CConstaterende datSmallingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

240319 Bijlage - Toekomstbeelden-voor-Noordelijk-Nederland-met-de-Lelylijn-Denkrichtingen-NOVEX-Lelylijn-2050

Overige evenementen 9 april 2024, gemeente Smallingerland22.546 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toekomstbeelden voor noordelijk Nederland met de Lelylijn Denkrichtingen NOVEX Lelylijn 2050 - Studio Bereikbaar - 5 maart 2024

VOORAF Onderdeel van het MIRT-onderzoek NOVEX Lelylijn (van Lelystad tot Groningen/Leeuwarden is het opstellen van een toekomstschets van de ruimte rondom de Lelylijn en welke keuzes daarin worden gemaakt, het zogenoemde Ontwikkelperspectief. Om tot het Ontwikkelperspectief te komen zijn denkrichtingen opgesteld waarin verschillende mogelijkheden voor de toekomst van noordelijk Nederland bij realisatie van de Lelylijn zijn weergegeven. Die denkrichtingen worden in dit rapport gepresenteerd. De stuurgroep van de Lelylijn-organisatie heeft deze denkrichtingen vrijgegeven voor discussie met de achterban in de periode van begin maart tot halverwege mei 2024. De bedoeling van dat gesprek is om van u te horen: • Wat uw oordeel is over de geschetste denkrichtingen; • Of we alle mogelijke scenario’s hiermee in beeld hebben; • En welke elementen van de denkrichtingen aanspreken, en welke juist niet?

Hoofdstuk 1

Inleiding

Proces en vervolg Hoofdstuk 2

Rondje langs de velden

Hoofdstuk 3

Bouwstenenatlas

Hoofdstuk 4

Denkrichtingen

De denkrichtingen zullen de komende tijd nader worden uitgewerkt en getoetst op haalbaarheid en realiseerbaarheid. Ook zullen de effecten van de denkrichtingen op de brede welvaart in noordelijk Nederland worden betrokken. Die analyse zal samen met het gesprek over de denkrichtingen leiden tot een Ontwikkelperspectief. Dat zal naar alle waarschijnlijkheid niet één van de denkrichtingen zijn, maar een combinatie van elementen uit verschillende denkrichtingen. Het Ontwikkelperspectief komt in de zomer van 2024 beschikbaar. Dit denkrichtingen-document is daarmee een tussenproduct in de totstandkoming van het Ontwikkelperspectief. Het zal als onderdeel van het totale pakket aan beslisinformatie aan een bestuurlijk overleg rijk-regio worden aangeboden. In dat overleg wordt dan besloten of de Lelylijn nader zal worden uitgewerkt en onderzocht.

Denkrichtingen NOVEX Lelylijn 2050

Hoofdstuk 1

Inleiding

Inleiding De opdracht MIRT-onderzoek NOVEX Lelylijn Rijk en regio hebben in december 2022 een gezamenlijke projectorganisatie ingesteld die de opdracht heeft om onderzoek te doen naar de Lelylijn. Het onderzoek is de combinatie van een MIRT-onderzoek en het opstellen van een Ontwikkelperspectief voor het NOVEX-gebied Lelylijn (van Lelystad tot Groningen/Leeuwarden). Deze onderzoeken leveren de informatie die nodig is om eind 2024 een GO/NO GO besluit te nemen over een Startbeslissing voor de MIRT-Verkenning naar de Lelylijn. In het NOVEX-deel wordt in een integraal Ontwikkelperspectief uitwerking gegeven aan de bijdrage van de Lelylijn als backbone van de ontwikkeling van noordelijk Nederland voor de economische structuurversterking, de verstedelijkingsopgave en de verbetering van de bereikbaarheid en de leefbaarheid. Recentelijk zien we dat de kijk op mobiliteit onder invloed van de brede welvaartsgedachte (o.a. verwoord in ‘Elke regio telt!’ van de Raad voor de Leefomgeving) aan het verschuiven is van vervoerswaarde (hoeveel potentiële reizigers trekt een verbinding) naar bereikbaarheid (welke plekken, banen, inwoners en voorzieningen kan je bereiken) en brede welvaart (o.a. welzijn, veiligheid en gezondheid). In dit denken vanuit bereikbaarheid zien we ook de integraliteit tussen MIRT (vervoer/netwerk) en NOVEX (ruimte/ plek). 5

In onderstaande figuur is dit principe van ontwerpend onderzoek en onze aanpak daarin schematisch weergegeven. De werklijnen Om invulling te geven aan deze opdracht werkt de projectorganisatie Lelylijn met verschillende werklijnen. Het gaat dan om: • Omgevingsmanagement en Participatie – gericht op het verkrijgen van inzicht in de belangen, de wensen en zorgen van betrokkenen bij het project in ruime zin. • Bereikbaarheid (OV en infrastructuur) – gericht op het verkrijgen van inzicht in de verschillende mogelijkheden (alternatieven en varianten) voor de Lelylijn, alsmede de maakbaarheid en de kosten. • NOVEX (Ontwikkelperspectief) – gericht op het verkrijgen van inzicht in de integrale ontwikkelingsmogelijkheden voor het NOVEX gebied Lelylijn en de betekenis daarvoor op diverse schaalniveaus. • Brede Welvaart /Afwegingskader- gericht op het beoordelen en vergelijken van verschillende mogelijkheden (alternatieven en varianten) voor de Lelylijn. In dat afwegingskader zullen alle daarbij relevante aspecten worden opgenomen. Kern voor het afwegingskader is het effect van de Lelylijn op de Brede Welvaart. Deze werklijnen zorgen gezamenlijk voor voldoende informatie voor alle betrokken overheden om eind 2024 een vervolgbeslissing te kunnen nemen, voor zowel de Lelylijn als het bijbehorende Ontwikkelperspectief. (*) MIRT = Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport 6

Raadpleging Lelylijn Het onderzoek naar de Lelylijn is gestart met een uitgebreide bewonersraadpleging in het voorjaar van 2023. Ruim 11.000 inwoners hebben hun voorkeuren, zorgen en aandachtspunten aangegeven. Deze inbreng is meegenomen in de verdere aanpak van het Lelylijn onderzoek. De doelstellingen en randvoorwaarden van het project zijn aangepast met meer aandacht voor het verbeteren van

de bereikbaarheid in de regio en het met elkaar verbinden van regio’s. In het NOVEX onderzoek is meer aandacht voor landbouw, natuur en landschap. Met al deze partijen zijn gesprekken gevoerd bij de totstandkoming van de denkrichtingen. Ook bij de effectbepaling zal opnieuw worden gekeken naar wat bewoners belangrijk vinden voor de Lelylijn en de noordelijke regio’s.

Naar een NOVEX Ontwikkelperspectief Voor u liggen de mogelijke denkrichtingen voor één of meerdere integrale ontwikkelperspectieven met als planhorizon 2050. In de verkennende houtskoolschets NOVEX Lelylijn van juli 2023 is vanuit (landschappelijke) kernkwaliteiten, kansen, ambities en uitdagingen (plek) een netwerk ontwikkeld dat verbindingen legt op vier schaalniveaus: (1) (inter) nationale regio’s; (2) knopen noordelijk Nederland; (3) invloedsgebied Lelylijn; (4) water-, landschaps- en natuursystemen.

Denkrichtingen zijn dus zeker niet bedoeld om (nu) een keuze uit te maken. Ze beschrijven de hoeken van het speelveld en zijn bedoeld om ruimtelijke interventies te testen, om eraan te kunnen rekenen en om van te leren. Het is dus belangrijk dat ieders denkbeelden een plek hebben, zodat de Denkrichtingen daadwerkelijk het hele speelveld beschrijven. Hiermee ontstaat er zicht op welke bouwstenen (oplossingsrichtingen)

goed passen bij welk concept voor de Lelylijn. Per Denkrichting kiezen we voor een samenhangend pakket aan bouwstenen, een Lelylijn-tracé en een dienstregelingsvariant. Dit helpt bij het doordenken van een Denkrichting en het ruimtelijk doorvertalen ervan. Maar er zijn ook andere combinaties mogelijk. Een Lelylijn-tracé / dienstregelingsvariant is dus niet per se

