Bijlage 1 - BOPA onderbouwing Skoallereed
Tekst van het document
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning)
Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving 13 augustus 2024
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) Onderbouwing effecten fysieke leefomgeving
COLOFON Opdrachtgever
: Postma
Auteur
: E. Venema
Rapportnummer
: 22-753-46
Versie
: Rev. 1.1
Datum
: 13 augustus 2024
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Aanleiding Projectgebied Het omgevingsplan Leeswijzer
1 1 1 1 2
2 2.1 2.2 2.3
Projectbeschrijving Uitgangssituatie Voorgenomen ontwikkeling Inpassing bij omgevingswaarden
4 4 5 7
3 3.1 3.2 3.3
Beleid en regelgeving Rijksbeleid en rijksregels Provinciaal beleid en provinciale regels Gemeentelijk beleid
10 10 11 12
4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu 4.1 Algemeen 4.2 Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand 4.3 M.e.r.-beoordeling 4.4 Cultuurhistorische waarden 4.5 Beschermen van gezondheid 4.6 Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering 4.7 Geluidaandachtsgebieden 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Bodemkwaliteit 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Omgevingsveiligheid 4.12 Natuur 4.13 Waterparagraaf 4.14 Kabels, leidingen en beperkingsgebieden
14 14 14 15 15 17 17 18 19 19 20 20 20 23 24
5 5.1 5.2 5.3
Uitvoerbaarheid Algemeen Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
25 25 25 26
6 6.1 6.2 6.3
Afweging en conclusie Algemeen Afweging Conclusie
27 27 27 27
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5
Verkennend bodemonderzoek Ecologische beoordeling Stikstofberekening Uitgangspuntennotie watertoets Participatieverslag
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Ten noordoosten van Oudega ligt een bebouwinglint met vrijstaande woningen aan de Skoallereed. Dit lint maak samen met de percelen aan de Mounehoek, deel uit van een ruim opgezet landelijk bebouwingscluster. In het lint aan de westkant van de Skoallereed is een ruime boskavel aanwezig. De eigenaar van deze kavel heeft bij de gemeente Smallingerland het verzoek ingediend om op een deel van deze kavel een nieuw woonhuis te mogen realiseren. De gemeente Smallingerland is bereid gevonden om medewerking te verlenen aan het opstarten van een ruimtelijke procedure hiervoor. Hiervoor is een omgevingsvergunning Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit (Bopa) noodzakelijk en aangevraagd. Deze onderbouwing vormt een toelichting op de aanvraag omgevingsvergunning en toetst het bouwplan aan de geldende beleidskaders en instructieregels en aan en de, voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten.
1.2
Projectgebied Het projectgebied ligt aan de westkant van de Skoallereed, tussen huisnummers 1 en 7. Het betreft een deel van het kadastrale perceel F902 van de voormalige gemeente Oudega. De globale ligging van het projectgebied is weergegeven in figuur 1.1.
Figuur 1.1
1.3
De ligging van het projectgebied
Het omgevingsplan Het projectgebied is geregeld in het Omgevingsplan gemeente Smallingerland. Het gaat op moment van schrijven om het ‘tijdelijk omgevingsplan’, dat automatisch op 1 januari 2024 in werking is getreden en waarin primair de verschillende (ontwerp)bestemmingsplannen en de gemeentelijke verordening die betrekking hebben op de leefomgeving en de ‘Bruidsschat’, zijn opgenomen.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
1
1.3.1
Bestemmingsplannen Het projectgebied valt binnen het op 11 juni 2013 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied. Het heeft hierin de bestemming ‘Wonen’, waarop een maximumaantal van 4 wooneenheden is opgenomen. Dit is het bestaande aantal woningen, waarmee het toevoegen van een woning in strijd is met het bestemmingsplan. Een fragment met de verbeelding van het bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2.
Figuur 1.2
Fragment geldend bestemmingsplan
1.3.2
Andere verordeningen Er zijn voor de locatie nog geen andere verordening opgenomen in het omgevingsplan.
1.3.3
De bruidsschat De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het voormalige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. De regels zijn aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Dit is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. De gemeente heeft de taak om uiterlijk in 2032 alle bruidsschatregels hebben verwerkt tot eigen regels, of hebben laten vervallen.
1.4
Leeswijzer Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het project, dat met de Bopa mogelijk wordt gemaakt. Daar wordt zowel de huidige of uitgangssituatie, als de beoogde situatie beschreven en wordt ingegaan op de inpasbaar baarheid van dit project bij de zichtbare waarden. Vervolgens toetst hoofdstuk 3 dit project aan de omgevingsvisies en instructieregels van het rijk en de
2
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
provincie en aan het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 vormt de beoordeling van de en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij de omgevingswaarden en milieu- en gezondheidsaspecten centraal staan. Vervolgens worden in hoofdstuk 5 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het project besproken. Hoofdstuk 6 geeft ten slotte een beknopte afweging en conclusie voor het verlenen van de Bopa.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
3
2
Projectbeschrijving
2.1
Uitgangssituatie De Skoallereed is een nu doodlopende zijweg van de Achterwei, die tot de jaren ’80 aansloot op het Mounepaed, dat doorliep tot Opperburen. Aan deze smalle landweg ligt een bebouwingslint, dat deel uitmaakt van een landelijk bebouwingscluster, dat hoofdzakelijk uit woningen bestaat. Ten westen van het lint ligt nog een solitair woonperceel in het buitengebied en op enige afstand ten oosten van het lint zijn een loonbedrijf en een agrarisch bedrijf gevestigd. Het projectgebied betreft een deel van een brede (ongeveer 60 meter) beboste kavel met een oppervlakte van ruim 1.000 m2. Deze is gelegen tussen twee woonpercelen, nummer 1 en 7, aan de westzijde van de Skoallereed. Een luchtfoto van het projectgebied en de omgeving is weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1
4
Luchtfoto projectgebied
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
Figuur 2.2
2.2
Aanzicht op het projectgebied
Voorgenomen ontwikkeling De aanvraag omvat de ontwikkeling van ongeveer de helft van de kavel tot woonperceel, waarbij één vrijstaand woonhuis met bijgebouw wordt gerealiseerd. De boogde inrichting van het projectgebied is weergegeven in figuur 2.3.
