Bijlage 2 - Algemene toelichting omgevingsplan Smallingerland
Tekst van het document
Algemene toelichting Omgevingsplan gemeente Smallingerland 1.1 Inleiding In dit omgevingsplan staan regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Iedereen die activiteiten in de leefomgeving wil beginnen of voorzetten, moet zich aan deze regels houden. Het omgevingsplan geeft aan welke activiteiten op welke locatie zijn toegestaan en aan welke voorwaarden een activiteit of initiatiefnemer moet voldoen. Soms geeft het omgevingsplan namelijk aan dat een vergunning nodig is en komen de voorwaarden waaraan de activiteit moet voldoen in de omgevingsvergunning te staan. De regels die in dit omgevingsplan zijn opgenomen moeten ervoor zorgen dat er een goede balans is tussen enerzijds het beschermen en anderzijds het ontwikkelen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Rijswijk. De regels die in dit omgevingsplan worden gesteld vallen binnen de bevoegdheid die de gemeenten in de Omgevingswet toebedeeld hebben gekregen. •
1.2 Aanleiding Toen op 1 januari 2024 de Omgevingswet in werking trad, heeft de gemeente Smallingerland -net als alle andere gemeenten in Nederland- een omgevingsplan van rechtswege gekregen. Dit omgevingsplan gemeente Rijswijk bestaat uit: o een bundeling van voornamelijk alle bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere gemeentelijke regelingen waarin ruimtelijke regels staan; o de bruidsschat met regels over bouwen en milieu die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet niet langer in de rijksregelgeving staan. Dit 'tijdelijke' omgevingsplan is nog geen samenhangend omgevingsplan. Het bestaat uit losse regelingen met elk een eigen inhoudsopgave, verschillende definities voor soms dezelfde begrippen en verschillende formuleringen voor dezelfde regel. Het is de bedoeling dat deze losse regelingen worden omgevormd tot één samenhangend en eenduidig omgevingsplan voor het gehele grondgebied van Smallingerland: het ‘omgevingsplan gemeente Smallingerland’. En dat hierin ook de regels staan die de fysieke leefomgeving wijzigen uit andere gemeentelijke regelingen. De gemeente Smallingerland heeft tot uiterlijk 2032 de tijd om tot dit samenhangend omgevingsplan te komen dat aan alle nieuwe wettelijke vereisten voldoet. •
• 1.3 Transitie omgevingsplan Smallingerland De gemeente Smallingerland heeft besloten om stapsgewijs en gebiedsgericht het omgevingsplan net zo vaak te wijzigen totdat er een samenhangend plan is ontstaan dat wettelijk voldoet. De eerste wijziging van het omgevingsplan met de basisregelset is de eerste stap in de transitie van het omgevingsplan. Deze basisregelset bevat een nieuwe inhoudsopgave voor het omgevingsplan, zet het regelen van activiteiten centraal en sluit aan bij de structuur en systematiek die de VNG voor het omgevingsplan heeft ontwikkeld. Met de eerste wijziging van het omgevingsplan zijn zoveel mogelijk regels die in andere gemeentelijke regelingen staan, vervangen en in het omgevingsplan gemeente Smallingerland opgenomen. Ook themagerichte regels in het omgevingsplan van rechtswege, zoals over het afvoeren van hemelwater, archeologie, milieu en bouwen, zijn vervangen en op de juiste plek in de nieuwe inhoudsopgave opgenomen. De structuur is gebaseerd op het Casco voor het omgevingsplan van de VNG van 2020. Daarbij is de keuze gemaakt om het hoofdstuk Activiteiten verder uit te splitsen. Dit komt de herkenbaarheid en leesbaarheid ten goede. Ook voor wat betreft de weergave op het DSO.
