Woondossier - Bijlage a Visiedocument Krachtig Verbonden 2021 (A) Vastgesteld.pdf
Tekst van het document
19
Wat willen we bereiken?
Een duurzaam en toekomstgericht vestigingsklimaat voor nieuwe en bestaande bedrijven. Een goede invulling van de bestaande bedrijventerreinen en van alternatieve vestigingslocaties, passend binnen de uitgangspunten van de NED-regeling (NED staat voor Nieuwe Economische Dragers). De ontwikkeling van economisch beleid en een strategie voor de toekomst, samen met de verschillende sectoren en ondernemersverenigingen .
2.1.4 ECONOMISCHE PROMOTIE Waar hebben we mee te maken?
De promotie van de gemeente Sluis op het gebied van wonen, werken en recreëren is te versnipperd. Het inwoneraantal loopt terug en de bevolking vergrijst. Als gevolg van de vergrijzing neemt de potentíële beroepsbevolking af. De vraag naar (tijdelijke) werknemers neemt daardoor toe. Toerisme is van groot economisch en maatschappelijk belang voor de gemeente Sluis. Het gezamenlijk behouden van een evenwichtige balans tussen inwoner en toerist vergt echter extra aandacht. Het gaat dan met name om de lasten die inwoners ervaren met betrekking tot verkeersoverlast, zwerfafval en stijgende (huizen)prijzen.
Wat willen we bereiken?
Een eenduidige en herkenbare promotie (ieder vertelt hetzelfde verhaal), met aandacht voor de verschillende doelgroepen en kernen. Het gemeentelijk DNA als uitgangspunt voor promotie, productontwikkeling, evenementen en activiteiten. Inwoners en ondernemers in de gemeente Sluis zijn trotse ambassadeur van de streek. Dit bereiken we door het inzicht in lusten en lasten van toerisme te vergroten bij alle inwoners en ondernemers. ‘Waardevol toerisme’ waarbij we meer sturen op productinhoud en spreiding van toerisme: spreiding zowel in tijd (seizoensverlenging) als in ruimte (koppeling kust-achterland). Meer nieuwe inwoners en voorkomen dat jongeren wegtrekken uit de gemeente Sluis. Het aantrekken van (tijdelijke) arbeidskrachten.
2.2 BEDRIJFSINFRASTRUCTUUR
2.2.1 BEDRIJVENTERREINEN Waar hebben we mee te maken?
Gemeentebreed is er een overaanbod aan bedrijventerreinen. Particuliere bedrijventerreinen raken niet verkocht of worden zelfs niet te koop aangeboden. Het risico bestaat dat bedrijfspanden op de bedrijventerreinen verpauperen en er is steeds meer verrommeling rondom deze panden. De inpassing van de bedrijventerreinen in het landschap is onvoldoende qua beeldkwaliteit. Er is meer vraag naar dan aanbod op bedrijventerrein de Vlaschaard in Eede. Door het ontstaan van detailhandelsactiviteiten en oneigenlijk gebruik van bedrijfsverzamelgebouwen, is er een toenemende branchevervaging bij de invulling van de bedrijventerreinen. Bedrijventerreinen komen in beeld als locatie voor de vestiging van zonneparken. Dit in het kader van de Zeelandbrede Regionale Energie Strategie (RES), die door de gemeente Sluis is vastgesteld. (Zie 1.2.1. Duurzaamheid en energietransitie) Klimaatverandering en de gevolgen daarvan worden steeds duidelijker merkbaar en zichtbaar. Dit heeft gevolgen voor het landschap en de inrichting daarvan.
20
Wat willen we bereiken?
Een efficiënt en kwalitatief gebruik van bestaande bedrijventerreinen. Sanering van (een deel van) de bedrijvenbestemming op private bedrijventerreinen. Dat wil zeggen dat we deze terreinen niet langer meer (volledig) voor bedrijven bestemmen. Landschappelijke inpassing van alle bedrijventerreinen (gemeentelijke en private terreinen). Geen vestiging meer van detailhandel of hobbymatige activiteiten op de bedrijventerreinen. Inzet van bedrijventerreinen voor opwekking van duurzame energie. Deze initiatieven mogen het landschap echter zo min mogelijk verstoren. Een zo optimaal mogelijke ruimtelijke ordening is daarbij essentieel.
2.2.2 DETAILHANDEL Waar hebben we mee te maken?
Een toenemende leegstand in de centra van onze grotere kernen door een afnemende vraag naar winkelpanden. Te veel versnippering in winkelgebieden: geen compact winkelcentrum, wat de klantbeleving negatief beïnvloedt en leidt tot lagere bestedingen. De beschikbare (planologische) ruimte voor detailhandel is niet afgestemd op de behoefte, waardoor er sprake is van overaanbod. Minder bestedingen in lokale winkelgebieden door een forse toename van internetverkoop. De gemeente kent vier winkelgebieden met onderscheidende kenmerken (Oostburg, Sluis, Breskens en Cadzand-Bad). Oneerlijke concurrentie voor de detailhandel in winkelgebieden, als gevolg van toenemende branchevervaging op bedrijventerreinen / in groothandelszaken (bv. bouwmarkten, tuincentra). Stijgende internetverkoop kan deels worden bestreden door meer in te zetten op klantenbinding en door de klant te verleiden een fysieke winkel te bezoeken en daar lang te verblijven. Een aantal winkelgebieden zou daarom graag zien dat blurring wordt toegestaan (functiemenging, zoals bijvoorbeeld horeca in een winkel). Echter niet alle winkelgebieden delen deze wens.
Wat willen we bereiken?
Sterke, geconcentreerde winkelgebieden met zo min mogelijk leegstand. Het aanbod beter afgestemd op de vraag. Door verdere profilering en thematisering meer inspelen op het onderscheidende karakter van de verschillende winkelgebieden en –kernen. Een divers en aantrekkelijk winkelaanbod voor zowel inwoners als toeristen. Detailhandel voorbehouden aan centrumgebieden. Een optimale beleving voor de klant in de winkelgebieden.
2.2.3 LANDBOUW Waar hebben we mee te maken?
De ruimtelijke impact van de agrarische sector op de gemeente is groot. Het overgrote deel van ons landschap wordt gevormd door agrarisch gebied. Het open landschap is één van de sterkste punten van onze gemeente. De instandhouding ervan vergt een goed agrarisch en natuurbeheer. Wereldwijde, Europese en landelijke ontwikkelingen (klimaatverandering, stikstofproblematiek) zetten de agrarische sector verder onder druk. Mede hierdoor verandert de agrarische sector, variërend van schaalvergroting tot verbreding (het ontplooien van nevenactiviteiten). Bij kleinere agrarische bedrijven is sprake van een toename van leegstaande en gedateerde bedrijfsbebouwing. Veel agrarische bedrijven benutten de mogelijkheid tot het realiseren van een Nieuwe Economische Drager (NED). In de praktijk blijkt echter dat de NED in sommige gevallen niet meer als nevenactiviteit wordt ingezet maar als hoofdactiviteit. Voormalige agrarische bebouwing wordt vaak ingezet voor de realisatie van verblijfsrecreatie via een NED. Dit draagt bij aan de verblijfsrecreatieparadox (Zie 2.3.1 Verblijfsrecreatie). Het aandeel akkerbouw in de gemeente is beduidend groter dan het aandeel veeteelt, waardoor sprake is van een mesttekort in de regio. Klimaatverandering leidt tot extremere weersomstandigheden en een groot tekort aan zoet water.
