidsuren dient rekening te worden gehouden. REACTIE

105 KERN ZIENSWIJZE

Bezwaar tegen peilverhogingen omdat we kosten hebben gemaakt voor verlaagd waterpeil t.b.v. droger land en drainage. Bij veel regen komt het water van Woudsend er ook bij en dan is er te weinig buffer voor dat water. Nu het waterpeil laag is, is er genoeg buffer voor een bui.

80

INSPREKERS

102 REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

Verhoging van slootwaterpeil leidt tot toename van zoutwaterkwellen, vergelijkbaar met de situatie voor de ruilverkaveling. Dit leidt tot nog grotere opbrengstderving.

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, kunnen we met zulke lokale omstandigheden rekening houden. Daarnaast zullen we bij de uitwerking van maat­ regelen voor klimaatadaptatie zulke aspecten meenemen.

REACTIE

Een hoger peil levert in het algemeen juist een zoetwater­ buffer op die verzilting kan beperken. Bij het maatwerk op lokaal niveau zullen we met evt. zoutwaterkwellen in een gebied rekening houden.

INSPREKERS

166 KERN ZIENSWIJZE

De voorgestelde greppelinfiltratie zal alleen maar leiden tot meer leverbotgevoelige gebieden

52

KERN ZIENSWIJZE

De lichtgeel en lichtgroen ingekleurde percelen van het bedrijf variëren qua hoogteligging, waardoor er in de laagste punten van die percelen al heel weinig droog­ legging is. Met evt. peilverhoging staat het water dan op het land. (zie bijgevoegde kaart)

KERN ZIENSWIJZE

Bedrijf ligt op een laag punt in het veenweidegebied. Inspreker wil bij punt A en B een stuw hebben i.v.m. hogere waterstand (kaartje bijgevoegd). Door hogere waterstand ontstaat meer kans op leverbot bij vee. Hoger waterpeil trekt nog meer ganzen aan. Op nattere gronden is sprake van minder goed grasgewas en slechtere kwaliteit ruwvoer. Dit zal tot hogere veeartskosten leiden. De listeria bacterie gedijt in een vochtigere omgeving, wat hersenvlies ontsteking bevordert. Door een hoger slootwaterpeil blijft minder waterberging over. Hoe wordt daarmee om gegaan? In overleg wil men graag meewerken aan een passende oplossing.

53

REACTIE

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, kunnen we met zulke lokale omstandigheden rekening houden. Voor de genoemde bezwaren t.a.v. peilverhoging: zie voor­ gaande, algemene reactie, onder Peilverhoging kosten. We onderkennen dat de buffer voor waterberging bij een hoger peil afneemt. Daarom houdt het programma rekening met maatregelen in het kader van klimaatadaptatie om de water­berging bij een hoger waterpeil te vergroten.

INSPREKERS

171, 225, 226, 227, 228, 252

ruilverkavelings­lasten over. Waterpeilen op het oude niveau brengen betekent doodsteek voor het bedrijf (en onverkoop­baar). De grondwaterstand is op de kavel al hoog (40 cm onder maaiveld). Bij hogere waterstanden gaan de sloot­kanten drijven; het wordt dan onbegaanbaar en gevaarlijk.

flexibiliteit om snel en tijdig in te spelen op nieuwe ontwikkelingen.

INSPREKERS

46, 90, 128, 215

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, kunnen we met zulke lokale omstandigheden en voor­ geschiedenis rekening houden. Dit laat onverlet dat bestaande afspraken kunnen veranderen, uiteraard met inacht­neming van de geldende regels en juridische waarborgen.

Wateropvang in de regio betekent meestal meer muggen met bijbehorende virussen, zoals het Schmallenbergvirus.

221, 255

REACTIE

Er zijn ook percelen die (veel) hoger liggen dan andere percelen in het peilvak. Deze percelen hebben regelmatig te maken met verdroging door een veel te laag waterpeil. Het is noodzakelijk om rond deze percelen het waterpeil in de zomer te verhogen naar een passend niveau. Dit vraagt om maatwerk en meer peilvakken en daarbij behorende kunstwerken.

KERN ZIENSWIJZE

Dit effect is bekend en houden we in de gaten. Het alternatief, namelijk niet voorbereid zijn op de effecten van klimaat­verandering, vinden we sowieso ongewenst.