Figuur 2.3
Beoogde inrichting projectgebied
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
5
De woning krijgt een moderne uitstraling, passend bij het landelijk gebied. Er wordt uitgegaan van een lage gootlijn en een nokhoogte van minder dan 8 meter. Daarmee wordt aangesloten bij de bouwregels uit het bestemmingsplan. Enkele gevelaanzichten zijn weergegeven in figuur 2.4.
Figuur 2.4
Gevelaanzichten nieuw woning
Bomenkap Voor de inrichting van het woonerf zal een deel van het bos worden verwijdert. De beplanting in het bos bestaat voor een belangrijk deel uit opschot. De initiatiefnemer heeft de bomen de bomen met een stamomtrek van meer dan 65 cm op 1,30 m hoogte in kaart gebracht. Dit zijn de bomen waarvoor een toestemming nodig is voor de kap. Het resultaat is weergegeven in figuur 2.5. Hieruit blijkt dat er van de 15 aanwezig bomen, 4 worden gekapt. De andere bomen zijn ingepast in het inrichtingsplan, zoals weergegeven in figuur 2.3. Omdat de bomen binnen het (in het kader van de voormalige Boswet) aangemerkte bebouwde kom staan, geldt geen herplantplicht.
Figuur 2.4
6
Boom Nr.
Coördinaten*
1
N 53 07.8159 E 006 00.1979
2
N 53 07.8119 E 006 00.2059
3
N 53 07.8112 E 006 00.2033
4
N 53 07.8069 E 006 00.1991
5
N 53 07.8058 E 006 00.1985
6
N 53 07.7998 E 006 00.2062
7
N 53 07.7977 E 006 00.2063
8
N 53 07.7942 E 006 00.2009
9
N 53 07.7946 E 006 00.2079
10
N 53 07.7973 E 006 00.2130
11
N 53 07.7946 E 006 00.2116
12
N 53 07.8189 E 006 00.2079
13
N 53 07.8069 E 006 00.2132
14
N 53 07.7986 E 006 00.2162
15 N 53 07.7933 E 006 00.2171 * De coördinaten zijn bedoeld om een globaal beeld te schetsen van de situatie en kunnen iets afwijken. De kappen en te handhaven bomden >65 cm
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
2.3
Inpassing bij omgevingswaarden Voor de locatie en de omgeving daarvan zijn geen specifieke omgevingswaarden aangegeven. Wel is van belang dat de ontwikkeling zich voegt in de landschappelijke structuren en kwaliteiten. Daarbij gelden zowel voor het bebouwingslint als voor het landelijk gebied uitgangspunten. Verbetering bebouwingslint Voor het bouwen van de woning wordt gebruik gemaakt van een regeling in de provinciale Omgevingsverordening, voor het verdichten van een bebouwingslint. Deze regeling is opgesteld om verdichting van linten in het buitengebied onder voorwaarden mogelijk te maken. Voorwaarde is dat de omvang van de stedelijke functie is afgestemd op de omgeving. Dit wordt in dit geval bereikt door de woning te toetsen aan de bouwregels voor de andere woningen in het lint. Hieraan wordt voldaan. Belangrijk is verder dat de nieuwe woning leidt tot een landschappelijk aanvaardbare afronding of verdichting van een bebouwingslint of bebouwingscluster en geen afbreuk doet aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. De Skoallereed is een smalle, doodlopende weg, met lintbebouwing aan beide kanten. De gebouwen bestaan uit diverse woningen en schuren van sterk uiteenlopende leeftijd. Het bebouwingscluster Skoallereed/Mounehoek is één van de oudste bebouwingsclusters in de omgeving en is al terug te vinden op kaarten van halverwege de 19 e eeuw.
De huidige bebouwing is van latere datum. In recente jaren zijn er behoorlijk wat vernieuwingen geweest. De naam ‘Skoallereed’ komt van de vroegere school die aan het begin van het pad stond in wat nu een weiland is. Vanuit de cultuurhistorische ontwikkeling van de locatie is het toevoegen van een woning goed voorstelbaar. Het projectgebied ligt volgens de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (zie paragraaf 4.10) aan een historische route, waaraan door de tijd heen verschillende functies gevestigd zijn (geweest). In het begin van de 20ste eeuw ging het om enkele woningen in het huidige lint en enkele historische boerderijplaatsen ten oosten hiervan. Sindsdien is dit langzaam verdicht. De nieuwe woning is vanuit de geschiedenis en het huidige bebouwingsritme van het lint een passende verdichting van het lint en vanuit de regels van de verordening gezien een verbetering van het bebouwingslint. Door het behouden van de bebossing aan de noord- en zuidzijde en het positioneren van de woningen tegenover de erfgrens van de woonpercelen aan de overzijde, wordt de impact voor bestaande woningen geminimaliseerd.
