Bijlage 4 Advies cie MER Meer van Oudega
Tekst van het document
Meer bij Oudega, gemeente Smallingerland
Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 14 juni 2023 / projectnummer: 3726
1
Advies over het MER in het kort Gemeente Smallingerland en de provincie Fryslân willen een nieuw groot water met recreatieve en natuurlijke waarden, de Nije Aldegaester Sânning, aanleggen. Het gebied wordt hierna ook aangeduid als ‘het nieuwe meer’. Voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente en provincie hebben de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat staat in het MER? Het plangebied beslaat ca 55 ha. Behalve het realiseren van een nieuw meer worden ook een nieuwe regionale waterkering en gemaal gerealiseerd en worden eilanden en aanlegplaatsen aangelegd. Het nieuwe meer zal deel uitmaken van de Friese boezem1. Aan de westzijde van het meer is een nieuwe waterkering nodig om de achterliggende polder te beschermen. Het project heeft volgens het MER weinig negatieve effecten in de gebruiksfase. Door het toevoegen van oppervlaktewater ontstaat er meer capaciteit om water op te vangen in perioden met veel neerslag. Hiermee levert het project een bijdrage aan klimaatadaptatie. In de aanlegfase zijn er volgens het MER wel negatieve effecten, bijvoorbeeld door verstoring van natuur en mogelijk hinder van stof.
Wat is het advies van de Commissie? Het voornemen heeft een lange geschiedenis; de eerste plannen dateren uit 2008-2009. Uit het MER blijkt dat gedurende deze geschiedenis de kansen, beperkingen en mogelijkheden uitvoerig zijn verkend in samenspraak met omwonenden en andere belanghebbenden. Ook heeft er veel onderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is daarmee bijna compleet. De Commissie signaleert echter bij de toetsing van het MER dat er nog enige informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het belang van de leefomgeving volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over de aanleg van het meer. Het gaat om de volgende punten:
de navolgbaarheid van de hydrologische berekeningen;
een nadere onderbouwing van de mogelijke toe- of afname van recreatiedruk op Natura 2000-gebied de Alde Feanen en de gevolgen daarvan voor het gebied.
De Commissie adviseert deze informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. De Commissie heeft het MER alleen in samenhang met het bestemmingsplan kunnen beoordelen, omdat de concept-ontgrondingsvergunning nog niet beschikbaar was. Dit betekent dat het bevoegde gezag voor de ontgrondingsvergunning alsnog zal moeten beoordelen of het MER ten grondslag kan liggen aan het besluit over deze vergunning.
1 Dit wil zeggen dat het streefpeil gelijk is aan dat van de Friese boezem.
-1-
Ontwerp Meer bij Oudega (juni 2021, bron: gemeente Smallingerland).
Aanleiding MER De gemeente Smallingerland en Provincie Fryslân willen de verbinding van Smallingerland met de Friese meren herstellen en versterken. Doel hiervan is economische groei en leefbaarheid te stimuleren en land- en waterrecreatie met elkaar te verbinden. Onderdeel van deze gebiedsaanpak ‘Oostelijke Poort Friese Meren’ is de gebiedsvisie ‘Oudega aan het water’. Onderdeel van deze gebiedsvisie2 is het project ‘Meer bij Oudega / Nije Aldegaester Sânning'. Het totale plangebied voor dit project bedraagt 55 ha, waarvan 43,5 ha water en 11,5 ha eilanden, oeverzone en nieuwe waterkering. Het ontgraven van het meer valt onder categorie 16.1 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarmee geldt er een project-m.e.r.-plicht voor de ontgrondingsvergunning. Omdat het bestemmingsplan kaderstellend is voor de ontgrondingsvergunning geldt er een plan-m.e.r.-plicht voor het bestemmingsplan. Het MER is opgesteld als gecombineerd plan- en project-MER.
2 Het totale project 'Oudega aan het water' bestaat behalve uit het nieuwe meer ook uit het vergroten van de jachthaven. Dit
onderdeel is al uitgevoerd.
-2-
Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeente Smallingerland en de Provincie Fryslân - besluit over respectievelijk het bestemmingsplan 'Nije Aldegeaster Sânning' en de ontgrondingsvergunning. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3726 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak. De Commissie heeft in eerdere fasen van de planvorming twee keer advies uitgebracht: in 2009 over richtlijnen voor het MER voor het toenmalige plan 'Meer bij Oudega'3 en in 2017 over reikwijdte en detailniveau voor het MER voor het toenmalige gehele project 'Oostelijke Poort de Friese Meren'4. Voor het huidige project heeft de Commissie geen advies uitgebracht over reikwijdte en detailniveau van het MER, maar de gemeente heeft aangegeven dat de eerdere adviezen zijn betrokken in de planvorming en bij het opstellen van het MER.
2
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe. Hierbij geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling, alsmede aanbevelingen voor de verdere besluitvorming. De adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming. Met de aanbevelingen wil de Commissie een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de verdere besluitvorming. Deze hebben geen betrekking op ontbrekende essentiële informatie.
