CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Motivatie omgevingsplan wijziging Drachtstercompagnie en verordeningen

Het Debat 2 december 2025, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Omgevingsplan wijziging Drachtstercompagnie en wijziging verordeningen4.535 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Motivatie Algemeen Op basis van artikelen 1.3 en 4.2 van de Omgevingswet dienen gemeenten ervoor te zorgen dat de regels in het omgevingsplan leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit wordt bereikt door activiteiten en functies te reguleren en te koppelen aan locaties voor het gemeentelijke grondgebied. Alle regels in het omgevingsplan samen moeten leiden tot een ETFAL, rekening houdend met alle betrokken belangen. De instructieregels van het Rijk (Besluit kwaliteit leefomgeving) en de provincie (Provinciale verordening) geven mede invulling aan de ETFAL. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen waaraan zij bij het uitoefenen van taken en bevoegdheden moeten voldoen. Dit geldt onder ander voor het opstellen van omgevingsplannen en het vaststellen van omgevingsvergunningen en projectbesluiten. In hoofdstuk 5 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die de gemeente bij het opstellen van het omgevingsplan in acht moet nemen. Deze instructieregels kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen.

Met deze wijziging van het omgevingsplan zijn regels opgenomen met als doel om aan de instructieregels te voldoen. Beleid Bij de toetsing van deze omgevingsplanwijziging aan beleid is met name gekeken naar de mate van wijziging van beleidsuitgangspunten. Daarnaast is gekeken naar de mate waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zouden kunnen staan. Hierbij is gekeken naar rijksbeleid, provinciaal beleid en gemeentelijk beleid. Bij het opnemen van het bestaand beleid, de verordeningen en de regels van het bestemmingsplan voor de kern Drachtstercompagnie heeft de beleidstoets ten tijde van de procedure al plaatsgevonden. Gelet hierop zijn er op rijksniveau geen belangen die nopen tot aanpassingen in het plan. Op provinciaal niveau zijn er geen andere belangen die moeten worden meegenomen of waarmee rekening moet worden gehouden. Gelet hierop is geconcludeerd dat er geen beleidsmatige belemmeringen zijn die in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van dit omgevingsplan. Provinciale omgevingsverordening Fryslan In de provinciale omgevingsverordening is het onderstaande gebied opgenomen als ‘bestaand stedelijk gebied’. Het valt op dat de begrenzing op een paar onderdelen afwijkt van de begrenzing van het wijziging voor het omgevingsplan voor het dorp Drachtstercompagnie.

Alleen in wijzigingen van het omgevingsplan buiten bestaand stedelijk gebied stelt de provincie via instructieregels extra eisen aan de motivering. Dan moet worden gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Dit is opgenomen in deze motivering.

1

Figuur 1: bestaand stedelijk gebied provinciale verordening Fryslan Voor het uitbreiden van detailhandel maakt de provinciale verordening onderscheid tussen locaties binnen en buiten het kernwinkelgebied. Het kernwinkelgebied wordt gedefinieerd als het aaneengesloten gebied in een kern dat als het belangrijkste winkelcentrum van de kern kan worden aangemerkt, zowel wat betreft aantal winkels als winkelassortiment. Voor deze kern is dat de begrenzing van het bestemmingsvlak Gemengd-2. Die locatie is aangewezen als een apart gebiedstype ‘centrum dorp’. Instructieregels In de artikelen 2.1 tot en met 2.5 van de Provinciale Omgevingsverordening (OVO) staan instructieregels benoemd waar met vaststellen van wijzigingen van het omgevingsplan rekening gehouden dient te worden. In onderstaande motivering wordt hier naar verwezen. Milieueffectrapportage Toetsingskader In artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet is aangegeven dat in een plan-mer-beoordeling het bevoegd gezag toetst of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Onder een plan of programma wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Toetsing De wijziging van het omgevingsplan betreft het relatief beleidsarm overzetten van de huidige regels voor de kern Drachtstercompagnie en voor de verordeningen gemeente breed.

