CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Bijlagen bij Toelichting De Wetterwille - Drie woonwagenstandplaatsen

Ronde Tafel 6 juli 2021, gemeente SmallingerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ' De Wetterwille – Drie woonwagenstandplaatsen'19.663 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

De Wetterwille - Drie woonwagenstandplaatsen

De Wetterw ille - Drie w oonw agenstandplaatsen

Inhoudsopgave

Bijlagen bij toelichting

3

Bijlage 1

Inrichtingstekening woonwagenlocaties

4

Bijlage 2

Natuurtoets

6

Bijlage 3

AERIUS-berekening

32

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

38

Bijlage 5

Watertoets

120

Bijlage 6

Geluidsonderzoek

127

Bijlage 7

Overlegreactie Provincie

230

Bijlage 8

Overlegreactie Brandweer

232

2

NL.IMRO.0090.BP2019SFF003-0401

De Wetterw ille - Drie w oonw agenstandplaatsen

Bijlagen bij toelichting

NL.IMRO.0090.BP2019SFF003-0401

3

De Wetterw ille - Drie w oonw agenstandplaatsen

Bijlage 1 Inrichtingstekening woonwagenlocaties

4

NL.IMRO.0090.BP2019SFF003-0401

Nieuwe weg

Bestaande boom (opgekroond, zicht onder boomkroon door)

Langsparkeervakken Nieuwe boom (opgekroond, zicht onder boomkroon door) Bouwvlak/bebouwing

Perceel/erfverharding

Afschermende beplanting (struiken en bomen)

Nieuw water

Nieuwe hagen en heesters

Getekend door

Datum uitgifte

Schaal

W. Douwsma

20-05-2020

1:500

Projectnummer

Formaat

232.00.00.00.40.00

A3

Project

Woonwagenstandplaatsen Wetterwille

Onderdeel

Stedenbouwkundig plan

Opdrachtgever

Gemeente Smallingerland

BügelHajema Ruimte voor de leefomgeving

BügelHajema Adviseurs bv Balthasar Bekkerwei 76 8914 BE Leeuwarden 058 215 25 15

De Wetterw ille - Drie w oonw agenstandplaatsen

Bijlage 2 Natuurtoets

6

NL.IMRO.0090.BP2019SFF003-0401

2019 Natuurtoets Uitbreiding woonwagenstandplaatsen Terrein Wetterwille/De Meer te Drachten

COLOFON BUREAU FAUNAX Badweg 40 B 8401 BL Gorredijk 0513-435024 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus

Natuurtoets Uitbreiding woonwagenstandplaatsen Wetterwille/De Meer te Drachten Gorredijk, maart 2019 In opdracht van: Gemeente Smallingerland Contactpersonen:

Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage:

Autorisatie:

Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied

© Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2019). Natuurtoets Uitbreiding woonwagenstandplaatsen Wetterwille/ De Meer te Drachten. Rapport 19035. Bureau FaunaX, Gorredijk.

Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.

INHOUDSOPGAVE 1.

2

INLEIDING ..................................................................................................................... 1 1.1

Aanleiding ..................................................................................................................... 1

1.2

Doel ...............................................................................................................................2

1.3

Onderzoeksopzet ..........................................................................................................2

1.4

Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................. 3

RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 5 2.1

Flora ...............................................................................................................................5

2.2

Vogels ............................................................................................................................5 2.2.1

Jaarrond beschermde vogelnesten ................................................................5

Overige (broed)vogelsoorten ...................................................................................... 6 2.3

Vissen ........................................................................................................................... 6

2.4

Amfibieën ..................................................................................................................... 6

2.5

Reptielen........................................................................................................................7

2.6

Ongewervelden .............................................................................................................7

2.7

Zoogdieren ....................................................................................................................7 2.7.1

Vleermuizen ...................................................................................................7

2.7.2

Overige zoogdieren ...................................................................................... 10

2.8

Natura 2000 ................................................................................................................. 10

2.9

Houtopstanden ........................................................................................................... 10

2.10 Overige gebiedsbescherming (niet Wnb) .................................................................. 10 3

SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 12 3.1

Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 12

3.2

Effectbespreking en aanbevelingen ............................................................................ 12

3.3 4

3.2.1

Houtopstanden ............................................................................................ 12

3.2.2

Algemene broedvogels ................................................................................. 12

3.2.3

Vogels (jaarrond beschermde nesten) ......................................................... 12

3.2.4

Vleermuizen (verblijfplaatsen) .................................................................... 13

3.2.5

Zorgplicht ..................................................................................................... 13

Overzicht vervolgstappen ........................................................................................... 14

LITERATUUR EN BRONNEN ........................................................................................15

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 4.1

Wnb Soortbescherming ............................................................................................- 1 Vogels en verstoring .................................................................................................- 1 Vrijgestelde soorten provincie Fryslân .....................................................................- 1 Voorwaarden vrijstellingen ..................................................................................... - 2 -

4.2

Wnb Gebiedsbescherming ...................................................................................... - 3 -

Natura 2000-gebieden ............................................................................................. - 3 4.3

Wnb Houtopstanden ............................................................................................... - 3 -

4.4

NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur.................................... - 3 -

1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Gemeente Smallingerland is voornemens een woonwagenkamp uit te breiden op een terrein tussen de Wetterwille en de Meer in Drachten. Het gaat om perceel 14253. Het reeds bestaande woonwagenkamp bevindt zich op aangrenzende percelen. In opdracht van Gemeente Smallingerland is door Bureau FaunaX een eerste toetsing uitgevoerd, waarin alle facetten op het gebied van de Nederlandse Wet Natuurbescherming worden behandeld. Ruimtelijke plannen dienen altijd te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de vigerende natuurwetgeving (Wnb). Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming (Wnb) en de conformerende handelswijzen wordt verwezen naar Bijlage I. Zo dient vooreerst te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura2000). Daarnaast kunnen er ook consequenties uit voortvloeien betreffende (provinciaal) aangewezen weidevogelgebieden, ganzengedooggebieden, EHS/NNN, en het kappen van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen is door Bureau FaunaX onderhavige ecologische quickscan uitgevoerd. Tijdens de Quickscan is een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden.