KERN ZIENSWIJZE

Voor hogere gronden van bedrijf is hogere waterstand in zomer wel aanvaardbaar, voor de lagere percelen levert dit problemen op voor de bewerkbaarheid; de plannen leiden tot belemmering in bedrijfsvoering en tot economische en bedrijfsmatige schade. REACTIE

Zie vorige reactie. We onderkennen dat er gevolgen voor de bedrijfsvoering zijn. In de programmalijn ‘It nije buorkjen’ is aangegeven hoe we samen met de landbouwsector oplossingen willen zoeken voor de voorgestelde aan­ passingen.

INSPREKERS

INSPREKERS

3

54, 127

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Als inspreker het peil laag wil houden omdat hij het weer niet vertrouwt in het voorjaar voor de eerste snede, en het Wetterskip vindt dat het omhoog moet, wat gebeurt er dan? Een peil er tussenin?

Bij veel regen staat deel van de landerijen te vaak blank, bij hogere peilen zal dit vaker gebeuren. Hogere peilen maakt het land onbewerkbaar.

REACTIE

Onder programmalijn 4, integrale gebiedsaanpak is aan­ gegeven dat we samen met de belanghebbenden in een gebied zoeken naar oplossingen voor de opgaven die er zijn. Daarbij worden ook knelpunten in de waterhuishouding betrokken.

REACTIE

Het Wetterskip houdt bij het waterbeheer rekening met de weersomstandigheden en speelt daar tijdig op in. Bij verschillen van inzicht, vindt in de praktijk overleg plaats.

INSPREKERS

3

REACTIE

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, zullen we rekening houden met zulke afspraken. Dit laat onverlet dat bestaande afspraken kunnen veranderen, uiteraard met inachtneming van de geldende regels en juridische waarborgen.

INSPREKERS

87

54

INSPREKERS

221 KERN ZIENSWIJZE

In het project zullen de nodige aanpassingen in het gebied - op bedrijfs- en perceelniveau - uitgevoerd moeten worden. Wie betaalt deze kosten? De grondgebruiker/ eigenaar zal dit niet voor zijn rekening mogen nemen.

KERN ZIENSWIJZE

En als inspreker nu een peil van 20 cm heeft, mag hij dan ook naar 40 cm in de zomer en winter, dus verlagen? REACTIE

Het peilbesluit geeft het streefpeil aan. Dit vastgestelde streefpeil is leidend voor het peilbeheer. Voor wijziging van peilen is eerst een aanpassing van het peilbesluit nodig. Het zomaar verlagen van peilen is dus niet toegestaan.

INSPREKERS

3

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Inspreker gaat niet akkoord met opheffen van onder­ bemaling en verhogen van het zomerpeil in zijn onder­ bemaling.

Bij de gebiedsgerichte invulling van het peil-/ waterbeheer zal dit nader bepaald worden. Het Wetterskip is in het algemeen verantwoordelijk voor het waterbeheer in een gebied en bijbehorende kunstwerken. De kosten voor drainage e.d. op het perceel zelf, zijn in het algemeen de verantwoordelijkheid van de grondgebruiker/ grondeigenaar.

REACTIE

In het programma worden nog geen concreet uitgewerkte plannen voor het opheffen van onderbemaling of vast­ stellen van nieuwe peilen gepresenteerd. Bij de gebieds­ gerichte uitvoering vindt deze nadere uitwerking plaats. Over concrete maatregelen wordt dan overleg gevoerd met de belang­hebbenden en uiteindelijk via een peilbesluit vastgesteld.

INSPREKERS

208

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Doordat het peil op en neer gaat bij HAKLAM, is de kans op instortende slootkanten en het ontstaan van bagger groot. Wie betaalt de extra baggerkosten en de kosten voor ingestorte slootkanten waardoor ook het land van inspreker voor de RVO kleiner kan worden?

214

Inspreker is bang dat de polderdijk langs de Brekkenpolder minder stevig wordt doordat door peilverhoging de grond verzadigd raakt.

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

REACTIE

Inspreker vindt “hoger als het kan, lager als het moet” (HAKLAM) een mooi initiatief. De vraag is hoeveel invloed je hebt als grondgebruiker.

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, kunnen we met zulke lokale omstandigheden rekening houden.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker kreeg bij de verplaatsing voor de ruilverkaveling in 1995 te Scherpenzeel een slecht ontwaterde kavel. Er zijn toen afspraken gemaakt over ontwatering 90 cm onder maaiveld; daar betaalt inspreker nog steeds

INSPREKERS

173

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers hebben afspraken over ontwatering met een drooglegging van 80 of 90 cm onder het maaiveld, vastgelegd in een brief van waterschap De Stellingwerven; hiervan kan niet zo maar afgeweken worden. Verzocht wordt te garanderen dat de kosten voor de uitvoering van het programma niet gaan leiden tot tariefsverhoging voor de ingelanden.

