Bijlage 1 - Advies ondertekend geanonimiseerd (1)
Tekst van het document
Docnr1
ADVIES COMMISSIE BEZWAREN EN KLACHTEN kamer algemene zaken aan de gemeenteraad van de gemeente Smallingerland
Datum:
25 april 2024
Zaaknummer:
IP 2023-064906
Onderwerp:
Het bezwaarschrift van 25 oktober 2023 gericht tegen het raadsbesluit van 12 december 2023 waarbij de kadastrale percelen gelegen in Drachten, sectie E, nummer 2140, groot 10,012 ha zijn aangewezen als gronden waarop een voorkeursrecht is gevestigd op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten.
Bezwaarmaker:
5.1.2.e
Namens de gemeenteraad:
5.1.2.e
juridisch beleidsmedewerker, team
Concern senior beleidsmedewerker, team REO (Ruimtelijke en Economische Ontwikkeling)
5.1.2.e
Commissieleden:
5.1.2.e 5.1.2.e 5.1.2.e
Secretaris:
Mevrouw S. Bloemhof
Bijlagen:
I. Juridisch kader
voorzitter lid lid
Advies: De commissie adviseert: het bezwaarschrift van 25 oktober 2023 ongegrond te verklaren. - het bestreden besluit van 12 december 2023 in stand te laten.
Pagina 1 van 15
1.
Verloop van de procedure
Op 6 oktober 2020 heeft de gemeenteraad de Woonvisie vastgesteld. In de Woonvisie is de ambitie uitgesproken om 1.000 nieuwe woningen te realiseren. Het college heeft in het collegeprogramma opgenomen om voor 2030 nog 500 extra woningen te realiseren.
Bij besluit van 28 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: college) besloten om de gronden van het Fries Congres en Paardencentrum voorlopig aan te wijzen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 Wet voorkeursrecht gemeenten (hierna: Wvg) van toepassing zijn. Dit besluit is op 4 oktober 2023 gepubliceerd. Op 4 oktober 2023 is het besluit bekend gemaakt. In de bekendmaking is aangegeven dat bezwaar kan worden ingediend bij het college.
Het besluit van het college is bij brief van 2 oktober 2023 meegedeeld aan 5.1.2.e (hierna: bezwaarmaker) Bezwaarmaker heeft bij brief van 25 oktober 2023 bezwaar gemaakt tegen het collegebesluit van d.d. 28 september 2023.
De gemeenteraad heeft de vestiging van het voorkeursrecht behandeld in de ronde tafel van 31 oktober 2023 en 28 november 2023. In de ronde tafel verzamelt de gemeenteraad feitelijke informatie die relevant is voor besluitvorming en kan er worden ingesproken. Bezwaarmaker heeft bij brief van 27 november 2023 zijn inbreng schriftelijk kenbaar gemaakt bij de gemeenteraad.
Het college heeft bij brief van 6 december 2023 aan de gemeenteraad een reactie gegeven op de zienswijze van bezwaarmaker. De gemeenteraad heeft de vestiging van het voorkeursrecht behandeld in het debat op 12 december 2023. De gemeenteraad heeft op 12 december 2023 de definitieve aanwijzing door middel van een raadsbesluit bekrachtigd en heeft ingestemd met de beantwoording van de naar voren gebrachte zienswijzen. Het besluit van de gemeenteraad is op 21 december 2023 bekend gemaakt.
Het raadsbesluit is bij brief van 14 december 2023 aan bezwaarmaker meegedeeld. In de brief is aangegeven dat het bezwaarschrift van 25 oktober 2023 tegen het besluit van het college ingevolge artikel 6, lid 3 Wvg ook wordt geacht te zijn ingediend tegen het besluit van de gemeenteraad van 12 december 2023. De standpunten van partijen zijn op 4 april 2024 besproken in een hoorzitting bij de bezwarencommissie. Van de hoorzitting is een audio opname gemaakt, die op verzoek kan worden toegezonden en bij beroep kan worden uitgewerkt.
Pagina 2 van 15
2.