Van 4 denkrichtingen naar een of meerdere ontwikkelperspectieven

Doel van deze fase is om de programmatische invulling scherp te krijgen en de ruimtelijke neerslag daarvan. Om de voorliggende opgaven concreet te maken en om dilemma’s, keuzes en denkrichtingen te schetsen, die in de vervolgfase moeten worden onderzocht in scenario’s. De werkhypothese voor deze NOVEX-uitwerking is dat uit wordt gegaan van het bundelingsprincipe van de Lelylijn met de A6/ A7/A32 en een geoptimaliseerd onderliggend OV-systeem. Beschouwd worden een (referentie) scenario zonder Lelylijn en een scenario met Lelylijn. Denkrichtingen Voor de Denkrichtingen is gebruik gemaakt van Ontwerpend Onderzoek, als een middel om uit te vinden welke mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen goed passen bij wat voor soort Lelylijn. De 7

gebonden aan een bepaalde Denkrichting. De gepresenteerde Denkrichtingen zijn het resultaat van 4 gezamenlijke maakdagen met de overheden langs de Lelylijn. De eerste maakdag stond in het teken van de kick-off. Tijdens de tweede maakdag formuleerden we opgaven en op de derde maakdag brachten we de hoeken van het speelveld aan oplossingsrichtingen in beeld (o.a. door voor specifieke locaties langs de lijn een aantal ontwerpcasussen te doorleven). Tijdens de laatste maakdag stonden de Denkrichtingen centraal. De bij de maakdagen betrokken ambtenaren hebben meegedacht en feedback gegeven. Ontwerpend Onderzoeken, wat is dat? Ontwerpend onderzoek is enerzijds een methode van onderzoek waarmee mogelijke toekomsten inzichtelijk worden gemaakt (o.a. door verbeelding) en zodoende nieuwe kennis wordt ontwikkeld. Anderzijds is ontwerpend onderzoek een instrument voor samenwerking aan grote maatschappelijke opgaven. Ontwerpend onderzoek kan namelijk worden ingezet om inzichtelijk te maken welke belangen of ambities er binnen een specifieke opgave/thema zijn of in een gebied samenkomen. Met behulp van ontwerpend onderzoek kan inzicht gegeven worden vanuit verschillende perspectieven en kunnen ruimtelijke keuzes voor de toekomst worden gemaakt. Verdiepende onderzoeken In de Denkrichtingen wordt de identiteitsvraag ‘wat voor gebied willen we zijn’ gekoppeld aan een 8

vervoersconcept voor de Lelylijn. Het vraagstuk met betrekking tot de bijbehorende vervoersconcepten is in nauw overleg en na afstemming met de werklijn Bereikbaarheid (OV en infrastructuur) opgesteld. Voor de ontwikkeling van de Denkrichtingen zijn verdiepende onderzoeken uitgevoerd ter onderbouwing en uitwerking van diverse belangrijke thema’s. Er is onderzoek gedaan naar: • Wonen en woningmarkt: • Economie, werkgelegenheid en arbeidsmarkt; • Natuur en landschap (aanvullende input volgt nog); • Kansen en bedreigingen voor de landbouw (aanvullende input volgt nog); • Water en Bodem sturend (aanvullende input volgt nog). De Denkrichtingen zijn op 1 maart 2024 door de Stuurgroep Lelylijn vrij gegeven voor het (bestuurlijke) gesprek met de achterban. Tevens worden de Denkrichtingen gebruikt om effecten in beeld te brengen en lessen te trekken. Dit resulteert vervolgens in één of meerdere ontwikkelperspectieven voor het gebied rondom het hypothese tracé bij aanleg van de Lelylijn.

Doel van deze onderhavige fase is om de programmatische invulling scherp te krijgen en de ruimtelijke neerslag daarvan. Om de voorliggende opgaven concreet te maken en om dilemma’s, keuzes en denkrichtingen te schetsen, die in de vervolgfase moeten worden onderzocht in scenario’s. De werkhypothese voor deze NOVEX-

uitwerking is dat uit wordt gegaan van het bundelingsprincipe van de Lelylijn met de A6/ A7/A32 en een geoptimaliseerd onderliggend OV-systeem. Beschouwd worden een (referentie) scenario zonder Lelylijn en een scenario met Lelylijn. Voor de Denkrichtingen is gebruik gemaakt van Ontwerpend Onderzoek, als een middel om uit te vinden welke mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen goed passen bij wat voor soort Lelylijn. De Denkrichtingen zijn dus zeker niet bedoeld om (nu) een keuze uit te maken. Ze beschrijven de hoeken van het speelveld en zijn bedoeld om ruimtelijke interventies te testen, om eraan te kunnen rekenen en om van te leren. Het is dus belangrijk dat ieders denkbeelden een plek hebben, zodat de denkrichtingen daadwerkelijk het hele speelveld beschrijven. Hiermee ontstaat er zicht op welke bouwstenen (oplossingsrichtingen) goed passen bij welk concept voor de Lelylijn. Per denkrichting kiezen we voor een samenhangend pakket aan bouwstenen, een Lelylijn-tracé en een dienstregelingsvariant. Dit helpt bij het doordenken van een denkrichting en het ruimtelijk doorvertalen ervan. Maar er zijn ook andere combinaties mogelijk. Een Lelylijn-tracé / dienstregelingsvariant is dus niet per se gebonden aan een bepaalde denkrichting.

Proces en vervolg Aanpak Op 7 juli 2023 is ter completering van de eerste verkennende fase het “Inspiratieboek Lelylijn Verkennende Houtskoolschets voor het integrale Ontwikkelperspectief” vastgesteld door de Stuurgroep als input voor de vervolgfase. In de vervolgaanpak zijn de ruimtelijke kaders en de programmatische opgaven geformuleerd. Hieruit zijn de “Denkrichtingen voor het Ontwikkelperspectief” geformuleerd. Deze zijn in de volgende pagina’s samengevat. Vanaf maart 2024 worden de “Denkrichtingen” uitgewerkt, getoetst, geëvalueerd en beoordeeld. Resultaat daarvan zal zijn het “Ontwikkelperspectief Lelylijn” in juni 2024. De effecten van de Denkrichtingen op de opgaven en de projectdoelen worden bepaald aan de hand van de indicatorenlijst van het afwegingskader en daarmee gescoord op het brede spectrum van brede welvaart. Tevens wordt in deze fase de combinatie met de resultaten uit de andere werklijnen gemaakt. In het Ontwikkelperspectief worden één of meerdere scenario’s met een Lelylijn afgezet tegen een situatie zonder een Lelylijn. Het Ontwikkelperspectief geeft zicht op de ruimtelijke mogelijkheden bij realisatie van de Lelylijn. Het proces voor de NOVEX werklijn wordt gedaan in overleg met vertegenwoordigers van de betrokken overheden (rijk, provincies, gemeenten en

waterschappen). Gesprek over de Denkrichtingen De Denkrichtingen worden in de volgende fase niet alleen op hun kwalitatieve en kwantitatieve effecten beoordeeld, maar juist ook de opbrengst van gesprekken met betrokkenen in noordelijk Nederland moet helpen om de aansprekende bouwstenen (elementen) te selecteren. Daarom heeft de Stuurgroep op 1 maart 2024 de Denkrichtingen vrijgegeven voor gesprek met haar (bestuurlijke) achterban. De Stuurgroep leden bespreken de Denkrichtingen en geven de uitkomst daarvan terug in de Stuurgroep van mei 2024. Deze vangst gaat dan weer mee in de uitwerking naar het uiteindelijke “Ontwikkelperspectief”. We stellen voor het volgende aan de Stuurgroep voor te leggen als vragen voor overleg met haar achterban: • Wat is uw oordeel over de geschetste Denkrichtingen in het algemeen? • Omvatten de Denkrichtingen het volledige veld aan mogelijke scenario’s voor de toekomst van noordelijk Nederland? • Welke elementen (bouwstenen/ oplossingsrichtingen) van de Denkrichtingen spreken aan, en welke juist niet?

van de Denkrichtingen in gang. De reflectie van de Stuurgroep in mei 2024 wordt daarmee verweven. Tegen de zomer komt het Ontwikkelperspectief beschikbaar.

Parallel aan de gesprekken over de Denkrichtingen zet de projectorganisatie de uitwerking en toetsing 9

Hoofdstuk 2

Rondje langs de velden

Rondje langs de velden Bij de transities waar we ons voor gesteld zien staan moet “recht worden gedaan aan de eigenheid van regio’s”, zo valt te lezen in de contourennotitie van het Rijk. “We beschermen en benutten wat er is en werken aan lokaal passende oplossingen.” Fryslân zet in haar ruimtelijke agenda “het Frysk eigene” voorop, Flevoland het “natuurlijk fundament” en Groningen spreekt in haar ruimtelijk voorstel over het behouden en versterken van “Waardevol Groningen”. Wat is voor de plekken langs de Lelylijn het eigene? Om een antwoord te geven op die vraag maakten we een rondje langs de velden. De Lelylijn strekt zich van Lelystad tot aan Leeuwarden en Groningen uit over 150 kilometer land. In dit hoodstuk willen we beter gevoel krijgen bij de lokale verschillen in dynamiek, ontwikkelingen, bijzonderheden, kwaliteiten en uitdagingen. Het doel was niet om compleet te zijn. We zijn vooral op zoek gegaan naar de verschillende verhalen en hebben daarom ook niet altijd de gemeentegrenzen gevolgd. En we beschrijven niet alles.