In het kader van flexibel peilbeheer met zo mogelijk kleinere peilvakken, gaan we bekijken tot hoe ver maatwerk op dit vlak haalbaar is. Hierbij zijn ook de betaalbaarheid en beheersbaarheid van het waterbeheer van belang, en de rol die grondgebruikers/ eigenaren hierin kunnen vervullen.

REACTIE

INSPREKERS

38, 70, 74, 78

REACTIE

De komende jaren gaan we eerst pilots doen met HAKLAM. Daarbij wordt ook onderzocht op basis van welke criteria het peil wordt aangepast. Deze pilots voeren we in overleg met de grondgebruikers uit.

Het HAKLAM-principe werken we nader uit, in combinatie met flexibel peilbeheer. Hierbij houden we rekening met alle reële effecten. Het HAKLAM-principe biedt juist

INSPREKERS

55

INSPREKERS

256 KERN ZIENSWIJZE

Het kampeerterrein ligt volledig in het veenweidegebied. Peilverhoging zou leiden tot enorme schade en omzet verlies. Het kampeerseizoen wordt hierdoor enorm verkort. En bij een natte periode in de zomer zal kamperen niet eens meer mogelijk zijn. Het bedrijf moet aan z’n financiële verplichtingen voldoen, wat op deze manier niet meer lukt. Een jaarlijkse compensatie zal hiervoor getroffen moeten worden.

m.b.t. investeringen om oevers en begroeiing aan te passen aan veranderende waterpeilen. Welke maatregelen worden insprekers zelf geacht te nemen om nadelige gevolgen voor waterkwaliteit te voorkomen? REACTIE

Nadeelcompensatie is geregeld in wetgeving en staat in principe open voor een ieder die onevenredig nadeel onder­vind van overheidshandelen of overheidsbesluiten. Als hier sprake van is wordt beoordeeld in hoeverre er sprake is van onevenredig nadeel. Daarbij wordt ook altijd rekening gehouden met een zekere mate van maatschappelijk risico.

REACTIE

Als er in een gebiedsproces voorstellen voor verhoging van waterpeilen worden gedaan, wordt in beeld gebracht wat de gevolgen zijn voor de verschillende gebruiksfuncties. Als blijkt dat dit leidt tot de gevolgen die in de zienswijze aangegeven worden, moet hier een oplossing voor worden gezocht. Dit is onderdeel van het gebiedsproces.

Waterkwaliteit

INSPREKERS

175

174 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker stelt dat met het huidige en voorgestelde veenweide­programma niet wordt voldaan aan inter­ nationale verdragen. De doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn om de huidige intensieve landbouw in stand te houden fors naar beneden geschroefd. En zelfs deze verlaagde doelstelling wordt niet gehaald. De Bio­ diversiteits­strategie 2020 is niet gehaald. Het Verdrag van Valetta wordt geschonden omdat archeologisch erfgoed verloren gaat door de veenoxidatie.

INSPREKERS

41

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker verwacht dat het ontwerpprogramma niet leidt tot het beoogde matig voedselrijk, helder en schoon water voor de te realiseren natuurbeheersoorten in die gebieden.

41 KERN ZIENSWIJZE

Er wordt een regeling voor inkomensschade aangekondigd. Het plan voorziet ten onrechte niet in een rekenmodel voor natuurbeheerders en particuliere terreineigenaren, bijv.

56

Een deel van het neerslagoverschot in het veenweidegebied wordt via sloten en gemalen en de Friese Boezem af­ gevoerd naar de Waddenzee. Het overgrote deel van het oppervlakte­water en ondiepe grondwater in het veenweide­ gebied is “gebiedseigen water” en wordt gevormd door en aangevuld met neerslag(overschot), aanvoer uit de hogere zand­gronden via oppervlaktewater en via grondwater (kwel). Een beperkt deel wordt in tijden van langdurige droogte aangevuld met wateraanvoer uit het IJsselmeer.

Het Veenweideprogramma heeft niet als doel of opgave om te voldoen aan internationale verdragen, zoals de KRW en Europese natuurrichtlijnen; hiervoor lopen specifieke programma’s, zoals het Stroomgebiedbeheerplan KRW 2022-2027 en het provinciale Herstelprogramma Bio­ diversiteit. In par. 4.2 staat wel dat we waar mogelijk in gebieden koppelkansen met waterkwaliteitsdoelen uit de KRW benutten. Archeologische waarden worden in Fryslân beschermd via bestemmingsplannen, in combinatie met de Verordening Romte (binnenkort: Omgevingsverordening) en de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE).

