Bijlage 2 Nota zienswijze en ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan en MER Oudega Nije Aldegeaster Sânning
Tekst van het document
Nota zienwijze en ambtshalve wijzigingen ontwerpbestemmingsplan en Milieueffect Rapport "Oudega – Nije Aldegeaster Sânning" 1
INLEIDING
Het ontwerpbestemmingsplan en Milieueffect Rapport "Oudega – Nije Aldegeaster Sânning" hebben met ingang van 21 april 2023 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Er is één zienswijze ingediend. In deze periode zijn er nog enkele tekstuele omissies in de toelichting van het bestemmingsplan aangetroffen die aanpassing behoeven. Deze ambtshalve wijzigingen zijn verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. 2
OPBOUW NOTA ZIENSWIJZE EN AMBTSHALVE WIJZIGINGEN
De gronden uit de zienswijze zijn hieronder bij 3 (cursief) samengevat weergegeven en voorzien van een reactie. De ambtshalve wijzigingen zijn hieronder bij 4 weergegeven en toegelicht. 3
ZIENSWIJZE
A. Verbindingswaarde De indiener van de zienswijze stelt dat het weggraven van de strook NNN–overige natuur met de realisatie van het nieuwe meer zou leiden tot het verwijderen van een deel van een verbindingszone tussen verschillende natuurgebieden. De zone is, zo stelt indiener, beschermd via het de provinciale Verordening Romte. Het verwijderen zou in strijd met de verordening zijn. Indiener stelt het volgende: ‘Zoals beschreven in het Streekplan en in de Verordening zijn aantasting en vernietiging van de “wezenlijke” waarden van de EHS/NNN structuren niet toegestaan. En deze waarden zijn niet de in de bijlages beschreven natuurwaardes maar wel de verbindingswaarde. Deze verbinding heeft feitelijk nodig een bepaalde minimum breedte (> 10 meter) en genoeg dekking, voedsel en veiligheid voor de migrerende flora en fauna en vooral afwezigheid van menselijke activiteit. Het definitief onderbreken van deze verbindingszone is slechts in zeer speciale gevallen (nationaal belang/ veiligheidsbelang) toegestaan.
In dat geval zal bijvoorbeeld door omlussing de continuïteit van de verbinding hersteld moeten worden.’ Als reactie op deze zienswijze stellen wij het volgende: Uit het natuuronderzoek ‘Uitgebreide Natuurtoets Oudega - waterontwikkeling De Gealanden’ (dat als bijlage 7 bij de toelichting van het bestemmingsplan is gevoegd) blijkt dat de door indiener bedoelde oever is aangewezen als ‘NNN-overige natuur’ (voorheen: EHS), waarvoor op grond van de provinciale Verordening Romte 2014 het volgende beleid geldt: "7.5 Ontwikkelingen in / nabij de EHS via afwijking Op grond van artikel 7.1.3, eerste lid, kan de gemeente, in afwijking van artikel 7.1.1, tweede lid, toch meewerken aan ontwikkelingen in de EHS die significant negatieve effecten hebben op de natuurwaarden (waarden en kenmerken, reaal, samenhang). Afwijking is alleen onder strikte voorwaarden mogelijk. Hierbij geldt het ‘nee tenzij’ principe uit het Streekplan en het rijksbeleid (Barro). Ten eerste is voorwaarde dat de ontwikkeling een groot openbaar belang vertegenwoordigt. De interpretatie van het begrip ‘groot openbaar belang’ is afhankelijk van veranderingen in tijd en politieke en maatschappelijke opvattingen. Het Barro rekent tot groot openbaar belang in ieder geval de veiligheid, de drinkwatervoorziening, de plaatsing van windturbines of de plaatsing van installaties voor de winning, opslag of transport van
aardgas. In algemene zin dient het te gaan om een algemeen c.q. maatschappelijk belang zoals werkgelegenheid, huisvesting, water- en kustveiligheid, civiele veiligheid, volksgezondheid, en essentiële voorzieningen voor het functioneren van de samenleving zoals energie- en vervoersvoorzieningen, en bijvoorbeeld niet een golfterrein - dat verder reikt dan de lokale situatie ter plaatse. Gedeputeerde Staten beoordelen met de gemeente of een ontwikkeling van groot openbaar belang is. Voorwaarde is ook dat er voor de betreffende fysieke ontwikkeling geen reële locatie-alternatieven zijn. Alternatieven hangen af van de locatie (op de Waddeneilanden is de beschikbare ruimte anders dan op het vaste land), op de mate van grondgebondenheid van de beoogde ontwikkeling (bijvoorbeeld uitbreiding van een bestaande functie) en op de mate van plaatsgebondenheid (voorbeeld: een maatschappelijke voorziening voor een specifieke kern). Vervolgens dient natuurschade door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk te worden beperkt. Tenslotte dient resterende natuurschade te worden gecompenseerd." Over compensatie van het verlies aan NNN-overige natuur zegt de Verordening Romte 2014 het volgende: "7.6 Compensatie EHS Paragraaf 2.9.3 van het Streekplan formuleert voor natuurcompensatie enkele uitgangspunten, die zijn verwerkt in artikel 7.1.4.