Standpunten van partijen
2.1 Standpunt van bezwaarmaker
Bezwaarmaker heeft de volgende punten van bezwaar ingediend:
Bezwaarschrift 25 oktober 2023 Bezwaarmaker is van oordeel dat het college niet meer het recht toe komt om een beroep te doen op de Wvg, nu het college eerder in de gelegenheid is gesteld om het perceel te verkrijgen van bezwaarmaker en 5.1.2.e Het college maakt gelet hierop volgens bezwaarmaker onmiskenbaar misbruik van de bevoegdheid om een beroep te doen op de Wvg. Hiermee wordt volgens bezwaarmaker de zorgvuldigheidsnorm geschonden. Bezwaarmaker is voornemens de percelen te verkopen aan Bureau Breimer. Het voorkeursrecht belemmert de levering van de percelen Oprijlaan 1, 3 en 5 aan Bureau Breimer. Bezwaarmaker sommeert het college om uiterlijk maandag 30 oktober 2023 om 16.00 uur het voorkeursrecht in te trekken en de inschrijving in het kadaster door te halen. Zienswijze 27 november 2023 Bezwaarmaker heeft in zijn zienswijze van 27 november 2023 aan de gemeenteraad verwezen naar zijn bezwaarschrift van 25 oktober 2023 en de zienswijze van het college van 15 november 2023. In de zienswijze gaat bezwaarmaker in op de volgende punten: - Rechtsverwerking Het college heeft de gemeenteraad op het verkeerde been gezet door onjuist dan wel onvolledige informatie te verstrekken over de onderhandeling met eigenaren. - Misbruik van bevoegdheid Bezwaarmaker is van oordeel dat het college de gemeenteraad voor het karretje wil spannen.
Het college doet een poging om de Wvg door de gemeenteraad in te zetten - Schending gelijkheidsbeginsel Het college behandelt de eigenaren van de percelen Oprijlaan 1,3 en 5 anders dan de eigenaren van de omliggende percelen die in dezelfde omstandigheden verkeren. - Verbod op willekeur Het college oefent het voorkeursrecht uit voor een ander doel dan waarvoor dit recht is bedoeld. Volgens bezwaarmaker past het college het voorkeursrecht toe met als doel om de percelen Oprijlaan 1,3 en 5 voor een lagere prijs te verkrijgen dan waarvoor de eigenaren het perceel op 1 juni 2023 aan de gemeente hebben aangeboden.
Door de vestiging van het voorkeursrecht kan bezwaarmaker het perceel niet leveren aan Bureau Breimer terwijl zij hiertoe wel gehouden zijn. Bezwaarmaker houdt de gemeente aansprakelijk voor de geleden schade. 2.3 Standpunt van de gemeenteraad De gemeenteraad heeft op 11 maart 2024 een reactie gegeven op het ingediende bezwaarschrift van bezwaarmaker. Rechtsverwerking Dat door het college met bezwaarmaker op een eerder moment is gesproken over de verkoop van grond heeft volgens de gemeenteraad niet tot gevolg dat de gemeenteraad niet meer bevoegd is om een voorkeursrecht op de percelen te vestigen. Met de invoering van de Wvg heeft de wetgever beoogd de positie van gemeenten te versterken bij grondverwerving ten behoeve van de verwezenlijking van ruimtelijk beleid.
Pagina 3 van 15
In het raadsvoorstel is de relatie gelegd met de door de gemeenteraad vastgestelde Woonvisie van 6 oktober 2020. In de Woonvisie is de ambitie uitgesproken om 1.000 nieuwe woningen te realiseren. In het collegeprogramma is opgenomen om voor 2030 nog 500 extra woningen te realiseren. De gemeente heeft een grondpositie ten oosten van Boornbergum en zou dit hier graag willen realiseren. Naast deze locatie is het perceel van het Fries Congres en Paardencentrum gelegen. De gemeenteraad ziet mogelijkheden om met deze tot een integrale gebiedsontwikkeling en een goede ruimtelijke ontwikkeling te komen.
De gemeenteraad verwijst naar artikel 10, lid 3 van de Wvg. In dit artikel is bepaald dat de verplichting om de gronden waarop het voorkeursrecht is gevestigd bij verkoop eerst aan te bieden aan de gemeente, niet geldt als de vervreemding geschiedt op basis van een overeenkomst die is gesloten en ingeschreven in de openbare registers, voordat het voorkeursrecht is gevestigd.
Het is de gemeenteraad niet gebleken dat er sprake van een overeenkomst, die is ingeschreven in de openbare registers als bedoeld in artikel 10, lid 3 Wvg. De gemeenteraad is van oordeel dat bezwaarmaker gehouden is om de grond eerst aan de gemeente aan te bieden. Intrekking vestiging voorkeursrecht en aansprakelijkheid De gemeenteraad ziet geen reden om de vestiging van het voorkeursrecht in te trekken.