2.1
Berekeningen hydrologie onvoldoende navolgbaar Voor de modellering van de hydrologische effecten is gebruik gemaakt van het voor de regio noordoost-Nederland ontwikkelde MIPWA-model. Het MIPWA-model is een regionaal model, dat niet per definitie geschikt is voor alle specifieke ingrepen in het geohydrologisch systeem. Het MER en de bijlagen geven geen inzicht in de opbouw en de nauwkeurigheid van het voor de berekeningen gebruikte model. Er ontbreekt informatie over de resultaten van de ijking/validatie en een eventuele gevoeligheidsanalyse voor het gebruikte model. Bij de ijking van een geohydrologisch model worden de resultaten voor de berekende ondiepe grondwaterstanden en stijghoogten in de diepere watervoerende pakketten vergeleken met de meetgegevens uit peilbuizen uit het modelgebied. Waar mogelijk worden ook de berekende volumestromen (debieten) vergeleken met gemeten waarden (bijvoorbeeld met gegevens van uit polders uitgeslagen hoeveelheden water). Als er uit de vergelijking systematische afwijkingen blijken, worden de hierbij relevante bodemparameters (doorlaatvermogens van watervoerende pakketten en weerstanden van scheidende lagen)
3 Adviezen - Commissiemer.nl 4 Adviezen - Commissiemer.nl
-3-
binnen realistisch geachte bandbreedten aangepast tot de beste match tussen berekende en gemeten waarden is bereikt. Bij validatie van een model wordt getoetst of het model ook bij een significant andere situatie in het geohydrologisch systeem realistische uitkomsten levert. Door het ontbreken van gegevens over de ijking/validatie is niet duidelijk welke foutmarge de hydrologische berekeningen in het MER kennen. Deze onzekerheid werkt door in diverse andere effecten zoals de emissie van broeikasgassen door bodemdaling en de afgeleide effecten van de hydrologische veranderingen op bebouwing, infrastructuur, natuur en landbouw. Daardoor kan nu niet worden uitgesloten dat de milieueffecten groter zijn dan het MER voorziet. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER een beschrijving van de modelopbouw op te nemen en met de resultaten van de ijking van het geohydrologisch model inzicht te geven in de nauwkeurigheid van de met het model berekende hydrologische effecten. Waar nodig kan hierbij tevens een gevoeligheidsanalyse voor relevante bodemparameters worden toegevoegd. Daarnaast adviseert de Commissie om behalve de in het MER gepresenteerde effecten op het ondiepe hydrologische systeem ook de effecten voor de stijghoogten in de diepere watervoerende pakketten in beeld te brengen. Deze hebben mogelijk een grotere uitstraling naar de omgeving.
2.2
Gevolgen waterrecreatie voor Natura 2000-gebied Alde Feanen De Commissie stelt vast dat de gevolgen voor de natuur uitgebreid zijn beschreven, onder andere op basis van aanvullend veldonderzoek. Hoewel de natuurinformatie diepgaand en van goede kwaliteit is constateert de Commissie dat de toe- of afname van recreatiedruk in Natura 2000-gebied de Alde Feanen nog niet duidelijk onderbouwd is. De beoordeling van de gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen is (mede daardoor) nog niet voldoende navolgbaar. Het MER stelt dat verwacht mag worden dat de waterrecreatie als gevolg van het nieuwe meer met maximaal 1,6% (800 vaarbewegingen per jaar) zal toenemen. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen als gevolg van verstoring en vertroebeling worden niet verwacht, omdat de toename niet zal plaatsvinden op gevoelige locaties en in de meest gevoelige periode. Tegelijkertijd wordt verwacht dat de autonome ontwikkeling in de waterrecreatie leidt tot een afname van het aantal vaartochten in 2050 met 25%. Een eventuele toename van recreatiedruk ten gevolge van het (totale) project ‘Oudega aan het Water’5 zou dan in een periode van enkele jaren gecompenseerd worden door de autonome afname. De Commissie merkt op dat bovengenoemde inschattingen gestoeld zijn op globale berekeningen (1,6% toename) en aannames (autonome krimp waterrecreatie).
Daardoor kan een tijdelijk grotere toename van de waterrecreatie niet worden uitgesloten en is de mogelijke afname niet gekwantificeerd. In het beheerplan Alde Feanen wordt waterrecreatie als knelpunt gezien voor soorten en habitattypen die zich ten dele onder het
5
Dus inclusief de nieuwe haven bij Oudega, zoals beschreven in Hoofdstuk 1 van dit advies.
-4-
instandhoudingsdoel bevinden en/of waar die toename een belemmering kan zijn voor kwaliteitsverbetering van habitattype H3150 (meren met krabbenscheer en fonteinkruiden) en leefgebieden met soorten. Indien een toename van waterrecreatie als gevolg van de realisatie van het meer de instandhoudingsdoelstellingen verder buiten bereik brengt, dan kan sprake zijn van significante gevolgen. De Commissie stelt vast dat in het MER onvoldoende navolgbaar is onderbouwd dat significante gevolgen voor de Alde Feanen zijn uitgesloten. In dit verband kan worden opgemerkt dat een Passende beoordeling ontbreekt.6 In de tekst wordt wel het mogelijke effect genoemd dat er recreatieve bewegingen van de Alde Feanen naar dit nieuwe meer verplaatsen. Dat zou een positief effect op het Natura 2000-gebied hebben. Maar dit aspect is niet (kwantitatief) uitgewerkt. De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER (en indien nodig een Passende Beoordeling) nader te onderbouwen dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebied Alde Feanen door een (tijdelijke) toename van waterrecreatie zijn uit te sluiten. Bijvoorbeeld door de mogelijke verplaatsingen van de Alde Feanen naar de Nije Aldegaester Sânning kwantitatief te onderbouwen op basis van de inmiddels beschikbare gegevens.