Mogelijke ontwikkellocaties zijn niet in dit plan meegenomen. Dit betekent dat deze wijziging van het omgevingsplan niet kaderstellend is voor nieuwe ontwikkelingen. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats, waardoor geen milieueffecten optreden. Daarom is het besluit voor voorliggende omgevingsplanwijziging niet aan te wijzen als een m.e.r.-(beoordelings)-plichtig besluit. Om die reden is geen m.e.r.(-beoordeling) uitgevoerd. Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel voorziening of een andere 2

stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Toetsing De wijziging van het omgevingsplan betreft het beleidsarm overzetten van de huidige regels voor de kern Drachtstercompagnie en voor de verordeningen gemeente breed. Mogelijke ontwikkelingen zijn niet in dit plan meegenomen, waardoor de ladder niet hoeft te worden toegepast. Dienstenrichtlijn Toetsingskader Het omgevingsplan moet voldoen aan een specifieke Europese wetgeving, namelijk artikel 14, aanhef en onder 5, van Richtlijn nr. 2006/123/EG, ook wel bekend als de Dienstenrichtlijn. Deze wetgeving is opgesteld door het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie en heeft als doel handelsbelemmeringen voor diensten binnen de EU weg te nemen. Dit wordt gedaan door administratieve procedures voor dienstverleners te vereenvoudigen, de rechten van consumenten en bedrijven te versterken, en samenwerking tussen EU-landen te bevorderen. De Dienstenrichtlijn gaat over mensen of bedrijven die diensten aanbieden als economische activiteit. Dit kunnen verschillende soorten diensten zijn, zoals zakelijke diensten, toerisme, bouw, detailhandel, enzovoort. Volgens de Dienstenrichtlijn mogen regels in een omgevingsplan niet gebaseerd zijn op economische motieven.

Dit betekent dat de regels die bepalen of een dienstverlenend bedrijf zich ergens mag vestigen, niet afhankelijk mogen zijn van economische criteria zoals bijvoorbeeld het aantal bestaande bedrijven in de buurt of de economische impact op bestaande bedrijven. Artikel 5.1a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat een omgevingsplan moet voldoen aan deze Europese regels. Dit houdt in dat alle verplichtingen, verboden, voorwaarden of beperkingen die gelden voor het starten en uitvoeren van een dienstverlenende activiteit, moeten voldoen aan de Dienstenrichtlijn. Artikel 14 van de Dienstenrichtlijn bevat specifieke bepalingen met betrekking tot regels in omgevingsplannen. Onder artikel 14, aanhef en onder 5, wordt gesteld dat omgevingsplannen geen specifieke regels hoeven op te nemen die gericht zijn op dienstverleners. Toetsing Met de wijziging van het omgevingsplan voor het dorp Drachtstercompagnie blijven dienstverlenende activiteiten die in de bestaande situatie worden uitgevoerd en zijn toegestaan mogelijk. Er worden met de wijziging van het omgevingsplan geen extra diensten mogelijk gemaakt en er worden geen beperkende maatregelen getroffen. Er zijn geen specifieke regels opgenomen met betrekking tot de dienstenrichtlijn.

Geluid Geluidsaandachtsgebieden Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen beoordeeld moet worden of het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger kan zijn dan de standaardwaarde in Lden. Voor gemeentewegen geldt dat het geluidaandachtsgebied moet worden bepaald op basis van de nog vast te stellen basisgeluidemissie (op basis van een basisjaar dat uiterlijk 2026 is). 3

Totdat de basisgeluidemissie is vastgesteld, gelden vanuit overgangsrecht voor gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen vaste afstanden voor het geluidaandachtsgebied: • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximum snelheid van 30 km/uur of minder geldt: 100 m; • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een onbekende maximumsnelheid van meer dan 30 km/uur geldt, en een spoorweg, bestaande uit één of twee sporen: 200 m; • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m; • als de lokale spoorweg grotendeels is verweven of gebundeld met een gemeenteweg wordt het totaal van het aantal sporen of rijstroken beschouwd. Toetsingskader wegen, spoorwegen en industrieterreinen Het Bkl kent met betrekking tot geluid instructieregels in hoofdstuk 3 en 5. De instructieregels in hoofdstuk 3 zijn bedoeld voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (gericht op de bronbeheerder, vaststellen geluidproductieplafonds).

