Bijlage 14 - Wijzigingsbesluit APV 2013 - Was-word-tabel 2013 d.d. 5 november 2025
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijzigingen Apv Smallingerland - Omgevingsplan Artikel 1:1 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats : hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg : weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water : wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn d. bebouwde kom : de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten, respectievelijk de raad, de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van de Wegenverkeerswet (oud) en artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 e. rechthebbende : degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk : hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; g. gebouw : gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; h. handelsreclame : iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. college : het college van burgemeester en wethouders; j. bevoegd gezag :bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet. k.
vaartuigen : alle vaartuigen, waaronder mede begrepen drijvende werktuigen, alsmede glijboten, ponten, een vaartuig zonder waterverplaatsing, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig, dat de geschiktheid tot het drijven of varen heeft verloren; l. -beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; m woonschip : elk vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebezigd als, of te beoordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is tot dag- of nachtverblijf van één of meer personen;
Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. openbare plaats : hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; b. weg : weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; c. openbaar water : wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn d. bebouwde kom : de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten, respectievelijk de raad, de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 8 van de Wegenverkeerswet (oud) en artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994 e. rechthebbende : degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; f. bouwwerk : hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; g. gebouw : gebouw als bedoeld in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; h. handelsreclame : iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; i. college : het college van burgemeester en wethouders; j. [vervallen]
k. vaartuigen : alle vaartuigen, waaronder mede begrepen drijvende werktuigen, alsmede glijboten, ponten, een vaartuig zonder waterverplaatsing, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig, dat de geschiktheid tot het drijven of varen heeft verloren; l. [vervallen] m.[vervallen]
Met opmerkingen [DV1]: In de handleiding VNG over Apv en omgevingsplan staat op p. 73 dat deze term niet meer in de Apv wordt gebruikt. Dus voorstel is om dit weg te halen.
n. aanleggen : het afmeren en vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op een oever aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, gedurende de tijd die daadwerkelijk gebruikt wordt voor een recreatief verblijf op of in de omgeving van het vaartuig; o. ligplaats innemen : het afmeren en vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke voor dat doel aangebrachte voorziening, of aan een ander vaartuig, anders dan voor het aanleggen. p. ankeren : het doen of laten liggen van een vaartuig anders dan aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig;
n. [vervallen]
o. [vervallen]
p. [vervallen]
Artikel 2:10A (artikel 1, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10A (Omgevings)vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
Artikel 2:10A [vervallen]
a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 3. Op de vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht
(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:10B (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10B Uitzonderingen en afbakeningsbepalingen 1. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18. 2. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3. Het verbod in het vorige artikel geldt niet voor wat betreft: a. het eerste lid voor zover het gaat om beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening b. de weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet; c. de weigeringsgrond van het tweede lid, onder b geldt niet voor bouwwerken; d. de weigeringsgrond van het tweede lid onder c geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.
Artikel 2:10B [vervallen]
Artikel 2:10C (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10C Vrij te stellen categorieën Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor het verbod in het eerste lid van artikel 2:10A niet geldt.
Artikel 2:10C [vervallen]
Artikel 2:11 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. 4. Het verbod geldt voorts niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of voor situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:11 [vervallen]
Artikel 2:12 (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: a. een uitweg te maken naar de weg; b. van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; c. verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daar onder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: a. de bruikbaarheid van de weg; b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 [vervallen]
Artikel 2:15 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.
Artikel 2:15 [vervallen]
Artikel 2:46 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2. Het verbod geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Artikel 2:12 [vervallen]
Artikel 2:51 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; b. daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:51 [vervallen]
Artikel 4:6 (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
Artikel 4:6 [vervallen]
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. Artikel 4:10A (artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
1.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:10A Begripsbepaling
Artikel 4:10A [vervallen]
1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. boom: een houtachtig, overblijvend gewas; b. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; c. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; d. houtwal: een afscheiding in het landschap, die wordt gevormd door een, al dan niet verhoogde, smalle strook grond met daarop volgroeide beplanting in de vorm van bomen, hakhout en struiken; e. bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 4.1, onder a van de Wet natuurbescherming; f. boomwaarde: De financiële waarde van een boom zoals getaxeerd volgend de meest recente richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; g. iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); h. iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus; i. vruchtbomen: bomen die aantoonbaar in hoofdzaak uit economische motieven omwille van de vruchten worden geteeld. 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 4:10B (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:10B Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden
Artikel 4:10B [vervallen]
1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. 2. Het verbod geldt niet voor: a. een boom met stamomtrek van minder dan 63 cm gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld, tenzij het een boom betreft die ter herdenking aan een bepaalde persoon of gebeurtenis is geplant of een boom die is geplant in het kader van een herplantplicht. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam; b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; c. naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; d. kweekgoed; e. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden f. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013. g.