Voor wat betreft de aansprakelijkheidstelling verwijst de gemeenteraad naar een uitspraak van de Afdelingsbestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) waarbij de Afdeling heeft geoordeeld dat de wetgever zelf bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang af heeft gewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren. Het enkele financiële belang hoeft niet meer afzonderlijk in de afweging te worden betrokken1. Misbruik van bevoegdheid Naar het oordeel van de gemeenteraad blijkt uit het raadsvoorstel dat de reden voor het vestigen van het voorkeursrecht is gelegen in de ambitie om te komen tot een integrale gebiedsontwikkeling. Met de vestiging van het voorkeursrecht wil de gemeenteraad speculatie voorkomen en de regie in eigen hand houden. Van misbruik van bevoegdheid is volgens het college dan ook geen sprake. Gelijkheidsbeginsel en verbod van willekeur De gemeenteraad voert aan dat het aan de gemeenteraad is om te bepalen op welke percelen het voorkeursrecht wordt gevestigd. De landbouwgronden die in de nabijheid zijn gelegen zijn voor nu niet nodig voor de invulling van de ruimtelijke ambities. De gemeenteraad is ook niet gehouden om andere gronden in de omgeving eveneens onder het voorkeursrecht te brengen. De gemeenteraad heeft daarin beleidsruimte.
De gemeenteraad is van mening dat van schending van het gelijksbeginsel of het beginsel van willekeur geen sprake is.
Belangenafweging De gemeenteraad verwijst in zijn verweerschrift naar vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het met het vestigen van een voorkeursrecht te dienen algemene belang heeft afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren2. De gemeenteraad is gelet hierop dan ook van oordeel dat het enkele financiële belang van bezwaarmaker daarom niet meer afzonderlijk in de afweging te worden betrokken. Het belang van bezwaarmaker wordt niet aangetast. Dat bezwaarmaker wellicht in onzekerheid verkeert over eventuele verkoop is volgens de gemeenteraad voorstelbaar, maar dit is inherent aan de vestiging van het voorkeursrecht.
1 ABRvS 27 oktober 2010, ECLI:NL: RVS:2010:B01862 2 ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL: RVS:2018:2332
Pagina 4 van 15
De gemeenteraad verwijst naar rechtspraak van de Afdeling waarbij is bepaald dat de vestiging van het voorkeursrecht niet tot gevolg heeft dat de eigenaar van het perceel waarop het voorkeursrecht is gevestigd niet langer de hem toekomende eigendomsrechten zou kunnen uitoefenen. Indien hij tot vervreemding over wil gaan moet eerst de gemeente in de gelegenheid worden gesteld om de percelen te kopen3. Bezwaarmaker is niet verplicht het perceel te verkopen.
3.
Beoordeling door de commissie
3.1 Juridisch kader Het juridisch kader dat van toepassing is, is opgenomen in bijlage I.
3.2 Ontvankelijkheid Het bezwaarschrift van bezwaarmaker gericht aan het college wordt op grond van artikel 6 lid 3 van de Wvg ook geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad van 12 december 2023. Het bestreden besluit is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is voor bezwaar vatbaar. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend en voldoet ook voor het overige aan de te stellen eisen (artikelen 6:5 en 6:7 Awb). Voorts moet bezwaarmaker worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, lid 1 van de Awb.
De commissie acht bezwaarmaker ontvankelijk in zijn bezwaren.
3.3 Inhoudelijk
Samenvatting advies De commissie komt tot de conclusie dat de gemeenteraad gelet op zijn motieven terecht mocht overgaan tot de vestiging van een voorkeursrecht op de percelen van bezwaarmaker nu deze in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de Wvg. Dat het college eerder in de gelegenheid is gesteld om het perceel van bezwaarmaker te verkrijgen doet hier niets aan af. Bezwaarmaker is gehouden de percelen bij verkoop aan de gemeente aan te bieden nu met Bureau Breimer geen schriftelijke overeenkomst is overeengekomen die is ingeschreven in de openbare registers.
Toelichting advies Overgangsrecht Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het voorkeursrecht niet meer opgenomen in de Wvg maar in de Omgevingswet.
Artikel 4.1 en 4.2 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet regelen het overgangsrecht voor het voorkeursrecht. Voorkeursrechtprocedures die zijn gestart vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet worden afgerond op basis van het oude recht (artikel 4.1 lid 1 van de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet). Bestaande voorkeursrechten blijven gelden.
Nu het voorkeursrecht door de gemeenteraad definitief op 12 december 2023 is bekrachtigd is de Wvg van toepassing.
3 ABRvS 22 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3786
Pagina 5 van 15
Aanleiding vestigen voorkeursrecht De Wvg is een wet die de gemeente de mogelijkheid geeft kadastrale percelen aan te wijzen waarop een voorkeursrecht gevestigd kan worden. Door deze aanwijzing verkrijgt de gemeente het recht van eerste koop. Bezwaarmaker is door de vestiging van het voorkeursrecht verplicht de grond bij verkoop eerst aan de gemeente aan te bieden.