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

Hoe en op welke wijze zal er aan de KRW worden voldaan? Dit met name voor specifieke natuurwaarden in petgaten­ gebieden en het NNN. Inspreker ziet overeenkomsten met de voorstelling van zaken bij de heropening van het Polderhoofdkanaal, en onvoldoende garanties dat de KRWdoelen met het programma wél worden behaald. REACTIE

Voor het voldoen aan de KRW is een andere planvorming en programmering uitgewerkt; het Stroomgebiedbeheerplan 2022-2027. De intentie is dat de KRW-doelen in 2027 worden gerealiseerd. We gaan hier nog steeds van uit.

KERN ZIENSWIJZE

Zolang we de waterstanden in het veenweidegebied blijven verlagen, pompen we het schone en gebiedseigen water naar de Waddenzee (deels via het IJsselmeer) en vervangen dit door water uit het IJsselmeer van een andere – mindere – kwaliteit: volgens de insprekers een ongewenste situatie. REACTIE

INSPREKERS

INSPREKERS

41

INSPREKERS

41 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker wijst er op dat vasthouden van water ook het vasthouden betekent van te hoge gehalten aan nutriënten en andere verontreinigingen. Onvoldoende duidelijk is, welke risico’s daaraan zitten voor de gezondheid van mensen en vee, en welke gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling van biodiversiteit. REACTIE

We verwachten dat de KRW-maatregelen tot een zodanige verbetering van de waterkwaliteit leiden, dat deze dit risico voldoende ondervangen. Door goed te monitoren houden we de waterkwaliteit in de gaten, ook met het oog op de gezondheid van mensen en vee en de biodiversiteit. Aan het snel afvoeren van water zijn in het licht van de klimaatverandering (hete, droge zomers; hevige neerslag) ook risico’s verbonden.

INSPREKERS

242 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

We koppelen maatregelen en acties voor de veenweide­ doelen zoveel mogelijk ook aan andere doelen, zoals bio­diversiteit, duurzame energie, vermindering stikstof­ depositie en waterkwaliteitsdoelen uit de KRW. Op die manier is meerwaarde te bereiken en worden zaken in een gebied in een keer aangepakt. Meekoppelen en streven naar het benutten van kansen op meerwaarde, laat onverlet dat voor het realiseren van de doelen uit de KRW apart beleid en programmering worden uitgewerkt in het Stroomgebiedbeheerplan 2022-2027.

Inspreker heeft zijn bedrijfsvoering op het laagste punt in de polder. Bij hevige regenval wordt de overstort van het riool gebruikt. Bij een hoger peil is er eerder wateroverlast op het weiland. Inspreker is benieuwd naar welke invloed dit heeft op de hormoon- en medicijnresten in het water en wat de gevolgen zijn voor zijn vee, het melk, de weidevogels, het bodemleven, het gewas en onszelf. REACTIE

In het kader van het nemen van peilmaatregelen op basis van het HAKLAM-principe en meer flexibel peilbeheer, houden we ook rekening met evt. gevolgen voor de water­kwaliteit op het land; zo nodig worden maatregelen getroffen.

57

Programmalijn 2: It Nije Buorkjen Haalbaarheid nieuwe verdienmodellen INSPREKERS

4, 16, 29, 30, 32, 38, 40, 42, 45, 49, 51, 53, 56, 58, 60, 62, 63, 65, 70, 71, 73, 74, 78, 79, 84, 86, 87, 88, 94, 107,116, 131, 133, 134, 141, 142, 145, 147, 154, 155, 156, 160, 161, 167, 170, 172, 176, 186, 188, 216, 219, 220, 225, 226, 227, 228, 240, 242, 243, 249, 250, 251, 252

Ons uitgangspunt is verder dat maatregelen pas worden uitgevoerd als de dekking ervan rond is en we in staat zijn evt. onevenredige negatieve gevolgen daarvan voor individuele boeren te compenseren. WE HEBBEN DEZE WAARBORG OP HET NIVEAU VAN DE INDIVIDUELE BOER NADRUKKELIJKER IN HET PROGRAMMA