21
Wat willen we bereiken?
Een toekomstbestendige en duurzame agrarische sector. De agrariër als (mede)landschapsbeheerder. Een sectorale kringloop binnen de landbouw, bij voorkeur te realiseren op regionale schaal. Dit is een vorm van landbouw waarbij de kringloop van stoffen is gesloten; de akkerbouw haalt bijvoorbeeld alle dierlijke mest uit de eigen regio. Verpaupering van agrarische bebouwing tegengaan. Een diversiteit aan NED’s in combinatie met agrarische bedrijvigheid. Het verkorten van de afzetketen van landbouwer naar consument. Meer biodiversiteit.
2.3 RECREATIE, TOERISME EN CULTUUR
2.3.1 VERBLIJFSRECREATIE Waar hebben we mee te maken?
Dreigende aantasting van eigenheid en authenticiteit van de kust door toenemende bebouwing. Ondanks de kwaliteitsslagen die er afgelopen jaren zijn gemaakt, blijft er sprake van een toename aan verblijfsaccommodaties (kwantiteit), terwijl de kwaliteit van de verblijfsaccommodaties in een aantal gevallen te wensen over laat (recreatieparadox). Verblijfsrecreatieve ontwikkelingen vinden met name plaats aan de kust. In het achterland worden de mogelijkheden nog onvoldoende benut. Er vindt, om verschillende redenen, een verschuiving plaats van vakanties naar verre bestemmingen naar vakanties dichterbij huis. Bestaande verblijfsrecreatieterreinen mogen (beperkt) uitbreiden. Dit onder de voorwaarde dat op het gehele terrein een kwaliteitsslag wordt gemaakt en er per hectare uitbreiding een bijdrage van 34.000 euro wordt betaald (rood-voor-groen). Bij het kleinschalig kamperen is enkel toeristisch kamperen en een beperkt aantal trekkershutten toegestaan. Gezondheidstoerisme, het bezoeken van plaatsen of gebieden ter bevordering van de gezondheid, biedt kansen voor de versterking van de verblijfsrecreatieve sector. Onze streek kenmerkt zich door een diversiteit aan type recreatiebedrijven; verhoudingsgewijs zijn er veel familiebedrijven. Er is een afname van het aantal toeristische kampeerplaatsen, terwijl de vraag niet evenredig sterk afneemt.
Er zijn drie landschapscampings binnen onze gemeente. De landschapscamping is echter geen term meer in het provinciale en gemeentelijke beleid en heeft ook geen aparte statusmeer. Er is in beperkte mate sprake van permanente bewoning op verblijfsrecreatieterreinen. Toeristische verhuur van woningen in de woonkernen is van invloed op het totale (verblijfs)recreatieve product. Campertoerisme is een groeiende markt. Nieuwvestiging van verblijfsrecreatie is niet meer toegestaan.
Wat willen we bereiken?
Een kwalitatief hoogwaardig, duurzaam en divers verblijfsproduct, waarbij ingespeeld wordt op de trends en ontwikkelingen bij de gast. Een gevarieerd toeristisch-recreatief product, waarbij gebruik gemaakt wordt van zowel de kust als het achterland. Een aanbod van recreatieve overnachtingsmogelijkheden dat aansluit bij de vraag; kwaliteit is hierbij leidend in plaats van kwantiteit. Een passende vereveningsregeling (rood-voor-groen), waarbij recreatieondernemers die uitbreiden evenredig bijdragen aan voorzieningen elders en die hen niet belemmert te investeren in kwaliteit. Geen permanente bewoning op verblijfsrecreatieterreinen.
22
In basis geen verdere toeristische verhuur van woningen in de kernen. (zie ook hoofdstuk 1.1.2) Stimuleren van innovatief ondernemerschap. Het bewaken van een divers maar ook evenwichtig aanbod aan verblijfsrecreatieve voorzieningen. Creëren van ontwikkelruimte voor ondernemers met behoud van kwaliteit van de omgeving maar waarbij terughoudend wordt omgegaan met extra bebouwing. Inspelen op het groeiende campertoerisme.
2.3.2 TOERISME Waar hebben we mee te maken?
Toerisme is van groot economisch en maatschappelijk belang voor de gemeente Sluis en haar ondernemers en inwoners. Het aantal toeristische overnachtingen in onze streek is (tot de uitbraak van het COVID-19virus in 2020) jaarlijks gestegen. Voordat er sprake was van het COVID-19-virus werd een groei van het toerisme aan de Nederlandse kust voorspeld met 56% tot 2030 (Volgens Perspectief 2030, de landelijk visie op toerisme uit 2018 van NBTC Holland Marketing). Onbekend is wat de impact van corona op dit perspectief is. Uit het inwonersonderzoek Draagvlak Toerisme 2019 blijkt dat zes op de tien inwoners toerisme in de gemeente Sluis steunen, maar met kanttekeningen (denk hierbij aan verkeersproblemen, zwerfafval en prijsstijgingen). Uit het bovengenoemde inwonersonderzoek blijkt ook dat zeven op de tien inwoners vindt dat de gemeente Sluis een toeristische bestemming moet blijven. Zowel auto’s als fietsverkeer van bezoekers en inwoners leiden tot een toenemende druk op wegen en parkeergelegenheid (met name aan de kust). Er is behoefte aan nieuwe, belevenisvolle vervoersconcepten voor bezoekers en inwoners. De toeristische sector en inwoners zijn trots op het open en groene karakter van de streek; dit is ook voor bezoekers een belangrijke trekpleister. De (Noordzee)kust en -stranden vormen de grootste attractie voor de bezoekers van onze streek.
Voor zes van onze stranden mogen we de Blauwe Vlag voeren, een keurmerk dat aantoont dat onze stranden schoon en veilig zijn. Er ontbreekt beleid voor de stranden langs de Westerschelde (van Breskens tot het Paulinaschor voorbij Hoofdplaat). Op grond van de Zeeuwse Kustvisie is extra bebouwing op het strand en in het duingebied niet meer toegestaan met uitzondering van de daarin benoemde projecten. Er is te weinig vakbekwaam en vast personeel in de toeristische sector. Er is te weinig (tijdelijke) huisvesting voor seizoensmedewerkers in de toeristische sector. Door recreatief gebruik van woningen in de kernen staat de huizenmarkt en de leefbaarheid in de kernen onder druk. In het buitengebied en aan de grens laat het mobiele bereik te wensen over, terwijl de eisen en het verwachtingspatroon van bezoekers en inwoners op dit punt alleen maar toenemen. De toeristische sector vraagt om inzicht in en een transparante besteding van de toeristenbelasting en vereveningsgelden (zie onder meer 2.3.1 Verblijfsrecreatie). De promotie en marketing van de streek is versnipperd en vraagt om een samenhangende en toekomstbestendige benadering (zie ook 2.1.4 Economische promotie). Een gezonde leefstijl wordt steeds belangrijker, niet alleen thuis in de eigen woon- en werkomgeving maar ook tijdens de vakantie.
De status van heilzame badplaats die Cadzand heeft verkregen door het voldoen aan Europese kwaliteitscriteria, vormt een goede basis voor het stimuleren van gezondheidstoerisme in de streek. (Zie ook 2.3.1 Verblijfsrecreatie.) Er is een uniek en groot aanbod aan streekproducten, (sterren-)restaurants en agrarische bedrijven, waarmee we de streek nadrukkelijker kunnen profileren als foodregio. (Zie 2.2.3 Landbouw.)