De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 april 20154 geoordeeld dat uit de geschiedenis van de Wvg volgt dat de wetgever met de invoering van deze wet heeft beoogd om de positie bij grondverwerving ten behoeve van de verwezenlijking van ruimtelijk beleid te willen versterken door de gemeenteraad een middel te geven waarmee speculatie kan worden tegengaan en de regie te behouden. De aanleiding voor het vestigen van voorkeursrecht op de kadastrale percelen van bezwaarmaker is dat de gemeenteraad een andere bestemming voor de gronden van bezwaarmaker voor ogen heeft. Dit heeft te maken met de vastgestelde woonvisie en de grondpositie ten oosten van Boornbergum. Om de gemeentelijke regie en sturing te behouden en haar onderhandelingspositie bij de grondverwerving te verbeteren heeft de gemeenteraad besloten om op de kadastrale percelen van bezwaarmaker een voorkeursrecht op grond van de Wvg te vestigen.
Gelet hierop komt de commissie tot de conclusie dat de motieven van de gemeenteraad om over te gaan tot het vestigen van een voorkeursrecht in overeenstemming zijn met het doel en de strekking van de Wvg. Aanwijzing kadastrale percelen Het college heeft op 28 september 2023 de gronden gelegen aan de Oprijlaan 1-3 en 5 te Drachten, die in eigendom zijn van bezwaarmaker, voorlopig aangewezen als gronden waarop de artikelen 10 tot en met 15,24 en 26 van de Wvg van toepassing zijn. De voorlopige aanwijzing is gebaseerd op artikel 6 van de Wvg. In dit artikel is bepaald dat het college gronden kan aanwijzen waarop een voorkeursrecht wordt gevestigd, mits aan deze gronden een nietagrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt (artikel 7 lid 1 Wvg). In dit geval 5 oktober 2023. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing van artikel 3,4, of 5 van de Wvg in werking treedt. Op 12 december 2023 heeft de gemeenteraad de definitieve aanwijzing door middel van een raadsbesluit bekrachtigd.
In lid 3 van artikel 6 van de Wvg is bepaald dat wanneer bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot definitieve aanwijzing in werking is getreden, het bezwaar of beroep mede wordt geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad. Gelet hierop kan het bezwaarschrift van bezwaarmaker van 25 oktober 2023 gericht tegen het voorlopige aanwijzingsbesluit van het college (28 september 2023) worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen het raadsbesluit van 12 december 2023.
De definitieve aanwijzing is gebaseerd op artikel 5 van de Wvg. In dit artikel is opgenomen dat voor een aanwijzing ook in aanmerking komen de gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt (artikel 7 lid 1 Wvg). In dit geval 22 december 2023. 4 ABRvS 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1089 (r.o. 4.2)
Pagina 6 van 15
Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 van de Wvg vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening van dit besluit, tenzij een structuurvisie, inpassingsplan of bestemmingsplan is vastgesteld (artikel 9 lid 3 Wvg). Op grond van artikel 3 lid 2 van de Wvg vermeldt een besluit tot aanwijzing het volgende: - kadastrale aanduiding - de grootte van elke van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; - de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak; - de namen van eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen.
Bij een besluit tot aanwijzing moet volgens artikel 3 lid 3 van de Wvg een kadastraal overzicht behoren, waarop duidelijk is aangegeven op welke gronden en bijbehorende percelen of perceelsgedeelten de aanwijzing betrekking heeft.
Gelet op bovenstaande komt de commissie tot de conclusie dat de voorlopige en definitieve aanwijzing van de gronden in overeenstemming met de Wvg hebben plaatsgevonden. Geen aanspraak op Wvg Bezwaarmaker beroept zich op het feit dat het college resp. de gemeenteraad geen aanspraak kon doen op de Wvg, nu het college eerder in de gelegenheid is gesteld om het perceel te verkrijgen van bezwaarmaker en 5.1.2.e Bezwaarmaker verwijst naar artikel 10 lid 1 van de Wvg.
Uit artikel 10 lid 3 van de Wvg volgt dat de percelen niet eerst aan de gemeente moeten worden aangeboden, indien vervreemding geschiedt op grond van een overeenkomst, en die overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers voordat het besluit tot aanwijzing in werking is getreden. In dit geval is geen sprake van een schriftelijke overeenkomst waaruit blijkt dat bezwaarmaker de percelen heeft verkocht aan Bureau Breimer. Ook een inschrijving in de openbare registers is niet aan de orde. De commissie kan gelet hierop de stelling van bezwaarmaker dat het college geen aanspraak meer kan doen op de Wvg niet volgen. Van onmiskenbaar misbruik van een bevoegdheid is volgens de commissie dan ook geen sprake.
Aansprakelijkheid Bezwaarmaker voert aan dat, indien het voorkeursrecht niet wordt ingetrokken, het college aansprakelijk is voor de schade die bezwaarmaker lijdt, omdat hij de percelen niet kan leveren aan Bureau Breimer.