Onderhavige rapportage geeft de resultaten van deze quickscan of natuurtoetsing weer.

Figuur 1.1. De locatie van het plangebied. Bron: www.bing.com

1

1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.

Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?

Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.

1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van Gemeente Smallingerland heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze quickscan is uitgevoerd op donderdag 21 februari 2019 en vond plaats onder regenachtige en frisse weersomstandigheden (7°C, windkracht 3). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 In het kader van het Europese Netwerk Natuurgebieden (N2000) is tijdens deze toetsing ook beoordeeld of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit is in eerste instantie een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.

Indien eventuele negatieve effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten en de geplande werkzaamheden geen onderdeel zijn van het vigerende Beheerplan van het desbetreffende N2000-gebied, dient dit door middel van een vervolgonderzoek (Voortoets) te worden beoordeeld. Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er is tevens onderzocht in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale verordeningen, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de 2

Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Onderhavige toetsing stipt tevens kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.

1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het onderzochte plangebied betreft een perceel (A 14253) in Drachten dat deels bestaat uit braakliggend terrein waar sprake is van verruiging door bosopslag. Verder heeft het perceel een parkachtig karakter. Er staan oude bomen; onder andere bestaande uit abelen, eiken en berken. Het feit dat het plangebied grenst aan een parkvijver (perceel A 14254) benadrukt het parkachtige karakter. De omgeving van het plangebied wordt gekarakteriseerd door de bebouwde kom van Drachten. Hier zijn vooral woningen, maar bijvoorbeeld ook een school aanwezig. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van de uitbreiding van het woonwagenkamp dat reeds aanwezig is ten zuiden van het plangebied (perceel A 14661 t/m A 14664). Om dit te realiseren zullen er waarschijnlijk bomen worden gekapt. Tevens zullen de oevers van de waterpartij in perceel A 14254 misschien worden verlegd om het wateroppervlak te vergroten. Vandaar dat deze waterpartij is meegenomen in de toetsing. De opdrachtgever heeft tevens verzocht om de groenstrook die perceel A 14253 en perceel A 14664 van elkaar scheiden mee te nemen in de toetsing in verband met eventuele aanhechting met de bestaande standplaatsen ten zuiden van het plangebied.

Figuur 1.2.: Het plangebied (A 14253) en de omliggende percelen. De meest noordelijk dikke rode streep geeft de oever weer die misschien wordt verlegd. De meest zuidelijke dikke rode streep geeft de groenstrook weer die de scheiding vormt tussen perceel A 14253 en perceel A 14664.

3

Figuur 1.3.: Een impressie van het plangebied met linksboven de oever die misschien verlegd wordt en rechtsonder de groenstrook die het bestaande woonwagenkamp en het te realiseren deel van elkaar scheiden.

4

2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora De flora in het plangebied bestaat vooral uit graslandvegetatie, bosopslag en volwassen bomen en struiken. In het plangebied zijn soorten aangetroffen als ruwe berk, zilverabeel (aangeplant), zomereik (aangeplant), scherpe boterbloem en veldzuring. Beschermde plantensoorten zijn tijdens het veldwerk niet aangetroffen. Het voorkomen van beschermde soorten kan op voorhand worden uitgesloten. Dit vanwege het feit dat de aangetroffen plantensoorten wijzen op voedselrijke omstandigheden. Tevens speelt bij deze conclusie de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom een rol. 

De aanwezigheid van beschermde flora in het plangebied wordt uitgesloten op grond van het ontbreken van geschikte standplaatsen voor deze soorten.

2.2 Vogels 2.2.1 Jaarrond beschermde vogelnesten Het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van (mogelijk) jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten als buizerd, sperwer, huismus en kerkuil. Omdat in het plangebied geen gebouwen aanwezig zijn, kan het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van soorten als de huismus, de kerkuil en de gierzwaluw op voorhand worden uitgesloten. In de bomen in het plangebied zijn echter wel twee nesten van kraaiachtigen aangetroffen; deze nesten kunnen gebruikt worden door roofvogels of uilen. Eén van deze nesten bevindt zich in de groene strook die het plangebied scheidt van het reeds aanwezige woonwagenkamp. Het is afhankelijk van het feit of de nesten in gebruik zijn, en zo ja door welke soort, of het jaarrond beschermde nesten betreffen en onder welke categorie ze vallen.

Figuur 2.1.: De nesten van kraaiachtigen in het plangebied.

5

Overige (broed)vogelsoorten Tijdens het veldwerk is het plangebied tevens onderzocht op geschikt broedhabitat voor algemenere broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. Deze nesten zijn wel beschermd tijdens het broedproces. Tijdens het veldwerk zijn koolmezen, spreeuwen en een grote bonte specht waargenomen. Eén van de spreeuwen maakte gebruik van een boomholte (spechtengat) in één van de abelen. Het is dan ook aannemelijk dat in deze en andere bomen en struiken in het plangebied vogels tot broeden komen waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn.  

Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Ook kunnen in het plangebied algemenere vogels tot broeden komen. Dit betreffen soorten waarvan de nesten weliswaar geen jaarronde bescherming genieten, doch in het broedseizoen wel beschermd zijn.

2.3 Vissen Binnen de begrenzing van het plangebied zelf zijn geen waterlichamen aanwezig. Voor wat betreft vissen heeft de toetsing dan ook alleen betrekking op het water van de parkvijver waarvan de oever wellicht wordt verlegd. Gezien het feit dat het hier stilstaand zoet water betreft is er feitelijk maar één soort die voor wat betreft het verspreidingsgebied in het plangebied voor zou kunnen komen en dat is de grote modderkruiper. Ondanks dat er een gering aantal waarnemingen van deze soort bekend is uit de omgeving van Drachten, kan het voorkomen van deze soort in het plangebied op voorhand worden uitgesloten. Dit vanwege het feit dat de habitat in het water grenzend aan het plangebied niet geschikt is voor deze soort. Er is namelijk geen sprake van een geschikte sliblaag op de bodem. Tevens is er geen sprake van kwel of verlandingsvegetatie en is het aannemelijk dat de soort in een dergelijke waterlichaam wordt weggeconcurreerd door andere vissoorten. 

Het voorkomen van beschermde vissoorten in en vlak buiten het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

2.4 Amfibieën Binnen het plangebied kunnen verschillende amfibieënsoorten voorkomen. Deze soorten zijn vrijgesteld indien er sprake is van ruimtelijke ontwikkelingen. Het betreft soorten zoals kleine watersalamander, bruine kikker of gewone pad. Overigens betekent een vrijstelling geen vrijbrief voor het doden van dieren. Hier zijn enkele voorwaarden aan verbonden, waaronder de zorgplicht (zie Bijlage I). Het voorkomen van zwaarder beschermde amfibieënsoorten kan op voorhand worden uitgesloten. Dit betreffen soorten als poelkikker, heikikker en kamsalamander waarvan geen waarnemingen uit de omgeving van het plangebied bekend zijn (bron: NDFF). Het water in de vijver grenzend aan het plangebied is tevens te voedselrijk voor deze soorten. Ook het feit dat het hier om een parkvijver in de bebouwde kom van Drachten gaat speelt een rol. 

6

Het voorkomen van beschermde (niet vrijgestelde) amfibieënsoorten in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

Wel kunnen binnen het plangebied algemenere amfibieënsoorten (bruine kikker, gewone pad, etc.) voorkomen die door de provincie zijn vrijgesteld.

2.5 Reptielen Het plangebied valt buiten het verspreidingsgebied van alle in Nederland voorkomende reptielensoorten (bron: NDFF). Tevens kan de aanwezigheid van deze soorten worden uitgesloten op basis van habitateigenschappen. 

De aanwezigheid van reptielen in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten op grond van verspreidingsgegevens en habitateigenschappen.

2.6 Ongewervelden De meeste onder de Wnb beschermde soorten ongewervelden, zoals dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen die in specifieke biotopen worden aangetroffen. Deze kenmerken zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Zo is er geen geschikt habitat voor waardplanten van beschermde vlinders aanwezig en vormt de vijver grenzend aan het plangebied geen geschikt (voortplantings)habitat voor beschermde libellen en waterkevers. Negatieve effecten op deze soorten ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten. 

De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

2.7 Zoogdieren 2.7.1 Vleermuizen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten, omdat in het plangebied geen gebouwen aanwezig zijn. Het voorkomen van verblijfplaatsen in bomen daarentegen kan niet op voorhand worden uitgesloten. In de abelen in het plangebied zijn namelijk twee oude spechtengaten aangetroffen die als verblijfplaats voor vleermuizen kunnen dienen. Denk hierbij aan soorten als de watervleermuis die veelal in boomholtes verblijft en graag foerageert boven kleine watertjes zoals de parkvijver grenzend aan het plangebied. Eén van de spechtengaten werd tijdens het veldwerk gebruikt door een spreeuw waardoor het niet aannemelijk is dat hier op het moment van schrijven vleermuizen in verblijven. Hier kunnen echter wel buiten de broedtijd vleermuizen in verblijven. Voor het andere spechtengat geldt dat niet bekend is of er überhaupt sprake is van bezetting. Naast verblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen ook vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen een beschermde status hebben als deze van essentieel belang zijn voor het in stand houden van een verblijfplaats.

Alhoewel niet kan worden uitgesloten dat in en om het plangebied sprake is van een foerageergebied dan wel vliegroute, kan op voorhand worden uitgesloten dat hier sprake is van een essentieel belang omdat er in de omgeving genoeg alternatieven zijn. 

Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

7

8

Het voorkomen van essentiële foerageergebieden en/of vliegroutes van vleermuizen kan wel op voorhand worden uitgesloten.

Figuur 2.2.: De locaties van de bomen met spechtengaten.

Figuur 2.3.: Eén van de twee in het plangebied aangetroffen spechtengaten.

9

2.7.2 Overige zoogdieren Het voorkomen van andere beschermde en niet-vrijgestelde diersoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (das, boommarter, waterspitsmuis, eekhoorn, noordse woelmuis). Tevens is voor deze soorten in het plangebied geen geschikt habitat aanwezig dan wel zijn er geen sporen van hun aanwezigheid aangetroffen. Zo zijn in het plangebied geen holtes of burchten aanwezig waarin soorten als das en boommarter kunnen verblijven. De oevers van de vijver grenzend aan het plangebied vormen geen geschikt habitat voor de waterspitsmuis, omdat er sprake is van steile oevers zonder goed ontwikkelde oevervegetatie. Door de afwezigheid van rietland kan het voorkomen van de noordse woelmuis ook worden uitgesloten. In het plangebied komen waarschijnlijk wel vrijgstelde zoogdiersoorten voor, zoals de huisspitsmuis. Voor deze soorten geldt alleen de zorgplicht (zie bijlage I). 