Grutsk op ‘e romte Voor plannen in het landelijk gebied waar extra bouwmogelijkheden worden geboden voor stedelijke functies, zoals wonen, moet op basis van het provinciaal beleid aangegeven worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van de nieuwe functies en hoe het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. In de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' heeft de provincie Fryslân het belang, dat zij hecht aan goede verankeringen van ontwikkelingen in het landschap, aangegeven. Op basis van de uitgangspunten uit deze structuurvisie is de voorgenoemde ontwikkeling getoetst. Het is van belang dat de ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt Oudega in de rand van de Noordelijke Wouden. Dit kenmerkende coulisselandschap ligt globaal tussen Leeuwarden, Dokkum en Drachten. Het is aangewezen als een Nationaal Landschap. Voor het gebied is een aantal kernkwaliteiten bepaald, die de provincie van provinciaal belang acht.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
7
In eerste plaats is de kleinschaligheid van het gebied van belang, met hoge dichtheid aan opstrekkende percelen die richting geven aan het landschap met grensbeplanting van houtwallen en elzensingels. Daarin ligt een dicht netwerk van kleinschalige infrastructuur, verspreide bebouwing of dun bebouwde linten. Het projectgebied ligt in een overgang van het besloten, kleinschalige gebied aan de westzijde van Oudega en het open en meer grootschalige veenweidegebied aan de oostzijde. Deze overgang is in het landschap goed af te lezen in de vorm van een draaiende verkavelingsrichting en de beleefbaarheid van het natuurlijke reliëf. De kernkwaliteiten die de provincie aanwijst beschrijven het landschap op een hoog schaalniveau en geven in mindere mate richting aan de ontwikkelingen op perceelsniveau. Dit geldt in het bijzonder voor de beoogde ontwikkeling, die plaatsvindt binnen een bebouwingscluster. Wel worden de landschapskenmerken als uitgangspunt voor het ontwerp gehanteerd. Voor de inpassing van de woning wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande beplanting op het perceel. Het is op die manier op een landschapseigen wijze ingepast. Door de woning in de rooilijn te plaatsen, de kaprichting van de hoofdvorm haaks op de toegangsweg te kiezen en een lage gootlijn aan te houden versterkt de ingreep het historische beeld van het historische cluster.
Er wordt aansluiting gezocht bij de landschappelijke kernkwaliteiten van de omgeving en vindt adequate inpassing van de woning plaats. Koppelen en verbinden Bij nieuwe functies of uitbreidingen van bestaande functies vraagt de provincie een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. De aanvrager wil hierop inzetten met de volgende (inrichtings)maatregelen: 1. Regenwateropvang: Regenwater wordt opvangen middels regentonnen, zodat in natte periodes overtollig water behouden blijft. Dit water kan vervolgens in droge periodes worden gebruikt voor de bewatering van de tuin. Dit vermindert de druk op het drinkwatersysteem en helpt bij het beheren van regenwaterafvoer. Ook wordt de mogelijkheid onderzocht om regenwater te gebruiken voor bijvoorbeeld het doorspoelen van het toilet. Deze maatregelen zijn aangegeven op de tekeningen bij de aanvraag en kunnen als voorwaarde in de vergunning worden opgenomen.
8
2.
Nestkasten en vleermuiskasten: In de gevel van de nieuwe woning worden nestkasten en vleermuiskasten geïnstalleerd om vogels en vleermuizen aan te trekken en te ondersteunen. Deze diersoorten zijn nuttig voor het ecologisch evenwicht, bijvoorbeeld door het bestrijden van insectenplagen. Deze kasten zijn aangegeven op de bouwtekeningen en kunnen als voorwaarde in de vergunning worden opgenomen.
3.
Behoud en verbetering van beplanting: Van de huidige beplanting op het perceel wordt minimaal 50% in areaal gehandhaafd. De woning wordt op het noordelijk deel van het perceel gesitueerd, waar de minste bomen van formaat gekapt hoeven te worden. Dat betekent dat 2/3 van de bomen wordt gehandhaafd.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
Daarbij wordt een plus op het project gezet door het toepassen van een betere samenstelling van de beplanting, wat bijdraagt bij aan de biodiversiteit door het bieden van habitats voor verschillende diersoorten. Uit het ecologisch onderzoek (bijlage 2) blijkt dat de feitelijke ecologische waarde van het bosperceel beperkt is. Door het treffen van enkele beperkte beheersmaatregelen, zoals het verwijderen van het kale opschot en het toevoegen van voor vogels aantrekkelijke beplanting (zoals gewone vlier, Gelderse roos, kardinaalsmuts, hazelaar en duindoorn) wordt het bosje een kwaliteitsimpuls voor zowel insecten als voor vogels. Deze soort geven het posperceel bovendien een fraaiere en veelzijdige uitstraling. Hiermee wordt het verlies in areaal weer in kwaliteit gecompenseerd. In overleg met de betrokken ecoloog wordt hiervoor een beheersplan gemaakt, dat met de gemeente besproken wordt. Conclusie landschappelijke inpassing De positionering en uitstraling van de woning passen bij het beeld aan de Skoallereed. De woning wordt ingepast tussen te handhaven beplanting, die waar nodig wordt versterkt door nieuwe beplanting die tevens de biodiversiteit verhoogd. De woning sluit op deze manier aan bij de inrichtingsprincipes van de andere woningen in het lint en het project verhoogd de ruimtelijke kwaliteit van de locatie.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
9
3
Beleid en regelgeving
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1
Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken. Het doel is te kiezen voor slimme combinaties van functies, uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. Het projectgebied valt niet in één van deze gebieden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s) Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal besluiten in werking getreden. Het gaat om het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Omgevingsbesluit. Het Bal stelt rijksregels aan (milieu)activiteiten, het Bkl gaat voornamelijk over omgevingswaarden en beperkingengebieden (onder andere natuur en water) en het Bbl stelt regels aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het DSO. Het project wordt aan deze regels getoetst in hoofdstuk 4. Voortbouwend op de hiervoor genoemde AMvB’s, stelt de Omgevingsregeling eisen aan omgevingsplannen in aangewezen gebieden. Het gaat dan om beperkingengebieden van nationaal belang. Deze regeling volgt de voormalige Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) op. Voor het projectgebied gelden geen specifieke beperkingsgebieden die relevant zijn voor het project.