REACTIE

We volgen dit uitgangspunt van het Klimaatakkoord. In het programma is een maatwerkaanpak beschreven. In gebieds­ processen willen we via maatwerk komen tot de beste peilen voor (delen van) elk gebied. Een goed en duurzaam verdienmodel voor de landbouw maakt integraal onderdeel uit van de strategie en aanpak voor het veenweidegebied. Daarom stimuleren en ondersteunen we de ontwikkeling van nieuwe of aanvullende verdienmodellen voor de landbouw. Deze verdienmodellen moeten ook voor de langere termijn houdbaar zijn. Het bedrijfsperspectief van de boer is uitgangspunt: de verdiencapaciteit van het bedrijf moet goed zijn. Alle kennis, kunde en innovatieve technieken en landbouwmethoden zullen hiervoor ingezet moeten worden. Vooral ook de kennis die bij agrarische ondernemers zelf aanwezig is. Zij hebben bij uitstek de kennis van en inzicht in de bedrijfsvoering van een boeren­bedrijf. Bij de zoektocht naar nieuwe verdienmodellen willen we het ondernemerschap van boeren bij uitstek betrekken. Bij de eerste en tweede herijking in 2022 resp. 2026 zullen we ook nadrukkelijk naar de ontwikkeling van verdien­modellen kijken. Wanneer hier onvoldoende voort­gang in zit, kan ook dat aanleiding zijn om de aanpak aan te passen.

INSPREKERS

8, 221

58

KERN ZIENSWIJZE

Hoe kun je opbrengstverlies compenseren via CO2certificaat als vermindering van CO2 uitstoot en van bodem­ daling nog niet duidelijk zijn?

INSPREKERS

166

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

Op basis van de huidige kennis van CO2-uitstoot is het mogelijk om CO2 certificaten af te sluiten. De certificaten worden geborgd door de Stichting Nationale Koolstofbank. De certificaten hebben een looptijd van 10 jaar.

Er wordt niet ingegaan op teruglopende verdiencapaciteit van de landbouwgrond; extra grond ter compensatie betekent extra kosten. De boer draait hier voor op. Het programma suggereert dat er mogelijkheden voor verdien­ modellen zijn maar deze zijn nog niet bewezen en nog te verkennen; een boer zit niet te wachten op subsidies van Nederlandse overheden. Het is niet reëel dat boeren op een ‘niche-wijze’ voor wereldmarktprijzen moeten produceren. Afscherming van de eigen markt is bij wet en Europese regel­geving verboden. Gelet op de ca. 7.000 ha functie­ wijziging stelt het ontwerpprogramma indirect voor om het aantal boerenbedrijven met ruim 10% te laten krimpen. Tevens wordt er aan voorbij gegaan dat ca. 7.000 ha aan de vraat­zucht van wilde ganzen, weidevogels worden onttrokken, met alle gevolgen voor de overblijvende boeren.

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers pleiten ervoor om zicht te bieden op een houdbaar verdienmodel. Zekerheden en voorspelbaarheid voor de mensen die in beweging moeten komen, moeten onderdeel uitmaken van de strategie; dan kun je met voldoende ambitie en concrete maatregelen aan het werk. Dat perspectief is er met het voorliggende Veenweide­ programma niet. Het plan blijft hangen in goede bedoelingen en vrijblijvendheid. REACTIE

In het Veenweideprogramma zijn diverse programmalijnen opgenomen waarbinnen gewerkt wordt aan meer duidelijk­ heid, ook m.b.t. verdienmodellen. Binnen de programma­ lijn It Nije Buorkjen stimuleren en ondersteunen we de ontwikkeling van nieuwe of aanvullende verdienmodellen voor de landbouw, die ook op lange termijn houdbaar zijn. Verder ontwikkelen we in deze lijn een systematiek voor de afwaardering van grond. We zijn het met inspreker eens dat een houdbaar verdienmodel essentieel is voor het bieden van een goed toekomstperspectief.

INSPREKERS

46, 128, 157, 215

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

In par. 6.4. ‘CO2 certificaten’ staat in de laatste zin ‘dit kan alleen als het waterpeil hoger wordt gehouden dan het vast­gestelde peilbesluit’. Wij gaan ervan uit dat hiermee wordt bedoeld het in/tot 2020 vastgestelde peilbesluit? Dit moet dan wel zo worden beschreven in het programma. Daarnaast zou het verbeteren en vermarkten van CO2 vast­ legging net zo goed hiervan een onderdeel kunnen zijn.