De instructieregels in hoofdstuk 5 zijn specifiek bedoeld voor de ETFAL bij de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Toetsingskader voor geluid door activiteiten (anders dan wonen) Activiteiten op industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden Via een wijziging van het omgevingsplan worden als omgevingswaarden geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen waar activiteiten worden verricht die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 2 en 3. Toetsing geluid door activiteiten Het geluid vanwege activiteiten anders dan wonen binnen het plangebied is momenteel geregeld via het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de Bruidsschat. De geluidregels moeten worden bepaald die in lijn zijn met de instructieregels van het Bkl (op hoofdlijnen tabel 3 en 4).

Het is mogelijk daarbij gebiedsgerichte grenswaarden op te nemen of op andere wijze invulling te geven aan de instructieregels. In het voorliggende omgevingsplan worden de gebiedstypen 'woongebied' en 'centrum dorp' verder uitgewerkt. De geluidsnormen zijn binnen deze gebiedstypen uitgewerkt. Luchtkwaliteit Toetsingskader Op grond van de artikelen 5.50 en 5.51 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) gelden bepaalde regels voor de luchtkwaliteit wanneer er plannen zijn om een autoweg, snelweg of 4

tunnel aan te leggen. Dit geldt ook als een gemeente onderdeel is van een aangewezen stedelijk gebied en er milieubelastende activiteiten gepland zijn die de luchtkwaliteit kunnen beïnvloeden. Bij het aanpassen van het omgevingsplan moeten de normen voor luchtkwaliteit worden nageleefd. Toetsing Deze wijziging van het omgevingsplan is van toepassing op het dorp Drachtstercompagnie. Er worden geen nieuwe woningen of andere nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt met deze wijziging van het omgevingsplan. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Geur Toetsingskader De geuruitstoot van activiteiten in en rondom bestaande woongebieden kan de kwaliteit van de leefomgeving beïnvloeden. Het omgevingsplan moet daarom rekening houden met de geurbelasting bij geurgevoelige gebouwen binnen en buiten deze woongebieden. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat een instructieregel die bepaalt dat het omgevingsplan regels moet bevatten om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen de woongebieden acceptabel blijft. Deze instructieregel geeft specifieke richtlijnen voor regels rondom waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren. Daarnaast kan de gemeente beslissen of er extra regels nodig zijn om de geurbelasting van andere activiteiten in het plangebied acceptabel te houden.

Toetsing De wijziging van het omgevingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De huidige situatie is het uitgangspunt. De regels met betrekking tot het aspect geur zijn opgenomen in de bruidsschat en maken deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (paragraaf 22.3.6 Geur). Binnen de gemeente Smallingerland is een geurverordening Verordening geurhinder en veehouderij 2008 van toepassing. Deze verordening komt nog niet te vervallen met voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Bodem Toetsingskader Volgens de instructieregels in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels staan die de kwaliteit van de bodem waarborgen bij bouwactiviteiten op bodemgevoelige locaties. Het omgevingsplan kan toestaan dat er op locaties gebouwd wordt waar de bodemnormen worden overschreden, mits er sanerende of andere beschermende maatregelen worden genomen. Daarnaast moet het omgevingsplan ten minste een meldingsplicht bevatten voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels worden opgenomen die ervoor zorgen dat sanerings- en andere beschermende maatregelen worden gehandhaafd. Verder moeten er in het omgevingsplan regels staan over het in de grond brengen van grond en baggerspecie. Het omgevingsplan kan een bodembeheergebied aanwijzen en de landbodem indelen in verschillende bodemfunctieklassen.