10
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt onder andere voor leefbaarheid en voorkomt leegstand en verpaupering van bebouwing. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie, door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. Dit plan voorziet in de herontwikkeling van bestaand stedelijk gebied. De provincie bevordert verder het natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Daarbij wordt onder andere ingezet op het versterken van de natuur in het stedelijk gebied. Het gaat dan om uitvoeringszaken, zoals speciale stenen toe te passen met invliegmogelijkheden voor vleermuizen of een tuininrichting die biodiversiteit stimuleert. De Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging heeft een checklist opgesteld met 40 punten waarmee bij stedelijke ontwikkeling rekening gehouden kan worden. Voor de ontwikkeling worden geen aanvullende eisen gesteld op dit vlak.
De checklist is bij de initiatiefnemer kenbaar gemaakt als inspiratiekader. Ook het rekening houden met een veranderend klimaat bij nieuwe ontwikkeling een provinciale ambitie. De Provincie streeft naar ‘waterrobuust bouwen’. Dit houdt in dat gebouwen en straten op voldoende hoogte worden aangelegd en dat er voldoende ruimte is voor water in het plan. Paragraaf 4.13 gaat hier verder op in.
3.2.2
Instructieregels provincie Het projectgebied valt binnen het werkingsgebied van de Omgevingsverordening provincie Fryslân. Deze onderbouwing beperkt zich tot hoofdstuk 2, ruimtelijk omgevingsbeleid, voor zover relevant: Artikel 2.1 De omgevingsverordening gaat uit van het principe ‘Omgevingskwaliteiten als basis’. In een omgevingsplan (of afwijking daarvan) wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van FAMKE. Paragraaf 4.4 gaat hierop in. Voor projecten in het landelijk gebied wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte. Paragraaf 2.3 beschrijft dit. Artikel 2.4 Voor projecten in het landelijk gebied vraagt de Omgevingsverordening een onderbouwing te geven van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Paragraaf 2.3 geeft ook deze onderbouwing.
Artikel 2.5 Ook vraagt de Omgevingsverordening de effecten op gezondheid en veiligheid af te wegen, wateroverlast of overstroming vanuit de Friese Boezem te voorkomen en te borgen dat waterrobuust wordt gebouwd. Hoofdstuk 4 beschrijft deze onderwerpen.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
11
Artikel 2.6 De Omgevingsverordening gaat verder uit van het bundelen van stedelijke functies in het bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt buiten de gebiedsaanwijzing ‘bestaande stedelijk gebied’. Daarom wordt gebruik gemaakt van hetgeen is gesteld in artikel 2.25, voor het toevoegen van stedelijke functies in bebouwingslinten en bebouwingsclusters buiten bestaand stedelijk gebied. Dit artikel stelt dat, in afwijking van artikel 2.6, op een perceel in of aansluitend op een bestaand bebouwingslint of -cluster een nieuwe stedelijke functie kan worden toegestaan, mits dit leidt tot afronding of verdichting van het lint of cluster en de omvang van de stedelijke functie is afgestemd op de omgeving. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 wordt hieraan voldaan. Artikel 2.7 Voor het toevoegen van woningen geldt dat deze moeten passen binnen de regionale woningbouwafspraken. Hierop wordt in paragraaf 3.3 getoetst. Het project is hiermee in overeenstemming met de instructieregels.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Smallingerland De gemeenteraad van Smallingerland heeft op 1 maart 2022 de Omgevingsvisie Smallingerland vastgesteld. Hierin staan de principes en doelen die de gemeente Smallingerland heeft voor de inrichting, ontwikkeling en het beheer van de fysieke leefomgeving. De visie schets een toekomstbeeld voor 2040 en beschrijft vier opgaven om dit te realiseren. Het gaat om de volgende opgaven: 1. Actief inzetten op de versterking van Drachten als regionaal verzorgingsgebied. 2. Actief inzetten op de versterking van de innovatieve maakindustrie in Drachten. 3. Versterken van dorpen en wijken op het gebied van levendigheid en aantrekkelijkheid. 4. Versterken van de kwaliteit van het buitengebied. Voor dit plan is opgave 3 meest relevant. Deze opgave gaat over het behoud van al het moois wat er al is. En om het versterken van de omgevingskwaliteit. Maar vooral ook over het slim inspelen op de trends en ontwikkelingen in de gemeente. Voor wonen leidt dit tot de uitwerking ‘Woningen voor iedereen’.