Bij de toepassing daarvan moet rekening worden gehouden met de 'Spelregels EHS, beleidskader voor compensatiebeginsel, EHSsaldobenadering en herbegrenzing EHS' van de ministeries LNV en VROM, de provincies en VNG van 10-9-2007. Hierin zijn de uitgangspunten voor natuurcompensatie uitgewerkt voor concrete situaties. In de plantoelichting moet een verantwoording worden opgenomen over de wijze van compensatie, inclusief de garanties voor realisatie; indien voor de compensatie een wijziging van het planologische regime nodig is (veelal een bestemmingswijziging), zal gelijktijdig met het besluit over de ontwikkeling deze wijziging verzekerd moeten zijn. Als grondslag voor de verantwoording in de plantoelichting dient een compensatieplan, waarvan de onderdelen in de Spelregels EHS staan. Niet alleen de actuele natuurwaarden van een gebied zijn bij compensatie belangrijk, maar ook de beoogde natuurdoelen. Dit betekent dat compensatie van hetzelfde natuurdoeltype met bijbehorend kwaliteitsniveau moet worden nagestreefd en dat rekening wordt gehouden met de betekenis van het gebied voor het EHS-kerngebied waarvan het gebied deel uitmaakt.
Wanneer het niet mogelijk is om hetzelfde natuurdoeltype te realiseren als het natuurdoeltype dat verloren gaat, verdient het aanbeveling om een natuurdoeltype te realiseren waarvan de beleidsdoelstelling relatief ambitieus is (groot verschil tussen aanwezig en beoogd areaal in Nederland) of in ieder geval niet minder ambitieus is. Verder valt het natuurdoeltype in principe binnen dezelfde hoofdgroep (van mate van natuurlijkheid)." Er verdwijnt inderdaad een strook NNN-overige natuur van 8896 m2. In de toelichting van het bestemmingsplan is – in overeenstemming met de Verordening – een verantwoording opgenomen over de wijze van compensatie, namelijk in de vorm van een natuurstrook die leidt tot eenzelfde habitat als dat verloren gaat. Via de regels en de planverbeelding is geborgd dat het verlies aan natuur met een ambitieuze oppervlakte van 18.255 m2 wordt gecompenseerd door dit gebied te bestemmen voor natuur. Omdat deze bestemming deel uitmaakt van het bestemmingsplan waarin het verlies van NNN-overige natuur wordt mogelijk gemaakt, is ervoor gezorgd dat tot het verlies én de compensatie met één raadsbesluit wordt besloten. De provincie heeft met deze aanpak ingestemd.
Verder kan het volgende hierover worden opgemerkt: Beide oevers ter weerszijden van de Wide Ie zijn aangewezen als NNN – Overige natuur. Deze oevers dragen vast bij aan de verbinding tussen verschillende natuurgebieden. Uit de figuren 7 en 8 uit de aangehaalde uitgebreide natuurtoets blijkt dat de strook eindigt bij het water van het Alddjip, de vaart tussen de Wide Ie en de haven van Oudega. Het valt op dat de zone NNN-overige natuur ten oosten van het Alddjip wordt onderbroken ter breedte van enkele agrarische percelen waarna de zone NNN-overige natuur in oostelijke richting verder wordt vervolgd. De fragmenten van de natuurkaart die in figuur 7 en 8 van het natuuronderzoek zijn gepubliceerd, zijn afkomstig uit kaart 3 uit de provinciale Verordening Romte 2014 en is hieronder weergegeven. Het is voor het functioneren van de zone – voor zover die al een belangrijke verbindingsfunctie vervult - dus kennelijk niet van het allergrootste belang dat de strook ononderbroken is.