2.3
Ontwikkeling natuurkwaliteit Riet Op pagina 80 van het MER staat dat de beoogde rietoevers in het nieuwe meer worden aangelegd met de bouwvoor (toplaag) uit het plangebied en rietplaggen uit de Zetsloot. Tegelijkertijd is de nutriëntenbelasting zodanig dat verruiging (verbossing) kan optreden terwijl door ganzenvraat (lokaal broedende Grauwe Ganzen) mogelijk geen waterriet tot ontwikkeling kan komen. De Commissie beveelt aan:
na te gaan of met rasters gewerkt kan worden om begrazing te beperken;
de eventuele successie van de oevervegetaties te monitoren en na te gaan of het beheer hierop kan worden aangepast.
Ondergedoken waterplanten Voor de kieming en ontwikkeling van ondergedoken waterplanten is voldoende licht op de waterbodem nodig. Een bodem met te veel nutriënten kan dit mogelijk in de weg staan. Dit geldt ook voor een te hoge stand van bodemwoelende vissoorten als brasem in de eerste jaren na aanleg. De Commissie beveelt aan de ontwikkeling van ondergedoken waterplanten te monitoren en jaarlijks te evalueren en zo nodig passende maatregelen te nemen.
6
Indien significante effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten dan dient een Passende beoordeling te worden
opgesteld. In dit verband wijst de Commissie ook op de conclusie in de Uitgebreide natuurtoets dat mogelijk aanvullende beschermingsmaatregelen nodig zijn (“mogelijk kan hier een negatief effect optreden ten aanzien van een soort met
instandhoudingsdoel [zwarte stern] maar dit effect is sterk afhankelijk van de afstand van de vaarroute tot de kolonie en eventuele aanvullende beschermingsmaatregelen”).
-5-
2.4
Mogelijk archeologische waarden verstoord door baggerdepot In het kader van eerdere fasen van de planvorming is in 2009 een verkennend archeologisch booronderzoek gedaan door Sweco (toen nog Grontmij). Op grond hiervan werd geadviseerd tot nader archeologisch onderzoek. In haar eerdere adviezen over het project7 heeft de Commissie dit benodigd onderzoek verder gespecificeerd. Tijdens de uitvoering van archeologisch veldwerk in 2020 binnen de aangewezen onderzoeksgebieden is geconstateerd dat 54 van de te zetten 205 boringen (over een oppervlak van het te karteren gebied van zo’n 25 tot 30 %) ter plaatse van een baggerdepot lagen. Bij aanleg (in 2014) en/of verwijdering (in 2020) van dit baggerdepot is de ondergrond vergraven, waardoor een archeologische waardestelling niet meer mogelijk was. De conclusie in het MER dat er geen archeologische waarden (meer) in het geding zijn in het kader van het huidige besluitvormingstraject is daarmee correct. Het is echter niet duidelijk waarom er (kennelijk) zonder verder archeologisch onderzoek een vergunning voor aanleg en/of verwijdering van het baggerdepot is verleend.
De Commissie beveelt aan in het besluit samen te vatten hoe de afwikkeling van het proces rond archeologie (eerdere adviezen omtrent archeologisch onderzoek, eventuele randvoorwaarden in het geldende bestemmingsplan en vergunningverlening voor het baggerdepot) is verlopen.
7 Dit betreft de adviezen uit 2009 en 2017 die zijn beschreven in Hoofdstuk 1 van dit advies.
-6-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of
onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de
ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit
wordt genomen. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.
Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. Robert Maarten van Heeringen drs. Geertje Korf (secretaris) ir. Rob Speets Marja van der Tas (voorzitter) ing. Rob Vogel Rob Vrolijks Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Vaststellen van het bestemmingsplan en verlenen van de ontgrondingsvergunning. De Commissie heeft het MER alleen kunnen toetsen op juistheid en volledigheid ten aanzien van het bestemmingsplan, omdat de ontgrondingsvergunning nog niet voorhanden was. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit C16.1, “ontginning , wijziging of uitbreiding van de ontginning van steengroeven of dagbouwmijnen, met inbegrip van de winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld.
Bevoegd gezag besluit Bestemmingsplan: gemeenteraad van Smallingerland Ontgrondingsvergunning: Gedeputeerde Staten van provincie Fryslân Initiatiefnemer besluit College van B&W van gemeente Smallingerland Bevoegd gezag m.e.r.-procedure Gemeenteraad van Smallingerland en College van GS van provincie Fryslân Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?
Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.
Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3726 in te vullen in het zoekvak.