Het voorkomen van beschermde landzoogdieren in het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.

2.8 Natura 2000 Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura2000-gebied en de afstand tot het dichtstbijzijnde N2000-gebied (de Alde Feanen) bedraagt meer dan zeven kilometer. Op basis van deze afstand en de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura2000-gebieden zoals de Alde Feanen op voorhand worden uitgesloten.  

Het plangebied is geen onderdeel van een Natura2000-gebied. De afstand tot het dichtst bij zijnde Natura2000-gebied bedraagt meer dan zeven kilometer. Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

2.9 Houtopstanden Uitgaande van het planvoornemen worden er waarschijnlijk bomen gekapt. Het exacte aantal is echter niet bekend. Het is daarom op het moment van schrijven moeilijk om schatten of er sprake is van een meld- of herplantingsplicht. Meer informatie over dit aspect is te vinden in bijlage I (hoofdstuk 4.3.). 

Bomenkap is waarschijnlijk onderdeel van het planvoornemen. Er kan daarom op het moment van schrijven niet worden uitgesloten dat er sprake is van een meld- of herplantingsplicht.

2.10 Overige gebiedsbescherming (niet Wnb) EHS/NNN Het plangebied is geen onderdeel van de EHS. Een toetsing aan de EHS is naar onzes inziens derhalve niet nodig.

10

Ganzenfoerageergebied Het plangebied is niet aangewezen als ganzenfoerageergebied (www.fryslan.nl/beleidsthemas/ganzen 3538/). Compensatie is in deze dus niet nodig. Weidevogelgebied Het plangebied is niet aangewezen als (https://flamingo.bij12.nl/pnlviewer/app/PNLNatuurbeheerplan) weidevogelgebied. Negatieve effecten op dergelijke gebieden kunnen dan ook op voorhand worden uitgesloten.   

Het plangebied valt niet binnen de EHS. Een toetsing aan de EHS is derhalve niet nodig. Het plangebied is geen onderdeel van ganzenfoerageergebied. Van compensatie is derhalve geen sprake. Het plangebied is niet aangewezen als weidevogelgebied. Negatieve effecten op weidevogelgebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten.

11

3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus, en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in het plangebied. Soortgroep Vogels Vogels

Soort Aanwezigheid Art. 3.1 Algemene Waarschijnlijk X broedvogels Jaarrond Mogelijk X beschermde nesten

Zoogdieren

Vleermuizen

Mogelijk

Alle

Alle

Waarschijnlijk

Art. 3.5

Art. 3.10

Vrijgesteld

X

X

X

Advies Werken buiten broedseizoen of broedvogelcheck. Nader onderzoek indien kap nestbomen Nader onderzoek indien kap bomen met holtes Zorgplicht

3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Hieronder volgt een overzicht van het totaal aan aanbevelingen die onzes inziens van belang zijn als het gaat om de voortgang van het project.

3.2.1 Houtopstanden Op het moment van schrijven is niet duidelijk of, en zo ja, hoeveel bomen er worden gekapt. We adviseren om in het geval van bomenkap na te gaan of er sprake is van een meld- of herplantingsplicht. Eventueel kan hierover informatie worden ingewonnen bij de gemeente. Meer info over dit aspect is te vinden in bijlage 1.

3.2.2 Algemene broedvogels Het is aannemelijk dat in het plangebied vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. We adviseren daarom om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In dat geval kan met zekerheid worden waargenomen dat er geen verstoring van een broedgeval optreedt. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode 15 maart- 15 juli aangehouden. Sommige soorten kunnen echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Als er sprake is van een broedgeval, dan is deze altijd beschermd. Eventueel kan een broedvogelcheck worden uitgevoerd waarna werkzaamheden tijdens de broedtijd van start kunnen gaan in de delen van het plangebied waar geen verstoring van broedvogels op kan treden. Het is echter aannemelijk dat verspreid over het plangebied vogels tot broeden komen.

3.2.3 Vogels (jaarrond beschermde nesten) In het plangebied zijn een tweetal (potentieel) jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Indien de betreffende bomen worden gekapt, adviseren we om aan de hand van nader onderzoek vast te laten stellen of de betreffende nesten in gebruik zijn, en zo ja, welke

12

vogelsoorten van de nesten gebruik maken. Zodoende kan worden ingeschat welke nesten beschermd zijn en dus voor welke nesten (en soorten) een ontheffing dient te worden aangevraagd. Indien er bomen worden gekapt dient dit buiten het broedseizoen te gebeuren. N.B.: Het is overigens geen optie om alle, of de meeste bomen te kappen en alleen de nestbomen te laten staan zonder nader onderzoek uit te voeren, omdat het mogelijk is dat de nestbomen ook in dit geval hun functie verliezen. Afhankelijk van welke soort van de nesten gebruik maakt kan het wellicht wel een optie zijn om dit na het uitvoeren van het nader onderzoek te doen zonder dat er een ontheffing wordt aangevraagd.