een houtopstand die gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand buiten de bebouwde kom is gelegen op erven of in tuinen dan wel de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die: - ofwel een kleiner oppervlakte beslaat dan 10 are; - ofwel bestaat uit rijbeplanting van 20 bomen of minder, gerekend over het totale aantal rijen;
3.
h. een houtopstand die moeten worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens en aanschrijving of last van het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.10G. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 4:10C (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.10C Aanvraag omgevingsvergunning vellen houtopstanden Een aanvraag om een vergunning voor het vellen of te doen vellen van houtopstanden kan alleen worden aangevraagd door, namens of met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of krachtens een publiekrechtelijke bevoegdheid, gerechtigd is over de boom te beschikken.
Artikel 4.10C [vervallen]
Artikel 4.10D (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:10D Weigeringsgronden 1. De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd op grond van: a. de landschappelijke waarde van de houtopstand; b. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; c. de beeldbepalende waarde van de houtopstand; d. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; e. waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 2. Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorwaarden verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren.
Artikel 4:10D [vervallen]
Artikel 4:10E (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.10E Gevaar of spoedeisend belang Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot het direct vellen, indien sprake is van groot gevaar of vergelijkbaar spoedeisend belang.
Artikel 4:10E [vervallen]
Artikel 4:10F (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.10F Bijzondere vergunningsvoorschriften 1. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3. Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat de vergunning een geldigheidsduur heeft van één jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning. 4. Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat van de vergunning feitelijk geen gebruik mag worden gemaakt totdat op een met de vergunning voor het vellen van een houtopstand samenhangende aanvraag voor een vergunning of ontheffing voor activiteiten genoemd in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, positief is beslist.
Artikel 4:10F [vervallen]
Artikel 4.10G (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:10G Herplant-/instandhoudingsplicht 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 4.
Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.
Artikel 4.10G [vervallen]
Artikel 4.10H (artikel I, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.10H Bestrijding (iep)ziekte 1. Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van het college gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor
Artikel 4.10H Bestrijding (iep)ziekte [vervallen]
vermeerdering van iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: a. indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; b. de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen; c. of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Het college kan ontheffing verlenen van dit verbod. 3. Onverminderd het in de leden 1 en 2 van dit artikel bepaalde, het bepaalde bij of krachtens de Plantenziektenwet en het bepaalde in artikel 4.10G kan aan degene die krachtens zakelijk of persoonlijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is te beschikken over een houtopstand, en welke houtopstand door het college is aangewezen als ziek en naar hun oordeel gevaar oplevert voor de verspreiding van die ziekte, door het college de verplichting worden opgelegd die houtopstand te vellen of op een andere door het college te bepalen wijze te behandelen, een en ander overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen en binnen een door hen te bepalen termijn.
Artikel 4.11 (artikel I, onderdeel S, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4.11 Afstand heesters, heggen en bomen tot de erfgrenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heggen en heesters.
Artikel 4.11 [vervallen]
Artikel 4:13 (artikel I, onderdeel T, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen en dergelijke 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a. onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; b. bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; c. kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; d. mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 4:13 [vervallen]
Artikel 4:15 artikel I, onderdeel U, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:15 Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclame e.d. 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.
Artikel 4:15 [vervallen]
2. Het verbod geldt niet voor onverlichte: a. opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de weg; b. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; c. opschriften of aankondigingen op of aan een , mits deze geen grotere oppervlakte hebben dan 0,50 m2 en de langste zijde korter is dan 1,00 meter, waarbij de opschriften of aankondigingen betrekking hebben op: - onroerende zaak gezamenlijk - een openbare verkoping of een aanbieding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben of - het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd. d. opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; e. opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. 3.
Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: a. van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het college; b. het college niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; c. deze opschriften of aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. 4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. 5. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak; 6. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 7. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover: a. er sprake is van een activiteit waarvoor een vergunning is vereist in de zin van de Omgevingswet, en het gevaar en de hinder betrokken zijn bij de afweging of b. in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening. Artikel 4:17 (artikel I, onderdeel V, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4:17 [vervallen]
Artikel 4:18 (artikel I, onderdeel W, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerplaats dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. 2. Met uitzondering van door het college aangewezen plaatsen geldt het verbod op kamperen niet voor het gedurende een korte periode plaatsen en geplaatst houden van een eenvoudig (nachtelijk) onderkomen van maximaal 7 m2 voor het gebruik door
Artikel 4:18 [vervallen]
3. 4. a. b. 5.
sportvissers tijdens de uitoefening van de hengelsport. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stadsgezicht. Op de ontheffing zoals bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4:19 (artikel I, onderdeel X, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid.
Artikel 4:19 [vervallen]
Artikel 5.1 (artikel I, onderdeel Y, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:1 Begripsbepaling a. Voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; b. Parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder c van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).
Artikel 5:1 [vervallen]
Artikel 5:2 (artikel I, onderdeel Z, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: a. het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; b. het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: a. voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; b. voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: a. drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; b. de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
Artikel 5:2 [vervallen]
Artikel 5:3 (artikel I, onderdeel AA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 1. Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. 3. Op de ontheffing zoals bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 [vervallen]
Artikel 5:4 (artikel I, onderdeel AB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5:4 [vervallen]
Artikel 5:5 (artikel I, onderdeel AC, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:5 Voertuigwrakken 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5:5 [vervallen]
Artikel 5:6 (artikel I, onderdeel AD, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:6 Kampeermiddelen, aanhangwagens e.a. 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, camper, caravan of een ander dergelijk voertuig langer dan zeven achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. 2. Het is verboden een magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. 3. Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid en tweede lid gestelde verboden 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
Artikel 5:6 [vervallen]
5. Op de ontheffing zoals bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 5:7 (artikel I, onderdeel AE, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3. Op de ontheffing zoals bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:7 [vervallen]
Artikel 5:8 (artikel I, onderdeel AF, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren buiten een door het college aangewezen plaats. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. 3. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verboden ontheffing verlenen. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:8 [vervallen]
Artikel 5:9 (artikel I, onderdeel AG, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5:9 [vervallen]
Artikel 5:11 (artikel I, onderdeel AH, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2. Dit verbod is niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; c. op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:11 [vervallen]
Artikel 5:12A (artikel I, onderdeel AI, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:12A Overlast van fiets of bromfiets 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op een openbare plaats te laten staan. 3. Het is verboden op de door het college aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.
Artikel 5:12A [vervallen]
Artikel 5:12B (artikel I, onderdeel AJ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:12B Deelvoertuigen 1. Het is verboden om zonder vergunning
Artikel 5:12B [vervallen]
van het college op of aan de weg voertuigen bedrijfsmatig ter gebruik aan derden aan te bieden; 2. Het college kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren of intrekken indien het aanbieden: a. gevaar of hinder oplevert voor de veiligheid van de gebruikers; b. de verkeersveiligheid in gevaar brengt; c. een nadelige invloed heeft op het milieu; d. afbreuk doet aan de directe leefomgeving; e. onevenredig beslag legt op de openbare ruimte; f. afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.
Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden ingetrokken als de vergunninghouder handelt in strijd met de voorschriften die deel uitmaken van de vergunning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het aanbieden van deelvoertuigen als bedoeld in dit artikel. 3.
Artikel 5:18 (artikel I, onderdeel AK, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd: a. indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; b. indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:18 [vervallen]
Artikel 5:19 (artikel I, onderdeel AL, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5:19 [vervallen]
Artikel 5:20 (artikel I, onderdeel AM, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening. 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.