Toetsing 5

Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestaande activiteiten blijven mogelijk binnen het plangebied. Bodemgevoelige functies zijn nu reeds toegestaan waardoor de instructieregel voor het milieuaspect bodem niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing is. Bij het verrichten van een activiteit op een historische verontreinigde grond is specifieke zorgplicht van toepassing. De specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 5.4, houdt voor het verrichten van een activiteit als bedoeld in artikel 12.12 in ieder geval in dat degene die de activiteit verricht in het belang van bescherming van de bodem maatregelen neemt die redelijkerwijs van diegene kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

Trillingen Toetsingskader Volgens artikel 5.83 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij het aanpassen van een omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen die activiteiten veroorzaken in trillinggevoelige ruimten en gebouwen. Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat deze trillingen in zulke ruimten en gebouwen aanvaardbaar zijn. Er moet een balans worden gevonden tussen het beschermen van de leefomgeving en het optimaal benutten van de locatie. In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels voor trillingen. Deze instructieregels zijn gericht op de bescherming van trillinggevoelige ruimten in trillinggevoelige gebouwen. In artikel 22. 9088 van de Bruidsschat zijn de standaardwaarden voor trillingen uit het Bkl overgenomen. Toetsing Met de wijziging van het omgevingsplan worden geen activiteiten mogelijk gemaakt in de bestaande woongebieden in de gemeente Lelystad die tot ontoelaatbare trilling leiden. Het artikel in de bruidsschat blijft van kracht. Omgevingsveiligheid Toetsingskader Bij het wijzigen van een omgevingsplan moet volgens artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) rekening worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises. Dit omvat het voorkomen, beperken en bestrijden van dergelijke incidenten, het waarborgen van de veiligheid van personen en het voorzien in geneeskundige hulpverlening.

Specifiek voor activiteiten die gevaarlijke stoffen, vuurwerk, explosieven en windturbines omvatten, zijn gedetailleerde instructieregels opgesteld. Deze regels hanteren een systeem van plaatsgebonden risico's en aandachtsgebieden om de nadelige gevolgen voor de externe veiligheid te beheersen. Bij wijzigingen van het omgevingsplan moet een plaatsgebonden risico van 10-⁶ in acht worden genomen, wat betekent dat het risico op overlijden van een persoon tot één geval per miljoen jaar beperkt moet blijven. Er is ook een motiveringsverplichting voor het toestaan van kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen binnen aandachtsgebieden, en voor zeer kwetsbare gebouwen moet een voorschriftengebied worden aangewezen. Aandachtsgebieden zijn zones waar mensen zonder extra maatregelen niet voldoende beschermd zijn tegen gevaren zoals brand, explosies en giftige stoffen. De gemeente bepaalt welke maatregelen nodig zijn om de veiligheid in deze gebieden te waarborgen. 6

Voorbeelden vanDe aandachtsgebieden zijn: • Brandaandachtsgebieden (BAG): Gebieden met een warmtestraling van maximaal 10 kW/m². • Explosieaandachtsgebieden (EAG): Gebieden met een warmtestraling van maximaal 35 kW/m² bij een Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion (BLEVE-explosie) en een overdruk van maximaal 10 kPa bij andere explosies. • Gifwolkaandachtsgebieden (GAG): Gebieden waar blootstelling aan een gevaarlijke stof dodelijk kan zijn, begrensd tot 1,5 km voor ruimtelijke ontwikkeling. Een brandvoorschriftengebied en een explosievoorschriftengebied zijn locaties die in een omgevingsplan kunnen worden aangewezen als er een brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied is toegelaten en waar de eis van artikel 4.90 van het Besluit bouwwerken leefomgeving geldt. In een omgevingsplan worden deze aandachtsgebieden aangewezen als voorschriftengebieden, tenzij er wordt afgezien van aanwijzing of een kleiner gebied wordt aangewezen. Naast gevaarlijke stoffen kunnen andere activiteiten ook branden, rampen of crises veroorzaken. De Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van Brandweer Nederland wijst thema's aan zoals bluswater, natuurbranden, windturbines, overstromingen, evenementen, gebruik van gebouwen en rookoverlast.

