CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Reactienota Veenweideprogramma-lr

Het Debat 12 oktober 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen Veenweideprogramma 2021-203053.267 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

402 alinea's met “zienswijze”: 8 25 60 61 62 64 68 79 83 87 90 99 105 107 111 118 121 133 134 149 151 152 158 162 165 171 176 181 188 194 202 204 209 211 216 220 230 233 241 243 …

Om de opgaven die ons op klimaatgebied staan te wachten aan te kunnen zullen veranderingen nodig zijn. We onderkennen dat dit gevolgen zal hebben voor de landbouwbedrijven in het gebied. Om die reden willen we de landbouw steunen bij de noodzakelijke aanpassingen en is het werken aan een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw expliciet als doel opgenomen in het programma. We zien dit inderdaad als een stap voor stap aanpak. Zo worden nu in verschillende proeven en pilots onderzoek gedaan naar de effecten van maatregelen en naar de gevolgen op de bedrijfsvoering voor de landbouw. Pas als hier meer zicht op is, kunnen we volgende stappen zetten. De gevolgen voor de waarden van de grond gaan we als onderdeel van het flankerend beleid uitwerken. Risico­aanvaarding is onderdeel van de jurisprudentie bij formele schade­afhandeling. Het flankerend beleid richt zich op het minnelijk regelen van het nadeel. Formele schade­ afhandeling vormt het vangnet als er geen minnelijke overeen­stemming wordt bereikt.

231

INSPREKERS

25,184, 203 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Het programma geeft een meer algemeen kader en aanpak voor het veenweidegebied. Op basis van maatwerk wordt dit per (deel)gebied en op perceelniveau verder ingevuld. Hiervoor volgen nog nadere besluiten met afzonderlijke (procedurele) waarborgen en mogelijkheden voor rechtsbescherming. Dan wordt ook duidelijk wat de gevolgen op perceelniveau zijn.

Inspreker vraagt om respect voor het eigendom van grond. Grondeigenaren zijn in principe bereid mee te werken aan gebiedsplannen maar wel op basis van vrijwilligheid en tegen redelijke en billijke voorwaarden.

REACTIE INSPREKERS

REACTIE

We onderschrijven deze opvatting. Deze is verwerkt in het programma, met name in aanpak en strategie, en in de programmalijnen.

KERN ZIENSWIJZE

Peilverhoging zal leiden tot een verdere extensivering. Dit zal vervolgens leiden tot minder geleverde liters melk per hectare en leidt dus tot een lagere efficiëntie in verhouding tot de financiële lasten per hectare. Het compenseren door middel van extra gronden vergroot in ons optiek het probleem, zolang dit niet op een andere manier financieel gecompenseerd gaat worden. Ook met het oog op het toekomstperspectief voor de bedrijfsopvolger, blijkt dat de peilverhoging directe negatieve economische gevolgen gaat hebben en is het wenselijk dat de peilverhoging niet plaats zal gaan vinden, of dat deze verhoging op zijn minst financieel gecompenseerd gaat worden. Niet door compensatie in grond, maar juist door een geldelijke vergoeding waarbij de aanleg van goede kavelpaden de voorkeur heeft.

125 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker stelt op voorhand de partijen aansprakelijk voor de schade die uit het veenweideprogramma voortvloeit.

Het programma heeft veel aandacht voor verdienmodellen, flankerend beleid en nadeelcompensatie. De belangrijkste onderdelen van flankerend beleid zijn ‘grond als instrument’ en ‘afwaarderen’. Hoe de eventuele compensatie plaatsvindt kan per bedrijf verschillen. Diverse aspecten spelen hierbij een rol.

INSPREKERS

183, 255

INSPREKERS

REACTIE

25

Het programma heeft veel aandacht voor verdienmodellen, flankerend beleid en nadeelcompensatie. De belangrijkste onderdelen van flankerend beleid zijn ‘grond als instrument’ en ‘afwaarderen’. Als het om wat voor reden niet lukt om tot minnelijke overeenstemming over passende compensatie te komen, kan als vangnet een beroep worden gedaan op de formele nadeelcompensatieregelingen, zoals planschade bij bestemmingswijzigingen of nadeelcompensatie bij peil­ besluiten. Hiervan is op dit moment nog geen sprake.

KERN ZIENSWIJZE

Het is van belang dat de overheid een duidelijk plan heeft voor deze toekomst. Zodat bedrijven met voldoende zekerheid plannen kunnen maken voor de transitie van hun bedrijfs­voering en het gebied economisch niet “op slot” gaat.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt aandacht voor de relatie pachterverpachter. Waardedaling heeft ook gevolgen voor het gebruik van grond. Belangen van zowel verpachter en pachter komen onder druk te staan; dit kan zelfs leiden tot een verstoorde relatie.

REACTIE

Met het Veenweideprogramma willen we richting geven aan een duurzaam toekomstperspectief voor het gebied. Het is geen plan waarin panklare oplossingen geboden worden. We beseffen dat dit leidt tot onzekerheden. We hebben daarom een aantal waarborgen ingebouwd waar­ mee we deze onzekerheden (deels) kunnen wegnemen.

REACTIE

We erkennen de gevolgen voor zowel waarde als het gebruik van de grond. In het flankerend beleid is hier aandacht voor.

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

32

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker betaalt voor de veengrond dezelfde pachtprijs als op de klei in het noordelijk veenweidegebied, dus heeft de grond voor inspreker ook minimaal dezelfde waarde; ook is de waterschapsheffing hier hetzelfde, waardoor inspreker meent ook recht te hebben op droge bewerkbare cultuur­ grond. REACTIE

INSPREKERS

Er moet aandacht zijn voor boeren die in de komende periode te maken krijgen met verkoop van het bedrijf of bedrijfs­opvolging. Door de onduidelijkheid die er nu heerst krijgen boeren te maken met uitstel van verkoop of bedrijfs­opvolging.

INSPREKERS

2

221 KERN ZIENSWIJZE

46, 128, 215, 251 26, 27, 28, 120,130, 251

INSPREKERS

Flankerend beleid/ afwaarderen

KERN ZIENSWIJZE

De landbouw wordt met dit programma een gigantische potentiële opbrengstderving en onzekerheid opgelegd, terwijl de middelen niet in verhouding staan. Door een ‘stap voor stap-strategie’ is het voor de boer echter onduidelijk wanneer deze grote veranderingen plaats gaan vinden. Toch haalt het programma deze waardedaling in de toekomst naar het heden door het recht op schadevergoeding te laten vervallen op basis van ‘actieve risicoaanvaarding’.

Het is een absolute voorwaarde dat er voldoende geld is voor de uitvoering van compenserende en flankerende maatregelen en het instellen van kleinere en doelgerichte peilvakken, en ook een veel ruimer flexibel peilbeheer. REACTIE

Dit is onderdeel van het afwaarderen van grond. Als grond wordt afgewaardeerd zal dit ook effect moeten hebben op de pachtprijs. De tarieven van de waterschapsheffing zijn gebaseerd op de voorzieningen die getroffen moeten worden voor wateraanvoer, waterafvoer en water­kwaliteits­ beheer. Daarbij wordt niet gekeken naar het ontwaterings­ niveau, dus of het natte of droge grond is.

Op dit moment zijn de kosten voor het programma niet volledig gedekt. We gaan pas aan de slag in een gebied als er voldoende middelen zijn om dat zinvol te doen. Met de nog in te stellen gebiedscommissies, waar ook landbouw in vertegenwoordigd is, beoordelen we of er voldoende geld is voor een gebiedsaanpak, zodat met iedere belanghebbende in het gebied goede inhoudelijke en financiële afspraken gemaakt kunnen worden.

33

INSPREKERS

INSPREKERS

INSPREKERS

INSPREKERS

193

3

46, 56, 128, 215

25, 184

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker wijst er op dat afwaarderen van grond en extensivering van bedrijven in de kansrijke gebieden voor individuele loonbedrijven grote gevolgen kunnen hebben. Zij raken daarmee een deel van hun klanten en werkareaal kwijt.

Wie stelt bij een verslechtering van de ontwatering de waarde­daling van de grond vast en wie keert de compensatie uit? En wie ontvangt dit, de eigenaar of de pachter?

Wanneer land afgewaardeerd wordt dan zullen ook de waterschapslasten naar beneden moeten.

Vraagt aandacht voor de fiscale consequenties van vermogenswaardedaling

REACTIE

REACTIE

REACTIE

Deze relatie zien wij niet. Het afwaarderen is maatwerk en gericht op het ondervangen van onevenredig nadeel bij een individuele ondernemer. De waterschapslasten dekken publieke waterschapswerken en -maatregelen, waarvan de ondernemer ook nog steeds profiteert. Bovendien is binnen het huidige belastingstelsel geen tariefdifferentiatie mogelijk.