3.2.4 Vleermuizen (verblijfplaatsen) Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in boomholtes (spechtengaten) kan niet op voorhand worden uitgesloten. Omdat onder de Wet natuurbescherming alle verblijfplaatsen van vleermuizen beschermd zijn, adviseren we om de aanwezigheid van deze verblijfplaatsen uit te sluiten, dan wel vast te stellen. Dit is alleen nodig als de abelen waarin de holtes zich bevinden worden gekapt. Dit onderzoek dient te gebeuren middels een onderzoek dat plaats vindt aan de hand van vier veldbezoeken, verdeeld over de periode 15 mei tot 1 oktober. Deze onderzoeksmethodiek is vastgelegd in het Vleermuisprotocol, opgesteld door het ministerie van EZ, Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden vastgesteld, dient er voor deze soort(en) een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende- en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.

3.2.5 Zorgplicht Er kunnen enkele soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in het geval van schade aan deze soorten (bijvoorbeeld bruine kikker, huisspitsmuis enz.). De zorgplicht van de Wnb (art. 1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving (bijvoorbeeld amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventueel aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten of eventueel aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt onzes inziens voldaan aan de zorgplicht. Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.

13

3.3 Overzicht vervolgstappen Op basis van de hierboven genoemde effectbespreking volgt hieronder een overzicht van alle vervolgstappen die wij aanbevelen in het geval van de voorgenomen werkzaamheden in het plangebied.    

14

Algemene broedvogels: werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart-15 juli). Eventueel uitvoeren broedvogelcheck. Vogels (jaarrond beschermde nesten): Indien kap nestbomen (of omliggende bomen) Nader onderzoek Vleermuizen: Indien kap bomen met holtes  Nader onderzoek Licht beschermde en vrijgestelde soorten: Het naleven van de zorgplicht. Houtopstanden: Indien kap bomen: oppervlakte berekenen en nagaan of er sprake is van een meld en/of herplantingsplicht.

4 LITERATUUR EN BRONNEN Literatuur Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (red), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Natuur van Nederland 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Bronnen internet Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Planologische Ecologische Hoofdstructuur kaart provincie Fryslân: http://fryslan.maps.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?webmap=eb4e12aa6eea4591af7c0f 48ef6def54&extent=120990,533762,221778,617075,28992 Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon: https://www.sovon.nl/nl Synbiosys Alterra kaartenmachine Natura 2000-gebieden: http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx Verspreidingsatlas planten FLORON: http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl

15

BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.

4.1 Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.

Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).

Vrijgestelde soorten provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.

-1-

Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming provincie Fryslân.

Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat

Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker

Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen, niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.

Dit is vooral van toepassingen bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen).

-2-

Indien soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig. Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de organisatie gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.

4.2 Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden.

Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.

4.3 Wnb Houtopstanden Ook de bescherming van arealen bos en houtopstanden valt onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd. Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.

4.4 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn. -3-

De Wetterw ille - Drie w oonw agenstandplaatsen

Bijlage 3 AERIUS-berekening

32

NL.IMRO.0090.BP2019SFF003-0401

Notitie stikstofberekening Opdrachtgever: Gemeente Smallingerland

projectnummer: 232.00.00.00.40

Van:

BügelHajema Adviseurs

Onderwerp:

Berekening stikstofdepositie woonwagenstandplaatsen aan de Witterwille te Drachten

Datum:

06-01-2021

INLEIDING In het kader van het bestemmingsplan ‘Drachten – De Wetterwille – Drie woonwagenstandplaatsen’ is de depositie van stikstof ten gevolge van de aanleg en het gebruik van de woonwagenstandplaatsen in de gemeente Smallingerland berekend. Het project maakt de aanleg van 3 woonwagenstandplaatsen mogelijk op een locatie in het matig stedelijk woonmilieu. De depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOx en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS (6 januari 2021). Deze notitie vormt een toelichting op de berekening. INVOERGEGEVENS AERIUS In AERIUS zijn standaard emissie-kengetallen opgenomen op basis waarvan de emissies van NOx en NH3 worden bepaald. Naast de bronnen van de gebouwen en mobiele werktuigen dienen ook de verkeersbewegingen op en van en naar het terrein in de berekeningen meegenomen te worden. Conform de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator” dient de verkeersgeneratie beschouwd te worden totdat het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Dit is het geval wanneer het aan- en afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden.

Door de opdrachtgever is aangegeven dat de woonwagens gasloos worden uitgevoerd. Dit betekent dat er geen rekening behoeft te worden gehouden met een emissie van NO x ten behoeve van de verwarming. Dit zal geborgd moeten worden in de ruimtelijke procedure. Ten behoeve van de verkeersgeneratie van de woonwagens en de werkzaamheden zijn de volgende invoergegevens in AERIUS gebruikt (afbeelding 1). -

Verkeersgeneratie woonwagens (bron 1 en 2)

In het model is het verkeer van en naar de woonwagens opgenomen, waarbij is uitgegaan van een ritproductie van 5 ritten per woonwagen. Dit houdt in dat rekening moet worden gehouden met 15 ritten per etmaal. De totale emissie van de verkeersgeneratie van de woonwagens bedraagt ongeveer 0,7 kg NOx/jr.

-

Emissie mobiele werktuigen op de locatie (bron 3)

In de navolgende tabel zijn de invoergegevens van de mobiele werktuigen op de bouwlocatie weergegeven. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op ervaring met stikstofberekeningen. Aangezien het hier om de plaatsing van woonwagens gaat is er in de berekening geen rekening gehouden met de bouw van woningen. Tabel 1. Emissie mobiele werktuigen bouwlocatie Functie Aantal Werktuig kW Belasting1 486 m3 graafmachine 486 m3 kiepauto 765 m3 graafmachine 1.530 m2 trilplaat 765 m3 kiepauto totale emissie NOx mobiele werktuigen Afgraven waterpartij Aanleg verharding

-

200 200 200 10 200

69% 84% 69% 40% 84%

Emissie factor 2,3 2,6 2,3 1,3 2,6

Eenheid 1 1 1 1 1

m3/ m3/ m3/ u/ m3/

2 min. 2 min. 2 min. 50 m2 2 min.