Uit jurisprudentie blijkt dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wvg het algemeen belang heeft afgewogen tegen het individuele financiële belang van de betrokken grondeigenaren. Het opnieuw afwegen van het financieel belang van betrokkenen hoeft niet meer afzonderlijk in de afweging betrokken te worden. Dit is bij de totstandkoming van de wet al aan de orde geweest. Dit volgt uit een uitspraak van de Afdeling van 11 juli 20185. De commissie is van oordeel dat het college resp. de gemeenteraad niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de schade waarop bezwaarmaker aanspraak doet.
5 ABRvS 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2332 (r.o. 2.2)
Pagina 7 van 15
Rechtsverwerking Bezwaarmaker beroept zich op rechtsverwerking. Bezwaarmaker is van mening dat het college de gemeenteraad op het verkeerde been gezet door onjuist dan wel onvolledige informatie te verstrekken over de onderhandelingen met de eigenaren. In deze situatie doen de onderhandelingen met de eigenaren niets af aan de vestiging van het voorkeursrecht door het college. Zolang in de openbare registers geen vervreemding is ingeschreven die eerder plaatsvond dat de vestiging van het voorkeursrecht had het college de mogelijkheid een voorkeursrecht te vestigen op de percelen van bezwaarmaker. Het is de commissie niet gebleken dat het college hieromtrent onvolledige informatie heeft verstrekt aan de gemeenteraad.
Misbruik van bevoegdheid Bezwaarmaker is van oordeel dat het college de gemeenteraad voor het karretje wil spannen Het college heeft een voorkeursrecht op de gronden van bezwaarmaker gevestigd vanwege gebiedsontwikkelingen ten oosten van Boornbergum. De kadastrale percelen waar een voorkeursrecht op is gevestigd zijn direct gesitueerd naast de gemeentelijke gronden ten oosten van Boornbergum. De gemeente ziet mogelijkheden om tot een integrale gebiedsontwikkeling te komen. Daarvoor is gemeentelijke regie noodzakelijk is. De commissie is van mening dat van misbruik van bevoegdheid geen sprake is nu de vestiging van het voorkeursrecht in overeenstemming is met het doel en de strekking van de Wvg. Schending gelijkheidsbeginsel Bezwaarmaker is van mening dat het college de eigenaren van de percelen Oprijlaan 1, 3 en 5 anders behandeld dan de eigenaren van de omliggende percelen die in dezelfde omstandigheden verkeren. De gemeenteraad heeft in zijn verweerschrift en ter zitting gemotiveerd dat de gronden die in de nabijheid zijn gelegen voor nu niet nodig zijn voor de invulling van de ruimtelijke ambities. Hierbij is sprake van beleidsruimte. Dat betekent dat de gemeenteraad de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot het vestigen van een voorkeursrecht al dan niet te gebruiken.
De daaruit voortvloeiende belangenafweging die hierbij gedaan moet worden wordt genormeerd door de belangen die door het verbod worden gediend en de belangen die erdoor worden geschaad. Nu de gemeenteraad heeft aangegeven dat de gronden van de eigenaren van de omliggende percelen niet nodig zijn voor de invulling van de ruimtelijke ambities is de commissie het met de gemeenteraad eens dat het niet noodzakelijk is om op deze gronden een voorkeursrecht te vestigen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake nu er in deze situatie geen sprake is van een geval die feitelijk en rechtens gelijk is en ongelijk wordt behandeld.
Verbod op willekeur Volgens bezwaarmaker heeft het college het voorkeursrecht toegepast met als doel om de percelen Oprijlaan 1,3 en 5 voor een lagere prijs te verkrijgen dan waarvoor de eigenaren het perceel op 1 juni 2023 aan de gemeente hebben aangeboden. De gemeente heeft een grondpositie ten oosten van Boornbergum en is van plan hier woningen te realiseren. Naast deze beoogde locatie zijn de percelen van bezwaarmaker gelegen. De commissie is van oordeel dat het voor de hand liggend is dat het college resp. de gemeenteraad op de percelen van bezwaarmaker een voorkeursrecht wil vestigen. Nu het college resp. de gemeenteraad de vestiging van het voorkeursrecht in overeenstemming met het doel en de strekking van de Wvg heeft genomen is de commissie van mening dat er geen sprake is van verbod op willekeur.
Pagina 8 van 15
4.