23
Wat willen we bereiken?
‘Waardevol toerisme’: balans tussen economische ontwikkeling en maatschappelijke impact, met kwaliteit als uitgangspunt. Daarbij is er evenwicht tussen inwoners (leefbaarheid), bezoekers (aantrekkelijke bestemming), ondernemers (economische ontwikkeling) en omgeving (natuurlijk en open landschap). De transformatie van ‘meer’ naar ‘beter’, in het belang van onze inwoners, toeristische bedrijven en bezoekers (kwaliteitsverbetering, groei is geen doel op zich). Meer draagkracht voor toerisme in de streek onder inwoners, door inzichtelijk te maken wat de lusten en lasten zijn van toerisme, en hierin een evenwichtige balans nastreven en behouden. Inwoners van de gemeente als trotse ambassadeurs van de streek en ondernemers als trotse gastheren en -vrouwen van de streek. Bezoekers voelen zich een welkom onderdeel van de lokale gemeenschap en keren terug naar huis met een verlangen om opnieuw een bezoek te brengen aan de streek (herhaalbezoek) en ook anderen hierover te vertellen (ambassadeurschap). Spreiding van toerisme zowel in tijd (seizoensverlenging) als in ruimte (profilering van het achterland). Kwalitatief volwaardige routes over land (voor fietsers, mountainbikers, wandelaars, hardlopers en ruiters) en over water (kanoroutes). Vermindering van de druk op wegen en parkeergelegenheden. Concepten voor toeristisch vervoer over land en water die doelmatig en belevenisvol zijn.
Kwaliteitsvolle en veilige stranden die schoon, breed, open en toegankelijk zijn, zodat ze blijvend de Blauwe Vlag kunnen voeren. Uitbreiding van het strandbeleid van de Noordzeekust naar de Westerscheldekust, waarbij aandacht is voor behoud van het weidse, open en natuurlijke karakter van de kust. Het toevoegen van bebouwing is daarbij uitgesloten (conform de uitgangspunten van de Zeeuwse Kustvisie). Conform diezelfde Kustvisie geen extra permanente bebouwing op het strand en in het duingebied. Voor bebouwing die nodig is uit oogpunt van veiligheid en voor tijdelijke bouwwerken zijn uitzonderingen mogelijk. Opleidingsaanbod dat aansluit bij de vraag naar gekwalificeerd personeel in de toeristische sector. Voldoende tijdelijke huisvestingsmogelijkheden voor seizoensmedewerkers in de toeristische sector. Een breed gedragen visie op de besteding van de toeristenbelasting waarbij bestaande onderzoeken leidend zijn.
Eenduidige promotie en profilering van de streek op basis van de volgende speerpunten: gezondheidstoerisme (badstatus, wellness, wellbeing en vitaliteit), foodregio (gezonde voeding, streekproducten, korte keten van agrariër tot consument), aantrekkelijke recreatieve routes (wandel-, fiets-, mountainbike-, ruiter- en kanoroutes), kwaliteitsvolle en veilige stranden (schoon, breed, toegankelijk en met een open karakter) en verborgen parels in ons achterland (Zwinstreek, de grens, weids en open polderlandschap, musea, cultureel erfgoed, historische en bruisende kernen met elk hun eigen DNA).
2.3.3 MUSEA EN ARCHEOLOGIE (CULTUUR) Waar hebben we mee te maken?
De rijke cultuur, de cultuurhistorie en het erfgoed die onze gemeente kent, bepalen mede de (onderscheidende) identiteit en diversiteit van de streek. Cultuur- en erfgoedorganisaties hebben behoefte aan kennis over de behoeften van verschillende toeristische doelgroepen die in de streek verblijven. Dit met het oog op het ontwikkelen van een passend aanbod. De samenwerking tussen de culturele en toeristische sector verloopt moeizaam, omdat de afstand (in figuurlijke zin) te groot is. Het bestuurs- en vrijwilligersbestand van cultuur- en erfgoedinstellingen vergrijst en neemt af. Daardoor neemt het aantal cultuur- en erfgoedinstellingen af.
24
Er is onvoldoende structurele afstemming tussen de gemeente en cultuurinstellingen en tussen cultuur- en erfgoedinstellingen onderling. De cultuur- en erfgoedsector heeft behoefte aan gezamenlijke en efficiëntere communicatie over en promotie van het cultureel aanbod in de streek bij bewoners (bijvoorbeeld jongeren en ondernemers) en bezoekers. In onze gemeente is een groot en divers aanbod aan erfgoed, zowel materieel (bijvoorbeeld gebouwen, landschappen) en immaterieel (bijvoorbeeld tradities, volksfeesten). Erfgoed bepaalt mede het karakter en de identiteit van alle kernen. Er bestaat veel lokaal draagvlak voor het behoud van beeldbepalend erfgoed. Anderzijds kan en hoeft niet alles behouden te blijven.
Wat willen we bereiken?
Meer structurele en niet vrijblijvende samenwerking en kennisuitwisseling tussen cultuur- en erfgoedinstellingen onderling, maar ook tussen de cultuur- en erfgoedsector en andere sectoren zoals toerisme. Gezamenlijke en efficiënte promotie van het cultureel aanbod voor bewoners en bezoekers. Doelmatiger werving en inzet van financiële middelen. Beter vindbaar maken van het cultureel aanbod. Een breder cultureel aanbod, gericht op meerdere doelgroepen. Oprichting van een pool van multi-inzetbare vrijwilligers en bestuurders, vanuit verschillende sectoren.
2.3.4 MEDIA Waar hebben we mee te maken?
Omroep Zeeland fungeert als de rampenzender van de gemeente Sluis (bij calamiteiten verstrekken we informatie via deze zender). Het Commissariaat voor de Media (dat toezicht houdt op naleving van de Mediawet) wijst één lokale omroep aan voor de gemeente Sluis voor vijf jaar (2020-2024). Lokale omroepen dienen volgens de Mediawet een Lokaal Toereikend Media-Aanbod (LTMA) te verzorgen, waarvoor een aantal kwaliteitscriteria gelden. VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) en NLPO (Nederlandse Lokale Publieke Omroep) hebben een convenant gesloten, gericht op het vergroten van de continuïteit en professionaliteit van lokale omroepen. Doel is om lokale omroepen om te vormen tot streekomroepen. Dit convenant vormt de basis voor gemeentelijk beleid. De bibliotheek heeft ruwweg twee functies: informatievoorziening en leesbevordering. De informatieve boeken hebben veelal plaatsgemaakt voor digitale zoekmachines zoals Google en Wikipedia. De leesbevordering richt zich primair op (jonge) kinderen en (in toenemende mate) ook op laaggeletterden. De (fysieke) bibliotheek heeft een centrale locatie in Oostburg en een kleinere (onbemande) locatie in Breskens.
De openbare bibliotheek en de schoolbibliotheek en mediatheek van het Zwin College zijn inmiddels in één pand gehuisvest, maar de voorziene organisatorische samenwerking of fusie ten aanzien van collectie, personeel en budgetten is nog niet gerealiseerd. De bibliotheek Zeeuws-Vlaanderen heeft in 2019 een aanvraag gedaan voor een tijdelijke stimuleringssubsidie voor het behoud van bibliotheken in kleine gemeenten (regeling naar aanleiding van de motie Asscher). Deze is toegekend.