Dit nemen we mee in de ontwikkeling van flankerend beleid.

REACTIE

We hebben begrip voor de zorgen, maar de stap voor stap benadering met ondersteuning, flankerend beleid en nader onderzoek biedt waarborgen voor een zorgvuldig proces waarbinnen met belangen van individuele bedrijven serieus rekening wordt gehouden. Bovendien kunnen veranderingen ook kansen bieden voor nieuwe markten en klanten.

Voor het bepalen van de waardedaling werken we een systematiek uit. Deze systematiek willen we vooraf laten toetsen door onafhankelijke deskundigen. De waardedaling van de grond wordt uitgekeerd aan de eigenaar.

INSPREKERS

6, 148, 249 KERN ZIENSWIJZE

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Extra grond als compensatie voor een melkveehouder, werkt voor veel bedrijven kostprijsverhogend en de ‘carbon­ footprint’ van het bedrijf wordt mogelijk groter. REACTIE

Extra grond werkt inderdaad kostprijsverhogend. Dit is een aspect dat we betrekken in het flankerend beleid. Ook kijken we naar de netto ‘CO2’ gevolgen. We verwachten dat de CO2 winst die de beleidsinzet oplevert ruim opweegt tegen het ‘verlies’ als gevolg van diverse bijkomende effecten, die zowel negatief als positief kunnen uitpakken.

Flankerend beleid/ Uitgangspunten voor nadeel-compensatie

Inspreker pleit voor compensatie van boeren die altijd al hoog water hebben gehad en dus nooit mee hebben gedaan aan de diepteontwatering; deze hebben al jaren geen extra CO2 uitgestoten en wel extra kosten en minder opbrengst gehad en mee betaald aan de diepteontwatering. REACTIE

De compensatie is vooral bedoeld om ondernemers financieel de tijd en ruimte te bieden om zich aan de passen aan de veranderde omstandigheden, dus aan o.a. hogere peilen en een extensievere bedrijfsvoering. Het kan gezien worden als een transitievergoeding waarmee de bedrijfs­voering kan worden aangepast. Nadeel­compensatie is alleen mogelijk als er sprake is van een schade­ veroorzakende handeling of schadeveroorzakend besluit.

VANWEGE DE SAMENHANG VAN DE UITGANGSPUNTEN

INSPREKERS

VOOR NADEEL­C OMPENSATIE BIJ PEILWIJZIGING MET

157

HET NOG VERDER UIT TE WERKEN FLANKEREND BELEID, IS BESLOTEN DEZE BIJLAGE TE LATEN VERVALLEN. DEZE

KERN ZIENSWIJZE

BIJLAGE MAAKT NU GEEN ONDERDEEL MEER UIT VAN HET

Inspreker dringt aan om in samenwerking met boeren­ organisaties, agrarische accountsbureaus, agrarische makelaars en banken de hoogte van afwaardering van de agrarische gronden te onderzoeken, met inzet van brede deskundigheid.

VEENWEIDEPROGRAMMA. WEL IS ER NOG EEN REACTIE GEGEVEN OP DE IN DE ZIENSWIJZEN DIE ZIJN INGEDIEND OP DIT ONDERWERP.

INSPREKERS

46, 126, 128, 203, 215 REACTIE

Wij onderschrijven deze aanbeveling. WE HEBBEN DIT PUNT VAN BREDE DESKUNDIGHEID AAN DE TEKST TOEGEVOEGD.

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker heeft bewaar tegen de risicoaanvaarding in de uitgangspunten voor nadeelcompensatie bij peilwijzigingen veenweidevisie. Een koper van grond verliest bij verkoop recht op nadeelcompensatie omdat hij als koper rekening had moeten houden met de veranderingen op basis van het Veenweideprogramma. Dit legt een claim op het gebied.

25,184 INSPREKERS INSPREKERS

76, 221

83 KERN ZIENSWIJZE KERN ZIENSWIJZE

Een grote huiskavel is onbetaalbaar. Compensatieland als onderdeel van afwaardering betekent vaak dat een weg, vaart of meer overgestoken moet worden. Ook een financiële tegemoet­koming zal zwaar vallen. Inspreker is dan ook benieuwd naar de verhouding qua taxatie huis­ kavel/veldkavel. Verlaging van het opbrengend vermogen van de huis­kavel bemoeilijkt weidegang. REACTIE

In H. 6 is aangegeven dat de aanpak met grond als instrument kan worden ondersteund. Het gaat daarbij om grond­aankoop, kavelruil, bedrijfsverplaatsing, afwaardering van grond en compensatie met grond. Met dit flankerend beleid wordt getracht voor elk bedrijf oplossingen te zoeken. Hoe dit concreet voor elk bedrijf uitpakt is nu nog niet aan te geven.

Over financiële afkoping wordt nog weinig bekend gemaakt en compensatie met extra grond zal het verlies niet goed kunnen maken. De boeren die blijven moeten voldoende gecompenseerd worden en bij verplaatsing moeten alle kosten vergoed worden. REACTIE

Dit moet inderdaad nog worden uitgewerkt. In het programma is onder programmalijn ‘It Nije Buorkjen’ opgenomen dat we een systematiek voor afwaardering van grond ontwikkelen. Via de lijn van het Bestjoerlik Oerlis Fean­greide worden verschillende partijen hierbij betrokken. DE UITGANGSPUNTEN VOOR FLANKEREND BELEID ZIJN IN HET PROGRAMMA IN H. 6 TOEGEVOEGD. VANWEGE DE SAMEN­H ANG TUSSEN FLANKEREND BELEID EN DE

REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt aandacht voor de vermogenswaardedaling van veenweiden en het belang van een schaderegeling voordat maatregelen worden genomen om bodemdaling tegen te gaan. Compensatie voor de nadelige effecten op de waarde van de grond moet aan de voorkant worden geregeld. Inspreker is daarom blij dat een systematiek voor vrijwillige afwaardering van gronden wordt ontwikkeld om op één moment de waardedaling van grond te compenseren vanwege beperkingen in gebruiksmogelijkheden en wordt graag betrokken bij de uitwerking van deze plannen. REACTIE

We onderschrijven het belang van een goede compensatie­ regeling. Daarom hebben we in het programma opgenomen dat er een systematiek voor afwaardering wordt ontwikkeld. Via de lijn van het Bestjoerlik Oerlis Feangreide betrekken we verschillende partijen hierbij.

Risicoaanvaarding is onderdeel van de jurisprudentie bij formele schadeafhandeling; in de volgende reactie wordt nader uitgelegd hoe dit werkt. Bij schade aan funderingen van woningen wordt dit uitgangspunt van risicoaanvaarding ook gehanteerd.

INSPREKERS

46, 128, 215, 221 KERN ZIENSWIJZE

Bij het kopen van land wordt in de nadeelcompensatie gesproken over ‘risicoaanvaarding’, d.w.z. als je op voorhand weet dat er risico is voor een lagere waarde van de grond, dan komt de boer niet meer in aanmerking voor nadeel­ compensatie. Dit wordt als onredelijk ervaren. De centrale vraag hierbij is: wanneer had de koper kunnen weten dat het ‘risicoaanvaarding’ is. Verzocht wordt hier meer duidelijkheid over te verschaffen.

UITGANGS­P UNTEN VOOR NADEEL­­C OMPENSATIE IS HET VAST­S TELLEN VAN DEZE UITGANGS­P UNTEN UITGESTELD EN WORDT DIT NADER UITGEWERKT ALS ONDER­D EEL VAN HET FLANKEREND BELEID.

34

35

REACTIE

REACTIE

INSPREKERS

INSPREKERS

Bij risicoaanvaarding gaat het om hetgeen een onder­ nemer redelijkerwijs had moeten kunnen weten over de voor hem nadelige ontwikkeling ten tijde van zijn investeringsbeslissing, zodat hij die nadelige gevolgen in zijn beslissing had kunnen verdisconteren, zoals het bedingen van een lagere aankoopprijs van grond. Uit jurisprudentie blijkt dat het bij actieve risico­ aanvaarding niet is vereist dat verwezenlijking van de schade­veroorzakende overheidsmaatregel volledig en onherroepelijk vaststaat. Evenmin is vereist dat de schade­ veroorzakende maatregel in detail is uitgewerkt of dat de omvang van de nadelige gevolgen geheel nauwkeurig is bepaald. Beslissend is of op het moment van investering de mogelijkheid van de schadeveroorzakende overheids­ maatregel zodanig kenbaar was, dat een ondernemer redelijker­wijs bij de beslissing tot investering daarmee rekening kon houden.