Artikel 5:20 [vervallen]
Artikel 5:25 (artikel I, onderdeel AN, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:25 Innemen ligplaats 1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het innemen van een ligplaats met een vaartuig aan een in een omgevingsplan aangewezen ligoever, haven of andere gelegenheid die bestemd is om schepen onder te brengen. 3. Het college kan (categorieën) vaartuigen aanwijzen waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. 4. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 5. Het (in het eerste lid genoemde) verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet,
Artikel 5:25 [vervallen]
de wet Milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 5:25A (artikel I, onderdeel AO, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:25A Aanleggen en ankeren 1. Het is verboden met een vaartuig langer dan gedurende ten hoogste drie dagen achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan aan dezelfde plaats aan te leggen. 2. Een vaartuig wordt geacht gedurende drie achtereenvolgende dagen of gedeelten daarvan op dezelfde plaats te hebben gelegen, indien dat vaartuig op die plaats wordt aangetroffen op enig tijdstip van de eerste van de drie dagen en op enig tijdstip van de eerste dag na die drie dagen. 3. Het vaartuig wordt geacht op dezelfde plaats te zijn gebleven indien het vaartuig binnen een straal van 500 meter gerekend vanaf de in lid 1 bedoelde aanlegplaats wordt aangetroffen. 4. Het is de rechthebbende op een vaartuig verboden, met enig vaartuig binnen vijf dagen nadat het is verplaatst op de in lid 1 bedoelde plaats opnieuw aan te leggen. 5. Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 6. Het is verboden om in een door het college aangewezen gebied met een vaartuig aan te leggen of te ankeren. 7. Het college kan van het verbod in het zesde lid ontheffing verlenen. 8. Het college kan aan het aanleggen of ankeren nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de veiligheid van goederen of personen, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente.
Artikel 5:25A [vervallen]
Artikel 5:26 (artikel I, onderdeel AP, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats 1. Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college
Artikel 5:26 [vervallen]
aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement of door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5:27 (artikel I, onderdeel AQ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid bepaalde.
Artikel 5:27 [vervallen]
Artikel 5.31F (artikel I, onderdeel AR, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31F Ligplaatsverbod buiten woonschepenhaven 1. Het is verboden met een woonschip een ligplaats in te nemen of een ligplaats voor een woonschip beschikbaar te stellen buiten
Artikel 5.31F [vervallen]
2.
de door de gemeenteraad aangewezen gedeelten van het openbaar water (woonschepenhaven) in de gemeente. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een woonschip dat op doorreis is en/of niet langer dan zeven dagen binnen de gemeente ligplaats inneemt op een door of namens het college daartoe aangewezen plaats. De periode van zeven dagen wordt verlengd met het aantal dagen waarop wegens de toestand van het vaarwater of van het weer de reis niet kan worden voortgezet.
Artikel 5.31G (artikel I, onderdeel AS, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31G Ligplaatsvergunning 1. Op de op grond van artikel 5.31F, eerste lid, aangewezen plaatsen mag een woonschip ligplaats innemen en hebben, mits de eigenaar van het woonschip beschikt over een ligplaatsvergunningvan het college van burgemeester en wethouders. 2. Een ligplaatsvergunning wordt in ieder geval geweigerd indien: a. de eigenaar al een ligplaatsvergunning op naam heeft; b. voor de ligplaats al vergunning is verleend; c. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het woonschip niet wordt gebruikt voor permanente bewoning; d. het niet aannemelijk is dat de aanvrager binnen vier weken na het indienen van de aanvraag met het woonschip de plaats waarvoor de ligplaatsvergunning is aangevraagd, kan innemen; 3. De eigenaar dient het schip zelf permanent te bewonen en op grond daarvan ook ingeschreven te staan in de Gemeentelijke basisadministratie. 4. Het college kan aan de ligplaatsvergunning voorschriften en beperkingen verbinden, alsmede nadere regels stellen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid en de veiligheid. 5. De ligplaatsvergunning wordt gesteld op naam van de eigenaar en vermeld de plaatsaanduiding van de desbetreffende
Artikel 5.31G [vervallen]
6.