Advies
De commissie adviseert de gemeenteraad: het bezwaarschrift van 25 oktober 2023 ongegrond te verklaren. - het bestreden besluit van 12 december 2023 in stand te laten. De bezwarencommissie, kamer algemene zaken, de voorzitter, ValidSigned door 5.1.2.e op 07-05-2024 5.1.2.e
de secretaris ValidSigned door 5.1.2.e op 08-05-2024 5.1.2.e
Pagina 9 van 15
Bijlage I, Juridisch kader
Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet Artikel 4.1 lid 1 Als voor de inwerkingtreding van deze wet op basis van de Wet voorkeursrecht gemeenten een besluit tot voorlopige aanwijzing van gronden of een besluit tot aanwijzing van gronden is genomen, blijft het oude recht van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Algemene wet bestuursrecht (Awb) Artikel 1:2 1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Artikel 1:3 lid 1 1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Artikel 6:5 1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar of beroep is gericht; d. de gronden van het bezwaar of beroep. 2. Bij het beroepschrift wordt zo mogelijk een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft, overgelegd. 3. Indien het bezwaar- of beroepschrift in een vreemde taal is gesteld en een vertaling voor een goede behandeling van het bezwaar of beroep noodzakelijk is, dient de indiener zorg te dragen voor een vertaling. Artikel 6.7 De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.
Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg) Artikel 2 De gemeenteraad kan gronden aanwijzen waarop de artikelen 10 tot en met 15, 24 en 26 van toepassing zijn. Artikel 3 1. Voor aanwijzing komen in aanmerking gronden waaraan bij het bestemmingsplan of inpassingsplan een niet-agrarische bestemming is toegekend en waarvan het gebruik afwijkt van dat plan. 2. Een besluit tot aanwijzing vermeldt ten aanzien van de onroerende zaken waarop het betrekking heeft: a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien de aanwijzing betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak, en d. de namen van de eigenaren van de desbetreffende onroerende zaken en van de rechthebbenden op de beperkte rechten waaraan die zaken zijn onderworpen.
Pagina 10 van 15
3. Bij het besluit behoort een kadastraal overzicht waarop duidelijk zijn aangegeven de gronden waarop de aanwijzing betrekking heeft en de bijbehorende percelen of perceelsgedeelten. Artikel 5 1. In afwijking van de artikelen 3, eerste lid, en 4, eerste lid, komen voor aanwijzing ook in aanmerking gronden die nog niet zijn opgenomen in een bestemmingsplan, inpassingsplan, of structuurvisie, maar waarbij in het besluit tot aanwijzing aan de betrokken gronden een niet-agrarische bestemming wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die bestemming. In het besluit tot aanwijzing wordt aangegeven of nadien nog zal worden overgegaan tot het vaststellen van een structuurvisie. 2. Artikel 3, tweede en derde lid, is van toepassing.
Artikel 6 1. Burgemeester en wethouders kunnen gronden voorlopig aanwijzen, mits bij het hiertoe strekkend besluit aan die gronden een niet-agrarische bestemming is toegedacht en het gebruik afwijkt van de toegedachte bestemming. Het besluit vervalt van rechtswege drie maanden na dagtekening of zoveel eerder als een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing ingevolge artikel 3, 4 of 5 in werking treedt. 2. De artikelen 3, tweede en derde lid, 10 tot en met 15,24 en 26 zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Indien bezwaar of beroep aanhangig is tegen een besluit tot voorlopige aanwijzing en dit besluit vervalt omdat een besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing in werking is getreden, wordt het bezwaar of beroep mede geacht te zijn gericht tegen het besluit van de gemeenteraad. Artikel 7 lid 1 1. Het besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing wordt door het college van burgemeester en wethouders bekendgemaakt. Het besluit treedt in werking de dag na dagtekening van het gemeenteblad waarin het is bekendgemaakt. Artikel 9 lid 3 3. Een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 5 vervalt van rechtswege drie jaar na dagtekening, tenzij voor dat tijdstip een structuurvisie, bestemmingsplan of inpassingsplan is vastgesteld. Artikel 10 1. Een vervreemder kan eerst tot vervreemding overgaan nadat de gemeente in de gelegenheid is gesteld het desbetreffende goed te verkrijgen.
2. Het bepaalde in het vorige lid geldt niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge a. een overeenkomst tussen bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of met een pleegkind. Onder pleegkind wordt verstaan degene, die duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed; b. verdeling van een huwelijksgemeenschap of een nalatenschap; C. een uiterste wilsbeschikking; d. een overeenkomst met de Staat, een provincie, een waterschap of een door Ons aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het openbaar belang rechtspersoon. aanwijzing in werkzame Onze wordt de Staatscourant bekendgemaakt;
Pagina 11 van 15
e. een verkoop krachtens wetsbepaling of bevel des rechters of een executoriale verkoop, met dien verstande dat ingeval van een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 3: 268, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de voorzieningenrechter niet beslist omtrent het verzoek tot onderhandse verkoop zolang niet het bestuursorgaan in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen; f. een overeenkomst, betrekking hebbende op gronden die zijn aangewezen bij een besluit als bedoeld in artikel 5 of 6 dan wel artikel 9a, eerste of tweede lid, in samenhang met artikel 5 of 6, gesloten met een pachter aan wie ten aanzien van deze gronden ten tijde van de inwerkingtreding van dit besluit een voorkeursrecht toekwam als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. 3. Voorts geldt het bepaalde in het eerste lid niet ingeval de vervreemding geschiedt ingevolge een overeenkomst betreffende een onroerende zaak, dan wel een overeenkomst behelzende een verplichting van de vervreemder betreffende een onroerende zaak, voorzover: a. vervreemding geschiedt aan een in die overeenkomst met name genoemde partij, en een tegen een in die overeenkomst met name genoemde prijs, dan wel tegen een volgens die overeenkomst bepaalbare prijs, en b.