De te nemen maatregelen kunnen gevolgen hebben voor het inkomen en voor de waarde van grond. Inzet is om dit aan de voorkant minnelijk in goed overleg op te lossen. De nadeelcompensatieregeling is het vangnet wanneer het niet lukt om tot overeenstemming te komen. Voor het bepalen van opbrengstderving gebruiken we een landelijk aanvaarde systematiek; deze is niet gebaseerd op de opbrengst van de drie voorgaande jaren. Kavelruil en bedrijfs­verplaatsing zijn instrumenten die zeker kunnen worden toegepast.

184

46, 128, 215, 250

INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

De voorliggende nadeelcompensatie kent nog straffere kaders dan wat men op basis van jurisprudentie zou verwachten. De strakke en bij de boeren/eigenaren ter discussie staande geformuleerde uitgangspunten voor de nadeelcompensatie, wekken de indruk dat die ook worden toegepast. Dat staat haaks op de gedragen gedachte dat uitgangs­punt zal zijn dat partijen zich tot het uiterste in zullen spannen om tot een minnelijke overeenstemming te komen via een privaatrechtelijke overeenkomst. REACTIE

De indruk dat er vooral wordt gekoerst op het toepassen van formele nadeelcompensatie is niet juist. We verwijzen hierbij naar hoofdstuk 6 van het programma, waar­in is aan­ gegeven dat dit het vangnet is als het om wat voor reden dan ook niet lukt om tot minnelijke overeen­stemming te komen. Doel is om zoveel mogelijk op minnelijke wijze tot compensatie te komen. De compensatie is er vooral op gericht om de agrarisch ondernemer financieel de tijd en ruimte te bieden om zich aan te passen aan de veranderende omstandigheden.

INSPREKERS

109, 11, 225, 226, 227, 228, 252 KERN ZIENSWIJZE

Nadeelcompensatie wordt gebaseerd op de drie voorgaande jaren. Als in deze jaren de opbrengst laag was, hoeft minder gecompenseerd te worden; daarbij wordt met 10% maatschappelijk risico gerekend. Hierdoor hoeft waar­ schijnlijk nooit een compensatie uitgekeerd te worden. Is het ook mogelijk om een bedrijf te verplaatsen en/of een herverkaveling?

36

KERN ZIENSWIJZE

KERN ZIENSWIJZE

In de bijlage “Uitgangspunten voor nadeelcompensatie bij peilwijzigingen veenweidevisie” is geen aandacht besteed aan een vrijwillige overeenkomst tussen betrokken partijen. Hiermee wordt direct gekozen voor het juridificeren van het proces. Voorgesteld wordt te werken volgens de stappen van de zogenaamde “ladder van Malta”.

Een betaalde ruilverkavelingsschuld en nog te betalen ruilverkavelingsschuld (ruilverkavelingsrente) dienen binnen de beleidsregel die gaat over schadevergoeding en compensatie, een apart onderdeel te krijgen om te voorkomen dat landbouwers door ‘wijziging van de plannen in een ruilverkavelingsgebied’ onevenredig worden benadeeld. Dit kan niet worden ondervangen door ‘algemene’ afwaarderingsregels. Als op zo’n korte termijn de plannen worden gewijzigd, is er geen sprake van ‘normaal maatschappelijk risico’. Daarom moet elke vorm van schade worden vergoed met een eigen risico van 0%.

REACTIE INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt om een aantal definities uitgewerkt bij de notitie nadeelcompensatie. a. Hoe berekent u doelrealisatie? b. Op basis waarvan (welke data) stelt u die vast, en is dit voor een boer of voor een onafhankelijke derde te controleren? c. Voorts spreekt u bij 1.3 over landbouwkundige opbrengst en over opbrengend vermogen, bedoelt u dan hetzelfde? En heeft u het dan over kwantiteit of ook over kwaliteit van het gewas, of beide? d. Ook spreekt u bij 1.3 over een eigen risico en over een normaal maatschappelijk risico, is dat iets anders? Of bedoelt u met beiden hetzelfde? e. Verder willen wij u erop wijzen dat uw formulering over staatssteun niet klopt. Alle schade, dus ook het eigen maatschappelijk risico, kan vergoed worden zonder dat er sprake is van staatssteun! f. Ook vragen wij ons af wat ‘vaste’ jurisprudentie is? REACTIE

a. Doelrealisatie wordt berekend met de meest actuele en voorhanden zijnde modellen. Op dit moment is dat de recent ontwikkelde Waterwijzer landbouw. zie www. waterwijzer.nl. Wel hebben we geconstateerd dat de Waterwijzer voor bepaalde bodemtypen geen goede resultaten geeft. Er wordt aan gewerkt om de Waterwijzer op dit onderdeel te verbeteren. Waterwijzer is in opdracht van verschillende partijen ontwikkeld, o.a. LTO; b. Hiervoor verwijzen we naar www.waterwijzer.nl c. Het opbrengend vermogen van grond is hetgeen een bepaalde bodem theoretisch zou kunnen opbrengen bij optimale omstandigheden. In de te hanteren systematiek is de landbouwkundige opbrengst hetzelfde. Het gaat om het kunnen bepalen van de verandering in opbrengend vermogen of landbouwkundige opbrengst als gevolg van te nemen maatregelen; d. Met eigen risico en normaal maatschappelijk risico wordt hetzelfde bedoeld; e. Klopt, alle schade kan worden vergoed zonder dat er sprake is van staatssteun. Eigen maatschappelijk risico staat hier los van; f. De toevoeging ‘vaste’ roept in dit verband vragen op. Deze toevoeging laten we vervallen.

In de bijlage is aangegeven dat de compensatie er op gericht is om in overleg met betrokken grondeigenaar of -gebruiker afspraken te maken over compensatie of mitigatie van het nadeel. De nadeelcompensatieregeling die nog moet worden vastgesteld, zien we als vangnet mocht er geen vrijwillige overeenstemming over het voorkomen, mitigeren of compenseren van nadeel worden bereikt. Dit komt overeen met de stappen van de voorgestelde “ladder van Malta”.

INSPREKERS

184 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker doet een aantal concrete voorstellen voor het vorm­geven van een nadeelcompensatieregeling een zogenaamde “Beleidsregel nadeelcompensatie Ontwikkel­ opgave Veenweideprogramma Fryslân”.

REACTIE

Met flankerend beleid (H. 6) wordt een pakket aan instrumenten ingezet waarmee we nadelige effecten voor individuele agrarische ondernemers willen mitigeren of compenseren. Per bedrijf wordt daarbij inzichtelijk gemaakt wat de nadelige gevolgen zijn en wat er per bedrijf nodig is om een toekomstbestendige bedrijfsvoering mogelijk te maken. In dat totale plaatje betrekken we ook de resterende lasten van ruilverkaveling. Per bedrijf willen we dit in minnelijk overleg oplossen. De regeling voor nadeel­ compensatie geldt als juridisch vangnet als er om wat voor reden geen overeenstemming wordt bereikt.

INSPREKERS

243 REACTIE

Een nadeelcompensatieregeling is een juridisch vangnet voor nadeelcompensatie. Bedoeling is om tot minnelijke oplossingen te komen als er sprake is van schade. Als onderdeel van het pakket flankerend beleid wordt er ook een beleidsregel voor nadeelcompensatie vastgesteld.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker betaalt nog jaarlijkse kosten voor verbetering afwateringsstelsel bij de ruilverkaveling (ruilverkavelings­ lasten). Inspreker vraagt zich af hoe hiermee om wordt gegaan en of deze belasting wordt gestopt bij realisatie van het Veenweideprogramma.

INSPREKERS

REACTIE

251

Met flankerend beleid (H. 6) wordt een pakket aan instrumenten ingezet waarmee we nadelige effecten voor individuele agrarische ondernemers willen mitigeren of compenseren. Per bedrijf wordt daarbij inzichtelijk gemaakt wat de nadelige gevolgen zijn en wat er per bedrijf nodig is om een toekomstbestendige bedrijfsvoering mogelijk te maken. In dat totale plaatje betrekken we ook de resterende lasten van ruilverkaveling. Per bedrijf willen we dit in minnelijk overleg oplossen. De regeling voor nadeelcompensatie geldt als juridisch vangnet als er om wat voor reden geen overeenstemming wordt bereikt.

KERN ZIENSWIJZE

De Provincie en Wetterskip zijn verantwoordelijk voor plan­ schade, ook op de lange termijn. Normaal maatschappelijk risico is niet van toepassing in dit dossier en de schade zou volledig vergoed moeten worden. REACTIE

Onze bedoeling is om tot minnelijke oplossingen te komen als er sprake is van schade. Als vangnet is er daar­naast de juridische weg voor schadevergoeding. Om te voor­komen dat er rechtsongelijkheid ontstaat met andere schade­ regelingen, zoeken we zoveel mogelijk aansluiting met bestaande jurisprudentie en normen.