We hebben een duik genomen in de geschiedenis en ons ingelezen in de Omgevingsvisies. Daarnaast hebben we de input uit de maakdagen en de Houtskoolschets-bustour benut. Op basis hiervan kunnen we het gesprek aan over de toekomst. Wat is er voor nodig om de lokale authenticiteit ten volle te verwaarden? Om kernwaarden te behouden, te ontwikkelen en te versterken? En om complementair te zijn in plaats van concurrerend? We beginnen het hoofdstuk met een korte schets van de opgaven en ambities op Rijks- en provincieniveau.

Verhalen langs de lijn • Het hart van Fryslân (Leeuwarden) • Watersporttoerisme in de trein-fiets archipel (Grou, Akkrum, Jirnsum, Aldeboarn en Terherne) • Economische motor van Noord- en Oost Nederland (Groningen) • Landelijk wonen in de nabijheid van Groningen (Westerkwartier) • Innovatieve maakindustrie vraagt stedelijke kwaliteiten (Drachten) • Kralenketting van bijzondere natuur aan het Alddjip (Opsterland) • Ondernemend knooppunt ontwikkelt zich tot complete stad (Heerenveen) • Watereconomie naar Friese aard en schaal (De Fryske Marren, Súdwest-Fryslân) • Poort van Fryslân (Weststellingwerf) • Ruimte voor pionieren en het waarmaken van dromen (Noordoostpolder) • Maritiem cluster van wereldklasse verlegt haar grenzen (Urk) • De stad die durft (Lelystad)

11

Context. Nota Ruimte. Vooruitlopend op het verschijnen van een nieuwe Nota Ruimte is een Contourennotitie naar de Tweede Kamer gestuurd (oktober 2023). De notitie benoemt de urgente keuzes op het gebied van energie, natuur, woningbouw, landbouw, economie en infrastructuur die overheden moeten maken en geeft een eerste inhoudelijke richting voor een rechtvaardige verdeling van die ruimte. Daarmee herneemt het rijk de regie op de ruimtelijke ordening. De noodzaak om urgente opgaven op te pakken wordt versterkt door ontwikkelingen zoals bevolkingsgroei, klimaatverandering, toenemende sociaal-culturele verschillen en internationale afhankelijkheid. De hoeveelheid ruimte is een gegeven terwijl de transities alleen maar om meer ruimte vragen. Nederland moet kiezen waar, hoe en waaraan we ruimte bieden om ervoor te zorgen dat de huidige zekerheden – zoals voldoende voedsel, schoon drinkwater en energie – ook voor toekomstige generaties blijven bestaan. En keuzes maken betekent ook dingen niet meer doen.

12

De Contourennotitie beschrijft voor het rechtvaardig verdelen van de ruimte drie leidende principes: • Keuzes moeten niet leiden tot het afschuiven van problemen. Niet naar volgende generaties. Niet naar andere gebieden. Lasten en lusten moeten eerlijk worden verdeeld. • Verder moet recht worden gedaan aan de schaarse en waardevolle ruimte. Waar het kan moeten functies slim en met kwaliteit gecombineerd worden. • Er moet recht worden gedaan aan de eigenheid van de regio’s: we beschermen en benutten wat er is en werken aan lokaal passende oplossingen. De Contourennotitie benoemt vier ‘bewegingen’: • Water en bodem sturend. De gesteldheid van ons water- en bodemsysteem zal meer dan ooit bepalend worden voor wat kan. Water en bodem worden daarom ‘sturend’ bij de te maken keuzes. Zo bouwen we bijvoorbeeld niet meer buitendijks, houden rekening met slappe bodems en de beschikbaarheid van voldoende drinkwater. • Landbouw en natuur. Naar een evenwicht tussen landbouw en natuur in heel Nederland: voor een toekomstbestendige landbouw en herstel van de biodiversiteit.

•

•

Ordenende netwerken voor energie en (circulaire) economie. Naar een klimaatneutrale en circulaire samenleving: voor schonere energie, duurzamere vervoersstromen en het samenbrengen van vraag en aanbod. Leefbare steden en regio’s. Naar sterke regio’s, steden en dorpen in heel Nederland: toekomstperspectief voor alle gebieden.

De Contourennotitie richt zich nadrukkelijk op heel Nederland. Waar de ruimtelijke ordening eerder nog prioriteit gaf aan het sterker maken van wat al sterk was, is het nu noodzaak om alle regio’s beter te benutten, waardoor er voor alle delen van ons land een toekomstperspectief komt. Met een belangrijke rol voor een beter evenwicht tussen landbouw en natuur en de overgang naar een kringloopeconomie. En met een stevige inzet op economie, wonen, infrastructuur en voorzieningen in meer regio’s en steden dan nu het geval is. Ook in regio’s waar groei minder voor de hand ligt, wil het rijk zorgen voor voldoende voorzieningen met plek voor kleinschalige verdichting van steden en dorpen.

Context. Provinciale puzzels. De grote opgaven op het terrein van onder meer de volkshuisvesting, de transitie van het landelijk gebied en de opwek van duurzame energie, worden door verschillende ministeries uitgewerkt in nationale programma’s. De keuzes die daarin gemaakt worden, moeten in de provincies ruimtelijk gaan landen. De regie loopt via het programma NOVEX. In oktober 2022 werden door het Rijk in een startpakket aan elke provincie de ruimtelijke opgaven voorgelegd. De 12 provincies werd daarbij gevraagd de nationale opgaven en doelen ruimtelijk te vertalen, in te passen en te combineren met decentrale opgaven. Om duidelijk te kunnen maken welke ruimtelijke keuzes nodig zijn en waar ruimtelijke opgaven realiseerbaar zijn. Dit heeft voor alle provincies geleid tot een ruimtelijk voorstel waarin de “ruimtelijke puzzel” wordt gelegd. In het programma ‘Mooi Nederland’ staat ruimtelijke kwaliteit centraal. Het programma werkt aan een gedeeld beeld van de toekomst van ons land en regelt nieuwe concepten voor de inrichting van gebieden. Ruimtelijk voorstel Flevoland 2050 “Bouwen aan de samenleving” De ligging van Flevoland, centraal in Nederland, maakt het een overgangsgebied van de Randstad en de regio Utrecht/ Amersfoort naar het Noorden (SNN en Westfriesland, en een schakel tussen de

•

Metropoolregio Amsterdam (MRA), regio Zwolle en de regio Ermelo, Harderwijk, Putten, Zeewolde. Het Flevolandse perspectief is gebaseerd op drie pijlers die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden: • Robuust natuurlijk fundament. Flevoland vormt het groenblauwe hart van Nederland. De belangrijkste vraagstukken zijn: Inrichting watersysteem (waterveiligheid en waterbeschikbaarheid); Groen/blauwe dooradering tbv biodiversiteit; Het ontwikkelen van een natuurinclusieve samenleving; Efficiënt en duurzaam gebruik van de ruimte; Gezond water en bodemsysteem; Klimaatadaptatie en waterbeschikbaarheid. • Toekomstbestendige regionale economie.

De belangrijkste vraagstukken zijn: Verbetering woon-werkbalans; Sterk, toekomstbestendig economisch profiel; Compleet onderwijsaanbod van goede kwaliteit; Versnelling transitie landbouw; Omschakelen naar een circulaire economie; Toekomstbestendig energienetwerk. Vitale steden en dorpen. De belangrijkste vraagstukken zijn: Toekomstbestendige stedelijke vernieuwing; Groeien in balans door samen zorgen voor bovenplanse voorzieningen; Meerzijdige bereikbaarheid.

Ruimtelijke Agenda provincie Fryslân Fryslân zet het ‘Frysk eigene’ in de ruimtelijke puzzel voorop. Het welzijn van de inwoners heeft veel te maken met de kwaliteit van hun leefomgeving. Zo zijn beleving en identiteit in belangrijke mate verbonden met de Friese landschappen. Er wordt uitgegaan van behoud en ontwikkeling van de Friese omgevingskwaliteiten en van zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte, boven- en ondergronds. Dit betekent een balans realiseren tussen gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde (incl. herkomstwaarde). Er wordt voortgebouwd op wat er al is en er worden nieuwe kwaliteiten aan het bestaande toegevoegd. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de lagen-benadering: • Meer redeneren, invullen en ontwerpen vanuit de eerste laag van de natuurlijke 13

•

•

ondergrond. Dit betekent dat water en bodem het vertrekpunt vormen (water en bodem sturend). Daarna kijken we naar de laag van de netwerken (van energie, economie, infra-structuur) en naar de occupatielaag (ruimtegebruik van menselijke activiteiten); Niet monofunctioneel hectares uitleggen, maar functies slim combineren, verweven of stapelen waar dat mogelijk is en kansen bij transformatie benutten; Bij alle voorstellen voortdurend een aantrekkelijk vitaal en leefbaar Fryslân voor ogen houden. Dit bekent aandacht voor bereikbare (zorg)voorzieningen, gevolgen van demografische ontwikkeling, sociale samenhang en identiteit, gezondheid, voldoende passende woningen.