Wat willen we bereiken?
Een lokale omroep van en voor inwoners. De lokale omroep dient een voor de gemeente representatief en functionerend PBO (Programmabeleid Bepalend Orgaan) te hebben. Vertaling van landelijk naar regionaal omroepbeleid met in achtneming van regionale omstandigheden (op basis van convenant VNG en NLPO). Een lokale omroep die minder financieel afhankelijk is van de overheid.
25
Informatievoorziening door de bibliotheek die aansluit bij huidige tijd, wensen en maatschappelijke opdracht. Leesbevordering wordt vormgegeven in nauwe samenwerking met de kinderopvang, het primair en voortgezet onderwijs en de volwasseneducatie en richt zich primair op (jonge) kinderen en op het bestrijden van laaggeletterdheid onder volwassenen. Behoud van één sterke centrale bibliotheek in Oostburg. Daarnaast is er ruimte voor kleinschalige initiatieven in kleine kernen. Een fusie of vergaande organisatorische samenwerking tussen de openbare bibliotheek en de schoolbibliotheek van het Zwin College.
26
HOOFDSTUK 3: SOCIAAL DOMEIN Overkoepelende uitvoeringsparagraaf Alle maatregelen die binnen het Sociaal Domein vallen worden enerzijds projectmatig opgepakt via een project dat de voorkeursscenario's uitvoert en anderzijds via de lijnorganisatie die daarover via de gebruikelijke kanalen rapporteert en informeert. Het project dat zich richt op de voorkeursscenario's levert een uitvoeringsplan op. Voor zover regulier dan wel nieuw beleid - niet zijnde de voorkeursscenario's - is vastgesteld en uitvoering behoeft, dan wordt dit door de lijnorganisatie opgepakt.
3.1 SAMENKRACHT 3.1.1 SOCIAAL WERK Waar hebben we mee te maken?
Samenkracht staat voor bundeling van kennis, kunde en creativiteit van alle inwoners. De gemeentelijke rol verandert van verzorgend naar ondersteunend. Ook in onze gemeente wordt een beroep gedaan op de eigen kracht van inwoners. Hierdoor neemt de behoefte aan opbouwwerk en vrijwilligers toe. De meeste vrijwilligers willen zich wel kortdurend voor iets inzetten, maar gaan liever geen langdurige verplichtingen aan. De (gemeentelijke/Porthos) vrijwilligers ervaren dat ze niet altijd als volwaardige kracht worden gezien en ook niet als zodanig gefaciliteerd worden. We kennen drie soorten vrijwilligerswerk: o Informeel vrijwilligerswerk/burenhulp: dit betreft het helpen van buren, iets betekenen voor je buurt. o Vrijwilligerswerk/maatschappelijke participatie: dit betreft de inzet van inwoners voor een maatschappelijke vereniging en/of activiteiten in hun omgeving. o Georganiseerd vrijwilligerswerk/zorg: dit betreft het ondersteunen van kwetsbare inwoners en instandhouding voorzieningen. Denk aan de ondersteuning en begeleiding van statushouders (inburgering) of laaggeletterden (taalmaatje); de formulierenbrigade/burgeradviseurs; vrijwillige thuishulp en/of de bemensing van voorzieningen zoals buurtbus, voedselbank, museum of ouderensoos. De voor iedereen toegankelijke en kosteloze ondersteuning van inwoners (maatschappelijk werk) staat onder druk.
Maatschappelijk werk is niet meer als onafhankelijke ondersteuning beschikbaar en herkenbaar. Een gevolg is dat bepaalde ondersteuning van inwoners alleen beschikbaar is via een indicatie individuele begeleiding (een zogeheten maatwerkvoorziening volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De informele zorg, oftewel mantelzorgers, nemen een groot deel van de zorg, ondersteuning en begeleiding van onze inwoners voor hun rekening. Daarbij hebben we te maken met een dubbele vergrijzing: binnen de groep 65-plussers het aandeel 80-plussers toe. Het gevolg is dat de vraag naar zorg, en daarmee ook naar mantelzorg, blijft toenemen waardoor de kans op overbelasting groot is. Daarnaast vergrijzen mantelzorgers zelf ook. Mantelzorgers weten overigens niet altijd dat ze mantelzorger zijn, maar zien zichzelf vooral als een zorgzame partner/ouder/zoon/dochter/vriend. Dit maakt het lastig om mantelzorgers te bereiken. Ook weten zij vaak niet welke ondersteuningsmogelijkheden er voor hen zijn binnen onze gemeente. Behalve de gemeente zijn er nog meer partijen die zich bezighouden met de ondersteuning van mantelzorgers, waaronder bijvoorbeeld huisartsen, zorgaanbieders en zorgverzekeraars. In het coalitieakkoord wordt de wens uitgesproken voor specifiek jeugd- en ouderenwerk.
We kennen op dit moment jeugd- en jongerenwerk dat aan een accommodatie is gebonden en ambulant jeugd- en jongeren werk. o Accommodatiegebonden jeugd- en jongerenwerk: de functie van het accommodatiegebonden jeugd- en jongerenwerk (Time Out) is een fysieke plek bieden waar jongeren terecht kunnen met vragen, die zij niet aan hun ouders of op school kunnen/willen stellen.
27
o
o
Ambulant jeugd- en jongerenwerk: het ambulante jeugd- en jongerenwerk omvat onder meer het aanwezig zijn en aanspreken van jongeren op feesten en evenementen (over bijvoorbeeld middelengebruik), het in contact treden met jongeren op pleintjes in de wijken (vaak na meldingen van overlast) en het helpen van jongeren bij het opzetten van activiteiten in hun eigen omgeving. Het ouderenwerk komt vooral terug in ons Wmo- en Volksgezondheidsbeleid en in het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen. Het ouderenwerk is vooral gericht op het langer zelfstandig kunnen wonen, het stimuleren van maatschappelijk participatie en mobiliteit en het bestrijden van (chronische) ziekte, armoede en eenzaamheid.
Wat willen we bereiken?
Sluis maakt gebruik van de eigen kracht van inwoners, van vrijwilligers- en welzijnswerk. Het doel is de inzet van inwoners voor hun woon- en leefomgeving te vergroten. We streven naar een toename van het aantal georganiseerde vrijwilligers, zoals burgeradviseurs, begeleiders van statushouders, taalmaatjes, schuldhulpmaatjes en mensen actief in de burenhulp. Onafhankelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners in de vorm van maatschappelijk werk. Deze ondersteuning is duidelijk herkenbaar en vrij toegankelijk, waarbij het belang van de klant voorop staat. Mantelzorgondersteuning en -waardering: o voorkomen van vraag naar vrijwilligers en mantelzorgers (omdat deze er straks niet meer zijn of zelf ook te oud worden en hulp nodig hebben). Dit kan door het creëren van een collectief dat voor elkaar kan zorgen en elkaar helpt (via clustering van wonen, voorzieningen, dagbesteding, ontmoetingsruimte en dergelijke en door het stimuleren zorgcorporaties); o voldoende respijtzorg voor verschillende doelgroepen (zoals dagbesteding voor degene die zorg nodig heeft, ter ontlasting van de mantelzorger, zie ook 3.2.6. Maatwerkvoorzieningen Wmo). Respijtzorg bij voorkeur in de vorm van algemeen toegankelijke voorzieningen en in samenspraak met het zorgkantoor, dat een deel van de langdurige zorg uit voert.