de overeenkomst is ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voordat een besluit tot aanwijzing of voorlopige aanwijzing in werking is getreden, en c. de vervreemding geschiedt binnen zes maanden na de dag van de inschrijving van de overeenkomst in de openbare registers als bedoeld onder b. g. Een overeenkomst als bedoeld in het derde lid, aanhef, kan worden ingeschreven in de openbare registers, bedoeld in het derde lid, mits deze is vervat in een akte. De inschrijving heeft het rechtsgevolg dat voor de vervreemder niet de verplichting zoals bedoeld in het eerste lid ontstaat, voorzover is voldaan aan de in het derde lid, onder a, b en c, genoemde vereisten. h. Het derde lid is telkens gedurende een periode van drie jaar op een overeenkomst als bedoeld in dat lid met betrekking tot een bepaalde onroerende zaak of een gedeelte daarvan, en de daarin met name genoemde vervreemder of verkrijger, slechts één maal van toepassing. De periode van drie jaar vangt aan op de datum van eerste inschrijving in de openbare registers. Onder verkrijger wordt in dit geval verstaan de partij waarmee een overeenkomst is gesloten. I. Het eerste lid geldt eveneens niet indien burgemeester en wethouders op aanvraag van een vervreemder op grond van door die vervreemder aannemelijk gemaakte gewichtige redenen daartoe besluiten.
Zij kunnen daarbij beperkingen opleggen. Artikel 11 1. Ter voldoening aan artikel 10, eerste lid, bericht de vervreemder aan burgemeester en wethouders bij aangetekende brief dat hij in beginsel bereid is over te gaan tot vervreemding van het desbetreffende goed aan de gemeente tegen nader overeen te komen voorwaarden. 2. De opgave, bedoeld in het eerste lid, bevat een opgave van het goed dat onderwerp uitmaakt van de voorgenomen vervreemding alsmede ten aanzien van de desbetreffende onroerende zaken: a. de kadastrale aanduiding; b. de grootte van elk van de desbetreffende percelen volgens de kadastrale registratie; c. de grootte van een perceelsgedeelte, indien het aanbod betrekking heeft op een gedeelte van een onroerende zaak.
Pagina 12 van 15
3. Indien de opgave betrekking heeft op onroerende zaken die slechts ten dele in de aanwijzing of voorlopige aanwijzing zijn opgenomen maar een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, eisen dat dit geheel van onroerende zaken wordt betrokken in de mogelijke vervreemding aan de gemeente. 4. De vervreemder kan eisen dat in de vervreemding wordt betrokken het bedrijf of de onderneming waarin de onroerende zaken als onderdeel daarvan worden geëxploiteerd.
Artikel 12 1. Burgemeester en wethouders besluiten binnen zes weken na ontvangst van de opgave of de gemeente al dan niet in beginsel bereid is het goed tegen nader overeen te komen voorwaarden te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen. 2. Indien burgemeester en wethouders binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, beslissen niet bereid te zijn het goed te kopen of op grond van een andere titel te verkrijgen heeft de vervreemder gedurende drie jaar na die beslissing de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn aanbod vermelde goed. De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 3. Bij overschrijding van de termijn, genoemd in het eerste lid, is het tweede lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de in dat lid genoemde periode van drie jaar aanvangt na verloop van die termijn Artikel 13 1.
Indien burgemeester en wethouders en de vervreemder in onderhandeling zijn getreden ter bepaling van de vervreemdingsvoorwaarden en gehandeld is overeenkomstig de artikelen 11 en 12, eerste lid, kan de vervreemder aan burgemeester en wethouders verzoeken om binnen vier weken de rechter te verzoeken een oordeel over de prijs te geven. 2. Bij hun verzoekschrift overleggen burgemeester en wethouders een gewaarmerkt afschrift van het verzoek van de vervreemder. 3. Bij overschrijding van de in het eerste lid genoemde termijn of indien burgemeester en wethouders schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen, is artikel 12, derde lid, van overeenkomstige toepassing. 4. De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk aan de rechtbank advies over de prijs uitbrengen. Bij het ten behoeve van het advies uit te voeren onderzoek wordt onder meer de ligging en de gesteldheid van de desbetreffende onroerende zaak betrokken. De rechtbank oordeelt met overeenkomstige toepassing van de artikelen 40b tot en met 40f van de onteigeningswet. 5. De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak. Van de beschikking van de rechtbank staat uitsluitend beroep in cassatie open. 6.