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Indien niet tot een (lager) peilaanpassing wordt besloten, terwijl veen blijft inklinken, dient dit als ‘peilbesluit’ te

37

worden beschouwd, op basis waarvan schadevergoeding kan worden toegewezen overeenkomstig de beleidsregel. Dit dient in de beleidsregel te worden opgenomen.

INSPREKERS

157, 221, 255 KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

Het is zoeken naar een balans in het grondgebruik waarbij we veenoxidatie en bodemdaling zoveel mogelijk beperken. Als er sprake is van nalatig handelen van het waterschap of een besluit waar schade door wordt geleden, dan kan dit een grond zijn om schadevergoeding uit te keren.

INSPREKERS

Insprekers pleiten voor het inzetten van ruilverkaveling mét een grondbank om de oplossingen vorm te geven. Benadeelde boeren kunnen dan gecompenseerd worden. Ruilverkaveling leidt tot minder transporten in (recreatieve) dorpen. Er moet voorkomen worden dat er dubbele ruilverkavelingslasten betaald moeten worden. Verzoek om te onderzoeken of er in de WILG werkbare en praktische instrumenten zijn opgenomen om voor verschillende opgaven in het gebied ruimte te creëren.

46, 128, 215 REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Het is enorm onduidelijk wat er onder de post “overige schade” kan vallen. De inspreker geeft enkele voorbeelden van schadeposten die ook spelen bij invoering van het Veenweide­programma: schade voor erfpachters, bedrijfs­ opvolging­situaties, verkoopsituaties, stakers, problemen met herfinanciering, fiscaal nadeel bij uitbetaling schade­ vergoeding, langere terugverdientijden en extra arbeids­ inzet. REACTIE

Met flankerend beleid (H. 6) wordt een pakket aan instrumenten ingezet waarmee we nadelige effecten voor individuele agrarische ondernemers willen mitigeren of compenseren. Per bedrijf wordt daarbij inzichtelijk gemaakt wat de nadelige gevolgen zijn en wat er per bedrijf nodig is om een toekomstbestendige bedrijfsvoering mogelijk te maken. In dat totale plaatje betrekken we diverse schadecomponenten.

Flankerend beleid/ herverkaveling

In H. 6 zijn een aantal instrumenten beschreven die ingezet kunnen worden om de gebiedsprocessen te ondersteunen. Ruilverkaveling is een van deze instrumenten. Hiervoor kan de provincie (bevoegd gezag) de WILG (Wet inrichting landelijk gebied) benutten. Deze wet maakt herverkaveling mogelijk. Hiermee kan de verkaveling van een gebied op­ nieuw worden ingedeeld, zodat er mogelijkheden ontstaan voor een betere inrichting en gebruik van een gebied. De wet biedt o.a. de mogelijkheid tot een verplichtende her­verkaveling. In het veenweidegebied zal de provincie terughoudend omgaan met het verplichtende deel van de WILG. We kunnen ons echter situaties voor­stellen waarin we dit, om een bepaalde ontwikkeling mogelijk te maken, als uiterste middel inzetten. Dit zal gebeuren op basis van een zorgvuldige afweging tussen algemene belangen en individuele belangen, met de bij­behorende waarborgen.

KERN ZIENSWIJZE

Er is een nieuwe ruilverkaveling nodig om het grondwater­ peil in het Lage Midden naar 30 cm beneden maaiveld te brengen. Daarbij dienen ook de slotenpatronen weer te worden hersteld. REACTIE

We zetten nergens in op een grondwaterpeil van 30 cm; in gebieden met dik veen (> 80 cm) streven we naar een gemiddeld grondwaterpeil van 40 cm beneden maai­ veld. Herstel van slotenpatronen kan mogelijk zijn bij herinrichting/ herverkaveling en maatregelen voor klimaat­ adaptatie.

38

Overig INSPREKERS

9, 13, 17, 157, 180, 183 KERN ZIENSWIJZE

In hoofdstuk 9 benoemen dat een deel van de beschikbare middelen specifiek kan worden ingezet voor het stimuleren voor deze aanvullende economische dragers.

INSPREKERS

175

REACTIE HET STIMULEREN VAN NIEUWE ECONOMISCHE DRAGERS

KERN ZIENSWIJZE

DRAAGT BIJ AAN EEN DUURZAAM TOEKOMSTPERSPECTIEF

Insprekers stellen voor een programma in de zin van de Omgevingswet op te stellen en op basis van dit programma per deelgebied voortvarend en doortastend gebiedsprocessen te benutten voor de feitelijke uitwerking. Op grond van dat programma is het dan niet alleen mogelijk maar ook gewenst om per deelgebied te onderzoeken of de instrumenten die op dit moment zijn opgenomen in de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) van toepassing moeten zijn.

VOOR HET GEBIED. WE ZULLEN DIT ZEKER ONDER­S TEUNEN EN BEVORDEREN, O.A. IN HET SPOOR VAN DE RES, KLIMAAT­ ADAPTATIE EN BIODIVERSITEIT, DE OMGEVINGS­A GENDA NOORD NEDERLAND EN HET NATIONAAL GROEIFONDS. IN HET PROGRAMMA IS IN H. 9.2 EEN PASSAGE TOEGEVOEGD OVER HET BENUTTEN EN INZETTEN VAN MIDDELEN UIT ANDERE PROGRAMMA’S.

INSPREKERS REACTIE

Zie reactie hierboven over de inzet van de WILG. Dit kan binnen het kader van dit programma. We vinden het niet nodig om hiervoor nog weer afzonderlijke programma’s per deelgebied op te stellen. Dat zou ook teveel vertragen.

INSPREKERS

26, 27, 28, 120, 130 KERN ZIENSWIJZE

Kan de waterschapheffing niet worden ingezet als instrument om de kosten van het programma (deels) te dekken; boeren die nadeel ondervinden hoeven minder te betalen en natuurorganisaties die baat hebben bij het programma zouden dan meer betalen.

186 REACTIE

INZET VAN DE GRONDBANK IS OOK MOGELIJK. IN H 6.2 FLANKEREND BELEID, ONDER GROND ALS INSTRUMENT

KERN ZIENSWIJZE

HEBBEN WE DIT EXPLICIETER AANGEGEVEN.

Het Wetterskip maakt in haar benadering van de veenweideproblematiek een historisch afwijkende keuze door in die gebieden niet langer de functie (landbouw) te bedienen. Waterschapkundige instrumenten zoals peil­ besluit en legger worden op een alternatieve manier ingezet. Daarmee stuurt het Wetterskip niet langer op het bedienen van functies maar op het onmogelijk maken van functies. Impliciet ontstaat door deze koerswijziging voor de betrokken grondeigenaren ook schaduwwerking en daar­ mee samenhangende waardevermindering van gronden.

INSPREKERS

174

INSPREKERS

174

We stimuleren en ondersteunen initiatieven voor de teelt van gewassen onder natte omstandigheden, de zo­genoemde natte teelten. Dit werken we uit in de programma­­lijn It Nije Buorkjen. De programmaorganisatie (zie H. 8) is erop ingericht dat zulke initiatieven van onderop en met ondersteuning van bovenaf, tot ontwikkeling en uitvoering kunnen komen.

KERN ZIENSWIJZE

Laag gelegen gebieden kunnen worden ingezet als water­ berging voor hete droge zomers. Tevens kunnen circulaire producten gemaakt worden van natte teelten, waar bouw­ bedrijf Dijkstra Draisma onlangs mee is gestart. Dit bedrijf heeft landbouwgrond aangekocht voor teelt van lisdodden om verwerkt te worden tot isolatiemateriaal voor verduur­ zaming van woningen. De overheid dient hierin meer de regie te nemen, in verordeningen op te nemen, te bemiddelen, te faciliteren, ruimte beschikbaar te stellen, te subsidiëren, te promoten, aan te kopen enz. REACTIE

Klimaatadaptatie vormt een belangrijke opgave voor het veenweidenprogramma; daarvoor is ook voorzien in extra waterberging binnen het gebied. Dit werken we nog nader uit.

REACTIE

Het waterschap maakt een belangenafweging tussen de diverse gebruiksfuncties van de grond (landbouw, natuur, wonen) en algemene (maatschappelijke) belangen. Daarbij is het doel om alle functies zo goed als de omstandigheden het toelaten, te bedienen. Vanwege de problematiek die er speelt op gebied van bodemdaling en klimaat, vindt er nu een heroverweging van die belangen plaats. Hierbij is zowel oog voor de belangen van de grondeigenaren als andere belangen. Voor evt. waardevermindering en inkomens­effecten ontwikkelen we instrumentarium voor afwaardering van grond.

Het instrument van de waterschapsheffing kan hier in de huidige vorm niet voor worden gebruikt. Om dit te veranderen moet op landelijk niveau het belastingstelsel worden herzien.