En tenslotte zijn in de eerste wijziging geüniformeerde en geharmoniseerde gebiedsgerichte regels opgenomen. Dit zijn regels die bijvoorbeeld aangeven waar welke activiteit is toegestaan of uitgesloten, hoe hoog daarbij gebouwd mag worden of hoeveel geluid of geur daarbij is toegestaan. Deze regels zijn in dit eerste wijzigingsplan alleen van toepassing in het dorp Drachtstercompagnie, maar zullen gedurende de transitieperiode als een olievlek over de gehele gemeente worden uitgebreid. Het is de bedoeling dat deze regels bij volgende omgevingsplanwijzigingen (in de periode vanaf 2026 tot uiterlijk 2032), uitgerold worden en gebiedsgericht de regels in het omgevingsplan van rechtswege gaan vervangen. • 1.4 Activiteiten en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om voor een goede kwaliteit van de fysieke leefomgeving te zorgen, is het nodig om voor sommige activiteiten te regelen waar deze zijn toegestaan en aan welke voorwaarden deze moeten voldoen. Het zorgen voor goede balans tussen deze activiteiten noemt de wetgever ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Deze evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren.
Om daarvoor te zorgen staan in het omgevingsplan niet alleen regels opgenomen die vroeger in bestemmingsplannen te vinden waren over wat waar is toegestaan en hoe hoog mag worden gebouwd, maar ook bijvoorbeeld over milieu over lozen van afvalwater, bodem en geur. De evenwichtige toedeling van functies aan locaties is niet alleen de verantwoordelijkheid van de gemeente. Immers Rijk, Provincie Fryslan en Het Wetterskip stellen ook regels die hier van invloed op zijn. Het is niet nodig – en in sommige gevallen ook niet mogelijk – om regels te stellen in het omgevingsplan die elders al zijn gesteld en in dat kader bijdragen aan het tot stand te brengen evenwicht (Kamerstukken Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 34 986, nr. 3, blz. 58 e.v.). De gemeente Smallingerland is bij het opstellen van de basisregelset nagegaan welke regels aanvullend nodig zijn om te zorgen voor deze evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de regels van Rijk, Provincie Fryslan, Het Wetterskip en de omliggende gemeenten. Het uitgangspunt voor dit omgevingsplan is dan ook dat als een activiteit elders is geregeld, bijvoorbeeld in de waterschapsverordening, deze activiteit niet nogmaals in het omgevingsplan wordt geregeld.
Er kunnen dan immers verschillen in de loop der tijd ontstaan en de indruk kan worden gewekt dat met een vergunning om af te wijken van het omgevingsplan, ook kan worden afgeweken van de regels van een ander bevoegd gezag.
De Omgevingswet verplicht dat het omgevingsplan in ieder geval de regels bevat die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit wil niet zeggen dat er een verplichting is om locaties evenwichtig te etiketteren met functie-aanduidingen. Daar waar onder de Wet ruimtelijke ordening alle gronden een bestemming moeten hebben, is het onder de Omgevingswet niet noodzakelijk dat gronden zijn voorzien van een functie-aanduiding. Centraal staat de evenwichtige regulering van activiteiten over locaties. Regels die bepalen waar wonen is toegestaan, of een kantoor, of onder welke voorwaarden een café mag worden geëxploiteerd, regels die strekken ter bescherming van een gemeentelijk monument of archeologische of natuurwaarden, regels over milieubelastende activiteiten of regels over het kappen van bomen; ze dragen allemaal bij aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. •
1.5 Doelen en oogmerken in het omgevingsplan
De doelen van het omgevingsplan van de gemeente Smallingerland bestaan op drie verschillende niveaus. In hoofdstuk 2 zijn de doelen voor het hele omgevingsplan opgenomen. In artikel 2.1 is een facultatieve, niet-limitatieve uitwerking te vinden van de doelen waarop het omgevingsplan zich richt. Dit is het hoogste niveau van specificeren van doelen; in principe gelden deze doelen voor het hele omgevingsplan en ze sluiten aan bij de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (artikel 1.3 en 2.1 Ow). In hoofdstuk 4 (Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving) is per thema en per gebiedstype gespecificeerd welke doelen voor dat thema of dat gebiedstype gelden. Dat is het tweede niveau van vastleggen van doelen. Het derde niveau van vastleggen van doelstellingen gebeurt in de vorm van oogmerken van regels over activiteiten in de hoofdstukken 5 tot en met 14 (waarin de regels over activiteiten zijn opgenomen). Door de oogmerken van een regel vast te leggen, wordt duidelijk gemaakt waarom die regel is gesteld. 1.6 Omgevingsplanstructuur Smallingerland (het 'casco') o 1.6.1 Ordening activiteiten De gemeente Smallingerland heeft gekozen om aan te sluiten bij de structuur en systematiek van het casco van de VNG. Daarbij is de keuze gemaakt om het hoofdstuk Activiteiten verder uit te splitsen. Dit komt de herkenbaarheid en leesbaarheid ten goede.