Draaiuren 16 uur 16 uur 26 uur 31 uur 26 uur

Stage Emissie klasse NOx tot III 5,08 kg III 6,99 kg III 8,25 kg II 0,16 kg III 11,36 kg 31,84 kg

Werkverkeer (bron 4)

Wat betreft het werkverkeer is rekening gehouden met de volgende ritten per jaar. Voor de berekening is uitgegaan van gemiddelden, gebaseerd op ervaring met stikstofberekeningen. -

licht verkeer 500 ritten/jaar;

-

middelzwaar vrachtverkeer 112 ritten/jaar.

De totale emissie van het werkverkeer bedraagt minder dan één kilo NOx/jr. De totale emissie van het project bedraagt ongeveer 32,73 kg NOx/jr.

1

De belasting is het vermogen van het mobiele werktuig wat gemiddeld gebruikt wordt.

datum 06-01-2021

projectnummer 232.00.00.00.40

2

Model De emissie en depositie van het plan zijn bepaald met behulp van het AERIUS pakket (6 januari 2021). In de berekening is uitgegaan van het rekenjaar 2021. Indien het project later zal worden uitgevoerd, kan deze berekening als worst-case worden beschouwd. In latere rekenjaren zal de emissiefactor van onder andere verkeersbewegingen namelijk afnemen. Navolgend is van het model een afbeelding opgenomen.

Afbeelding 1 - AERIUS model

datum 06-01-2021

projectnummer 232.00.00.00.40

3

REKENRESULTATEN EN CONCLUSIE De berekening met AERIUS genereert een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Dit pdf bestand is als seperate bijlage opgenomen.

Afbeelding 2 - Rekenresultaat

ECOLOGISCHE BEOORDELING Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

datum 06-01-2021

projectnummer 232.00.00.00.40

4

Bijlage 1

datum 06-01-2021

projectnummer 232.00.00.00.40

5

De Wetterw ille - Drie w oonw agenstandplaatsen

Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek

38

NL.IMRO.0090.BP2019SFF003-0401

Verkennend bodemonderzoek WETTERWILLE TE DRACHTEN

COLOFON

Opdrachtgever: Gemeente Smallingerland Postbus 10.000 | 9200 HA Drachten Contactpersoon: Projectgegevens: Locatie: Projectnummer: Kenmerk: Status:

Wetterwille te Drachten EN05112 190554 definitief, versie 1

Onderzoek uitgevoerd door: Enviso Ingenieursbureau Postbus 332 | 9200 AH DRACHTEN Telefoon: 0512-586246 E-mail: info@enviso.nl | Internet: www.enviso.nl Projectmedewerkers: Projectleider: Veldwerker: Auteur: Kwaliteitscontrole:

Drachten, 22 juli 2019

INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2

INLEIDING ........................................................................................................................... 3 Algemeen .......................................................................................................................................3 Aanleiding en doel .........................................................................................................................3

2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

VOORONDERZOEK .............................................................................................................. 4 Algemeen .......................................................................................................................................4 Beschrijving onderzoekslocatie ......................................................................................................4 Bodemopbouw ...............................................................................................................................4 Historisch onderzoek .....................................................................................................................5 Conclusie vooronderzoek...............................................................................................................6

3 3.1 3.2

ONDERZOEKSPROGRAMMA ................................................................................................ 7 Kwaliteitsborging en onafhankelijkheid.........................................................................................7 Onderzoeksopzet ...........................................................................................................................7

4 4.1 4.2

VELDWERKZAAMHEDEN ..................................................................................................... 8 Grond .............................................................................................................................................8 Grondwater ....................................................................................................................................8

5 5.1 5.2

LABORATORIUMONDERZOEK .............................................................................................. 9 Chemische analyses .......................................................................................................................9 Resultaten ......................................................................................................................................9

6 6.1 6.2

SAMENVATTING EN CONCLUSIE .........................................................................................11 Samenvatting .............................................................................................................................. 11 Conclusie ..................................................................................................................................... 11

Bijlagen 1 Regionale ligging en kadastrale kaart 2 Samenvatting bodeminformatiesysteem 3 Overzichtstekening met situering boringen en peilbuizen 4 Bodemprofielen 5 Analyserapporten grond en grondwater 6 Toetsingstabellen grond en grondwater (Wbb) 7 Toetsingstabellen grond (Bbk) 8 Toelichting op toetsingskaders

Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

2

Verkennend bodemonderzoek perceel grond Wetterwille te Drachten

1

INLEIDING

1.1

ALGEMEEN

In opdracht van de gemeente Smallingerland is door Enviso Ingenieursbureau een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd ter plaatse van de locatie Wetterwille te Drachten (perceel grond tegenover Wetterwille 3). De regionale ligging van de onderzoekslocatie is aangegeven in bijlage 1.

1.2

AANLEIDING EN DOEL

Aanleiding voor het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van zowel de grond als het grondwater op de locatie.

Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

3

Verkennend bodemonderzoek perceel grond Wetterwille te Drachten

2

VOORONDERZOEK

2.1

ALGEMEEN

Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is een vooronderzoek conform de NEN 5725 uitgevoerd. Aangezien het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van de locatie, is een standaard vooronderzoek uitgevoerd. Als afbakening van het geografische besluitvormingsgebied heeft het vooronderzoek zich gericht op het kadastrale perceel Drachten, sectie A, nummer 14253 te Drachten en de aangrenzende percelen tot 25 meter. De resultaten van het vooronderzoek worden navolgend beschreven.