De gemeente wil ervoor zorgen dat ruimte wordt gegeven voor nieuwbouw van woningen en verandering van functies naar wonen, veel verschillende woningen worden gebouwd, ook voor kwetsbare doelgroepen of mensen die minder te besteden hebben, bestaande gebieden worden opgeknapt en nieuwe woongebieden worden gemaakt en er wordt ingezet op woonmilieus met een onderscheidende kwaliteit. Ook moeten er tijdig voorbereidingen worden getroffen voor woningbouwlocaties na 2030. Ook punt 4, het versterken van de kwaliteit van het buitengebied speelt een rol. Er wordt ingezet op behoedzame verstedelijking, waarbij in eerste plaats wordt ingezet op nieuwe woningbouw binnen bestaand stedelijk gebied. Door de inpassing in een bestaand lint en in een al voor wonen bestemd gebied, wordt hierbij aangesloten. Het project vormt een aanvulling op het lint en een passende toevoeging op het woningaanbod. Het sluit op deze manier goed aan op de ambities en opgaven zoals neergelegd in de Omgevingsvisie.
12
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
3.3.2
Regionale afspraken Wonen 2016 - 2026, Woonregio Zuidoost Fryslân Op regionaal niveau zijn afspraken ten aanzien van woningbouw vastgelegd door gemeenten en provincie. De gemeenten Heerenveen, Ooststellingwerf, Opsterland, Smallingerland en Weststellingwerf vormen samen de regio Zuidoost. Op 5 februari 2019 heeft de provincie een brief gestuurd aan de regio Zuidoost met woningbouwafspraken voor de periode 2016 tot 2026. Hierin zijn per gemeente afspraken gemaakt over de maximale binnenstedelijke en buitenstedelijke woningbouwruimte. Voor de gemeente Smallingerland is er een maximale woningbouwruimte van 1.251 woningen voor 2016 tot 2026, met een aandeel van 40% binnenstedelijk en 60% buitenstedelijk. De woning in dit project past binnen de beschikbare buitenstedelijke woningbouwruimte. Daarmee is de behoefte aangetoond en past het voornemen binnen de woningbouwafspraken van regio Zuidoost Fryslân.
3.3.3
Welstandsnota Het welstandsbeleid van Smallingerland is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Smallingerland. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Smallingerland. Door het opstellen van welstandsbeleid wil de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht inrichten. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Smallingerland. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van Smallingerland en het architectonische vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Het projectgebied valt in gebiedstype G1 Buitengebied besloten (Coulisselandschap). Voor het buitengebied is een bijzonder ambitieniveau van kracht.
De nadruk ligt hierbij op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt daarbij op handhaven en respecteren. Het bouwplan is in een vooroverleg met positief resultaat getoetst door de welstandscommissie Hûs en Hiem. Het aangevraagde bouwplan kan daarmee rekenen op een positief welstandsadvies.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
13
4
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
4.1
Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet en de instructieregels uit het Bkl en de provinciale verordeningen (art. 8.0b).
4.2
Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand
4.2.1
Wettelijk kader De Ladder duurzame verstedelijking kan hier onderdeel van zijn (schaarse ruimte, zie ook Bkl: is onderdeel van de paragraaf over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (§ 5.1.5 van het Bkl). Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: 1. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en 2. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
4.2.2
Toetsing en conclusie Dit project stelt het toevoegen van één woning voor. Eén woning is op basis van vaste jurisprudentie ook niet aan te wijzen als een nieuwe verstedelijking. Wel moet vanuit een goede ruimtelijke ordening worden overwogen of er behoefte is voor een woning in dit gebied. Voor de woningbouw in het projectgebied geeft het gemeentelijk woonbeleid, resulterend in een woningbouwprogrammering en regionale woningbouwafspraken, inzicht in de behoefte aan nieuwe woningen. In het woonplan en het daarbij behorende achtergronddocument wordt ingegaan op ontwikkelingen en trends en ook verwachtingen op de woningmarkt. Hieruit wordt geconcludeerd dat de verwachting is dat de bevolking zal blijven toenemen, hoewel de groei langzamerhand afneemt. In de actualisatie van het gemeentelijke woonbeleid is een woningbehoefte berekend van 900 woningen voor de periode 2015-2025. Dit komt neer op 90 woningen per jaar. De provincie Fryslân heeft in januari 2017 de 'de bevolking en huishoudensprognose 2016-2040' vastgesteld. Hierin wordt op termijn een afname van het aantal inwoners verwacht, maar tot nog wel een groei van het aantal huishoudens. Dit komt vooral door de samenstelling van de huishoudens.
Wat betreft de locatie wordt opgemerkt dat er een verschil bestaat tussen wat het bestemmingsplan en de provinciale verordening als grens tussen stedelijk gebied en landelijk gebied hanteert en hoe de landelijk wetgeving dit beoordeeld. In het Bro wordt uitgegaan van een samenhangende
14
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
bebouwing ten behoeve van stedelijke functies. Het projectgebied ligt in een samenhangende bebouwing, bestaande uit woonhuizen. Het terrein is zelf ook bestemd voor wonen. Daarmee is er vanuit de motivering van duurzame verstedelijking sprake van bestaand stedelijk gebied, waarbij geen noodzaak is om te beoordelen of de woning elders in de bebouwde kom gerealiseerd kan worden. Kwalitatief zet het project in op een logische invulling van een al voor wonen bestemd gebied, waarbij kansen bestaan voor een opwaardering van de ruimtelijke kwaliteit. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling die dit project mogelijk maakt, voldoet aan het uitgangspunt van duurzame verstedelijking. De vraag naar woningen overstijgt het aanbod. Het plan komt tot stand via inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied en doet daarbij ook recht aan de ruimtelijke kwaliteit van deze omgeving. Er is daarmee sprake van duurzame verstedelijking.