INSPREKERS

247 KERN ZIENSWIJZE

Afgewaardeerde gronden zouden voortaan voor de waterschapslasten in dezelfde categorie belast moeten worden als natuurgronden. REACTIE

De indeling van gronden in categorieën gebeurt op basis van de aan de gronden toegekende functie. Als na afwaardering de grond de functie natuur krijgt, valt deze voor de waterschapsbelasting ook in die categorie. Anders blijft deze in de categorie landbouw. Om dit te veranderen moet op landelijk niveau het belastingstelsel worden herzien.

39

Programmalijn 1: Waterbeheer en klimaatadaptatie Peilverhoging algemeen, alle veengronden

INSPREKERS

175

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

175

Insprekers pleiten voor een robuust en klimaatbestendig watersysteem. Verhoging van de waterstanden in het veenweide­gebied kunnen daaraan een belangrijke bijdrage leveren. Echter, we gaan er van uit dat dat alleen niet genoeg zal zijn. Water vasthouden in de hogere gebieden hoort daar ook bij, evenals het voorzien in extra berging in het veenweide­gebied. We gaan er van uit, dat in de Blauwe Omgevings­visie van het Wetterskip de grote lijnen van dit robuuste en klimaatbestendige watersysteem zullen worden uiteengezet in samenhang met de andere opgaven die ook in het veengebied spelen.

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker mist in het ontwerp de expliciete uitspraak, dat in het veenweidegebied de peilen bij verdergaande bodem­ daling door veenoxidatie niet meer verlaagd zullen worden. Inspreker is van mening dat de 0,4 m drooglegging nergens in het ontwerp is gemotiveerd, laat staan dat er in het ontwerp een relatie wordt gelegd tussen deze drooglegging en het bereiken van de doelen op korte en lange termijn. Natuurgebieden en de naaste omgeving of de laagste delen van het veenweidegebied zouden om de doelen te kunnen halen wel eens een drooglegging moeten hebben van enkele mm of zelfs o mm gemiddeld. Andere delen, bijvoor­beeld in gebieden met een kleidek, is de gewenste droog­­legging wellicht tot de onderzijde van dat kleidek, zodat daar het veen niet meer oxideert maar landbouw nog goed mogelijk is. Juist dergelijke keuzes van de overheden en duidelijk­heid daarover worden door de inspreker node gemist.

worden door samen met landbouw en terreinbeherende organisaties de mogelijkheden te bekijken om in en rondom verdrogings­gevoelige gebieden overgangszones in te stellen (H. 7.3). IN H 7.3 IS BIJ ACTIES TOEGEVOEGD DAT DIT OOK VIA INITIATIEVEN VAN ONDEROP KAN PLAATSVINDEN.

Hogere peilen en meer flexibel peilbeheer kunnen zeker helpen om droogteschade te voorkomen. Door de bodem­ daling te beperken kan een bijdrage geleverd worden aan het bepreken van de verzilting. Het diepe soepbord van het lage midden van Fryslân wordt dan immers minder snel dieper. Hoe groot deze bijdrage kan zijn is op dit moment niet duidelijk, daar is meer onderzoek voor nodig.

REACTIE

Verzilting en droogte Insprekers zijn van mening dat ook de landbouw zelf belang heeft bij hogere peilen in het veenweidegebied. Enerzijds omdat daarmee droogteschade – zoals we de afgelopen jaren hebben gezien – kan worden voorkomen. Anderzijds, maar dat zijn niet dezelfde ondernemers, omdat vernatting van het veengebied, zoals we gezien hebben in de grondwater­studie, een probaat middel is om de verzilting van het noordelijke kleigebied tegen te gaan. Ook trekken de steeds lagere peilen steeds meer zout grondwater het gebied in naast de kwel vanuit de Waddenzee.

INSPREKERS

46, 128, 215 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker geeft aan dat ook bij hoge peilen er sprake kan zijn van droogteschade. Dit komt door de ondiepe beworte­ ling of door een profielopbouw met een schalter­laag.

De rol van de bodem is erg belangrijk. Bodemprocessen, profielopbouw, draagkracht, bodemvruchtbaarheid, water­ doorlatendheid en vermogen water vast te houden, zijn een aantal belangrijke aspecten die alleen maar belangrijker worden. Onder het thema bodem en grondgebruik zijn hier in het ontwerpprogramma enkel acties voor benoemd. Vanwege het grote belang van de bodem hebben we hier nu een aparte programmalijn van gemaakt.

INSPREKERS

REACTIE

Klimaatadaptatie wordt verder uitgewerkt in het provinciale Regionaal Water Programma (RWP; wordt in 2021 opgesteld) en het Klimaatadaptatieprogramma dat daar een onderdeel van is. Klimaatadaptatie krijgt ook een uitwerking in het Waterbeheerprogramma 2022-2026 van Wetterskip Frylsân en het door de gezamenlijke Friese overheden op te stellen Klimaatadaptatie-uitvoerings­ programma onder de vlag van de Friese Bestuursakkoord Waterketen.

We starten met enkele pilots om met elkaar te ervaren hoe HAKLAM werkt. Op basis van deze ervaringen kunnen we vervolgens met elkaar bepalen welke voorwaarden passend zijn voor de verdere toepassing van het HAKLAM-principe. Voor schade tijdens de proefperiode is een vangnet aanwezig.

INSPREKERS

14, 248

In de gebiedsprocessen en via initiatieven van onderop willen we samen met de betrokken partijen kijken hoe verdroging in natuur zoveel mogelijk beperkt kan

40

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker is voorstander van het principe HAKLAM, maar verbindt hier wel voorwaarden aan. HAKLAM is gericht op het beïnvloeden (verhogen) van de grondwaterspiegel met behoud van draagkracht en productie, zowel qua opbrengst als kwaliteit; de sturing ligt bij betrokken boeren en gebiedsbeheerder van het Wetterskip. In de proef­periode wordt een lerend principe gehanteerd en is een schade­ regeling als vangnet aanwezig; geef hier duidelijkheid over. Denk daarbij aan zaken als inzakken van de slootkanten en het vol­lopen met bagger van sloten en drains. REACTIE

Buffer- of overgangszones Insprekers pleiten voor integrale maatregelen die er voor zorgen dat de natuurgebieden binnen het veenweidegebied, waaronder vier belangrijke Natura 2000-gebieden het schone water kunnen vasthouden en gevrijwaard kunnen blijven van het IJsselmeerwater, bijvoorbeeld door in een ruim gebied rond die natuurgebieden uit te gaan van hogere waterpeilen en voldoende mogelijkheden om ook daar water vast te houden.

REACTIE

In het programma staat hierover: ‘Er worden geen peil­ aanpassingen meer gedaan totdat het nieuwe peilbesluit is genomen dat gericht is op dit via maatwerk streven naar een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm. Geen peil­ aanpassingen zal in de meeste gebieden de komende 10 jaar geen direct probleem opleveren. In gevallen waar dat wel het geval is proberen we dit op te lossen, bijvoorbeeld door hier het HAKLAM principe te hanteren. Het vigerende peil­besluit blijft gelden tot er een nieuw peilbesluit is genomen.’ De onderbouwing van de na te streven grondwaterstand is gebaseerd op de huidige inzichten en kennis over veen­ oxidatie en CO2 reductie en op de MKBA. Er zijn weliswaar nog onzekerheden m.b.t. reductiecijfers; hier wordt in het kader van het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikas­ gassen Veenweide nader onderzoek naar gedaan. Nieuwe inzichten en kennis worden benut bij de in het programma opgenomen ijkmomenten. Besluiten over maatregelen in gebieden met een dik kleidek zijn voorzien in het ijk­ moment in 2026.

INSPREKERS

46, 128, 186, 215, 221

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker geeft aan dat zijn land nu al af en toe onder water staat bij regenval. Inspreker geeft aan dat met peil­ verhoging de ontwatering en afwatering in de knoei komen. Bij verhoging van waterpeil blijft er geen bufferruimte over.

189 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker heeft een ‘Review brede grondwaterstudie Fryslân’ laten uitvoeren en op grond daarvan een zienswijze ingediend. In de zienswijze worden een aantal punten aan­gedragen die volgens inspreker de onderbouwing van de peil­verhoging op basis van de ’Brede Grondwaterstudie Fryslân’ ontkrachten. Inspreker nodigt de opstellers van het ontwerp-Veenweidenprogramma uit om op basis van de uitkomsten van de review de beleidsvoornemens -gebaseerd op de Brede Grondwaterstudie Fryslân- grondig te her­overwegen. Volgens inspreker levert de Brede Grondwater­studie Fryslân onvoldoende onderbouwing voor het voor­genomen peilbeleid voor de komende decennia in het veenweide­gebied. REACTIE VOORLOPIGE REACTIE, NOG AANPASSEN NA VERSCHIJNEN

REACTIE

EN BESPREKING VAN DE RAPPORTAGE OVER DE REVIEW

Door peilverhoging vermindert de bergingscapaciteit van het watersysteem. Onder het thema ‘Compensatie water­berging en klimaatadaptatie’ is beschreven dat er maatregelen nodig zijn om het watersysteem klimaat­ bestendig in te richten.