Bij het opstellen van een omgevingsplan moet is het wenselijk dat er wordtworden aangesloten bij deze handreiking om een veilige leefomgeving te garanderen. Toetsing Bestaande gebouwen en locaties Het gaat om een consoliderend omgevingsplan, er worden geen nieuwe functies mogelijk gemaakt. Binnen het plangebied zijn zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties aanwezig (bijlage VI Bkl). Vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies en zorgvuldigheid is er een inventarisatie uitgevoerd naar risicobronnen waar met gevaarlijke stoffen gewerkt wordt of waar transport met deze stoffen plaatsvindt. In onderstaande figuur zijn de risicobronnen op kaart weergegeven.

7

Figuur 12: uitsnede risicokaart Atlas Leefomgeving (www.atlasleefomgeving.nl (juni 2025)) In het plangebied zijn geen risicobronnen aanwezig. Daarnaast Omdat het gaat het om een conserverend plan is het niet noodzakelijk om te toetsen aan de plaatsgebonden risicocontouren van de risicobronnen. Water Toetsingskader De belangrijkste verandering door de Omgevingswet voor het waterbeheer is dat gemeenten en waterschappen meer vrijheid krijgen in hun beleid. Een deel van de nationale regelgeving wordt namelijk via de bruidsschat overgedragen aan gemeenten en waterschappen. Dit betreft onder andere regels voor het lozen van afvalwater in het riool, de bodem, en het oppervlaktewater, evenals het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels automatisch onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan (voor lozingen in de bodem en riool, en het aansluiten op de riolering) en de waterschapsverordening (voor lozingen in oppervlaktewater) en de Leidraad Weging Waterbelangen. Volgens artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moeten gemeenten bij het aanpassen van het omgevingsplan rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De opvattingen van de waterbeheerder moeten hierbij betrokken worden.

Ruimtelijke plannen worden vroegtijdig door de initiatiefnemer of de gemeente met het waterschap Wetterskip Fryslan en Rijkswaterstaat afgestemd in kader van de weging van het waterbelang (voorheen: watertoets). De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als 8

waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. De gemeente is verplicht om deze waterbelangen mee te nemen in de regels die zij in het omgevingsplan voor de fysieke leefomgeving opneemt. Artikel 5.37 van het Bkl vereist dat gemeenten rekening houden met de gevolgen voor het waterbeheer bij het opstellen van het omgevingsplan. Paragraaf 5.1.3 van het Bkl stelt aanvullende eisen om belemmeringen voor primaire waterkeringen te voorkomen (artikel 5.38) en het bouwen binnen het kustfundament (artikel 5.30).

Figuur 3: kaart atlas leefomgeving – kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier Vanuit de OVO artikel 2.5 dient er aandacht te zijn voor water robuust bouwen. Binnen de kern Drachtstercompagnie wordt niet verwacht dat er problemen zijn met water. Op boven getoonde kaart is zichtbaar dat de kern is gelegen buiten risicogebieden. Verder onderzoek naar de omgeving is in het kader van deze wijziging niet uitgevoerd, omdat het vooral een actualisatie betreft en deze wijziging van het omgevingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Toetsing Met de wijziging van het omgevingsplan voor het dorp Drachtstercompagnie worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Indien ruimtelijke ingrepen plaatsvinden in deze 9