4.3
M.e.r.-beoordeling
4.3.1
Wettelijk kader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is wordt afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. De lijst bestaat uit vier kolommen, waarbij in kolom 1 de betreffende projecten zijn benoemd, in kolom 2 de mer-plichtige activiteiten zijn opgenomen in kolom 3 de mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Kolom 4 geeft aan bij welke besluiten de project-mer-(beoordelings)plicht geldt. Waar een omgevingsplan wordt genoemd, geldt dat ook een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt bedoeld.
4.3.2
Toetsing en conclusie Met dit project wordt één woning in een bestaand woonlint mogelijk gemaakt. Er hoeven geen andere ontwikkelingen plaats te vinden, zoals de aanleg van nieuwe infrastructuur. Daarnaast is slechts sprake van een perceelsgebonden ontwikkeling die geen relatie heeft met andere percelen of andere functies in de omgeving, waarbij geen sprake is van een complex project, waar meerdere woningen, winkels of bedrijven worden gevestigd dan wel op stedelijke voorzieningen die een betekenis hebben voor het dorp. Op basis hiervan kan het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject. Een m.e.r.-beoordeling is niet aan de orde. Overigens blijkt uit de beoordeling in de navolgende paragrafen dat er geen belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden.
4.4
Cultuurhistorische waarden
4.4.1
Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
15
4.4.2
Archeologie In de wet zijn archeologische resten beschermd. Het basisbeginsel van de archeologie is sinds 2007; behoud ‘in situ’ ofwel in de bodem op de plek zelf. Slechts bij hoge uitzondering worden nog archeologische opgravingen uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische in bepaalde gebieden zijn op basis van landschappelijk, historisch en archeologisch onderzoek archeologische gemeentelijke verwachtingskaarten opgesteld. De gemeente sluit aan bij de provinciale Fryske Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op basis van de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) van de provincie heeft het projectgebied geen hoge archeologische verwachtingswaarde. Bij ingrepen groter dan 5.000 m2 wordt het uitvoeren van archeologisch onderzoek geadviseerd. De ontwikkeling blijft hier ruim onder. De totale kavel heeft een oppervlakte van ongeveer 2.500 m 2. Vanuit de archeologie bestaan geen belemmeringen voor het project. Mochten bij de werkzaamheden onverhoopt toch archeologisch resten worden aangetroffen, dan geldt op grond van de wetgeving een meldingsplicht bij het bevoegd gezag.
4.4.3
Andere cultuurhistorische waarden Volgens de Cultuurhistorische Kaart (CHK) zijn in de omgeving verschillende routes met een cultuurhistorische betekenis, waaronder de Achterwei en de Skoallereed. Verder zijn er in de omgeving, op enige afstand, enkele historische boerderijplaatsen aanwezig. Een fragment van de CHK is weergegeven in figuur 4.1. Binnen het projectgebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden binnen het projectgebied. Daarom is geen nader onderzoek noodzakelijk naar het aspect cultuurhistorie. Zoals beschreven in paragraaf 2.3 doet de toevoeging van de woning op de voorgestelde wijze recht aan de historie van dit gebied.
Figuur 4.1
16
Fragment CHK Fryslân
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
4.5
Beschermen van gezondheid
4.5.1
Wettelijk kader Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3 sub a). De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet wordt dit aspect breed gemotiveerd. Van belang is dat de kwaliteit van de leefomgeving door de activiteit verbetert of in elk geval niet (onevenredig) verslechtert. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen gemotiveerd. Deze paragraaf beperkt zich tot het beschermen van gezondheid in algemene zin. Dus op de vraag of er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.
4.5.2
Toetsing en conclusie Met dit project hangen geen bijzondere omstandigheden samen, waardoor het verlenen van de vergunning in potentie leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid.
4.6
Bedrijfsactiviteiten en milieuzonering
4.6.1
Wettelijk kader Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies, maar ook om te zorgen dat bedrijfsactiviteiten niet worden beperkt. De VNG uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering’ biedt hiervoor een handvat. Deze nieuwe uitgave gaat over activiteiten als bedoeld in de paragrafen 5.1.4.2 (Geluid door activiteiten) en 5.1.4.6 (Geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvoor instructieregels zijn opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied. Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van systematiek uit de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Dit is mogelijk omdat de achterliggende richtwaarden (45 dB(A) Lden in een rustige woonomgeving en 50 dB(A) Lden in een gemengd gebied) vergelijkbaar zijn met de waarden die zijn gehanteerd bij het bepalen van de afstanden uit de eerdere systematiek.
In het Bkl worden de geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. In het kader van de afweging van een evenwichtige toedeling van functies, zijn worden ook andere verblijfsobjecten beoordeeld.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
17
4.6.2
Toetsing en conclusie De woning wordt ingepast in een bebouwingslint waar alleen woningen staan. Aan alle zijden zijn enkel woningen aanwezig. De meest nabijgelegen bedrijfspercelen ligt aan de westzijde, op ruim 100 meter vanaf het projectgebied. Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Bovendien staan er tussen het projectgebied en de bedrijfspercelen al woningen. Er is daarmee sprake van een verantwoorde milieuzonering.