REACTIE REACTIE

Het ‘vastgestelde peilbesluit’ is niet gekoppeld aan een datum, om voldoende flexibiliteit voor de uitgifte van koolstof­­certificaten via de landelijke koolstofbank te behouden; op die manier kan worden ingespeeld op nieuwe ontwikkelingen en inzichten. De regeling voor de uitgifte van koolstof­certificaten vult dit verder in, met de nodige waar­borgen. De uitgifte van koolstofcertificaten heeft op meer betrekking dan het waterpeil, maar dit onderdeel is voor boeren in het veenweidegebied het meest relevant.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker verzoekt om inzet van bredere deskundigheid en samenwerking met boerenorganisaties, agrarische, afzet- en zuivelindustrie en banken om de te ontwikkelen verdienmodellen te toetsen op houdbaarheid, duurzaam­ heid en rentabiliteit om de gewenste vitale landbouwsector te kunnen bevorderen. REACTIE

We onderschrijven deze ketenbenadering. Meerdere partijen spelen een rol in de transitie naar een duur­zaam toekomstperspectief voor de landbouw in het veenweide­ gebied. ONDER HET THEMA VERDIENCAPACTIEIT LANDBOUW IN H. 7

IN DE TEKST HEBBEN WE DIT EXPLICIETER VERWOORD.

tijdig realiseren van de noodzakelijke infrastructuur en kunstwerken. In de programmering en budgettering houden we daar rekening mee.

OPGENOMEN.

KERN ZIENSWIJZE

Veel insprekers citeren uit het Klimaatakkoord: ‘Maat­ regelen moeten afgestemd worden op het toekomst­ perspectief voor de boeren, de waterhuishoudkundige mogelijkheden en het type veenbodem. Daarmee komt ook meer ruimte voor weidevogels en versterking van biodiversiteit. Daar past een maatwerkaanpak bij en geen uniforme aanpak. Het bedrijfs­perspectief van de boer is het uitgangspunt, waarbij bestaande verdienmodellen pas overboord kunnen worden gegooid als alternatieve verdienmodellen beschikbaar zijn.’ Er is binnen de opgedane ervaringen en lopende pilots nog geen enkel zicht op vervangende verdienmodellen voor boeren. Andere veerassen, lichtere machines, en natte gewassen zijn kostprijsverhogend zonder zicht op rendement. Er zijn al veel keurmerken en er is geen markt voor. Op basis hiervan concluderen veel insprekers dat zolang geen zicht is op serieuze vervangende verdienmodellen dit programma niet kan worden vastgesteld.

INSPREKERS

73

Het programma besteedt veel aandacht aan het verdien­ vermogen van de boer. Eén van de doelen van het veenweide­programma is dat er een duurzaam toekomst­ perspectief is voor de landbouw. Er zijn al een aantal verkenningen gedaan naar de bedrijfseconomische consequenties voor landbouwbedrijven. Hiervoor wordt flankerend beleid gemaakt. In de kostenraming hebben we middelen opgenomen voor dit flankerend beleid. Het programma zet niet in op functiewijziging en reductie van het aantal boerenbedrijven. Wel is een verwijzing gemaakt naar het realiseren van nieuwe natuur, zoals al is vast­gelegd in het natuurbeleid. Dat is geen extra opgave van het veenweideprogramma.

INSPREKERS

56, 221 INSPREKERS KERN ZIENSWIJZE

De infrastructuur binnen het gebied zal eerst op orde moeten zijn voordat er duurzame oplossingen gerealiseerd kunnen worden om landbouwkundig bedrijven voort te kunnen zetten. Er moeten peilvakken worden opgeknipt en stuwen worden geplaatst om verder boeren mogelijk te maken. REACTIE

We beseffen dat bij de invulling en uitvoering van het peilbeheer gelijktijdig ook aandacht moet zijn voor het

205, 221 KERN ZIENSWIJZE

Het gebied heeft nu al veel last van zowel winter- als over­ zomerende ganzen. Als het waterpeil omhoog gaat, ligt het in de rede dat er meer ganzen naar het gebied komen, met extra schade tot gevolg. Een verlaging van de vergoeding (ook nu al met een eigen risico van de boeren) is al door­ gevoerd. Nogmaals: een verlaging van de vergoeding of het instellen of verhogen van een eigen risico mag niet plaats­ vinden.

NEMEN WE HIER EEN CONCREET ACTIEPUNT OVER OP.

59

REACTIE

REACTIE

REACTIE

REACTIE

De vergoeding voor ganzenschade vormt geen onderdeel van dit programma. In de aantallen ganzen en in ganzen­ schade zit veel dynamiek; daarbij spelen meerdere factoren een rol. Het beleid en de regelingen voor ganzenschade spelen daarop in.

We beseffen dat de veranderingen gevolgen zullen hebben voor de kostprijs. In het programma zijn divers acties opgenomen om samen met de sector te werken aan een goed inkomen voor de boer. Enerzijds gaat het daar­ bij om compensatie die het boeren financieel mogelijk moet maken om zich aan te passen aan de veranderende omstandig­heden, Anderzijds richten we ons op de rand­ voorwaarden die boeren in staat moet stellen om, gezien de (komende) ontwikkelingen, een goed inkomen te genereren. Tegen­over een hogere kostprijs kunnen ook hogere vergoedingen staan, waaronder een hogere melkprijs.