Ruimtelijk voorstel “Dit is Groningen - Waardevol Groningen” Het landschap maakt de Groninger mede tot wie hij is, het zit onder zijn huid, het vormt mede zijn aard. De kwaliteit van de leefomgeving staat daarom centraal in het ruimtelijk voorstel. Dit gaat niet alleen om de sporen van het verleden, maar ook om de kwaliteiten van de toekomst. Ontwikkelingen in onze eigen tijd moeten bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving van de Groninger. Daarbij worden in de ruimtelijke puzzel de volgende uitgangspunten gehanteerd:

14

• • • • • •

Het moet ten goede komen aan de inwoners van Groningen. Wij maken ons sterk voor Stad én Ommeland. Brede Welvaart is ons kompas voor beslissingen. Ontwikkelingen moeten bijdragen aan de Groninger identiteit. Maatregelen die we nemen zijn multifunctioneel en inpasbaar. We werken aan een gezonde en veilige leefomgeving, en hebben oog voor lange

termijneffecten. “De kwaliteit van onze leefomgeving is het uitgangspunt van ons ruimtelijk voorstel. Wij noemen dat Waardevol Groningen. Waardevol Groningen is ons basisperspectief, alles wat wij nu en in de toekomst doen, moet bijdragen aan het behouden en versterken van ons Waardevol Groningen.”

Context. NOVEX-gebieden. Naast ruimtelijke regie per provincie wordt in de 16 zogeheten NOVEX-gebieden (waaronder Metropoolregio Amsterdam, Regio Zwolle, Groningen (versterkingsopgave), Groningen-Assen en Lelylijn) ook ingezet op gebiedsgerichte regie. In deze gebieden komen veel nationale opgaven samen, is de transitie ingrijpend of overstijgt het de grenzen van de provincie.

• • • • • • •

Verstedelijkingsstrategie Metropoolregio Amsterdam Metropool van grote klasse met menselijke maat Lelystad is onderdeel van de Metropoolregio Amsterdam. Met het Verstedelijkingsconcept “Metropool van grote klasse met menselijke maat” willen Rijk en regio de volgende 10 ambities bereiken. • De hele metropoolregio profiteert van de groei. • Er zijn genoeg woon- en werkmilieus van goede kwaliteit. • We versterken diversiteit en verbondenheid in

de economie. We brengen wonen en werken meer met elkaar in balans. De MRA wordt beter bereikbaar en bereisbaar De regio biedt een gezonde leefomgeving. We stoten minder broeikasgassen uit. We versterken de kracht van ons gevarieerde landschap. We richten de regio zo in dat die bestand is tegen de gevolgen van klimaatverandering. We vergroten de biodiversiteit.

Verstedelijkingsstrategie Regio Groningen-Assen – Compleet, Coöperatief en complementair Groningen en Westerkwartier zijn onderdeel van de regio Groningen-Assen. De basis voor de ontwikkeling van de Regio Groningen-Assen zijn de volgende ontwikkelprincipes: • Bestaand verstedelijkt gebied versterken. • Agglomeratiekracht vergroten.

• • • • •

Polycentrische ontwikkeling stimuleren. Mobiliteit in balans. Proportioneel en passend. Hefboom voor herstructurering. Samenwerken aan een duurzame regio.

Verstedelijkingsstrategie Regio Zwolle – Warme Harten in een Klimaatadaptieve Delta Noordoostpolder en Urk zijn onderdeel van de Regio Zwolle. Om te komen tot de uitvoering van de strategie in deze regio wordt gewerkt volgens zeven leidende ontwikkelprincipes: • Wees zuinig met ruimte. • Klimaataanpak bij de bron. • Nieuw helpt bestaand. • Passend woningaanbod. • Voorrang aan voetganger, fietser en OV. • Werken aan economisch elan. • Lokale identiteit.

15

Leeuwarden

Het hart van Fryslân 1960

1990

Leeuwarden is ontstaan als samenvoeging van drie terpen aan de vroegere Middelzee. In 15e eeuw uitgegroeid tot hoofdstad van Fryslân, gericht op agrarische doorvoerhandel. Groeide vanaf midden 19e eeuw uit tot knooppunt van nieuwe vaar- tram en spoorwegen naar Dokkum, Harlingen, Groningen, Sneek en Zwolle. Maar toch beperkte groei 19e eeuw. Economisch bleek de stad te weinig divers (22.000 inwoners in 1850; 33.000 inwoners in 1900; 55.000 inwoners in 1940). “Hoe vreemd ons het denkbeeld van spoorwegen in Fryslân ook moge voorkomen, dit is een levenskwestie voor de provincie; vóór alle dingen: geen isolatie!”

2020

Na 1960 voltrekt zich een grote groei in de dienstensector (o.a. ING, Achmea, ASR, Friesland Campina, Koopmans, CJIB, Zorggroep Noorderbreedte, MCL). Gaat samen met een enorme uitbreiding van het ruimtebeslag door komst van auto en snelweg. Eerst is de ruimtelijke ontwikkeling concentrisch. Vanaf jaren ’80 vooral richting de oostkant (Camminghaburen). VINEX (jaren ’90): kwalitatieve verbinding met landschap en Friese Meren. Sprong wordt gemaakt over het Van Harinxmakanaal (met een bijna anti-

16

stedelijk programma: VINEX-locatie Zuiderburen heeft (ten opzichte van de overige VINEX-locaties) de laagste woningdichtheid van Nederland, met ruime landschappelijke inbedding en volop water). Levert inwonersgroei op in de stad van 84.000 (1995) naar 100.000 inwoners (2024). Forse investeringen worden gedaan in de binnenstad. Leeuwarden groeit uit tot de magneet van Fryslân. In de gemeente woont ongeveer 20% van alle Friese inwoners, zijn 80.000 banen te vinden en studeren 28.000 jongeren (bij Van Hall Larenstein, NHL Stenden en Firda). Ongeveer de helft van alle studenten woont in de stad. Culturele Hoofdstad van Europa (2018) & Arcadia (2022, 2025, 2028) zorgt voor groeiend zelfbewustzijn en ‘ontdekking’ van de stad door groepen van buiten de regio. Historie, water, kwaliteit, cultuurbesef, trots, mienskip en eigenzinnigheid zijn nieuwe kernwaarden. Nu nog middenmotor in ranglijst Gezonde steden. Ambitie om te spiegelen aan steden in NoordDuitsland en Scandinavië. Dat betekent gezondheid, leefkwaliteit en duurzame economie in plaats van focus op groeimodellen. Verwaarden, verbinden en vergroenen.

Mede als gevolg van huishoudensverdunning en schaalvergroting teruglopend qua inwonerdichtheid. 130 inwoners per hectare in 1930; 77 inw/ha in 1970 en 52 inw/ha nu. Daarom nieuwe focus op stedelijke ontwikkelingen binnen De Haak. Met nieuwe stedelijkheid, nabijheid, interactie, fiets, lopen, OV en minder auto. Sleutellocaties: binnenstad en spoorzone (Spoordok, Middelsee en station Werpsterhoeke), daarmee voegt Leeuwarden unieke waarden toe aan Fryslân en aan de stad. Op elke in de gemeente woonachtige werknemer zijn er 1,26 banen. Qua kennis voorloper in Delta Areas and Rescources, Water, Food and Dairy en huisvesting University Campus Fryslân (faculteit van de RuG), Wetsus (watertechnologie), Energiecampus, Dairy Campus (onderzoeksinstituut melkveehouderij van WUR), Media Innovatie Campus MICA en wetenschappelijke instituten Fryske Akademy en Waddenacademie.

17

Grou, Akkrum, Jirnsum, Aldeboarn en Terherne

Watersporttoerisme in de trein-fiets archipel 1960

1990

2020

18

De ontwikkelgeschiedenis hangt sterk samen met de voormalige Middelzee. Op een kleibaan langs De Boarn ontstonden de terpdorpen Grou, Akkrum, Aldeboarn en Jirnsum. Terherne ontstond op een zandopduiking. Veeteelt vormde de belangrijkste bron van inkomsten (inclusief zuivelhandel- en verwerking, exportslachterijen, veevoederindustrie en grasdrogerijen). In dit laaggelegen en waterrijke deel van Fryslân was het water van oudsher cruciaal voor de bereikbaarheid. Grou was een typisch archipeldorp, Terherne een eiland. Vanaf het eerste helft van de twintigste eeuw werd vervoer over land belangrijker, door het dempen van waterverbindingen en de komst van de Overijsselse Straatweg (1828), spoorweg Leeuwarden-Zwolle (met stations in Akkrum en Grou, 1868) en later Rijksweg A32 (1958). Beurtvaarten verloren hun positie. De slechter aangetakte dorpen (Terherne, Aldeboarn en Jirnsum) maakte een krimp door. • Terherne: 740 inwoners in 1900 naar 480 in 1940. • Aldeboarn: 1.950 naar 1.590 • Jirnsum: 890 naar 870 • Akkrum: 2.000 naar 2.500 • Grou: 2.300 naar 2.800.