4.7
Geluidaandachtsgebieden
4.7.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid in relatie tot een hoge geluidbelasting zijn geluidaandachtsgebieden bepaald. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Dit is aspect is behandeld in paragraaf 4.6. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Voor provinciale- en rijkswegen geldt dat de provincie c.q. het rijk verantwoordelijk is voor geluid langs de wegen.
Om de onbeheerste groei aan geluid tegen te gaan, zal het systeem van Geluidproductieplafonds (GPP) worden gebruikt. Voor 2026 moeten de Geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld, blijft de Wet geluidhinder van toepassing. In tabel 5.78t zijn standaardwaarden voor geluid op geluidsgevoelige gebouwen als gevolg van wegverkeer opgenomen. Voor gemeentewegen is dit 53 dB (etmaalintensiteit).
4.7.2
Toetsing en conclusie Voor gemeentelijke wegen geldt dat er van rechtswege geluidaandachtsgebieden gelden (200 meter bij wegen met 1 of 2 rijstroken). Gemeente moeten hier de basisgeluidemissie van de wegen te bepalen en monitoren. Dit geldt in principe alleen voor wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal. Op de Skoallereed is sprake van een zeer lage verkeersintensiteit. Deze weg is daarmee niet relevant. De meest nabijgelegen relevante weg is de Achterwei. Deze ligt op ruime afstand. Op basis van de functie en inrichting van de omliggende wegen kan worden geconcludeerd dat de standaardwaarde van 53 dB niet wordt overschreden. Ter plaatse van de woningen is geen hoge geluidsbelasting te verwachten. Door het voldoen aan de standaardeisen voor de geluidsgevelwering, namelijk minimaal 20 dB, wordt tevens voldaan aan het aanvaardbaar geachte binnenniveau van 33 dB.
18
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
4.8
Luchtkwaliteit
4.8.1
Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
4.8.2
Toetsing en conclusie In Fryslân zijn geen algemene knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de luchtkwaliteitskaart op de Atlas Leefomgeving blijkt dat in Smallingerland aan de wettelijke normen wordt voldaan. Met dit project worden één woning gerealiseerd. Daarmee geldt voor dit plan de NIBM-regeling. Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.
4.9
Bodemkwaliteit
4.9.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.
4.9.2
Toetsing en conclusie In het kader van het project is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 1. Op basis van de onderzoeksresultaten worden geconcludeerd dat, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen verwacht worden ten aanzien van de voorgenomen nieuwbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
19
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1
Wettelijk kader Verkeer en parkeren worden gezien als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.
4.10.2
Verkeersafwikkeling De verkeersafwikkeling vindt in principe plaats via de Skoallereed op de Achterwei. Beide wegen zijn smalle landwegen. Op de Achterwei is sprake van een eenrichtingsverkeer, waarmee is deze voldoende overzichtelijk. Op de Skoallereed zijn in de nieuwe situatie 12 woningen ontsloten. Op basis van de kentallen zouden deze elk 8 mvt/etmaal aan verkeersgeneratie opleveren. Dit zou neerkomen op ongeveer 100 mvt/etmaal. Dat komt neer op één auto per 6 minuten (uitgaande van al het verkeer in 10 uren in de dagperiode). Dit levert, ondanks de gering breedte van de weg, geen knelpunten op. Er is voor de ontsluiting van één extra woning geen aanpassing van de verkeerssituatie nodig.
4.10.3
Parkeren Ten aanzien van parkeren geldt dat voor de woning minimaal 2,3 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Hiervan is 0,3 voor bezoek. Langs de weg is, door de geringe breedte, geen mogelijkheid voor parkeren. Op het terrein is voldoende ruimte om voor drie auto’s een parkeerplaats aan te leggen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente.
4.11
Omgevingsveiligheid
4.11.1
Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.
4.11.2
Toetsing en conclusie Uit de kaarten van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de directe omgeving van het projectgebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het projectgebied ligt ook niet in het invloedgebied van risicobronnen op grotere afstand. Vanuit dit aspect bestaan dan ook geen belemmeringen voor dit project.
4.12
Natuur
4.12.1
Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura
20
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). In het kader van het project is een ecologische beoordeling uitgevoerd. Dit gaat in op zowel gebiedsbescherming, als soortenbescherming. De resultaten zijn in navolgende paragrafen beschreven. De ecologische beoordeling is opgenomen in bijlage 2. 4.12.2
Gebiedsbescherming Het plangebied valt buiten Natura 2000-gebied de Alde Feanen. Negatieve effecten door externe werking door trillingen, geluid en oppervlakte verlies zijn gezien de relatief grote afstand (2,5 kilometer) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (de Alde Feanen) grotendeels uit te sluiten. Het plangebied valt ook buiten de begrenzing van het NNN. Projecten waarbij stikstofuitstoot wordt verwacht, worden getoetst aan de instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000. Enkele instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebied ‘de Alde Feanen’ zijn gevoelig voor stikstofdepositie. In de ecologische beoordeling wordt benoemd dat het aan het bevoegd gezag is te beoordelen of een stikstofberekening vereist is. Deze stikstofberekening is op voorhand uitgevoerd en opgenomen in bijlage 3. Aangezien het nieuwe woonhuis gasloos uitgevoerd moet worden, is er geen sprake van gebouwgebonden emissies. Wel heeft de kleine toename van verkeer (op basis van de CROW kentallen 8 mvt/etmaal) mogelijk een effect. Daarnaast leidt de aanlegfase tijdelijk tot een emissie van stikstof vanuit mobiele werktuigen en transport. Met name bij de aanleg van de fundering en voor de bouw van het casco is er sprake van inzet van zwaar materieel.