BREDE GRONDWATER­S TUDIE.

Uit de Grondwaterstudie blijkt (onder andere) dat voort­ zetten van de huidige waterhuishouding in het Friese veenweide­gebied op termijn toenemende gevolgen zal hebben voor verzilting (van het diepe grondwater) vanuit

41

het noorden en de verdroging van het zuidoostelijk gelegen zand­gebied. De uitgewerkte maatregelen in het ontwerp Veenweideprogramma 2021-2030 bestaan uit aanpassingen van de waterhuishouding om daarmee de voortgaande veen­oxidatie en daardoor CO2-uitstoot te reduceren en de doorgaande bodemdaling te vertragen. Daarnaast zijn er nog een aantal aanleidingen, zoals schade aan woningen, wegen en infrastructuur, verdroging van natuurgebieden en toenemende complexiteit en kosten van het waterbeheer. Ook de veranderingen in het klimaat spelen daarbij een belang­rijke rol: wat betekent de toenemende kans op droogte en op extremere natte perioden voor de inrichting van het water­systeem en voor het grondgebruik? Bij het uitwerken van maatregelen zijn de modellen, berekeningen en scenario’s van de Grondwaterstudie uit 2019 als bouw­ steen benut. Het natter houden van het veen, door het streven naar hogere grondwaterstanden, richt zich voor de eerstkomende jaren op de gebieden met een dik veenpakket. In het programma is alleen voor de veengebieden met een veen­ pakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm aangegeven dat we de komende jaren via maatwerk zoveel mogelijk willen komen tot een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm onder maaiveld.

Voor de rest van de veengebieden - de kleigronden met veen in de ondergrond, en de gebieden met een veen­pakket dunner dan 80 cm -, wordt in 2026 een besluit genomen over de in deze gebieden te nemen maat­regelen. Hier­ bij betrekken we de nieuwste inzichten en onderzoeks­ resultaten m.b.t. CO2-reductie, bodemdaling, grondwater­ stromen en grondwaterbeheer en de mate waarin het tot dan toe gevoerde beleid invulling geeft aan de ambitie van 0,4 Mton CO2-reductie in 2030. Een van de doelen van het programma is dat het water­ systeem waterrobuust en klimaatbestendig wordt in­ gericht. Onafhankelijk van de te nemen maatregelen voor CO2-reductie, is het ook noodzakelijk om in het gehele veenweide­gebied ervoor te zorgen dat we in de toekomst voldoende zoet water beschikbaar hebben en extremere neerslag­perioden aan kunnen. De opstellers en opdracht­ gevers van de Grondwaterstudie (RH/DHV, resp. provincie Fryslân, Wetterskip en Vitens) zullen samen met de opstellers van het Veenweideprogramma 2021-2030 en de opsteller en opdrachtgever van de Review op de Grondwater­ studie (Deltares, LTO) overleggen over de in de review aangedragen punten en verbetermogelijkheden van de Brede Grondwaterstudie.

De uitkomsten van dat overleg zullen, samen met de resultaten van de Grondwater­studie, als bouwsteen worden meegenomen bij de herijking van het Veenweideprogramma in 2026.Bij deze herijking betrekken we de nieuwste inzichten en onderzoeks­resultaten met betrekking tot CO2-reductie, bodemdaling, grondwater­ stromen en grondwaterbeheer;

INSPREKERS

196 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker heeft aantal vragen over instellen van een grondwater­stand van 40 cm beneden maaiveld en stelt dat een generieke instelling van een grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld niet realistisch is: • Er lopen nog proeven met hogere waterstanden waarvan de resultaten nog niet bekend zijn; • Het gaat om een gemiddelde grondwaterstand. Maai­ veld is nooit helemaal vlak. Hoe gaat u om met de 50% oppervlakte grond die bij deze gemiddelde grondwater­ stand een hogere grondwaterstand krijgt; • Greppelonderhoud vraagt veel zorg en er zullen snel veel minderwaardige grassen en planten in en bij de greppels verschijnen; • Er zal meer risico zijn op veeziekten als leverbot. Dit levert een belemmering op voor het weiden van vee. Ook zal er meer vertrappingsverlies optreden en verliezen door berijden van de grasmat.

In het Veenweideprogramma 2021-2030 wordt gesproken over een grondwaterniveau van -40 cm. Is dit een gemiddelde over het hele jaar? Of een maximale hoogte waar het grondwaterniveau zich op mag bevinden? Graag meer duidelijkheid hierover. Bij een gemiddelde, maar variabele, grondwaterstand van 40 zal waterpeil in winter heel hoog staan en in zomer veel lager. Omdat oxidatie vooral in zomer plaatsvindt is de maatregel dan niet effectief. REACTIE

In het programma is aangegeven dat we gedurende het jaar streven naar een gemiddelde grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld in de gebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm. Dit vraagt maatwerk waarbij we samen met betrokken partijen in gebiedsprocessen de (on)mogelijkheden in kaart zullen brengen. De consequenties die dit heeft zullen in beeld worden gebracht en hier zullen passende oplossingen voor gezocht moeten worden.

REACTIE

In het programma is aangegeven dat we gedurende het jaar streven naar een gemiddelde grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld in de gebieden met een veen­ pakket dikker dan 80 cm en met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm. Dit vraagt maatwerk waarbij we samen met betrokken partijen in gebiedsprocessen de (on)mogelijkheden in kaart zullen brengen, en rekening kunnen houden met lokale omstandig­heden. De consequenties die dit heeft zullen in beeld worden gebracht en hier worden passende oplossingen voor gezocht. Wij beseffen ons terdege dat het realiseren van een grondwaterstand van 40 cm beneden maaiveld in de zomer lang niet overal haalbaar zal zijn. En dat dit precies gemiddeld 40 cm moet zijn is ook geen dogma. Het gaat erom dat de oxidatie van het veen zoveel mogelijk wordt beperkt. Elk gebied is anders en reageert anders, daarom is de gebiedsgerichte aanpak ook zo belangrijk. We onderkennen de risico’s die inspreker noemt. Hiervoor zullen we gezamenlijk oplossingen moeten vinden.

Wij beseffen ons terdege dat het realiseren van een grond­water­stand van 40 cm beneden maaiveld in de zomer lang niet overal haalbaar zal zijn. En dat dit precies gemiddeld 40 cm moet zijn is ook geen dogma. Ook bij hogere waterpeilen zakt de grondwaterstand in de zomer tot lagere waarden, tot wel 80 -100 cm beneden maaiveld. De afgelopen droge zomers hebben we dit duidelijk geconstateerd. De centrale vraag is hoe we het uitzakken van de grondwaterstand zoveel mogelijk kunnen beperken en daar­mee de oxidatie van het veen zoveel mogelijk beperken, ook in de zomer. Elk gebied is anders en reageert anders, daarom is de gebiedsgerichte aanpak ook zo belangrijk.

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

De doelstelling is een grondwaterstand van 40 cm onder het maaiveld. Het is niet duidelijk hoe dit gerealiseerd gaat worden. Het blijkt dat met alleen slootwaterpeil omhoog te brengen de -40 cm grondwaterstand niet jaar­ rond bereikt kan worden. Op welk punt wordt de -40 cm grondwaterstand gemeten? Hoe hoog zal het slootwater­ peil dan worden?

KERN ZIENSWIJZE

HAKLAM zal getoetst moeten worden en de resultaten hiervan zullen meegenomen moeten worden in de definitieve maatregelen, en waar nodig leidt dit tot bij­ sturing van het beleid en uitvoering ervan. REACTIE

Dat is juist, op basis van de resultaten van de pilots met HAKLAM gaan we beoordelen hoe we hier verder mee om zullen gaan. Dit kan leiden tot bijsturing van beleid en uitvoering.

INSPREKERS

247 KERN ZIENSWIJZE

Een grondwaterstand van -40 cm mag geen harde streef­ waarde zijn; het HAKLAM principe moet hierbij leidend zijn, waarbij de landgebruiker ook daadwerkelijk een hand aan de knop heeft en niet slechts op papier. REACTIE

De nadere invulling van het peilbeheer willen we baseren op maatwerk op basis van flexibel peilbeheer en het HAKLAM-principe. Pilots moeten inzichtelijk maken hoe dit in de praktijk ingevuld kan worden.