De kosten van de rechterlijke procedure, het deskundigenadvies alsmede de redelijkerwijs door de vervreemder voor rechtsbijstand en andere deskundige bijstand gemaakte kosten komen ten laste van de gemeente. Indien de rechter daartoe termen vindt in de omstandigheden van het geval, is deze bevoegd de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseren. 7. Indien door schriftelijke intrekking van het verzoek door burgemeester en wethouders de procedure tussentijds wordt beëindigd, heeft de vervreemder gedurende drie jaar na de intrekking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover het betreft het in zijn opgave vermelde goed. De rechter beslist dan bij beschikking over de kosten, bedoeld in het zesde lid.
Pagina 13 van 15
Artikel 14 Indien de vervreemder binnen drie maanden, te rekenen van de dag van onherroepelijk worden van de beschikking, bedoeld in artikel 13, vijfde lid, bij aangetekende brief aan de gemeente verlangt dat deze het betrokken goed verkrijgt, is de gemeente verplicht haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een notariële akte tot levering aan haar van het betrokken goed tegen betaling aan de vervreemder van de bij onherroepelijke rechterlijke beschikking bepaalde prijs. Artikel 15 1. De vervreemder kan de rechtbank verzoeken te bepalen dat de gemeente wegens de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de vervreemder gehouden is medewerking te verlenen aan de overdracht tegen een door de rechtbank vast te stellen prijs van het goed, dat is vervat in de opgave, bedoeld in artikel 11, eventueel met inbegrip van de ingevolge het derde en vierde lid van dat artikel mede in die opgave vermelde bestanddelen. 2. Het met redenen omkleed verzoekschrift kan worden gedaan binnen twee maanden te rekenen van de dag: a. waarop burgemeester en wethouders de termijn, bedoeld in artikel 13, eerste lid, hebben overschreden of indien zij schriftelijk weigeren een verzoekschrift in te dienen; b. waarop de intrekking, bedoeld in artikel 13, zevende lid, van het verzoek ter griffie is ontvangen. 3.
De rechtbank doet binnen zes maanden na ontvangst van het verzoekschrift bij beschikking uitspraak over het verzoek en bij toewijzing daarvan tevens over de prijs. Zij beoordeelt of het redelijk is dat vervreemding aan de gemeente, gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden die terzake van belang kunnen zijn, achterwege zou blijven. Van de beschikking staat uitsluitend beroep in cassatie open. 4. Bij afwijzing van het verzoek heeft de vervreemder gedurende drie jaar na het onherroepelijk worden van de rechterlijke beschikking de vrijheid tot vervreemding aan derden voorzover betreft het in zijn opgave, bedoeld in artikel 11, vermelde goed. De vervreemding betreft alle in de opgave vermelde goederen tezamen, met inbegrip van het gedeelte en van het bedrijf of de onderneming, waarvan de vervreemder bij het verstrekken van die opgave ingevolge artikel 11, derde of vierde lid, heeft geëist dat het mede in de verkoop zou worden betrokken. 5. De artikelen 13, vierde en zesde lid, en 14 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24 1. De inschrijving in de in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde openbare registers van een akte, behelzende een vervreemding anders dan aan de gemeente, vindt alleen plaats indien op het in te schrijven stuk is opgenomen een notariële verklaring, houdende dat op de betrokken onroerende zaak geen aanwijzing of voorlopige aanwijzing in de zin van deze wet van toepassing is, hetzij dat de vervreemding niet in strijd is met deze wet. 2. Voor de toepassing van het vorige lid wordt met de daar bedoelde notariële verklaring gelijkgesteld de verklaring van een persoon bedoeld in artikel 91 van de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek, die overeenkomstig het daar bepaalde een onderhandse akte tot levering heeft opgesteld. Artikel 26 1. Een gemeente kan de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan haar in deze wet geregelde voorkeurspositie.
Pagina 14 van 15
2. Het verzoek moet worden gedaan binnen acht weken nadat de gemeente een afschrift heeft ontvangen van de akte waarin de desbetreffende rechtshandeling is vervat bij de rechtbank van het arrondissement waarbinnen de gemeente is gelegen. De gemeente is niet ontvankelijk in haar verzoek indien zij met de desbetreffende rechtshandeling schriftelijk heeft ingestemd.
Pagina 15 van 15