Dat klopt. Voor het omzetten van landbouwgrond naar natuur gelden bestaande regelingen. Op basis van deze regelingen wordt een vergoeding gegeven voor het afwaarderen van grond en wordt een beheervergoeding gegeven voor het beheer van de natuur. Dit valt onder de bestaande afspraken voor de realisering van het Natuur­ netwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor natuurgronden wordt geen GLB inkomenssteun verleend.

KERN ZIENSWIJZE

Extensiveren zal bedrijfseconomische gevolgen hebben. In het programma zijn diverse acties opgenomen om samen met de sector te werken aan een goed inkomen voor de boer. Enerzijds gaat het daarbij om compensatie die het boeren financieel mogelijk moet maken om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden, Anderzijds richten we ons op de randvoorwaarden die boeren in staat moet stellen om, gezien de (komende) ontwikkelingen, een goed inkomen te genereren. Tegenover een hogere kostprijs kunnen ook hogere vergoedingen staan, waaronder een hogere melkprijs.

In het programma is onvoldoende uiteengezet hoe de boer op dit programma zou kunnen reageren om het hoofd boven water te houden.

INSPREKERS

INSPREKERS

247

195

INSPREKERS

166

Kansen nieuwe verdienmodellen

Het programma geeft nog geen pasklare antwoorden voor de boeren hoe ze zich kunnen aanpassen aan de veranderende omstandigheden. In het programma is aan­gegeven dat de landbouw wordt ondersteund in de veranderingen die op de sector afkomen en voor een deel is dat ook aan de ondernemers zelf. Daar ontwikkelen we passend flankerend beleid voor.

INSPREKERS

2, 46, 128, 215

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Op dit moment zijn er nog geen nieuwe verdienmodellen; het is prematuur om dit nu als zodanig op te nemen dat we al spreken van ‘It nije buorkjen’.

Inspreker geeft aan dat het financiële plaatje van een biologische boer niet altijd te vergelijken is met die van een gangbare boer. De inspreker had graag gezien dat er meer naar de biologische sector was gekeken en benadrukt dat een biologische boer altijd in oplossingen denkt en aan de natuurlijke omstandigheden.

REACTIE

In het programma zijn divers acties opgenomen om samen met de sector te werken aan nieuwe verdienmodellen. Daarbij richten we ons op de randvoorwaarden die boeren in staat moet stellen om, gezien de (komende) ontwikkelingen, een goed inkomen te genereren.

KERN ZIENSWIJZE

De kostprijs van melk ligt op extensieve bedrijven in het veenweidegebied 6,3 cent per kilo melk hoger dan op intensieve bedrijven. (Artikel boerderij 19 november van PPP Agroadvies). REACTIE

We onderkennen dat extensivering kan samengaan met een hogere kostprijs. In het programma zijn diverse acties opgenomen om samen met de sector te werken aan een goed inkomen voor de boer. Enerzijds gaat het daarbij om compensatie die het boeren financieel mogelijk moet maken om zich aan te passen aan de veranderende omstandig­heden. Anderzijds richten we ons op de rand­ voor­waarden die boeren in staat moet stellen om, gezien de (komende) ontwikkelingen, een goed inkomen te genereren. Tegen­over een hogere kostprijs kunnen ook hogere vergoedingen staan, waaronder een hogere melkprijs.

60

INSPREKERS

186

REACTIE

INSPREKERS

247 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

We onderkennen dit verschil, evenals de bijdrage van biologisch boeren aan de veenweidedoelen. Het Veenweide­ programma biedt alle ruimte voor biologisch boeren en deze wijze van landbouw zal ook een duidelijke plek krijgen in het verder invullen van de programmalijn(en). FBBF maakt deel uit van het collectief van zeven landbouw­ partijen en de inbreng van de biologische landbouw is geborgd.

Inspreker is bang dat de veenweideplannen de deur open zetten voor grootschalige ontwikkeling van zonneweides. INSPREKERS REACTIE

In het kader van de Regionale Energie Strategie wordt ingezet op vermindering van het aandeel fossiele energie. Zonne-energie biedt kansen, ook als economische drager in het veenweidegebied. Over de inzet van zonneweides zal een zorgvuldige politieke afweging gemaakt moeten worden waarbij aspecten als landschappelijke impact, gevolgen voor biodiversiteit, etc. een rol spelen. Provincie en gemeenten ontwikkelen en hanteren hiervoor hun ruimtelijke beleidskaders en regels.