INSPREKERS

51 KERN ZIENSWIJZE

Door peilverhoging is het houden van paarden niet meer mogelijk. Daarnaast zal sprake zijn van waardedaling perceel en aantasting woongenot.

221 REACTIE KERN ZIENSWIJZE

Wie bepaalt het slootwaterniveau, komt er een zomer- en/ of winterniveau van het slootwaterpeil? Komen er vaste data hiervoor? Wie bepaalt de hoogte per peilvak?

INSPREKERS

214, 221, 43

INSPREKERS

221

We kunnen niet beoordelen of het houden van paarden niet meer mogelijk is. Wat de individuele gevolgen zijn op diverse aspecten, wordt in de gebiedsprocessen in beeld gebracht. Hier wordt dan zo goed mogelijk rekening mee gehouden.

REACTIE

De streefpeilen in een gebied worden vastgelegd in een peilbesluit. We willen dit doen met een bandbreedte om flexibiliteit te creëren. Met deze flexibiliteit kunnen we inspelen op droge en natte perioden. De verantwoordelijk­ heid voor het peilbeheer is geregeld in de Waterwet en ligt bij het waterschap.

INSPREKERS

245 KERN ZIENSWIJZE

Door verhoging van de slootwaterstand tot 40 cm onder maaiveld zal er bijna altijd water in de greppels staan. Dit heeft vertrapping van zode tot gevolg en verhoging ziekte­ druk.

DIT IS AAN PAR. 5.2 TOEGEVOEGD.

42

43

REACTIE

REACTIE

Bedoeling is dat via maatwerk gemiddeld hogere grondwater­standen worden gerealiseerd om daarmee de veen­oxidatie te beperken. Gedurende het jaar willen we de peilen flexibel aanpassen. Er is dus geen sprake van een vaste verhoging van de slootwaterstand tot 40 cm onder maai­veld. De slootwater­peilen zullen gemiddeld wel hoger worden.

Uit onderzoek blijkt dat drainage onder water ook goed water afvoert. In de gebiedsgerichte aanpak wordt gekeken naar de specifieke omstandigheden en mogelijkheden nadelige effecten te beperken of te compenseren.

peil al na 3 m vanaf de slootkant geen invloed meer heeft. Boven­dien zijn de middelen die beschikbaar zijn c.q. komen voor realisatie van 1 Mton CO2 reductie niet bedoeld voor kleigronden met veen in de ondergrond (uitwerking Klimaat­ akkoord 2019).Verzocht wordt om deze gronden uit de opgave van het Veenweideprogramma te verwijderen. (w.o. de Grutte Krite).

INSPREKERS

12

REACTIE

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

HET BESLUIT OF DE OPGAVE VOOR CO2 REDUCTIE GELDT

192, 229, 250

Inspreker vindt het huidige systeem van steeds dieper ontwateren van veengrond een doodlopende weg en adviseert om: het polderpeil te verhogen, de agrariërs te onder­steunen, hiervoor Europees geld aan te trekken, er voor te waken dat ‘it Lege Midden’ verbost en verstedelijkt en coulant te zijn voor mensen met schade aan de fundering.

VOOR VEENGRONDEN MET EEN DIK KLEIDEK HEBBEN WE

KERN ZIENSWIJZE

Een hoge grondwaterstand is slecht voor het bodemleven. REACTIE

Bodem is een belangrijk thema binnen het programma.

UITGESTELD TOT HET MOMENT VAN HERIJKING IN 2022. OP DAT MOMENT VERWACHTEN WE DAT ER AFSPRAKEN ZIJN GEMAAKT OVER DE VERDELING VAN DE OPGAVE VAN 1 MEGATON CO2 REDUCTIE OVER DE VERSCHILLENDE REGIO’S / PROVINCIES. OOK VERWACHTEN WE DAT ER DAN DUIDELIJKHEID IS OVER EEN LANDELIJKE MONITORINGS -

INSPREKERS

EN BEREKENINGSSYSTEMATIEK VOOR DE BEPALING

157

VAN­W EGE DIT BELANG IS IN HET PROGRAMMA NU EEN

REACTIE

VAN CO2 VERMINDERING EN IS ER MEER INZICHT IN DE

APARTE PROGRAMMA­L IJN BODEM EN GRONDGEBRUIK

We zien dit als ondersteuning van de voorgestelde aanpak.

BIJDRAGE DIE VERSCHILLENDE BODEMTYPEN KUNNEN

KERN ZIENSWIJZE

LEVEREN AAN DE VERMINDERING VAN UITSTOOT

204, 237

Inspreker stelt voor om de moerige gronden te schrappen uit het programma, met uitzondering van de diepe polders die bij kunnen dragen aan tegengaan van verdroging van de zandgronden en van verzilting. Argumenten voor het schrappen zijn het feit dat de moerige gronden nauwelijks bijdragen aan de CO2-uitstoot en dat er vanwege drinkwater­winning verlaging van het grondwaterpeil plaats­vindt.

KERN ZIENSWIJZE

REACTIE

OPGENOMEN.

VAN BROEIKASGASSEN. HET PROGRAMMA IS HIER OP

INSPREKERS

INSPREKERS

AANGEPAST EN OOK DE KAART MET BODEM­TYPEN IN

52

FIGUUR 7.1 IN HET PROGRAMMA.

22 KERN ZIENSWIJZE KERN ZIENSWIJZE

Inspreker is tegen peilverhoging van zijn percelen omdat daardoor drainage onder water komt te staan. Misschien zijn er ook ander oplossingen mogelijk?

Er word verondersteld dat er landbouwkundige winst te behalen valt met hogere waterpeilen. Dit wordt door inspreker betwijfeld. Door hogere peilen krijg je wortel­ schade waardoor gewas minder groeit.

REACTIE

REACTIE

Uit onderzoek blijkt dat drainage onder water ook goed water afvoert. In de gebiedsgerichte aanpak is ruimte om ook andere oplossingen te onderzoeken.

Het is zoeken naar een balans tussen goede omstandig­ heden voor gewasgroei en het natter houden van de bodem. In droge perioden zal ene hoger peil hier goed bij passen en in nattere perioden juist een lager peil. Afgelopen droge zomers hebben we ervaring op kunnen doen met hogere peilen om gewasgroei te bevorderen en het veen natter te kunnen houden. Komende jaren willen we verder experimenteren met flexibel peilbeheer.

INSPREKERS

229 KERN ZIENSWIJZE

Bij verhoging van waterpeil moet drainage niet onder water komen te staan, vooral in de herfst en winter.

Peilverhoging gebieden

REACTIE

Ook onder water functioneert drainage nog prima. Proeven met onderwaterdrainage tonen dit aan.

INSPREKERS

67, 69, 75, 80, 83, 82, 90, 96, 97, 99, 149, 177, 178, 179, 186, 202, 205, 211, 217, 221, 238, 246

INSPREKERS

KERN ZIENSWIJZE

140

Uit twee onderzoeken van Sweco in het gebied tussen Sneek en Irnsum blijkt dat peilverhoging tot 40 cm-mv voor Kleigronden > 40 cm met veen in de ondergrond, niet of nauwelijks een bijdrage gaat leveren aan het beperken van bodemdaling en CO2 uitstoot als gevolg van veenoxidatie. Ingeschat wordt dat het vertragend effect van hogere water­peilen op het afremmen van de bodemdaling door veen­oxidatie minder dan 1 mm/jaar zal zijn. Door boeren zijn grondwater­peilen gemeten waaruit blijkt dat een hoger

KERN ZIENSWIJZE

Inspreker heeft 50 ha klei op veen in het veenweidegebied die akkerbouwmatig worden gebruikt voor o.a. aardappels, uien, bieten en mais. Door de peilverhoging werkt de drainage niet meer. Dit heeft een groot nadelig effect, voor de bedrijfsvoering en waardevermindering van de grond.

44

REACTIE

Het besluit of de opgave voor CO2 reductie geldt voor veengronden met een dun veenpakket en voor moerige gronden hebben we uitgesteld tot het moment van herijking in 2022. Op dat moment verwachten we dat er afspraken zijn gemaakt over de verdeling van de opgave van 1 megaton CO2 reductie over de verschillende regio’s / provincies. Ook verwachten we dat er dan duidelijkheid is over een landelijke monitorings- en berekeningssystematiek voor de bepaling van CO2 vermindering en is er meer inzicht in de bijdrage die verschillende bodemtypen kunnen leveren aan de vermindering van uitstoot van broeikasgassen. Het programma is hier op aangepast en ook de kaart met bodemtypen in figuur 7.1 in het programma.

INSPREKERS

Inspreker heeft bedrijf met klei op veen gronden. Peil­ verhoging is daar niet effectief en leidt tot aanzienlijke inkomens­schade.