Hierbij hebben we aandacht voor voldoende capaciteit en spreiding; o mantelzorgers voelen zich gesteund, ondersteund en gewaardeerd; o bewustzijn creëren, bij zowel de mantelzorgers als hun sociaal netwerk; o een mantelzorgvriendelijke werkomgeving. We streven naar zoveel mogelijk werkgevers (inclusief de gemeente Sluis) met het keurmerk mantelzorgvriendelijke werkgever; o uitvoering van beleid gericht op mantelzorgondersteuning en -waardering samen met huisartsen, CZ zorgkantoor en zorgaanbieders, zoals ZorgSaam (zieken-, thuis- en ouderenzorg), Emergis en Zeeuwse Gronden (geestelijke gezondheidszorg) en Tragel (mensen met een beperking). Jeugd- en jongerenwerk en ouderenwerk, gericht op het voorkomen van (dure) zorg.
3.1.2 SOCIAAL-CULTURELE ACCOMMODATIES Waar hebben we mee te maken?
Het aantal gebruikers daalt en de uitgaven voor onderhoud en energie lopen op, doordat een aantal voorzieningen is verouderd. De kosten per inwoner (gebruiker) lopen hierdoor op. Schaalvergroting en/of een clustering van voorzieningen lijkt hierdoor noodzakelijk. Het vastgestelde Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen wordt uitgevoerd: al veel gemeentelijke accommodaties zijn verkocht en een aantal multifunctionele accommodaties zijn gerealiseerd. Ook is besloten om in Aardenburg en IJzendijke een multifunctionele accommodatie te realiseren.
28
Wat willen we bereiken?
Evenwicht in vraag naar en aanbod van voorzieningen, waarbij functioneel/doelmatig, toegankelijk en betaalbaar de kaders zijn. De wens is een ontmoetingsplek per kern en in de vijf grootste kernen een clustering van maatschappelijke voorzieningen in een multifunctioneel centrum. Behoud van het Ledeltheater in Oostburg.
3.1.3 TOEGANKELIJKHEID Waar hebben we mee te maken?
In juni 2016 heeft Nederland het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geratificeerd. Gemeenten zijn verplicht het verdrag uit te voeren. In 2019 is daartoe de Lokale agenda toegankelijkheid Sluis 2019-2022 vastgesteld. Deze richt zich op de thema’s bewustwording, toegankelijkheid, cultuur, vrije tijd en sport en werk en dagbesteding. Het gaat hierbij om de toegankelijkheid van zowel openbare (gemeentelijke) gebouwen, als van de openbare ruimte en de informatievoorziening. Zowel fysiek als digitaal dus. Er zijn beperkte middelen gereserveerd voor de uitvoering van de lokale agenda. Ongeveer een op de tien mensen in Nederland heeft een beperking (of een combinatie van beperkingen) die invloed heeft op het dagelijks leven. Als gevolg van de vergrijzing is de verwachting dat het aantal mensen met een beperking de komende jaren sterk zal stijgen.
Wat willen we bereiken?
Iedereen in Sluis - ongeacht leeftijd, sociale klasse of beperking - moet mee kunnen doen in de samenleving. Het uitgangspunt is om zo veel mogelijk samen te spelen, samen naar school te gaan, samen te werken en samen oud te worden. Aan de andere kant zijn we een landelijke gemeente met veel kleinschalige voorzieningen, historische kernen en een uitgestrekt kustgebied. Dat brengt met zich mee dat we niet op alle punten, locaties en/of voor alle soorten beperkingen kunnen voldoen aan de eisen die het VN-verdrag stelt en dat accepteren we.
.
3.1.4 CULTUURBEOEFENING EN –SUBSIDIES Waar hebben we mee te maken?
In verhouding tot het aantal inwoners zijn er relatief veel activiteiten, clubs en verenigingen. De verstrekte subsidies en beschikbare budgetten zijn niet of nauwelijks gekoppeld aan de beleidsdoelen van de gemeente.
Wat willen we bereiken?
Een activiteitenaanbod dat aansluit bij onze beleidsdoelen en de diverse (kwetsbare) doelgroepen in de gemeente.
3.2 ONDERSTEUNING EN BEGELEIDING
3.2.1 TOEGANG TOT ZORG Waar hebben we mee te maken?
Er is sprake van een zorgkloof: door demografische ontwikkelingen neemt de vraag naar zorg toe (onder andere door een dubbele vergrijzing), terwijl het aanbod afneemt (onder andere door een afnemende beroepsbevolking). (Zie ook 3.1.1. Sociaal werk.) De vraag naar (en kosten van) ambulante en extramurale zorg (zorg aan huis) nemen toe. Dit geldt zowel in de ouderenzorg als in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de jeugdzorg.
29
Dit heeft te maken met een scheiding van wonen en zorg (en de wens om te besparen op zorg binnen instellingen). Door een gebrek aan clustering van cliënten en een toename van reistijd is ambulante zorg arbeidsintensiever dan intramurale zorg (zorg binnen instellingen). Er zijn veel verschillende partijen verantwoordelijk voor zorg, ondersteuning en begeleiding van mensen aan huis. Dit heeft te maken met verschillende wetten en geldstromen. Het is daardoor voor inwoners niet altijd duidelijk met welke vraag of voor welke voorziening ze bij welke instelling of welk loket terecht kunnen. Zorg, ondersteuning en begeleiding worden vaak naast elkaar geboden. Er wordt gewerkt vanuit de eigen instelling en het eigen vakgebied (monodisciplinair), zonder regie of onderlinge afstemming. De verwachting is dat door meer multidisciplinair te werken de kwaliteit van de zorg en de effectiviteit van de afzonderlijke interventies toenemen: de kosten dalen en de klanttevredenheid en –waardering stijgen. Landelijk staat deze aanpak bekend als Triple Aim. Daarnaast denken wij dat wij op deze manier het schaarse personeel beter kunnen inzetten. Om bovenstaande redenen neemt de vraag naar integrale (toegang tot) zorg, multidisciplinair werken en naar proces- en casusregie toe. Inwoners vragen om een samenhangende (integrale) benadering van hun vraag of probleem.
Wet- en regelgeving belemmeren soms een soepele uitwisseling van gegevens.
Wat willen we bereiken?
Een ondersteunings- en hulpaanbod dat past bij wat mensen nodig hebben, dat aansluit bij onze basisvoorzieningen en dat effectief, dichtbij en betaalbaar is. Een benadering van de vraag van onze inwoners die integraal is en uitgaat van hun behoeften en mogelijkheden. Integraal wil zeggen dat we bij de aanvraag of melding kijken naar de gehele leefsituatie van de inwoner en die van zijn of haar gezin. Het uitgangspunt is één gezin, één plan en één casusregisseur. Werken over de grenzen van wetten en financieringsstromen heen. Van monodisciplinair naar multidisciplinair. En met oog voor de privacywetgeving. Preventie en ombuigen van zorg (anders organiseren van zorg, om schaarse middelen en mensen optimaal te benutten).