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vindt dat naast afwaarding van grond er ook rekening gehouden moet worden met de afwaardering van gebouwen.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker bepleit een werkend verdienmodel als sleutel voor succes. In relatie tot deze zogenoemde verdien­ modellen wordt met het nu naar buiten brengen van dit Veenweide­programma voorgesorteerd op de veronder­ stelling dat verdienmodellen nog wel bedacht zullen worden of spontaan zullen ontstaan. Dit is wat ons betreft de verkeerde volgorde. De continuïteit van de melkvee­ houderij in het Friese veenweidegebied zet u hiermee op het spel. REACTIE

Wij onderschrijven de opvatting dat een goed verdienmodel de sleutel is voor succes. Daarom krijgt dit volop aandacht in het programma. Wij willen uitdrukkelijk samen met de sector andere verdienmodellen ontwikkelen; hier worden nu al initiatieven voor ontplooid. Zo worden er verkenningen gedaan naar de bedrijfseconomische effecten van de veranderingen en worden kaders en een systematiek ontwikkeld voor het afwaarderen van gronden. Wij beseffen dat dit op dit moment nog onzekerheden oplevert. Ons uitgangs­punt is dat maatregelen pas worden uitgevoerd als de dekking ervan rond is en we in staat zijn evt. oneven­ redige negatieve gevolgen daarvan voor individuele boeren te compenseren.

REACTIE

WE HEBBEN DEZE WAARBORG OP HET NIVEAU VAN DE

Het totale plaatje van een bedrijf wordt hierbij in beschouwing genomen.

INDIVIDUELE BOER NADRUKKELIJKER IN HET PROGRAMMA OPGENOMEN.

INSPREKERS

INSPREKERS

INSPREKERS

INSPREKERS

46, 128, 215

195

46, 128, 215

186

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Door extensief te boeren (rapport PPP Agro advies) kost het een bedrijf zomaar €30.000 per jaar. Er moet niet alleen compensatie komen voor het afwaarderen van grond, maar ook voor kosten die horen bij een extensieve bedrijfs­ exploitatie.

Inspreker geeft aan dat er bij een deel van de (biologische) boeren al sprake is van extensivering en weinig koeien per hectare. Als door peilverhoging het land nog minder productief wordt, dan zal de kostprijs omhoog gaan.

Als landbouwgrond natuurgrond wordt, dan zal het niet meer vallen onder de definitie om GLB inkomenssteun te ontvangen. Ook zal dit ten nadele zijn van de hoeveelheid mest die afgezet mag worden.

Afgezien van die volgorde moet een verdienmodel een echt verdienmodel zijn. Dus niet slechts een (al dan niet tijdelijke) compensatie van, of tegemoetkoming in gederfde inkomsten. In dit licht moet de zoektocht naar reële alternatieve verdienmodellen op een gedegen manier en met inzet van landbouweconomische kennis worden ingericht. Het gebied Aldeboarnde Deelen is - in relatie

61

tot de ontdekkingstocht richting verdienmodellen - de broedstoof waar dat moet gebeuren. Een commissie van onafhankelijk deskundigen moet worden ingeschakeld in de begeleiding van deze zoektocht, als ook in de bevindingen van de pilot in Aldeboarn de Deelen.

REACTIE

In H. 7 is aangegeven dat we aansluiten op de ambitie van het ministerie van LNV dat in 2030 kringlooplandbouw de norm is. Voor deze inspanning zien we het ministerie dan ook als een belangrijke partner.

gemeenten en Wetterskip geeft daar voor de hele provincie invulling aan.

KERN ZIENSWIJZE INSPREKERS

124 REACTIE

We verwijzen naar blz. 27/28 van het Veenweideprogramma: “Het leveren van maatschappelijke diensten voor natuur en landschap, waterberging en CO2 vasthouden, zal vanuit de hele keten structureel gefinancierd moeten worden; door de overheden, de markt en de burgers. Daarnaast kunnen oplossingen gezocht worden in het verlagen van de kost­ prijs. Te denken valt aan landbouwstructuurverbetering (zoals kavelruil) en andere vormen van financiering. Om te voorkomen dat nieuwe verdienmodellen vooral theoretisch zijn, zijn de gebiedsprocessen cruciaal: daarin zullen de nieuwe verdienmogelijkheden concreet moeten worden gemaakt”. Binnen het Bestjoerlik Oerlis Feangreide (BOF) zullen we nadere afspraken maken over de inzet van onafhankelijke deskundigen. Samen met de landbouwsector zijn wij van mening dat een goed werkend verdienmodel essentieel is voor een duurzaam toekomstperspectief van de landbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603842/1