HET BESLUIT OF DE OPGAVE VOOR CO2 REDUCTIE GELDT VOOR MOERIGE GRONDEN HEBBEN WE UITGESTELD TOT HET MOMENT VAN HERIJKING IN 2022. OP DAT MOMENT

REACTIE

VERWACHTEN WE DAT ER AFSPRAKEN ZIJN GEMAAKT

Zie vorige reactie.

OVER DE VERDELING VAN DE OPGAVE VAN 1 MEGATON CO2 REDUCTIE OVER DE VERSCHILLENDE REGIO’S / PROVINCIES. OOK VERWACHTEN WE DAT ER DAN DUIDELIJKHEID IS

INSPREKERS

OVER EEN LANDELIJKE MONITORINGS - EN BEREKENINGS ­

33,35, 36, 47, 61, 64, 72, 77, 85, 89, 92, 110, 112,113, 122, 133, 136, 137, 144, 77, 108, 133, 151, 164, 169, 186, 187, 214, 221, 224, 253, 254, 257

SYSTEMATIEK VOOR DE BEPALING VAN CO2 VERMINDERING EN IS ER MEER INZICHT IN DE BIJDRAGE DIE VER­ SCHILLENDE BODEMTYPEN KUNNEN LEVEREN AAN DE VERMINDERING VAN UITSTOOT VAN BROEIKAS­G ASSEN. HET

KERN ZIENSWIJZE

PROGRAMMA IS HIER OP AANGEPAST EN OOK DE KAART

Insprekers vinden dat het verhogen van de grondwater­stand voor gronden met een veenpakket > 40 cm en < 80 cm of voor moerige gronden (veenpakket < 40 cm) niet effectief is; de grondwaterstand zal in de zomer veel lager zijn dan het gemiddelde van 40 cm beneden maaiveld waar­door er geen of maar een beperkte hoeveelheid veen natter gehouden wordt; oxidatie van het veen blijft dan ook plaatsvinden. Bij moerige gronden ligt het eventueel aanwezige veen zowel in de oude als de nieuwe situatie boven de grondwaterspiegel van 40 cm-mv. In de veenweide­visie van 2015 werden voor deze gronden ook geen peil­maatregelen voorgesteld. Insprekers vragen af te zien van peilverhogende maatregelen op de veen­gronden dikker dan 40 cm en dunner dan 80 cm en/of moerige gronden, en deze gronden uit de opgave van het Veenweide­programma te verwijderen.

MET BODEM­TYPEN IN FIGUUR 7.1 IN HET PROGRAMMA.

INSPREKERS

186 KERN ZIENSWIJZE

Inspreker vraagt de mogelijke reductie aan CO2-emissie per grondsoort (veen met kleidek, veengrond met minder dan 40 cm veen en veengrond dikker dan 40 en dunner dan 80 cm) in beeld te brengen en daaraan de kosten in euro`s per ton CO2-reductie te koppelen. Dan kan een verantwoorde keuze worden gemaakt met de schaarse middelen die beschik­baar zijn. In het programma wordt 15.745 ha aan­gemerkt als veengronden dunner dan 40 cm veen. U

45

beoogt ook deze gronden te belasten met een gemiddelde grondwater­stand van 40 cm onder het maaiveld, maar een peil­maatregel van 40 cm-mv zal op geen enkele wijze leiden tot beperking van bodemdaling en CO2 uitstoot. Het veen ligt namelijk al boven de grondwaterspiegel van 40 cm-mv die u nastreeft. Zoals u weet is voor het beperken van veenoxidatie relevant dat veen onder de grondwater­ spiegel minder oxideert en dus zorgt voor minder bodem­ daling en CO2-uitstoot. Verzoek om deze gronden uit het veenweideprogramma te laten.

grond­­water naar de lager gelegen Noordoostpolder speelt hier bijvoor­beeld een grote rol. Samen met het gebied willen we zoeken naar oplossingen gericht op het beperken van de veen­oxidatie en op klimaatadaptatie, met inacht­ neming van de specifieke omstandigheden. Een stap voor stap aanpak; samen en van onderop!

INSPREKERS

250

REACTIE

KERN ZIENSWIJZE

In het programma is alleen voor de veengebieden met een veenpakket dikker dan 80 cm en met een veenpakket dikker dan 80 cm en een kleidek dunner dan 40 cm aangegeven dat we de komende jaren via maatwerk zoveel mogelijk willen komen tot een grondwaterstand van gemiddeld 40 cm onder maaiveld.

Door peilverhoging naar 40 cm wordt de buffercapaciteit van het land en de sloten in de Groote Veenpolder enorm verminderd, terwijl in de toekomst frequenter en hevigere regenval wordt verwacht. Het gebied word dus minder klimaat­bestendig! Het bedrijf van inspreker zit vóór een stuw in de afwatering, en zal dus als ‘boezem’ voor het gebied gaan functioneren bij hevige regenval. Om dit te voor­komen is het nodig om de afvoercapaciteit te vergroten en is extra gemaalcapaciteit nodig.

HET BESLUIT OF DE OPGAVE VOOR CO2 REDUCTIE GELDT VOOR MOERIGE GRONDEN HEBBEN WE UITGESTELD TOT HET MOMENT VAN HERIJKING IN 2022. OP DAT MOMENT VERWACHTEN WE DAT ER AFSPRAKEN ZIJN GEMAAKT

REACTIE

OVER DE VERDELING VAN DE OPGAVE VAN 1 MEGATON CO2

We onderkennen dat bij een hogere grondwaterstand de buffercapaciteit afneemt waardoor extra maatregelen nodig zijn. In de programmalijn Waterbeheer en klimaatadaptatie vullen we dit in. Samen met het gebied willen we zoeken naar oplossingen gericht op het beperken van de veen­ oxidatie en op klimaatadaptatie, met inachtneming van de specifieke omstandigheden. Een stap voor stap aanpak; samen en van onderop!

REDUCTIE OVER DE VERSCHILLENDE REGIO’S / PROVINCIES. OOK VERWACHTEN WE DAT ER DAN DUIDELIJKHEID IS OVER EEN LANDELIJKE MONITORINGS - EN BEREKENINGS ­ SYSTEMATIEK VOOR DE BEPALING VAN CO2 VERMINDERING EN IS ER MEER INZICHT IN DE BIJDRAGE DIE VERSCHILLENDE BODEMTYPEN KUNNEN LEVEREN AAN DE VERMINDERING VAN UITSTOOT VAN BROEIKAS­G ASSEN. HET PROGRAMMA IS HIER OP AANGEPAST EN OOK DE KAART MET BODEM­TYPEN IN FIGUUR 7.1 IN HET PROGRAMMA.

INSPREKERS

239 INSPREKERS

38, 42, 49, 51, 63, 70, 73, 74, 78, 84, 87, 125, 156, 160, 161, 186, 250 KERN ZIENSWIJZE

Het peil in de Groote Veenpolder staat al veel hoger dan op kaart aangegeven; beïnvloeding van de grondwaterspiegel is hier nauwelijks mogelijk door o.a. kwel en wegzijging. Peil­­maatregelen zijn hier niet haalbaar, uitvoerbaar en betaal­baar omdat we de grondwaterspiegel nauwelijks kunnen beïnvloeden die samengaat met een werkbare land­­­bouw. Op korte afstanden zijn veel verschillen in grondwater­­standen en slootwaterstanden. (zoals ook blijkt uit onder­zoeken o.l.v. dhr. Nederlof van Wetterskip Fryslàn, Van Essen van Aequator en lnitiatiefgroep Groote Veen­ polder in 2018/2019). Voor een grondwaterstand van 40 cm onder maaiveld zijn zeer drastische maatregelen nodig, waar­bij het slootpeil jaarrond tot aan het maaiveld staat en regen­water geen kans krijgt om afgevoerd te worden.

46

KERN ZIENSWIJZE

Insprekers verzoeken de provincie dringend om verder te kijken dan het hier en nu. Dan blijkt: lager kan niet, hoger moet het. Een grondwaterstand van 40 cm onder het maaiveld is slechts het begin. Uiteindelijk is een veel hoger grondwaterpeil (naar 20 cm onder maaiveld tussen 2030-2050) nodig om aan de klimaatdoelen te voldoen. In plaats van te blijven hangen in flexibel peil­ beheer en technologische oplossingen rondom deze -40 cm grondwaterstand, zou het Veenweideprogramma zich daarom in de eerste plaats moeten richten op de ontwikkeling van nieuwe verdienmodellen voor extensieve vee­teelt, natte teelten, hernieuwbare energieopwekking, circulaire landbouw en duurzaam toerisme in natte veen­ gebieden. Aanbeveling: Investeer voornamelijk in het ontwikkelen van nieuwe verdienmodellen in natte veengebieden (natter dan -40 cm grondwaterstand).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10603842/1