In plaats van traditionele ambachtslieden (smid, bakker, timmerman (en schaatsenmaker), slager, schoenmaker, klokkenmaker en kleermaker) kwamen er vanaf de negentiende eeuw omvangrijke industrieën (houtverwerkingsbedrijf Halbertsma, machinefabriek Volma, veevoederfabriek UTD en schaatsenfabriek Ruiter). Nieuwe grootschalige fabrieksbebouwing kwam tegen de fijnmazige dorpsstructuur te liggen. Arbeiderswoningen kwamen tot stand via verdichting binnen de kern of via uitbreiding. Vanaf 1920 groeide de recreatiesector. Met eerst dagrecreatie en na 1945 ook verblijfsrecreatie. De dorpen groeide uit tot watersportcentra. Recreatiewoningen, hotels, campings, jachthavens en horeca gingen het beeld bepalen. Met aanverwant plezierjachtbouw, zeilmakerij en bovenverhuur-, stalling en onderhoud. Terherne kreeg een attractiepark (Kameleondorp). In Grou zijn de Merenloop en het Skûtsjesilen befaamd. In Aldeboarn de Gondelvaart. Vanaf de jaren zestig ontdekten stedelingen de woonkwaliteit langs het water. Dankzij auto en trein konden ze wonen in nieuwe dorpse uitbreidingswijken en blijven werken in de stad.

• • • • •

Grou: 2.800 inwoners in 1940; via 5.200 in 1987 tot 5.700 in 2021 Jirnsum: 870 via 1.350 tot 1.360 Aldeboarn: 1.590 via 1.590 tot 1.550 Akkrum-Nes: 2.500 via 3.200 tot 4.350 Terherne: 480 via 470 tot 760

Het schilderachtige Aldeboarn in het hart van het Lage Midden van Fryslân is de plek voor rustzoekers en natuurliefhebbers. Vanuit Aldeboarn ben je zo in Natura2000-gebied De Deelen. Daarnaast kent Aldeboarn een sterke gemeenschap. Wie in Aldeboarn is opgegroeid, blijft daar ook later vaak wonen.

De dorpen liggen allen op max 5km van een sprinterstation aan de spoorlijn tussen Zwolle en Leeuwarden. Mede dankzij deze OV-bereikbaarheid zijn de dorpen erg populair bij (jonge) vakantiegangers en watersporters uit binnen- en buitenland. In de zomer stijgt het bevolkingsaantal. De dorpen fungeren als ‘toeristische overstaphub’ voor korte en lange watersportvakanties in het Friese Merengebied. Vanuit de jachthaven ben je met de sup, kayak, motorboot, sloep of zeilboot snel op het Sneekermeer of op het Pikmeer. Het tweelingdorp Akkrum-Nes bleek zowel onder woningzoekers als toeristen populair. Ze ontwikkelde zich tot de tweede groeikern van Heerenveen. Akkrum-Nes kenmerkt zich door zijn gezellige haventje, het sfeervolle centrum, weidse uitzichten en wonen aan het water. Akkrum-Nes is via spoor en snelweg verbonden met Heerenveen en Leeuwarden, en is daarnaast de uitvalsbasis voor wie de Turfroute, het Nationaal Park De Alde Feanen of de Friese Meren wil ontdekken.

19

Groningen

Economische motor van Noord- en Oost Nederland 1960

1990

2020

De stad Groningen is gesitueerd op de noordelijke uiteinde van de Hondsrug, als voormalig esdorp aan de Aa- en Hunze. De stad kende een overheersende positie in de Ommelanden en een monopolie op de turfhandel in de veenkoloniën (vandaar de naam Stadskanaal). Vanaf midden 19e eeuw groeide Groningen uit tot de derde handelsstad van Nederland. Er kwamen nieuwe spoor- tram- en waterwegen. Explosieve groei (26.000 inwoners in 1800; 34.000 in 1850; 67.000 in 1900; 124.000 in 1940) zorgde voor sloppen en arbeidersbuurten. Er ontstond een vlucht van welgestelden uit de overbevolkte stad

Inzet op compacte en internationaal concurrerende kennisstad. Uitgeroepen tot gezondste gemeente van Nederland. Met schoonste lucht. Qua woonen leefklimaat vergelijkbaar met steden als Kopenhagen, Hamburg, Oslo en Zürich. 173.000 inwoners in 2000; In 2014 grens 200.000 inwoners gepasseerd. Groeitempo van 2.000 woningen per jaar. Grote groei naar 250.000 inwoners in komende 10-15 jaar (20.000 nieuwe woningen en 21.000

(o.a. naar Zuiderpark, Haren, Zuidlaren en Zuidhorn)

banen).

Vanaf jaren ’50: wederopbouw van de binnenstad na verwoesting Tweede Wereldoorlog en grote expansie (schaalvergroting) met nieuwe woonbuurten en industrie. Komst auto en snelwegen maakt suburbanisatie mogelijk en zorgt voor krimp in de stad (129.000 inwoners in 1945; 171.000 in 1970 - daarna krimp tot 160.000 inwoners in jaren zeventig).

Een Daily Urban System van Wad tot MiddenDrenthe (verzorgingsgebied 1,5 miljoen mensen). Elke dag bijna evenveel ‘bezoekers’ (180.000) als inwoners (155.000 banen en 100.000 leerlingen en studenten)

Vanaf jaren ’80: Aandacht verschuift naar bestaande stad. Met stadsvernieuwing en een trendsettend verkeerscirculatieplan 20

(sectorenmodel, autoluwe binnenstad, Grote Markt autovrij). Voor de VINEX aangewezen als ‘Groeistad’ (nieuwe buurten Reitdiep, De Held, Meerstad, Ruskensveen, Piccardthof en De Buitenhof).

Lopen, fiets en OV staan inmiddels op de eerste plaats. Auto heeft een plek op afstand van de stad. 60% van alle verplaatsingen momenteel per fiets. Q-link (sinds 2013) voor overstap stedelijk en regionaal verkeer. P&R-plaatsen aan de randen voor 4.200 auto’s. Nieuwbouw op maximaal half uur van

de Grote Markt. Tweederde woningbouwopgave moet landen binnen bestaand stedelijk gebied. Sleutellocaties zijn o.a. Europapark, Meerstad, Suikerzijde (met nieuw station) en Eemskanaal. Op elke in de gemeente woonachtige werknemer zijn er 1,34 banen. Groot in Healthy Ageing, Sustainable Society, Energie, Chemie, Life sciences en Big data met ‘iconen’ als Healthy Ageing campus, Zernike Campus, Vitaliteitscampus Kardinge, Duurzaamheidscampus Suikerzij, Universitair Medisch Centrum, de Rijksuniversiteit, Hanzehogeschool en NHL Steden. Na Amsterdam meeste ondernemingen bij 50 snelst groeiende technologiebedrijven en innovatieve start ups. Sterke oververtegenwoordiging 20-25 jarigen (16%). 35.000 studenten wonen in de stad. 60% (!) woont alleenstaand. Mede als gevolg van huishoudensverdunning, schaalvergroting en grote aandeel alleenstaanden teruglopend qua inwonerdichtheid. 210 inwoners per hectare in 1930; 78 inw/ha in 1970 en 58 inw/ ha nu.

21

Westerkwartier

Landelijk wonen in de nabijheid van Groningen 1960

1990

2020

Westerkwartier is een plattelandsgemeente en ligt op de grens van 3 provincies. Op de grens van zeeklei naar zand. Hier wordt een dialect gesproken waarin Groningen en Fryslân samenkomen. Groningse nuchterheid wordt gecombineerd met openheid en assertiviteit. De bevolking wordt gekenmerkt door zelfredzaamheid, openheid, onderling vertrouwen, samenwerking, eigen initiatief, assertiviteit en ondernemerschap en een sterke sociale structuur. De Natura 2000 gebieden Lauwersmeer en Leekstermeer liggen in het Westerkwartier, als ook het Nationaal Landschap Middag-Humsterland.

voor verkeer (verbindingsroutes over land) en bewoning (de dorpenrijen Lutjegast-Oosterzand, Grootegast-Niekerk en Marum-Oostwold).