3.2.2 INKOMENSREGELINGEN Waar hebben we mee te maken?
In vergelijking met andere Zeeuwse en Nederlandse gemeenten heeft onze gemeente een relatief laag aantal mensen met een bijstandsuitkering: 13,2 per 1000 inwoners. Voor Zeeland bedraagt dit 19,1 en voor Nederland 22,5. Hierdoor is de afgelopen jaren een fors overschot gerealiseerd op het zogenoemde BUIG-budget (dat we van het Rijk ontvangen om uitkeringen te kunnen betalen). Voor mensen met een laag inkomen heeft Sluis een ruimhartig minimabeleid, dat gericht is op meedoen. Zo subsidiëren we maatschappelijke partners als de kledingbank en de voedselbank. Om te zorgen dat alle kinderen kunnen meedoen in de samenleving, werken we samen met de hierop gerichte Stichting Leergeld en de Zeeuwse jeugdfondsen. Ook verstrekken we – voor wie dat nodig heeft - zwembadabonnementen, betalen we zwemles en de eigen bijdrage voor de kindervakantieweek. Met onze minima-regelingen bereiken we een grote groep mensen in een uitkeringssituatie. ‘Verborgen’ armoede, zoals onder ouderen en zzp’ers, is minder goed in beeld. Als gevolg van de COVID-19-crisis kan het aantal mensen toenemen dat een beroep doet op bijstand, schuldhulpverlening of te maken krijgt met armoede.
Wat willen we bereiken?
Een aantal mensen in de bijstand dat structureel lager is dan het landelijke en Zeeuwse gemiddelde. Een minimabeleid dat gericht is op zoveel mogelijk gelijke kansen voor alle inwoners, waarbij we ernaar streven dat geen enkel kind opgroeit in armoede.
30
3.2.3 ARBEIDSPARTICIPATIE Waar hebben we mee te maken?
Veel mensen zitten langdurig in de bijstand, hebben geen startkwalificatie (diploma havo, vwo, mbo niveau 2 of hoger) en geen recente werkervaring. De groep statushouders in een uitkeringssituatie is relatief hoog (Zie ook 2.1.1. Arbeidsmarkt). Werkgevers vragen in toenemende mate om harmonisatie van het Zeeuws beleid en van de afspraken ten aanzien van instrumenten voor arbeidsre-integratie; ze willen dat die in de hele provincie hetzelfde zijn. Voorbeelden van zulke instrumenten zijn jobcoaching en loonkostensubsidie voor werknemers met een verminderde loonwaarde. De (maatschappelijke) begeleiding van statushouders in het huidige inburgeringsstelsel is onvoldoende.
Wat willen we bereiken?
Inwoners kunnen zelfstandig in de kosten van hun levensonderhoud voorzien. We geloven in de positieve bijdrage van arbeidsparticipatie op het welzijn van iedere inwoner. Daarom is onze opdracht om zoveel mogelijk inwoners toe te leiden naar werk, passend bij ieders mogelijkheden. Een goed taalniveau voor alle inwoners en een vlotte integratie van statushouders en andere nieuwkomers, zodat ze volledig kunnen meedoen in de samenleving.
3.2.4 BEGELEIDE PARTICIPATIE Waar hebben we mee te maken?
Door een te lage rijksbijdrage voor de uitvoering van de sociale werkvoorziening is er een financieel tekort ontstaan bij sociaal werkbedrijf Dethon. Daarom is een transformatieplan opgesteld en goedgekeurd, om de gemeenschappelijke regeling Dethon om te vormen van productiebedrijf tot mensontwikkelbedrijf. Het Rijk verplicht gemeenten een aantal beschutte werkplekken in te richten: werkplekken voor mensen die door hun beperkingen zoveel begeleiding en aanpassingen nodig hebben dat een regulier dienstverband geen optie is. We hebben deze wettelijke taakstelling beschut werk (nog) niet ingevuld. Er is nog geen helder beleid voor (arbeidsmatige) dagbesteding. Wel loopt er een succesvol project in samenwerking met Emergis en Dethon. We onderscheiden drie soorten dagbesteding: arbeidsmatige dagbesteding, respijtzorg; en sociale ontmoeting. (Zie ook 3.1.1. Sociaal werk). Dit om keuzes te kunnen maken ten aanzien van onze rol en verantwoordelijk en/of om prioriteiten te kunnen stellen.
Wat willen we bereiken?
De omvorming van Dethon is afgerond waarmee zowel de inhoudelijke als financiële doelen zoals opgenomen in het in 2019 vastgestelde transformatieplan worden bereikt. Een vangnet bieden voor kwetsbare inwoners. Dit kan door het bieden van een beschutte werkplek of via de mogelijkheid van (arbeidsmatige) dagbesteding. We realiseren minimaal onze wettelijke taakstelling beschut werk. Een arbeidsmatige dagbesteding die voldoende is qua capaciteit, spreiding en variëteit (in doelgroep en soort) en die aansluit bij de kenmerken van onze populatie.
31
3.2.5 ONDERWIJSONDERSTEUNING EN LEERLINGZAKEN Waar hebben we mee te maken?
Kinderen en jongeren hebben in toenemende mate behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Niet alleen in de thuissituatie, maar ook op school en in de kinderopvang. De gemeente biedt ondersteuning en begeleiding van leerlingen en het onderwijs, via de kinderopvang, het Primair Onderwijs (PO), het Voortgezet Onderwijs (VO) en het Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO), maar die is op dit moment redelijk divers en versnipperd. Ook is er te weinig afstemming geweest tussen de gemeente, zorgaanbieders, kinderopvang, onderwijs en huisartsen. Het aanbod wordt de laatste jaren echter meer in afstemming bekeken. Onder andere binnen de vorming van de integrale kindcentra (PO, kinderopvang en peuterspeelzaal in één organisatie); de regionalisering van het voortgezet onderwijs; het Regionaal Bureau Leerlingzaken (RBL); de Zeeuwse werkgroepen voor onderwijszorgarrangementen en de afstemming jeugdzorg en onderwijs (onderdeel van de Transformatieagenda Jeugd); en de integrale toegang tot (jeugd)zorg en de jeugd-GGZ.
Naast het aanbod dat de scholen zelf inzetten, bestaat het aanbod van de gemeente op dit moment onder andere uit: o observatieprogramma’s vanuit de voor- en vroegschoolse educatie (maatregelen om onderwijsachterstanden te voorkomen, gericht op peuters); o Schoolbegeleiding door Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland (RPCZ); o schoolmaatschappelijk werk; o een zorgadviesteam (ZAT); o een trajectgroep; o RMC-trajectbegeleiders (voor jongeren die niet op school zitten en geen startkwalificatie hebben); o gecertificeerde jeugdhulpverleners; o buitenschoolse tieneropvang; o een collectief preventieaanbod op scholen (op het gebied van middelengebruik, groepsdruk, discriminatie, radicalisering). Daarnaast wordt er nog gesproken over observatie- en gedragsgroepen in het PO en - op grond van het coalitieakkoord - over de herinvoering van de logopedie op school. Een specifiek onderdeel van de ondersteuning en begeleiding van leerlingen is het onderwijsachterstandenbeleid, gericht op taalachterstanden bij jonge kinderen. De rijksmiddelen die wij hiervoor ontvangen, mogen alleen hieraan besteed worden. De focus in ons beleid ligt nu vooral op de jongste doelgroep. Dit vanuit de overtuiging dat je de grootste resultaten behaalt als je vroegtijdig bijstuurt.