2.2

BESCHRIJVING ONDERZOEKSLOCATIE

De geografische gegevens van de onderzoekslocatie staan weergegeven in tabel 2.2.1. Voor een kadastrale kaart wordt verwezen naar bijlage 1. Tabel 2.2.1: Geografische gegevens Gemeente Adres Kadastraal Coördinaten Oppervlakte onderzoeksterrein

Smallingerland Wetterwille te Drachten Gemeente: Drachten Sectie: A X: 202.123 Y: 570.422 3.040 m²

Nummer: 14253

De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Wetterwille te Drachten (perceel grond tegenover Wetterwille 3 te Drachten) en is gelegen in een woonwijk. Op de locatie heeft in het verleden een school gestaan die gesloopt is. Hedendaags is de locatie braakgelegen en bestaat uit onverhard terrein. Aan de noord- en westzijde grenst de onderzoekslocatie aan een watergang, waarbij aan de noordzijde de doorgaande weg ‘Wetterwille’ gelegen is en aan de westzijde de doorgaande weg ‘De Orion’. Aan de oostzijde is een school (ROC Friese Poort) gesitueerd en aan de zuidzijde zijn enkele woningen gesitueerd. Een overzichtstekening van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 3.

2.3

BODEMOPBOUW

De regionale bodemopbouw is ontleend aan het DINOLoket (Data en informatie van de Nederlandse ondergrond) van TNO. De regionale bodemopbouw van de locatie is weergegeven in tabel 2.3.1. Tabel 2.3.1: Regionale bodemopbouw Bodemtraject t.o.v. maaiveld (cm-mv) 0 50 50 150 150 350 350 500 500 600

Bodemopbouw Antropogene bodemopbouw Zand, matig grof Zandige klei, leem of kleiig fijn zand Zand, matig grof Zand, fijn

Het maaiveld ter plaatse van de locatie bevindt zich op een hoogte van circa 1,5 m+NAP. De stromingsrichting van het freatische grondwater is niet eenduidig te bepalen. Deze en kan beïnvloed worden door lokale factoren zoals waterlopen, drainagesystemen, (lekke) rioleringen en dergelijke. De locatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied.

Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

4

Verkennend bodemonderzoek perceel grond Wetterwille te Drachten

2.4

HISTORISCH ONDERZOEK

Voor het bepalen van de aanwezigheid, de aard en de ruimtelijke verdeling van eventuele bodemverontreiniging ter plaatse van de onderzoekslocatie is een historisch onderzoek verricht. Ten behoeve van het historisch vooronderzoek is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:  bodeminformatiesysteem provincie Fryslân (Bodemloket/Nazca-i);  bodemarchief provincie;  bodemkwaliteitskaart gemeente;  opdrachtgever;  topografisch kaartmateriaal;  locatie-inspectie. Bodeminformatiesysteem provincie Fryslân (Bodemloket/Nazca-i) Uit het bodeminformatiesysteem blijkt dat ter plaatse van de onderzoekslocatie niet eerder bodemonderzoek is uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzingen die duiden op de (voormalige) aanwezigheid van boven- en/of ondergrondse tanks of gedempte sloten. Er bestaat geen aanleiding om asbesthoudende materialen in en/of op de bodem te verwachten. Een samenvatting van de beschikbare gegevens in het bodeminformatiesysteem Nazca-i is opgenomen in bijlage 2. Bodemkwaliteitskaart Op basis van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart ligt de onderzoekslocatie in een gebied met een bodemkwaliteit die gemiddeld voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde’. De bodemfunctie van de onderzoekslocatie is ‘Wonen’. Topografie De topografische kaarten zijn via de website van Topotijdreis (www.topotijdreis.nl) geraadpleegd en deze zijn navolgend weergegeven.

1981

1982

2014

2018

Uit de topografische kaarten blijkt dat het perceel voor 1982 altijd in gebruik is geweest voor agrarische doeleinden, vanaf 1982 is het perceel bebouwd. Vanaf het jaar 2014 is er geen bebouwing meer te zien op de topografische kaarten en sindsdien ligt de locatie braak. Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

5

Verkennend bodemonderzoek perceel grond Wetterwille te Drachten

Locatie-inspectie Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een locatie-inspectie verricht. Tijdens de inspectie is op het maaiveld asbestverdacht plaatmateriaal aangetroffen (foto 1 en foto 2). De aanwezigheid van deze golfplaten is gemeld bij de opdrachtgever (gemeente Smallingerland). De gemeente zal de golfplaten laten verwijderen, waarna de bodem onder de platen onderzocht kan worden op asbest in grond. Foto 1

2.5

Foto 2

CONCLUSIE VOORONDERZOEK

Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt de onderzoekslocatie als ‘onverdacht’ beschouwd. Ter plaatse van de aangetroffen golfplaten is de grond ‘verdacht’ op het voorkomen van asbest in grond.

Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

6

Verkennend bodemonderzoek perceel grond Wetterwille te Drachten

3

ONDERZOEKSPROGRAMMA

3.1

KWALITEITSBORGING EN ONAFHANKELIJKHEID

Voor het bewijsbaar en zichtbaar maken van de kwaliteit (kwaliteitsborging) beschikt Enviso Ingenieursbureau over een kwaliteitssysteem dat is opgezet conform NEN-EN-ISO 9001. In het kader van Kwalibo zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd onder een procescertificaat, hetgeen is omschreven in de vigerende versie van de Beoordelingsrichtlijn SIKB 2000, protocollen 2001 en 2002. Met betrekking tot de functiescheiding kan worden gesteld dat er geen organisatorische relatie bestaat tussen Enviso Ingenieursbureau en de opdrachtgever of eigenaar van de onderzoekslocatie.