Conclusie Er wordt voldaan aan de voorwaarden die de provincie in haar Verordening Romte 2014 heeft opgenomen. Het bestemmingsplan leidt niet tot aantasting van de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de NNN. Er is daarom geen sprake van strijdigheid met de provinciale Verordening Romte 2014. B. Voorstel aanpassing plannen De indiener van de zienswijze stelt het volgende voor: ‘Al het gebied ten zuiden van de weg De Geasten wordt bestemd als natuur. Dit houdt in dat de nieuwe zuidwestelijke dijk en de uitgebreide vooroevers vanaf het nieuwe gemaal tot aan de Nije Muontsje Groppe bestemd worden als NNN overige natuur met als wezenlijke functie: verbinding. Er komt hier dus ook geen fiets/wandelpad en geen uitkijkplaats. De agrarische gronden ten zuiden van De Geasten worden fûgeltsjelân met bijbehorend beheer. Het hele zuidelijke gebied wordt dus nietpubliek toegankelijk en zo ontstaat er een robuust natuurgebied.’ De betreffende gronden maken geen onderdeel uit van het bestemmingsplan waar het nu over gaat. In dit bestemmingsplan wordt dan ook niets over deze gronden gezegd. Gezien bovengenoemde conclusie bij A. is het in het kader van deze bestemmingsplanprocedure ook niet nodig om extra NNN 'overige natuur met als wezenlijke functie: verbinding' te realiseren.
Zoals bekend is het wel de bedoeling de betreffende gronden te verkopen met een functie voor zowel (weidevogel)beheer als agrarisch gebruik. Een fietswandelpad komt er inderdaad niet meer langs de kering waarmee een robuust (weide)vogelvriendelijk gebied ontstaat. Het beoogde uitkijkpunt maakt wel onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Met dit punt willen we bezoekers van het gebied een blik gunnen op de rijke natuur en al het water. De vormgeving zal zodanig zijn dat dit tot zo min mogelijk verstoring leidt. Conclusie De verbinding tussen verschillende natuurgebieden blijft behouden. En het bestemmingsplan leidt niet tot aantasting van de oppervlakte, samenhang en kwaliteit van de NNN. Het is daarom niet nodig om extra NNN 'overige natuur met als wezenlijke functie: verbinding' te realiseren. C. Logistieke problemen door trailerhelling Het maken van een trailerhelling leidt gegarandeerd tot grote logistieke problemen. Met de voorgenomen 8 parkeerplaatsen kunnen er dus maximaal 4 auto’s met trailers geparkeerd worden. De andere watersporters zullen dus hun materiaal in de bermen parkeren (zie Earnewâld). Dit smalle weggetje moet dan dus gedeeld worden met de fietsers, wandelaars, agrarisch materieel en dan ook nog auto’s met boottrailers. Logistiek is dit vragen om ongelukken en dit zou je helemaal niet moeten willen. Dwz: de trailerhelling moet hier niet komen.
Het parkeerterrein wordt zo vorm gegeven dat de auto’s op parkeerplekken staan, en de trailers in het omringende gras. De ervaring met andere trailerhellingen in onze gemeente is dat deze extensief worden gebruikt, enkele piekmomenten daargelaten. De ruimte bij het parkeerterrein is groot genoeg om er een terreintje van 20 parkeerplaatsen te maken maar we verwachten dat dit niet nodig zal zijn. Mocht dat anders uitpakken dan kunnen daar maatregelen op worden genomen.
4
AMBTSHALVE WIJZIGINGEN
Op pagina 34 van de toelichting zijn enige tekstuele omissies aangetroffen. Deze passage wordt aangepast (van 'was' tot 'wordt'):
Passage uit pagina 34 van de toelichting inclusief omissies ('was')
Passage uit pagina 34 van de toelichting inclusief omissies ('wordt')