Ten noorden van de lijn Visvliet-GrijpskerkNoordhorn stond het land voortdurend onder invloed van de Lauwerszee (met het Reitdiep, de Lauwers en Oude Riet als zee-armen). Vanaf circa de 6e ging men zich vestigen op de hoger gelegen kelderwallen. Er ontstond een lange reeks aan wierden(dorpen), waaronder de Rijksbeschermde dorpsgezichten Oostum, Garnwerd, Ezinge, Saaksum en Niehove.

de Jonkersvaart (19e eeuw) gegraven voor de turfwinning. Langs de kanalen en wijken kwam bewoning tot stand (o.a. Leek en Zevenhuizen).

Centraal in Westerkwartier ligt het beekdal Oude Diep. Vanaf de 7e eeuw werd vanuit het beekdal laagveen afgegraven. Aan weerszijden van het beekdal liggen dekzandruggen die geschikt bleken 22

Vanaf de 12e eeuw had het Klooster van Aduard grote invloed op de ontwikkeling van Westerkwartier. Het klooster had 6.000 hectare aan gronden in bezit en nam het initiatief tot dijkaanleg en vervening (o.a. vanuit een nabij Roden gelegen kloosterboerderij in Terheijl). In de 16e eeuw werd het klooster verwoest. In het zuidelijkste punt van Westerkwartier was hoogveen ontstaan. Tussen de 16e en 19e eeuw werden de Leekster Hoofddiep (16e eeuw) en

In 19e en 20e eeuw vond in de provincie Groningen een agrarische omslag plaats van gras- naar bouwland. In Westerkwartier bleef veeteelt dominant. Op veel plekken was de grond wegens de lage ligging minder geschikt voor akkerbouw. Ook de nabijheid van Fryslan speelde mee. Hier stonden de veeboeren hoger in aanzien. De landbouwcrisis (en mechanisatie) zorgde voor een uitstoot aan arbeiders uit de agrarische sector en daarmee tot werkloosheid en armoede onder de

plattelandsbevolking. Velen zochten naar nieuwe kansen in de grote stad of in Amerika. Eind 19e eeuw was daardoor sprake van krimp. (Goederen)vervoer ging lang over water. Dat begon in de 19e eeuw te veranderen. Halverwege de 19e eeuw werden de wegen over de oostwest lopende zandruggen verhard (o.a. de Friesestraatweg bij Zuidhorn en de Hoofdstraat bij Leek). In 1866 kwam er een spoorverbinding tussen Nieuweschans en Harlingen, met stations in Zuidhorn, Grijpskerk en nabij Visvliet. De gunstige bereikbaarheidsontwikkelingen maakte vooral van Zuidhorn een geliefde woonplek voor rentenierende boeren en notabelen uit het noordelijk Westerkwartier. Tussen dorp en station (aan De Gast) bouwden ze fraaie villa’s. Aan de zuidkant kwamen Marum, Nuis, Niebert, Tolbert en Leek aan de Drachtster tramlijn te liggen tussen Drachten, Roden, Peize en Groningen. In 1938 werd het Hoendiep verbeterd en omgedoopt tot het Van Starkenborghkanaal. Vanaf 1951 konden grote schepen via deze route tussen Groningen en het IJsselmeer varen. Vanaf de jaren vijftig deed de (vracht)auto zijn intrede. De N355 werd buiten de dorpskernen gelegd en de A7 verscheen. Leek/Tolbert en Roden werden benoemd als industriekern. Dit bracht ook nieuwe inwoners en voorzieningen met zich mee. Tussen 1930 en 1990 werden de verschillen

in ontwikkeldynamiek zichtbaar. In het gebied rond Leek (aan de A7) was de inwonersgroei 125%. Rondom Marum (+35%) en Grootegast (+20%) was de groei veel kleiner. Het gebied rond Zuidhorn haalde ook een groei van 125%. Forenzen ontdekten de dorpse sfeer en de woonkwaliteit van het dorp Zuidhorn. Op andere plekken ging die kwaliteit (in retroperspectief) juist achteruit. In Leek werd het Hoofddiep gedempt (in het centrum). En veel wegdorpen op de zandruggen verloren hun karakteristieke bomen en grasbermen (aan de hoofdweg) door toegenomen verkeersdruk. Dorpen in de nabijheid van Groningen maken als gevolg van hoge ruimtelijke/landschappelijke kwaliteit en/of bereikbaarheidskwaliteit een sterke inwonersgroei mee. Grijpskerk (groei tussen 1960 en 2021 van 1.400 naar 2.900) en Zuidhorn (van 2.000 inwoners in 1960 naar 7.000 nu) profiteren van de ligging aan het spoor. In 8 minuten per trein of 40 minuten per fiets staan inwoners van Zuidhorn in het centrum van Groningen. Garnwerd kon zich specialiseren op recreatie en toerisme dankzij de historie van het dorp en de ligging nabij Groningen, aan het Reitdiep. Gewildheid van het woonmilieu maakt in Zuidhorn dat men bij nieuwe ontwikkelingen selectief kan zijn en dat er gestuurd kan worden op kwaliteit. Hoogwaardig openbaar groen fungeert als de ruimtelijke drager van ontwikkelingen in het dorp.

Groen omringt het dorp en loopt er dwars doorheen. In de meest recente

uitbreidingswijk is vijftig procent gereserveerd voor groen. Centraal is ruimte gemaakt voor Natuureiland Oostergast. Het Westerkwartier heeft als geheel een aantrekkingskracht op gezinnen (vanuit Groningen vooral, in het bijzonder naar Leek en Zuidhorn). Hier tegenover staat een forse uitstroom van jongeren naar Groningen. Niet overal neemt de bevolking toe. De verschillen zijn groot. Van de 40 dorpen hebben 6 dorpen geen directe toegang tot het OV. Vrijwel alle OV-verbindingen zijn oost-west gericht, via de stad. Verbindingen tussen de dorpen ontbreken. Er is in veel dorpen sprake van vergrijzing en ontgroening. Dit zet het verenigingsleven onder druk. Als gevolg van huishoudensverdunning neemt het aantal bewoners per woning af. Doordat meer mensen alleen wonen ligt eenzaamheid op de loer. Behoud van dorpshuizen is daardoor belangrijk. Westerkwartier telt slechts 0,6 banen per in de gemeente woonachtige werknemer. Men werkt in Westerkwartier (30%), Groningen (32%), Smallingerland (4%), Leeuwarden (2%) en Assen (3%). De banen zijn met name gesitueerd in Leek. Er is sprake van een afname van de beroepsbevolking ten opzichte van de totale bevolking. Het is voor bedrijven mede daardoor lastig om goed gekwalificeerd personeel te vinden.

23

Drachten

Innovatieve maakindustrie vraagt stedelijke kwaliteiten 1960

1990

2020

24

Drachten is ontstaan als tweelingdorp aan riviertje de Dracht en gegroeid als veenkolonie aan de Drachtster Compagnonsvaart (17e eeuw). Tot aan 1950 betrekkelijk klein met een aantal scheepswerven waar skûtsjes werden gebouwd (4.500 inwoners rond 1850; 6.500 in 1900 en 10.000 in 1940).

Nieuwe impuls vanaf de jaren negentig met poppodium Iduna (1983), vernieuwing winkelcentrum (vanaf jaren negentig), Museum Drachten (1994) en heropening (van de in 1967 gedempte) Drachtstervaart inclusief passantenhaven (2015), komst 50 meter zwembad, nieuwe Q-linerbussen en Transferium Oost (2016).

Explosieve groei na komst van bedrijven als Dunlop (1920) en vooral Philips-fabriek (voor scheerapparaten, 1950). Voor werknemers werden woningen en voorzieningen gebouwd. Er kwam een modernistisch winkelcentrum, een ziekenhuis, een schouwburg (De Lawei, 1960), een haven en

In 2008 werd Drachten het R&D kenniscentrum voor de Philips divisie Consumer Lifestyle (met 1.450 werknemers waarvan 600 ingenieurs). En in 2014 richtte Philips met vijf andere Drachtster bedrijven het innovatiecluster Drachten op. In het samenwerkingsverband worden de banden

een vliegveld (1962). Tramverbindingen werden aangelegd naar Groningen (Philipslijn), Dokkum en Heerenveen. Op het hoogtepunt in de jaren zeventig werkte er 2.500 werknemers bij Philips. Tussen 1950 en 1980 steeg het inwoneraantal explosief van 10.000 naar 40.000 mensen.

aangehaald met zowel het beroepsonderwijs als de Rijksuniversiteit Groningen. Bedrijven zijn werkzaam in de fijnmechaniek, robotica, ICT/big data, medische technologie en elektrisch of door waterstof aangedreven krachtbronnen. Aan ROC Friese Poort studeren inmiddels 10.000 studenten.

Einde aan de groei vanaf 1980. Uitplaatsing van industrie naar lage lonenlanden. Tram maakt plaats voor de auto. Extensivering ruimtebeslag met woonwijk De Drait en nieuwe industrie in de Haven (groeide uit tot een van de grootste industriegebieden van Nederland) en Azeven (aan snelweg A7).