woongebieden zullen deze plannen in een vroegtijdig stadium moeten worden afgestemd met de gemeente, provincie, het waterschap Wetterskip Fryslan en Rijkswaterstaat. Cultureel erfgoed Toetsingskader cultuurhistorie De regels van het Rijk over cultureel erfgoed en werelderfgoed zijn vastgelegd in artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ook in artikel 2.1 van de OVO is een instructieregel opgenomen over cultuurhistorie en erfgoed. Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan rekening moet houden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief bekende of verwachte archeologische monumenten. Om dit te waarborgen, moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die het cultureel erfgoed beschermen. Hierbij wordt rekening gehouden met de volgende principes: a) Het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van (beschermde) monumenten en archeologische monumenten die door het omgevingsplan worden beschermd. b) Het voorkomen van verplaatsing van (beschermde) monumenten of delen daarvan, tenzij dit dringend nodig is voor het behoud van die monumenten. c) Het bevorderen van het gebruik van monumenten, eventueel door aanpassingen, waarbij de monumentale waarden behouden blijven.

d) Het voorkomen van aantasting van: • De omgeving van rijksmonumenten en andere beschermde monumenten, zodat ze niet worden ontsierd of beschadigd. • Het karakter van beschermde stads- of dorpsgezichten en cultuurlandschappen door sloop, nieuwbouw of andere grote veranderingen. e) Het conserveren en behouden van archeologische monumenten, bij voorkeur op de oorspronkelijke locatie. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in Nederland geeft specifieke regels voor wat een omgevingsplan moet regelen met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed: • regels voor een rijksmonumentenactiviteit • regels voor andere activiteiten die een rijksmonument betreffen • regels voor werelderfgoed • regels voor archeologische toevalsvondsten in de exclusieve economische zone, buiten de aansluitende zone Artikel 13.8 van het Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Vanuit de gemeente worden cultuurhistorische waarden getoetst aan de provinciale Cultuurhistorische kaart Fryslan. Toetsing cultuurhistorie Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Wel worden de monumenten nu opgenomen in het omgevingsplan. Grondroerende werkzaamheden worden niet uitgevoerd. In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden gelegen.

In het omgevingsplan worden in hoofdstuk xx onderparagraaf 4.1.4 worden alle regels met betrekking tot cultureel erfgoed benoemd en naar verwezen. meer regels opgesteld ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden. 10

Figuur 24: cultuurhistorische waardenkaart (juni 2025) Toetsingskader archeologie De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Vanuit de OVO dient de gemeente rekening te houden met de instructieregel uit artikel 2.1. Vanuit de gemeente worden archeologische waarden getoetst aan de provinciale kaart Famke.

Toetsing archeologie Met de wijziging van het omgevingsplan voor het dorp Drachtstercompagnie worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. In de huidige situatie zijn alle activiteiten al toegestaan. Dit betekent dat er geen graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden die de bodem verstoren en eventuele archeologische waarden aantasten. Indien ruimtelijke ingrepen plaatsvinden in deze woongebieden, moeten deze plannen in een vroegtijdig stadium worden afgestemd met de gemeente.

11

Figuur 5: Friese Archeologische Monumentenkaart (Famke) Op de kaart van Famke ijzertijd- middeleeuwen is het gehele plangebied gelegen in het gebied aangewezen als: geen onderzoek noodzakelijk.