Voor onderwijsachterstanden die op latere leeftijd ontstaan of zichtbaar worden, is er het project Kwetsbare leerlingen van het RMC (Regionaal Meld- en Coördinatiepunt. Dit project wordt betaald uit de VSV-middelen (Voortijdig Schoolverlaten). Uit de middelen voor het onderwijsachterstandbeleid (OAB-middelen) betalen we ook de startgroepen. Het doel van deze startgroepen is voorkomen dat ouders kiezen voor een school in België, omdat kinderen daar al vanaf 2,5 jaar terecht kunnen (zie ook 2.1.2 Onderwijsketen). Maar het aanbieden van opvang (en voor- en vroegschoolse educatie) aan doelgroepleerlingen mag vanuit de OAB-middelen bekostigd worden. Als er geen geschikte basisschool beschikbaar is binnen een straal van 6 kilometer en/of als kinderen in het PO, VO en (V)SO vanwege een beperking niet in staat zijn om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen, dan hebben die leerlingen recht op leerlingenvervoer. Leerlingenvervoer kan – afhankelijk van de situatie – bestaan uit een busabonnement (met begeleiding), een kilometervergoeding en/of taxivervoer. Het merendeel van de leerlingen dat recht heeft op leerlingenvervoer, maakt gebruik van het taxivervoer. Dit zijn met name de leerlingen in het speciaal onderwijs.
Leerlingen van verschillende leeftijden en problematiek worden gescheiden van elkaar vervoerd, en ook apart van mensen die gebruik maken van een taxi op grond van de Wmo. Met uitzondering van een deel van Hoofdplaat is het basisonderwijs overal in de gemeente binnen een straal van 6 kilometer te bereiken. Alleen als een beroep wordt gedaan op het recht op godsdienstvrijheid (de school die de religieuze voorkeur heeft van ouders, ligt verder weg dan 6 kilometer), kan recht ontstaan op leerlingenvoer. Naast leerlingenvervoer kennen we ook scholierenvervoer: vervoer van basisschoolleerlingen die wonen in een kern waar de laatste basisschool is opgeheven, maar die op grond van de Verordening leerlingenvervoer geen recht hebben op betaald vervoer. De regelingen verschillen per kern. Veel regelingen lopen komende tijd af.
32
In Zeeland is ongeveer 13% van de bevolking laaggeletterd, dat is iets hoger dan in de rest van Nederland. Dit relatief hoge percentage geldt zeker voor de groep 50-plussers, die oververtegenwoordigd is in onze regio. Het aantal laaggeletterde jongeren wijkt in Zeeland in positieve zin af. Rijk en VNG maakten vorig jaar nieuwe afspraken over de aanpak van laaggeletterdheid. Op basis hiervan komt er ook in Zeeland een regioplan laaggeletterdheid 2020-2024. De voornaamste doelstellingen en randvoorwaarden vanuit het Rijk en de VNG zijn: o Gemeenten voeren zelfstandig regie over de aanpak van laaggeletterdheid in een netwerk van samenwerkende partijen uit de domeinen onderwijs, werk, gezin, gezondheid en aanverwante terreinen; o Meer mensen bereiken, met name mensen die Nederlands als moedertaal hebben. Ook kinderen en jongeren met een risico op een taalachterstand krijgen extra aandacht; o Investeren in de kwaliteit van het lesaanbod; o Jaarlijkse rapportage over bereik en behaalde resultaten (monitoring). De geformuleerde doelstellingen en randvoorwaarden vanuit het Rijk en de VNG zijn: o De groep laaggeletterden is een zeer diverse groep, van ouderen met slechte samenhangende beleidsambities formuleren met andere terreinen.
Gemeenten voeren zelfstandig regie over de aanpak van laaggeletterdheid in een netwerk van samenwerkende partijen uit de domeinen onderwijs, werk, gezin, gezondheid en aanverwante terreinen; o méér mensen bereiken met een aanbod op maat, vooral de groep met Nederlands als moedertaal (NT-1); o aandacht voor kwaliteit van het educatieve aanbod; o jaarlijkse rapportage over bereik en behaalde resultaten (monitoring). Gemeenten en scholen hebben de afgelopen jaren samengewerkt aan terugdringing van het aantal voortijdig schoolverlaters. Dat is niet overal gelukt. Oorzaken zijn een verkeerde studiekeuze, toenemende multiproblematiek onder jongeren en een (tot de COVID-19-crisis) aantrekkende arbeidsmarkt. Binnen Zeeland is de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in een aantal projecten gericht op jongeren in een kwetsbare positie, zoals plusvoorzieningen (speciale trajecten in het onderwijs) en de aanpak van schoolverzuim. Hiervoor is een intensieve samenwerking tot stand gekomen met het praktijkonderwijs, het voortgezet (speciaal) onderwijs, mbo en het RBL.
Wat willen we bereiken?
We willen meer structuur en eenheid aanbrengen in het aanbod aan ondersteuning en begeleiding van leerlingen en het primair en voortgezet onderwijs. Hierdoor moet een doorgaande leer-, zorg- en ondersteuningslijn gedurende de gehele schoolloopbaan ontstaan. Ook moet er een aansluiting komen tussen de zorg op school en in de thuissituatie. Het onderwijsachterstandenbeleid richt zich niet alleen op de jongste doelgroep en/of taalachterstanden, maar op alle ontwikkelingsachterstanden en alle leeftijdscategorieën. Hiertoe streven we naar een samenhangend aanbod, voor alle kinderen en jongeren, op het gebied van (passend) onderwijs, sport, cultuur, opvang, jeugdgezondheidszorg, jeugdzorg en armoedebeleid. Iedere leerling moet naar school kunnen. Als vervoer een belemmering vormt, dan treffen we een voorziening in de vorm van leerlingenvervoer. Dit vervoer is adequaat en kostenbewust. We beperken ons daarbij strikt tot wat wettelijk mogelijk is. Het onderwijs is zich (net als andere voorzieningen) aan het concentreren in de grotere kernen. We streven ernaar dat vanuit iedere kern het basisonderwijs goed bereikbaar is. Als de bereikbaarheid in het geding komt, kan scholierenvervoer een middel zijn, maar ook veilige fietsroutes en/of carpoolen. Door het bestrijden van laaggeletterdheid willen we de participatie van burgers verhogen.
Het gaat hierbij zowel om arbeidsparticipatie als maatschappelijke participatie. We zetten in op een afname van het aantal voortijdig schoolverlaters. We kiezen voor een sluitende aanpak: iedere jongere tot 23 jaar wordt zo nodig ondersteund om via de best haalbare route te participeren in de maatschappij.
33
3.2.6 MAATWERKVOORZIENINGEN WMO Waar hebben we mee te maken?
De vraag naar zorg neemt toe, door vergrijzing en extramuralisering (het streven zorg steeds meer buiten instellingen aan te bieden.) Dit terwijl het aanbod van zorg, met name in termen van personele bezetting, afneemt. Daarnaast blijven mensen (uit eigen wil of noodgedwongen) langer zelfstandig wonen. Om reistijd te besparen (zowel voor de behandelaar als voor de patiënt), zien we een beweging naar ‘zorg op afstand’. Dit zien we zowel in de GGZ, de huisartsenzorg, de sociaal-maatschappelijke begeleiding als bij het overleg met de medisch specialist in het ziekenhuis. Daarnaast ontstaan er steeds meer mogelijkheden voor (vroeg)signalering via slimme sensoren. Zowel in huis (bijvoorbeeld via bewegingsmelders en beeldverbindingen), als ook lichaamsgebonden (bijvoorbeeld hartritme- en bloeddrukmeters). Deze vormen van huistechnologie en domotica bieden kansen voor vroegsignalering, diagnose en hulp op afstand. En besparen reistijd. Door de toenemende vergrijzing en extramuralisering, is er een toenemende vraag naar individuele voorzieningen, zoals vervoersvoorzieningen, woonaanpassingen) en (medische) hulpmiddelen. Ook de behoefte aan begeleiding neemt door bovengenoemde oorzaken toe. Er zijn vele vormen van extramurale of individuele begeleiding.