Ook voor wat betreft de weergave op het DSO. In de omgevingsplanstructuur wordt onderscheid gemaakt naar verschillende type activiteiten. Activiteiten met gebruiksruimte zijn activiteiten die je met het oog op de doelen van een gebiedstype, wel of niet wilt toestaan en waarvan je bijvoorbeeld de hoeveelheid het bedrijfsvloeroppervlak, geluid, trillingen of geur wilt beperken. Bij activiteiten staat de activiteit centraal en minder de locatie. Bij gebiedsgerichte activiteiten staan de kenmerken van een gebied centraal. In een woongebied kun je maar beperkt activiteiten toestaan met bijvoorbeeld geluid. Laat je meer geluid toe, dan is de kwaliteit van de fysieke leefomgeving niet voldoende voor een gezonde woonomgeving. Dit onderscheid is echter niet zwart wit. Soms kan een activiteit beperkt zijn tot een gebied. Oftewel een activiteit wordt gebiedsgericht gereguleerd als er sprake is van een ‘activiteit met gebruiksruimte’. Kenmerkend voor een activiteit met gebruiksruimte is dat de locatie van een dergelijke activiteit van belang is vanwege de mogelijke gevolgen ervan voor omliggende activiteiten. Het gaat dan om activiteiten die planologisch relevant zijn en/of die milieugevolgen hebben, bijvoorbeeld door emissie van geluid, geur of trillingen, en die in samenhang met andere activiteiten met gebruiksruimte beoordeeld moeten worden.
Er is dan aanvullende sturing nodig om te zorgen dat alle activiteiten met gebruiksruimte die in een gebied plaatsvinden per saldo tot een aanvaardbaar leefklimaat leiden. o 1.6.2 In- en aansluiten van activiteiten in gebiedstypen Voor activiteiten met gebruiksruimte zijn aanvullende gebiedsspecifieke regels nodig om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te bereiken. Deze activiteiten worden daarom in- of uitgesloten in gebiedstypen. De locatie van het gebiedstype wordt vastgelegd door middel van een geometrische begrenzing. Insluiten houdt in dat bepaalde activiteiten binnen het gebiedstype wordt toegestaan en dat alle nietingesloten activiteiten met gebruiksruimte zijn verboden. Uitsluiten houdt in dat alle activiteiten met gebruiksruimte binnen het gebiedstype zijn toegestaan met uitzondering van een bepaald aantal verboden activiteiten. Bij iedere activiteit met gebruiksruimte die binnen een gebiedstype wordt toegelaten, wordt vervolgens aangegeven welke regels uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn. In afdeling 6.2 van het omgevingsplan is een limitatieve opsomming van activiteiten met gebruiksruimte opgenomen. •
Samenvattend: insluiten zorgt ervoor dat alleen bepaalde activiteiten met gebruiksruimte worden toegelaten op een locatie (zoals voorheen ook in bestemmingsplannen gebeurde); en ▪ uitsluiten is het spiegelbeeld daarvan: alleen bepaalde activiteiten worden verboden op een locatie. • 1.7 Omgevingsplansystematiek Smallingerland o 1.7.1 Hoofdstuk 4 als 'richtingaanwijzer' In de omgevingsplanstructuur van de gemeente Smallingerland worden in hoofdstuk 4 eerst de thema’s benoemd, waarbij regels over activiteiten worden gesteld (met uitzondering van de activiteiten met gebruiksruimte die per gebiedstype worden geregeld). Dit gebeurt in afdeling 4.1 van het omgevingsplan. Bij een thematische regeling worden drie dingen gedaan: ▪ a. zo nodig worden een of meer deelgebieden vastgelegd (maar voor zover mogelijk zijn thematische regels gemeentebreed en zijn er geen deelgebieden nodig); ▪ b. de doelen voor het thema worden geformuleerd; en ▪ c. voor de activiteit worden de juiste regels uit hoofdstuk 5 tot en met 14 geactiveerd. ▪
Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de gebiedstypes aangewezen in afdeling 4.2 van het omgevingsplan. De gedachte is dat bij het aanwijzen van de gebiedstypes vier dingen worden gedaan, namelijk: ▪ a. de locatie van het betreffende gebiedstype wordt vastgelegd; ▪ b. de doelen voor het gebiedstype worden benoemd; ▪ c. de verschillende activiteiten met gebruiksruimte worden ingesloten of uitgesloten; en ▪ d. voor de toegelaten activiteiten worden de juiste regels uit hoofdstuk 5 tot en met 14 geactiveerd. 1.7.2 Inhoudelijke regels in hoofdstuk 5 tot en met 14 Hoofdstuk 5 tot en met 14 geeft de hoofdindeling van activiteiten aan (thematisch versus gebiedsgericht) en stuurt aan welke regels over activiteiten op welke locatie gelden. Nieuwe paragrafen met regels over activiteiten kunnen dus steeds worden toegevoegd aan het eind van de afdeling. Daarmee wordt omnummering bij volgende planwijziging zoveel als mogelijk vermeden. • 1.8 Opbouw hoofdstuk 5 tot en met 14 De regels over activiteiten in de hoofdstuk 5 tot en met 14 hebben een zo klein mogelijke ‘korrelgrootte’ (in het verlengde van Wabo en Bal). De activiteiten zijn dus niet groter dan nodig, en richten zich precies op die elementen van een activiteit die je wilt regelen (bijvoorbeeld niet “wonen” maar wel “geluidgevoelig gebouw bouwen” en “woonruimte gebruiken”).
Een zo klein mogelijke korrelgrootte zorgt voor flexibiliteit: de initiatiefnemen kan zelf bepalen als er bijvoorbeeld sprake is van vergunningplichten of een vergunning wordt aangevraagd of meerdere vergunningen los van elkaar en in welke volgorde vergunningen deze worden aangevraagd. Voor de vergunningverlener en handhaver maakt de kleine korrelgrootte het overzichtelijk voor de beoordeling of handhaving van de activiteit. En tenslotte zorgt een kleine korrelgrootte ervoor dat het o
omgevingsplan eenvoudiger wordt om te beheren, omdat het voorkomt dat in meerdere samengestelde korrels regels moeten worden aangepast. Dit beperkt beheerkosten en komt de consistentie van het omgevingsplan ten goede. • 1.9 Toelichting hoofdstukken Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Belangrijkste functie van dit hoofdstuk is om de begrippen te definiëren. Om te voorkomen dat het omgevingsplan met pagina’s aan definities begint, wordt naar een bijlage verwezen. Goed om te weten is dat begrippen die in de Omgevingswet zijn gedefinieerd op basis hiervan ook gelden voor het omgevingsplan. Begrippen die in de onderliggende algemene maatregelen van bestuur zijn opgenomen, zijn in dit hoofdstuk ook van toepassing verklaard. En daarnaast is dit hoofdstuk aangevuld met begrippen die voor de regels nodig zijn. Hoofdstuk 2 Doelen In dit hoofdstuk worden de doelen van het omgevingsplan beschreven. Er wordt beschreven wat de gemeente met de regels in de volgende hoofdstukken wil bereiken. De regels die in de volgende hoofdstukken zijn opgesteld, zijn gericht op het borgen van deze doelen. Hoofdstuk 3 Programma’s Dit hoofdstuk is gereserveerd. Het kan zijn de kwaliteit van de leefomgeving in een gebied onder druk komt staat en de gemeente zichzelf voor dit gebied een ambitie stelt.