Dit is nog niet precies bekend wat de inzet zal zijn, maar op basis van vergelijkbare werken wordt uitgegaan van: Ruwbouw: o Grondwerk bouwrijpfase + bouwput: 5 dagen * 6 uren per dag * 20 liter/uur = 600 liter o Heistelling: 3 dagen * 6 uren per dag * 20 liter/uur = 360 liter o Betonpomp: 5 dagen * 6 uren per dag * 20 liter/uur = 600 liter o Mobiele kraan: 5 dagen * 6 uren * 15 liter/uur = 450 liter o Divers klein materieel 50% inzet, 4 maanden = 17 weken (36u) = 306 uren * 10 liter/uur = 3.060 liter Afbouw: o Divers klein materieel 20% inzet, 8 maanden = 35 weken (36u) = 252 uren * 10 liter/uur = 2.520 liter Totaal 7.600 liter diesel in 666 draaiuren. O.b.v. diverse bronnen 6% AdBlue representatief, dus 450 liter AdBlue. Voor personeel en kleine leveringen wordt uitgegaan van 8 mvt per werkdag. Om direct de gebruiksfase (365*8=2.920 mvt/jaar) te berekenen, is dat in hetzelfde jaar ingevoerd. Hieruit volgt dat de aanlegfase en gebruiksfase niet leidt tot een toename van de stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j. Op basis hiervan wordt concludeert dat er geen sprake is van significante stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelig gebied.
4.12.3
Soortenbescherming Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt niet verwacht dat het planvoornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden omtrent beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora. Op enkele plaatsen werden mogelijke vleermuisverblijfplaatsen aangetroffen in de bomen direct langs de weg (Skoallereed). Deze Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
21
bomen worden niet geruimd in het planvoornemen. Het is daarmee uitgesloten dat er vleermuisverblijfplaatsen verloren gaan. Wel dient men, zowel tijdens als na de realisatie, lichtverstrooiing richting deze bomenrij te voorkomen omdat hier twee potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn. Tijdens het broedseizoen kunnen broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Daarom wordt aangeraden buiten het vogelbroedseizoen te werken. Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen (bomenkap uitvoeren in één richting) en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop. Door rekening te houden met de hiervoor genoemde voorwaarden kan in redelijkheid worden uitgesloten dat het project negatieve effecten op verblijfsplaatsen of leefgebied van beschermde soorten heeft. Het project leidt daarmee niet tot conflicten met de regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Vanwege de gewijzigde wetgeving wordt de ecologische beoordeling nog op onderdelen geactualiseerd. 4.12.4
Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m²) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een melden/of herplantingsplicht. Het bosperceel omvat ruim 1.000 m². Het planvoornemen is de kap van ongeveer 500 m². De grenzen van de bebouwde kom zijn bepaald op basis van de kaart ‘Bebouwde kom Boswet’ van de gemeente Smallingerland. Het projectgebied ligt dus binnen de bebouwde kom. De fragment van deze kaart is weergeven in figuur 4.1. Er is daarom geen meld- en/of herplantingsplicht benodigd.
Figuur 4.2
22
Grens bebouwde kom
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
4.13
Waterparagraaf
4.13.1
Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een project wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water. De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden.
4.13.2
Weging van het waterbelang De watertoets is het rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. Het project ligt in het beheergebied van het Wetterskip Fryslân. Via de digitale watertoets is het project kenbaar gemaakt bij het wetterskip. Hieruit volgt dat de waterbelangen beperkt zijn. Er geldt een korte procedure voor de watertoets. De uitgangspuntennotitie is opgenomen in bijlage 4. Waterveiligheid Het projectgebied ligt niet binnen de beschermingszones van waterkeringen. De waterveiligheid is met dit project niet in het geding. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het projectgebied wordt hierop geanticipeerd door de buitenruimte zo groen mogelijk in te richten en door de toepassing van een sedumdak. Het percentage verharding wordt hiermee gereduceerd.
Waterafvoer/berging Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen.
Oudega, Skoallereed F902 (nieuwbouw woning) 22-753-46 | Rev. 1.1
23
Compensatie is nodig bij een toename aan verharding van meer dan 1.500 m 2 in het landelijk gebied en 200 m2 in het stedelijk gebied. In de omgeving van het projectgebied is sprake van een landelijk afwateringssysteem. Echter, op basis van de kaarten van de waterschapsverordening geldt dat het projectgebied in de bebouwde kom ligt. Het plan leidt tot een verhardingstoename van net geen 200 m2. De woning wordt ongeveer 100 m2 en de overige verhardingen tellen op tot ongeveer 90 m2. Het is daarom niet nodig om hiervoor compenserende maatregelen te treffen. Overigens is er ruimte voor de aanleg van een smalle sloot langs de achterzijde van het perceel, waarop afgewaterd en vervolgens geïnfiltreerd kan worden. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het projectgebied wordt hierop geanticipeerd door het percentage verhard oppervlak te verminderen en het projectgebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen.
Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Het onderhavige plan draagt hieraan bij door spaarzaam om te gaan met verharding. Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Schoon hemelwater wordt afgekoppeld op de aan te leggen waterberging.