Op elke in de gemeente woonachtige werknemer zijn er 1,19 banen. Drachten is sinds 1980 maar zeer beperkt gegroeid (42.000 inwoners in 1990; 46.500 in 2021), heeft veel naoorlogse woningvoorraad en vergrijst. Slechts 42% van de lokale werknemers woont in Drachten. Relatief veel jongeren vertrekken naar Groningen en

Leeuwarden. Uitdaging voor Drachten is om meer stad te worden. En om de positie tussen De Friese Meren (waterfront aan de oostelijke poort) en de Friese Wouden (bossen en buitenplaatsen) te verwaarden. De ambitie is om De Haven, Tussendiepen en het centrum met elkaar te verbinden zodat er een unieke ‘wateretalage’ ontstaat met een campus en gemengde woon- en werklocaties. In Azeven is ruimte voor groei van hoogtechnologische bedrijven en ambitie van de gemeente is om de vaarweg naar het Prinses Margrietkanaal geschikt te maken voor de grootste categorie binnenschepen (Klasse Va).

25

Opsterland

Kralenketting van bijzondere natuur aan het Alddjip 1960

1990

Opsterland ligt op de overgang van het relatief hoog gelegen Fries-Drents plateau naar het lage midden van Fryslân. Op de zandruggen aan weerszijden van beek Alddjip ontstonden de eerste nederzettingen (o.a. Beets en Ureterp) en langs de beek vonden de eerste veenontginningen plaats. Belangrijkste verbindingen waren oost-west gericht, in de lengterichting van de zandruggen. Vanaf de zestiende eeuw werden de laag- en hoogveengebieden ontsloten (o.a. via zeventiende eeuwse Opsterlandsche, Schoterlandsche en Drachtster Compagnonsvaarten). Gorredijk, Bakkeveen, Nij Beets en Tijnje ontstonden als veenkoloniën. Buiten het veenseizoen was de armoede groot. Ter illustratie: Jacob van Lennep maakte in 1823 een voetreis door de noordelijke Nederlanden en sprak over “halve wilden” en “holbewoners” die woonden in “huizen half onder de grond” en die leefden van “roof en bedelarij”.

2020

26

Welgestelde Friese heren en lokale kooplieden lieten met het geld uit de turfwinning buitens en landgoederen bouwen in Beetsterzwaag, Olteterp en Bakkeveen (18e en 19e eeuw). Later werden bossen aangeplant op de heidegronden en slecht renderende landerijen. Beetsterzwaag groeide uit tot gewilde forenzenplaats.

Gorredijk werd het lokale centrum van ambacht en handel (landbouwproducten als hout, rogge en boekweit). Eind 19e eeuw kreeg deze kern een station aan de tramlijnen tussen Heerenveen, Beetsterzwaag en Drachten. En aan de tramlijn naar Oosterwolde en Assen. Er ontstond nieuwe industrie (druktankfabriek De Jong Gorredijk en kinderwagenfabriek Koelstra) met voornamelijk agro-gerelateerde bedrijvigheid (techniek, metaalbewerking, opslag en logistiek). Na de Tweede Wereldoorlog werden langs de Compagnonsvaarten wegen aangelegd. Gemotoriseerd verkeer kwam op en de tram verloor haar positie (in 1945). Het beleid werd gericht op kernvorming, met concentratie van bebouwing in een beperkt aantal dorpskernen. Het Alddjip werd in het kader van de ruilverkaveling gekanaliseerd, genormaliseerd en in stukken geknipt (jaren zestig). De beek raakte deels overwoekerd en de bovenloop werd gedempt. Langs de beek groeiden de Bakkeveense Duinen, het Wijnjeterper Schar, Van Oordt’s Mersken (allen Natura 2000), Merkensheide, Kapellepôle en De Fennen uit tot belangrijke natuurgebieden (Natura 2000). Ambitie is om de beek weer te laten meanderen en om de verschillende delen

aan elkaar te koppelen zodat het Alddjip weer een doorgaande beek wordt. De beek kan zo gaan fungeren als identiteitsdrager voor de omliggende dorpen en als aangrijpingspunt voor recreatie en toerisme. Dit is bovendien gunstig voor het watersysteem (meer water vasthouden) en voor natuurontwikkeling. Opsterland kon dankzij de auto (en A7) uitgroeien tot forenzengemeente. Per in de gemeente woonachtige werknemer zijn lokaal slechts 0,65 banen beschikbaar. Inwoners werken met name in Opsterland (26%), Heerenveen (14%), Smallingerland (18%), Leeuwarden en Groningen (6%). De dorpen ondergingen na 1950 een transitie van autonome dorpen naar woondorpen, met een aantrekkingskracht op mensen die afkomen op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. En die voor hun voorzieningen bereid zijn te reizen naar Drachten, Heerenveen, Leeuwarden en Groningen (allen binnen straal van 40km). Gorredijk groeide van 2.000 inwoners in 1950 tot 7.000 in 2005 (daarna redelijk stabiel, nu 7.500). Ureterp groeide tussen 1940 en 1990 van 2.900 naar 4.200 inwoners (nu 4.800). Bakkeveen van 1.000 naar 1.700 (nu 1.900). Er is sprake van een sterke vergrijzing en ontgroening. Vooral in de kleine kernen is de afname van jongeren sterk. De kracht van de gemeenschap (Mienskip) staat onder druk. Het

aandeel een- en tweepersoonshuishoudens neemt toe. Vervoersarmoede ligt op de loer voor ouderen, gehandicapten en schoolkinderen die niet beschikken over eigen vervoer. Door schaalvergroting en huishoudensverdunning valt de bestaansbasis van kleine dorpswinkels weg (die concentreren zich in Gorredijk, Beetsterzwaag, Bakkeveen en Ureterp - het aantal inwoners van Lippenhuizen kromp tussen 1940 en 1990 van 1.400 tot 1.200 inwoners (1.300 nu); in Olterterp was dit van 170 naar 90 (80 nu). Het aantal basisschoolleerlingen en de instroom bij verenigingen neemt af door ontgroening. De toename van het aantal ouderen vraagt om vernieuwing van de buitenruimte (rolstoel- en rollatorvriendelijk) en de woonvoorraad (nu 86% gezinswoningen). De Friese Wouden zijn nog beperkt bekend bij de doorsnee toerist. Toch kent het Opsterland elk jaar meer dan 140.000 overnachtingen. Bakkeveen is de spil van de toeristisch-recreatieve sector in de gemeente. In- en rondom dit dorp zijn vele recreatieve voorzieningen terecht gekomen gericht op gezinnen met kinderen. Opsterland is via de Turfroute (Oosterwolde, Donkerbroek, Jubbega, Gorredijk, Heerenveen) en het Polderhoofdkanaal aangetakt op het Friese Merengebied.

27

Heerenveen

Ondernemend knooppunt ontwikkelt zich tot complete stad 1960

1990

Heerenveen is ontstaan als veenkanaaldorp op het kruispunt van de Heeresloot en Schoterlandse Compagnonsvaart. Drukke turfhandel leidde in de achttiende eeuw tot de vestiging van ambachtsen kooplieden. Er waren leerlooiers, molenaars, scheepsbouwers en klokkenmakers en er werd gehandeld in rogge, boekweit en boter. Eind negentiende eeuw kreeg Heerenveen een station aan de verbinding Zwolle-Leeuwarden. Ook kwamen er tramverbindingen met Joure en Drachten (via Gorredijk, Beesterzwaag). Het aantal inwoners van Heerenveen bleef beperkt, met een groei tussen 1850 en 1930 van 2.600 naar 4.800 inwoners. Gebouwd werd er vooral langs de straatweg naar Zwolle. In 1904 opende Andries Gaastra zijn winkel in naaimachines, uurwerken en fietsen (later uitgegroeid tot rijwielen brommerfabriek Batavus).

2020

28

Aan het begin van de 20ste eeuw kwam Heerenveen in trek bij de gegoede burgerij, die hier villa’s lieten bouwen. Heerenveen ontwikkelde zich als het ‘Friese Haagje’ voor welgestelden, dankzij het ‘groene goud’ van het voormalig stadhouderlijk landgoed Oranjewoud (met buitens en bossen en de Tsjonger aan de zuidkant van het dorp).