Dan kan de gemeente dit in haar omgevingsvisie opnemen en uitwerken in een programma hoe zij deze ambitie wil bereiken. Deze ambitie kan zij zelfs vastleggen in het omgevingsplan in hoofdstuk 2 (zogenaamde omgevingswaarden) en gekoppeld hieraan regels opnemen in het omgevingsplan voor dit gebied. Deze regels zijn erop gericht om deze ambitie dan te borgen of te bereiken. De gemeente heeft nog geen voornemens op dit vlak en daarom is dit hoofdstuk leeg. Hoofdstuk 4 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Dit hoofdstuk benoemt de activiteiten die in het omgevingsplan geregeld worden. Er wordt onderscheid gemaakt naar activiteiten die thematisch (locatieonafhankelijk) worden geregeld en activiteiten die gebiedsgericht (locatieafhankelijk) worden geregeld, zoals activiteiten met gebruiksruimte. Activiteiten met gebruiksruimte zijn activiteiten die je met het oog op de doelen van een gebiedstype, wel of niet wilt toestaan en waarvan je bijvoorbeeld de hoeveelheid geluid, trillingen of geur wilt beperken. In afdeling 4.2 staat een aanzet welke activiteiten wel of niet in een gebiedstype zijn toegestaan. Dit deel van hoofdstuk 4 wordt bij de gebiedsgewijze uitrol van de basisregeling verder uitgewerkt. Hierbij worden de regels vervangen uit de bestemmingsplannen en delen van de bruidsschat.
Dan wordt heel precies gekeken welke activiteiten de gemeente nu wel of niet wil toestaan in een gebiedstype. En dan wordt de gebruiksruimte voor deze activiteiten bepaalt, bijvoorbeeld voor geur. Vooralsnog zijn alleen de gebiedstype Woongebied en Centrum dorp uitgewerkt voor het dorp Drachtstercompagnie. Hoofdstuk 5 tot en met 14 Activiteiten Verreweg de hoofdstukken 5 tot en met 14 staan alle activiteiten opgesplitst per hoofdstuk opgenomen. Hierin staan regels die altijd en voor iedere activiteit gelden en specifieke regels. Hoofdstuk 15 Beheer en onderhoud Dit hoofdstuk is gereserveerd voor bijvoorbeeld instandhoudingsverplichtingen. Op dit moment heeft de gemeente dit soort regels nog niet. Daarom is dit hoofdstuk leeg. Hoofdstuk 16 Financiële bepalingen In dit hoofdstuk kan een regeling worden opgenomen voor het verhalen van kosten bij gebiedsontwikkelingen op het moment dat het niet lukt om met een projectontwikkelaar tot een
anterieure overeenkomst te komen over een bijdrage aan bijvoorbeeld bovenwijkse voorzieningen. In de Omgevingswet is immers bepaald dat deze kosten via een wijziging van het omgevingsplan worden verhaald. Hoofdstuk 17 Procesregels Een enkele regel uit de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit is in dit hoofdstuk opgenomen. Hier wordt geregeld dat sommige vergunningaanvragen op basis van het omgevingsplan voor advies aan de gemeentelijk adviescommissie ruimtelijke kwaliteit worden voorgelegd. Hoofdstuk 18 Handhaving Dit hoofdstuk bevat nog geen regels en is gereserveerd. Binnen de wettelijke kaders van de Omgevingswet kunnen hier toekomstige regels over toezicht en handhaving worden opgenomen. Hoofdstuk 19 Monitoring en informatie Ook dit hoofdstuk is nog leeg. Mochten er in de toekomst doelen worden opgenomen in het omgevingsplan in de vorm van een omgevingswaarde, dan zullen in dit hoofdstuk de regels over monitoring van die omgevingswaarde landen. Hoofdstuk 20 Overgangsrecht In dit hoofdstuk is het overgangsrecht opgenomen, bijvoorbeeld voor omgevingsvergunningen die verleend zijn op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan of op basis van een gemeentelijk verordening.
Hoofdstuk 21 Gebiedsontwikkelingen In dit hoofdstuk kunnen losse gebiedsontwikkelingen per paragraaf worden opgenomen voor ontwikkelingen in gebieden welke nog niet zijn opgenomen in het omgevingsplan. Bij de actualisatie van het gebied zullen de ontwikkelingen worden overgezet in de basisregels. Hoofdstuk 22 In dit hoofdstuk zijn bij inwerkingtreding van de Omgevingswet de voormalige rijksregels opgenomen. Een deel van deze voormalige rijksregels is met de inwerkingtreding van de basisregeling geschrapt en vervangen door regels in hoofdstuk 4 tot en met 14. Hoofdstuk 23 Slotbepaling Hierin is de citeertitel opgenomen: Omgevingsplan gemeente Smallingerland.