12

Figuur 36: Friese archeologische monumentenkaart (FAMKE) (juni 20205) In bovenstaand figuur staat de kaart van steentijd – bronstijd weergegeven. Het gehele plangebied is gelegen in de aanduiding: onderzoek bij grote ingrepen. Aangezien er geen grote ingrepen worden mogelijk gemaakt met voorgenomen wijziging is er geen nader onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 9.1 van het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot activiteiten in een gebied met archeologische verwachtingswaarden. Hiermee wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl en de provinciale verordening. Natuur Toetsingskader Een van de thema's die op grond van de Omgevingswet deel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, is de natuur. Deze wet verplicht bestuursorganen om bij hun werkzaamheden te zorgen voor de bescherming van natuurwaarden. Dit betekent dat zij, in lijn met Europese richtlijnen, kwetsbare soorten en gebieden moeten beschermen. Dit gebeurt onder andere door de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur te beperken. Het nationale beleid richt zich op de bescherming van soorten die zijn aangewezen in de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de nationaal beschermde soorten. Gebiedsbescherming betreft Natura 2000-gebieden, het Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Ook faunabeheer is een belangrijk onderdeel van natuurbescherming onder de Omgevingswet.

13

Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels over activiteiten die invloed kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, wilde dieren en planten, en houtopstanden en houtproducten. Het Bal biedt ook de mogelijkheid om, in afwijking van deze regels, maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. In hoofdstuk 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over de bescherming van habitats en soorten. De provincie is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor het behoud en herstel van habitats en soorten, het in stand houden van Natura 2000-gebieden, en het bestrijden van invasieve exoten en verwilderde dieren. Op basis van het Bkl moet een programma worden opgesteld om de uitstoot en neerslag van stikstof te verminderen en de natuur te verbeteren. Dit programma kan invloed hebben op de omgevingsplannen van gemeenten. Daarnaast kunnen gemeenten een eigen programma opstellen om stikstof aan te pakken. De provincie kan haar beschermingsdoelen via instructieregels aan gemeenten opleggen. Gemeenten moeten deze instructieregels volgen bij het opstellen van hun omgevingsplan. Toetsing De wijziging van het omgevingsplan voor het dorp Drachtstercompagnie leidt niet tot ruimtelijke ingrepen die van invloed kunnen zijn op beschermde gebieden als Natura 2000 en NNN.

Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het staat enkel de bestaande activiteiten opnieuw toe. Hierdoor verandert de situatie voor beschermde plant- en diersoorten niet. Duurzaamheid Toetsingskader Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doelstellingen waarmee aan de doelbijdrage kan worden getoetst. Toetsing Het is wettelijk geregeld dat alle nieuwbouw aardgasloos moet zijn. Ook het Besluit Bouwwerken Leefomgeving bevat duurzaamheidseisen waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden, zoals de isolatiewaarde van het gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). De wijziging van het omgevingsplan betreft geen wijzigingen in de fysieke leefomgeving. Er vinden geen ingrepen plaats. Bij toekomstige ontwikkelingen zal rekening worden gehouden met bovengenoemde en de lokale en regionale doelstellingen op het gebied van duurzaamheid.

Gezondheid Toetsingskader Artikel 2.1 van de Omgevingswet geeft aan dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.

14

Afdeling 2.2 van het Bkl gaat over de omgevingswaarden beschermen van de gezondheid en het milieu. Milieueisen worden gesteld om de kwaliteit van het milieu te beschermen. Met het beschermen van de kwaliteit van milieu wordt tevens de gezonde leefomgeving beschermd. Toetsing Het aspect gezondheid strekt verder dan ziekte en omvat ook mentale gezondheid. Het doel is dat ruimtelijke plannen een positieve bijdrage leveren aan de algehele gezondheid. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen toegestaan. Dit betekent dat er geen nieuwe activiteiten worden geïntroduceerd die de gezondheid kunnen schaden of verbeteren. Hierdoor blijft de bestaande situatie, die al voldoet aan de gestelde gezondheidsnormen, behouden. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Deze zijn vastgelegd in instructieregels en omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Door geen nieuwe ontwikkelingen toe te staan, wordt gewaarborgd dat de huidige, gezonde leefomgeving behouden blijft. In het omgevingsplan is aangegeven dat de regels met betrekking tot gebruik en bouwen onder meer zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid. Conclusie Gezien bovenstaande motivering kan er voor deze wijziging van het omgevingsplan gesproken worden over een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16146318/1