3.2

ONDERZOEKSOPZET

Ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumonderzoek opgesteld, waarbij de onderzoekslocatie op basis van het vooronderzoek als ‘onverdacht’ kan worden beschouwd. Op basis van NEN 5740 ‘strategie onverdacht (ONV)’ zijn het aantal boringen en analyses bepaald. De onderzoeksstrategie is weergegeven in tabel 3.2.1. De spot met asbest platen is onderzocht op basis van VEP (verdachte locatie met plaatselijke bodembelasting). Tabel 3.2.1: Strategie bodemonderzoek Oppervlakte Strategie Boringen Analyseparameters¹ locatie Bovengrond Ondergrond Grondwater 3.040 m² ONV 10x boring tot 0,50 m-mv 2x NEN-g, L+H 1x NEN-g, L+H 1x NEN-gw 2x boring tot grondwater 1x boring met peilbuis Ligging asbest VEP 2x proefgat tot 10 cm-mv 1x asbest in grond <10 m2 1 Verklaring analyseparameters: NEN-g = pakket NEN 5740 grond: droge stof, metalen (9), PAK (10), PCB (7) en minerale olie NEN-gw = pakket NEN 5740 grondwater: metalen (9), vluchtige aromaten (5), VOCl (18) en minerale olie L+H = lutum en humus (organische stof)

Bij alle boringen vindt een zintuiglijke beoordeling van het opgeboorde materiaal plaats. Hierbij wordt eveneens aandacht besteed aan de eventuele aanwezigheid van asbest. Voor aanvang van de grondwaterbemonstering worden de stijghoogte, het elektrisch geleidingsvermogen (EC), de zuurgraad (pH), de temperatuur (T) en de troebelheid (NTU) van het grondwater bepaald. Op basis van de zintuiglijke waarnemingen kunnen, afwijkend ten opzichte van tabel 3.2.1, aanvullende boringen worden uitgevoerd en aanvullende analyses worden ingezet.

Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

7

Verkennend bodemonderzoek perceel grond Wetterwille te Drachten

4

VELDWERKZAAMHEDEN

4.1

GROND

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 18 juni 2019. Ten behoeve van het nemen van het grondwatermonster is boring 07 gebruikt voor het plaatsen van een peilbuis. Voor een overzichtstekening van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar bijlage 3. Bij alle boringen heeft een zintuiglijke beoordeling van het opgeboorde materiaal plaatsgevonden. De lokale bodemopbouw is in tabel 4.1.1 weergegeven. Hierbij is uitgegaan van meetpunt 07. In bijlage 4 zijn de bodemprofielen weergegeven. Tabel 4.1.1: Lokale bodemopbouw Traject (cm-mv) Grondsoort 0 70 Zand, matig fijn, matig siltig, zwak humeus (zwak grind) 70 100 Zand, matig fijn, sterk siltig (matig grind) 100 180 Leem, zwak zandig 180 220 Zand, matig fijn, sterk siltig 220 320 Leem, sterk zandig

Kleur Neutraal bruin / crème Neutraal grijs Neutraal grijs / blauw Neutraal grijs / crème Neutraal blauw / grijs

Tijdens het veldwerk zijn geen waarnemingen gedaan welke duiden op eventuele bodemverontreiniging. Verder zijn zowel in de grond als op het maaiveld visueel geen bodemvreemde en asbestverdachte materialen aangetroffen.

4.2

GRONDWATER

Het grondwater is op 25 juni 2019 bemonsterd. Voor aanvang van de monsterneming van het grondwater zijn diverse metingen uitgevoerd. De resultaten van de metingen zijn weergegeven in tabel 4.2.1. Tabel 4.2.1: Meetgegevens grondwater Peilbuis Filterstelling (cm-mv) 07 220-320

Stijghoogte (cm-mv) 153

EC (S/cm) 1.253

pH 7,1

T (C) 13,3

NTU (0-10) 17,6

De resultaten van de zintuiglijke beoordeling van het opgeboorde materiaal en de resultaten van de metingen hebben geen aanleiding gegeven tot het bijstellen van het onderzoeksprogramma.

4.3

ASBEST IN GROND

De veldwerkzaamheden zijn op 9 juli 2019 uitgevoerd. Voorafgaand aan het graven van de proefgaten, is het maaiveld visueel geïnspecteerd op de eventuele aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Uit de visuele inspectie is gebleken, dat op het maaiveld zintuiglijk geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Na de visuele inspectie is gestart met het graven van proefgaten van circa 30 x 30 x 10 cm (handmatig) evenals het verrichten van de grondboringen. De opgegraven en opgeboorde grond is uitgeharkt, gezeefd en zorgvuldig geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Uit deze visuele inspectie is gebleken, dat er zintuigelijk geen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Van de toplaag is één mengmonster samengesteld (14, 15: 0-10 cm –mv) van de fractie < 20 mm voor de analyse op asbest in grond conform de NEN 5898. Alle proefgaten zijn conform VKB-protocol 2018 geïnspecteerd en bemonsterd. Foto’s van de proefgaten en het opgegraven en opgeboorde materiaal zijn opgenomen in de boorprofielen in bijlage 4. Projectnummer: EN05112 Kenmerk: 190554

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10283551/1