In de jaren vijftig en zestig verscheen de auto op het toneel. De rijksweg van Zwolle naar Leeuwarden (latere A32) werd verlegd en er kwam een grote verkeersrotonde waar ook de weg tussen Afsluitdijk en Groningen (latere A7) op aantakte. Aan de zuidkant van het dorp verrees een bedrijventerrein voor de uitplaatsing van bedrijven uit het centrum (o.a. Batavus en vetsmelterij Smilde). Het aantal inwoners groeide van 1930 tot 1960 van 4.800 tot 13.200. Na 1960 ontsteeg Heerenveen de schaal van het lintdorp als gevolg van de bouw van nieuwe woonbuurten. Het aantal inwoners steeg tussen 1960 en 1980 van 13.200 naar 25.700. Het veengebied werd opgehoogd met zand uit winputten (o.a. huidige recreatiegebied De Heide). In de jaren zeventig kreeg Heerenveen een nieuwe winkelpromenade en werd het stationsplein aangepakt. Ook kwam er een ijsstadion met internationale topsport, in 1986 als tweede ter wereld werd overdekt (Thialf). Vanaf 1980 bleef het aantal inwoners van het dorp relatief stabiel (26.200 in 1983; 29.800 in 2021). In de jaren negentig leidde de Vierde Nota Extra tot de realisatie van de zeer ruim opgezette nieuwbouwwijk Skoatterwâld, met landschappelijk

wonen in dorpse dichtheden. Heerenveen werd een banenmotor voor Fryslân. Met ongeveer 33.000 banen zijn er voor elke lokale werknemer 1,39 banen beschikbaar. Dankzij een nieuwe haven, het spoor en de opwaardeerde A32, A6 en A7 (rond 2000 werd het Klaverblad geopend) kwamen er in relatief korte tijd veel nieuwe industriegebieden (met name voor extensieve bedrijvigheid in de industrie, bouw en logistiek): Haskerveen (met verwerkings- en scheidingsactiviteiten van Omrin / Ecopark de Wierde en het Nationaal Testlab Circular Plastics), Businesspark Friesland (distributie, groothandel, bouwmarkten en doe-het-zelf-zaken), Internationaal Bedrijvenpark Friesland (logistiek en zuivel). Momenteel wordt er gewerkt aan het gebied Klaverblad Noordoost en wordt ingezet op verduurzaming (energietransitie, circulariteit en een innovatief ecosysteem), zodat (o.a.) deze sectoren hun belangrijke regionale werkgelegenheidsrol kunnen blijven vervullen en uitbouwen. Heerenveen kent een bijzondere concentratie van iconen op het gebied van sport, gezondheid, onderwijs en vrije tijd (o.a. Innovatielab Thialf, het Abe Lenstrastadion, talentenacademie, het Epke Zonderland turncentrum en Friesland College). Sporters komen in de regio wonen en bezoekers van wedstrijden overnachten, eten en drinken in de omgeving. Museum Belvédère (2004) en De

Deelen trekken beide jaarlijks ca. 50.000 bezoekers, Museum Heerenveen en de Ecokathedraal rond de 10.000. Ook Parklandschap Oranjewoud trekt regionaal en bovenregionaal vele bezoekers. Dit landschap staat in toenemende mate onder druk als gevolg van verdroging. Heerenveen is een complete stad in wording. De stedelijke kernkwaliteiten van Heerenveen zijn: goede bereikbaarheid, strategisch gelegen werkgebieden, de aanwezigheid van goede voorzieningen op velerlei terreinen, de sterke differentiatie in woonmilieus en aantrekkelijke recreatieve gebieden. Heerenveen vervult als stedelijk centrum een regionale functie op het gebied van werkgelegenheid, detailhandel, onderwijs, cultuur, sport en gezondheid. De vele dorpen in de regio hebben een goede verbinding naar de stad en profiteren van het regionale aanbod.

van energie, circulariteit en gezondheid, de versterking van Friese en noordelijke economie en brede welvaart. Ook zonder de Lelylijn zet deze ontwikkeling zich door. De komst van een Lelylijn station in Heerenveen moet de betekenis van Heerenveen voor de regio verder vergroten en het herstel van evenwicht tussen wonen en werken in een stroomversnelling brengen.

De stedelijke identiteit van Heerenveen is sterk in ontwikkeling. Door extra woningen te bouwen komt de verhouding tussen wonen en werken beter in evenwicht (nu wordt 70% van de lokale banen ingevuld door mensen van buiten). Door economisch in te zetten op (1) de verduurzaming van logistiek, (2) voeding, vitaliteit, gezondheid en sport en (3) circulaire economie levert de Heerenveense economie een belangrijke bijdrage aan de noodzakelijke transities op het gebied 29

De Fryske Marren en Súdwest-Fryslân

Watereconomie naar Friese aard en schaal 1960

1990

Het lage midden - gelegen tussen hogere klei- zandgronden - stond onder invloed van overstromingen uit zee en had te maken met een gebrekkige waterafvoer en veenvorming. Tussen 1750 en 1900 werd het gebied verveend. Belangrijkste bestaansmiddelen waren veeteelt, handel, hout, scheepvaart, visserij en turfwinning. Het uitgebreide waternet en de ligging aan de Zuiderzee maakte dat plekken als Hindeloopen, Workum, Staveren, Lemmer en Makkum opbloeiden. Centraal gelegen plaatsen hadden een meer gevarieerde economie: met name Sneek (grootste boterwaag van Fryslân in 18e eeuw met beurt- en veerdiensten op meer dan

Leeuwarden en Lemmer-Heerenveen). En er kwamen spoorverbindingen (Zwolle-Heerenveen in 1866 en Leeuwarden-Sneek-Stavoren in 1885) en tramwegen: Heerenveen-Joure-Lemmer (incl. boot naar Amsterdam), Heerenveen-Joure-SneekBolsward-Harlingen (doorvoer kolen, kunstmest en landbouwproducten). Nieuwe verbindingen bracht nieuwe industrie met zich mee. De zuivelproductie verplaatste zich van boerderijen naar zuivelfabrieken. Grote industrie concentreerde zich met name in Sneek (Tonnema, Lankhorst), Bolsward (Ruiters) en Joure (meubelmakerij tot aan jaren zestig, Douwe Egberts, Imperial Tobacco). Vrijwel in elk dorp of stadje kwam een

twintig plaatsen tot aan Holland en Overijssel), Bolsward, Joure (klokmakerijen), Balk (hout), Sloten (leerlooierijen), IJlst en Woudsend. Vanaf de tweede helft van de 18e eeuw kregen veel stadjes te maken met een economische terugval. Ter illustratie: in 1720 telde Hindeloopen 2.300 inwoners, rond 1850 waren hier nog maar 1.100 van over.

grootschalige (zuivel)fabriek tegen de fijnmazige dorpsstructuur aan te liggen. Op een groot aantal plekken bestonden door de eenzijdige gerichtheid op landbouw beperkte groeimogelijkheden. Mede als gevolg van de landbouwcrisis en verdergaande mechanisatie vertrokken velen naar elders, waardoor eind negentiende eeuw, op veel plekken het inwonertal afnam.

2020 Men was in grote delen van het gebied afhankelijk van vervoer over water (elke dorp en stad lag aan een goed stelsel van meren, plassen en trekvaarten). Na 1830 kwam andere mobiliteit op. Er kwamen verharde wegen (Zwolle-Leeuwarden, Sneek-Lemmer, Sneek-Bolsward, Sneek30

Na de Tweede Wereldoorlog werd de (vracht) auto belangrijker. Het Merengebied bleef een betrekkelijk geïsoleerd gebied, met uitzondering van Lemmer, Joure, Sneek en Bolsward (na aanleg van A7 over afsluitdijk in 1940, A50 naar

IJsselmeerpolders in 1970 en baanverdubbeling A7 in 1977). De ruimtelijke ontwikkeling was gericht op kernvorming (in plaats van verdere lintvorming).

Afgezet ten opzichte van de gemiddelden in Nederland liggen de vierkante meterprijzen in het dorpse en rurale gebied van Fryslân en

grote sociale cohesie en Mienskip. Mensen kennen elkaar, praten met elkaar en helpen elkaar als dat nodig is. Hierin ligt een belangrijk fundament voor

Op slecht bereikbare plekken was tot in de jaren 1970 sprake van krimp. Landbouw en industrie maakten een schaalvergroting door. Vaarten werden gedempt en de vrachtauto verscheen in de dorpskern.

Groningen lager. De prijzen zeggen iets over de aantrekkingskracht van gebieden. Daar waar de aantrekkingskracht afneemt van bepaalde dorpen, worden delen van de bestaande woningvoorraad, die meer gedateerd zijn of een minder onderhoudsniveau hebben, minder courant op de woningmarkt ten opzichte van beter aanbod in de nieuwbouw. In en rondom Lemmer, Joure, Balk, Woudsend, Heeg en IJlst zien we inmiddels een ander beeld. Dit gebied is dermate in trek dat het de prijzen opstuwt: “Joure is het Wassenaar van Fryslân”. Dit effect is toe te schrijven aan de combinatie van (A) de relatief gunstige ligging ten opzichte van het Stedelijk Netwerk (bereikbaarheid van banen, voorzieningen en mensen), en (B) de aard en schaal van bebouwing, het karakter en de relatie met het landschap. Men is bereid te reizen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13985415/1