7.
8.
ligplaats, de bijbehorende voorzieningen en de kenmerken van het woonschip. Het bepaalde in lid 2 sub a is niet van toepassing indien het een aanvraag betreft voor een woonschip, waarvan het eigendom is verkregen via vererving. Het college kan ontheffing verlenen van het lid 2 en 3 bepaalde. Het college kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden. Op de ligplaatsvergunning en de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.31H (artikel I, onderdeel AT, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31H Overdragen ligplaatsvergunning 1. De vergunninghouder kan de ligplaatsvergunning niet overdragen aan een opvolgend eigenaar. 2. Op aanvraag van de vergunninghouder en van de rechtverkrijgende schrijft het college de vergunning over op de naam van de opvolgend eigenaar.
Artikel 5.31H [vervallen]
Artikel 5.31I (artikel I, onderdeel AU, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31I Verandering, verbouwing, vervanging – wijziging ligplaatsvergunning 1. Indien de eigenaar voornemens is het woonschip te vervangen dan wel het woonschip uitwendig te veranderen of bouwsels of opbouwen aan te brengen, dient vooraf bij het college een aanvraag tot wijziging van de ligplaatsvergunning te worden ingediend. 2. De vergunninghouder is verplicht op eerste aanzegging door het college, de veranderingen, die zonder of in strijd met de ligplaatsvergunning zijn aangebracht te verwijderen en het woonschip in oorspronkelijke staat te herstellen.
Artikel 5.31I [vervallen]
Artikel 5.31J (onderdeel AV van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31J Aansluiting aan drinkwaterleiding De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten aan het distributienet van de openbare waterleiding.
Artikel 5.31J [vervallen]
Artikel 5.31K (Onderdeel AW, van het wijzigingsbesluit) wordt als: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31K Aansluiting aan de riolering De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat het woonschip is aangesloten aan een openbaar riool.
Artikel 5.31K [vervallen]
Artikel 5.31L (artikel I, onderdeel AX, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
1.
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31L Intrekken ligplaatsvergunning Het college kan de ligplaatsvergunning intrekken indien: a. de ligplaatsvergunning ten gevolge van onjuiste opgaven of informatie is verleend; b. de gegevens in de ligplaatsvergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie; c. niet wordt voldaan aan de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften; d. het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft afbreuk doet aan het aanzien van de gemeente; e. het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft niet voldoet aan eisen van veiligheid en gezondheid; f. het woonschip waarop de vergunning betrekking heeft zonder toestemming van het college gedurende een langere periode dan 8 aaneengesloten weken niet op de vergunde ligplaats is gelegen; g. op de ligplaats voorzieningen aanwezig zijn die niet zijn vermeld op de ligplaatsvergunning.
Artikel 5.31L [vervallen]
h. de boot wordt verhuurd en de eigenaar niet zelf op het woonschip woont.
Artikel 5:31M (artikel I, onderdeel AY, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5.31M Tijdelijke ontheffing 1. Het college kan voor het innemen of hebben van een ligplaats buiten de woonschepenhaven slechts een tijdelijke ontheffing verlenen ten behoeve van: a. een woonschip waarvan de gebruiker een functie vervult bij de uitvoering van werken van tijdelijke aard in de gemeente, mits de gebruiker voor de aanvang van het werk geen inwoner was van de gemeente Smallingerland; b. een woonschip waarvan naar het oordeel van het college genoegzaam is aangetoond dat het bestemd is ter vervanging van een woonschip waarvoor op grond van artikel 5:31G een vergunning is verleend. 2. Het bepaalde in artikel 5:31G, lid 4, is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.31M [vervallen]
Artikel 5:32 (artikel I, onderdeel AZ, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:32 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
Artikel 5:32 [vervallen]
b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.0 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5:33 (artikel I, onderdeel BA, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere
Artikel 5:33 [vervallen]
b.
c.
d.
e.
4. a. b.
5. 6.
krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als "toestel". Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:34 (artikel I, onderdeel BB, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben, waarbij in de openlucht afvalstoffen worden verbrand. 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.
Artikel 5:34 [vervallen]
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 4. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.