Van begeleiding door een vrijwilliger (buddy), via algemeen maatschappelijk werk naar gespecialiseerde extramurale begeleiding door een GGZ- of thuiszorginstelling waarvoor een indicatie nodig is. Onduidelijk is welke vorm van begeleiding in welke situatie het meest passend is. Ook het onderscheid tussen extramurale begeleiding (bekostigd door de gemeente) en extramurale behandeling (bekostigd door de zorgverzekeraars) is niet altijd duidelijk. Daarnaast komen mensen die geen uitzicht hebben op herstel en/of actieve participatie in de maatschappij, mogelijk in aanmerking voor begeleiding in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het aantal cliënten dat gebruik maakt van huishoudelijke verzorging (hulp bij schoonmaken en dergelijke) ligt vele malen hoger dan bij vergelijkbare gemeentes. Desondanks liggen de kosten op een vergelijkbaar niveau. Een groot deel van zorg, ondersteuning en begeleiding wordt momenteel ingevuld door informele zorg in de vorm van mantelzorg. Door een dubbele vergrijzing (maar ook door een toename van cliënten in de jeugdzorg en de GGZ) blijft de vraag naar zorg, en daarmee ook naar mantelzorg, toenemen. Daardoor is de kans op overbelasting groot. Daarbij vergrijst het aanbod van mantelzorgers zelf ook.
Om ervoor te zorgen dat de mantelzorgers de zorg kunnen blijven volhouden en maatschappelijk kunnen participeren, is het van belang dat de hulpbehoevende enkele dagen of dagdelen naar de dagopvang of dagbesteding gaat. Als deze zorg niet gericht is op het herstel van de cliënt maar primair gericht is op het ontlasten van de mantelzorger, noemen we dit respijtzorg. Ook de zorgverzekeraar en het zorgkantoor hebben belang bij deze vorm van respijtzorg, omdat daarmee de opname in een verpleeghuis of intramuraal behandelcentrum kan worden voorkomen. Door de geografische ligging van onze gemeente, de afstand tot voorzieningen en de vergrijzing zijn we relatief veel geld kwijt aan collectief vraagafhankelijk vervoer (Wmo-taxivervoer). Door het verhogen van de eigen bijdrage is het gebruik wel afgenomen. Door economische omstandigheden en/of bepaalde levensgebeurtenissen komen mensen soms (buiten hun schuld) in financiële problemen. In die gevallen bieden we schuldhulpverlening. We onderscheiden daarbij drie niveaus: o preventie en vroegsignalering; o stabiliseren (budgetbeheer en budgetcoaching); o schuldenregeling (inclusief budgetbeheer en budgetcoaching). In dit geval is er een kredietinstelling nodig en een banklicentie voor de schuldhulpverlenende instantie.
Wat willen we bereiken?
We willen huistechnologie en domotica inzetten om vroegsignalering, diagnose en zorg op afstand mogelijk te maken en reistijd te besparen, zowel voor de cliënt als voor de hulpverlener. Daarmee leveren we tevens een bijdrage aan het arbeidstekort in de zorg. We willen de uitgaven voor vervoersvoorzieningen, woonaanpassingen en hulpmiddelen inperken. Dat kan door meer zaken als algemeen gebruikelijk aan te merken (voor iedereen gebruikelijk om zelf te kopen), de woningvoorraad te herstructureren (meer nultredenwoningen,
34
zie 1.1.2), wonen en voorzieningen te clusteren, en/of slimme collectieve voorzieningen te treffen. We streven naar de juiste zorg, in de juiste vorm of op de juiste plaats. We willen daarbij een duidelijke differentiatie tussen vrij toegankelijke begeleiding (in de vorm van een algemene voorziening) en geïndiceerde, specialistische extramurale begeleiding. We willen het aantal cliënten dat gebruik maakt van huishoudelijke verzorging terugbrengen naar het gemiddelde aantal bij vergelijkbare gemeenten. We willen dit doen door een vereenvoudiging van het indicatiesysteem. En door een onderzoek naar alternatieven voor de manier waarop schoonmaken, wassen, strijken en maaltijd bereiden nu wordt aangeboden. We willen voldoende respijtzorg (dagbesteding) voor verschillende doelgroepen (ook voor jong dementerenden en mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel). Bij voorkeur in de vorm van algemene voorzieningen, in samenspraak met het zorgkantoor (voor de doelgroepen die zijn aangewezen op de Wlz). Daarbij moet aandacht zijn voor voldoende capaciteit, spreiding en variatie (in doelgroep en soort dagopvang). We willen de kosten van het collectief vervoer terugdringen, zonder een grote inbreuk te doen op de bewegingsvrijheid van hen die zijn aangewezen op Wmo-taxivervoer. We willen dat mensen die dreigen in de financiële problemen te komen, vroegtijdig hulp zoeken.
Schuldhulpverlening moet daarom onderdeel worden van een breed (maatschappelijk) loket voor zorg en ondersteuning, dat zichtbaar in de wijken is en laagdrempelig.
3.2.7 MAATWERKVOORZIENINGEN JEUGD Waar hebben we mee te maken?
De vraag naar jeugdzorg neemt toe en daarmee de kosten ook. Er is veel collectief preventieaanbod. Maar het is niet altijd duidelijk of dit aansluit bij de (individuele en maatschappelijke) vraag en/of bij de problemen die jeugdzorgmedewerkers in de alledaagse praktijk tegenkomen. Ook is er geen zicht op de resultaten van dit aanbod. In het Verbeterplan Jeugd is ingezet op meer vrij toegankelijke opvoedhulp. Dit om geïndiceerde specialistische (opvoedkundige) jeugdzorg, zoals Intensieve Pedagogische Thuisbegeleiding (IPT) te voorkomen. Deze vrij toegankelijke opvoedhulp, een algemene voorziening voor opvoedondersteuning en jeugdhulp, werkt op locatie en onderhoudt nauwe contacten met het onderwijs, de kinderopvang en de huisartsen. Er is (nog) geen beleid vastgesteld ten aanzien van de benodigde omvang en deskundigheid van deze voorziening. We hebben een forse overschrijding op de budgetten voor jeugdzorg. Het is daarom belangrijk om goed grip te hebben op de kosten en kwaliteit van de jeugdzorg. In de huidige situatie maken, bij een aanvraag voor meervoudige complexe zorg, medewerkers van de gemeente een ondersteuningsplan. (Zij zijn SKJ-gecertificeerd, waarbij SKJ staat voor Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). Indien nodig kopen zij de jeugdzorg in bij aanbieders die het benodigde specialisme in huis hebben.
Volgens het nieuwe inkoopmodel zijn aanbieders van jeugdzorg verplicht om onderling samenwerkingsverbanden te vormen, zodat zij gezamenlijk de benodigde zorg kunnen leveren (Dit heet ‘wrap around care’ en houdt in dat ze gezamenlijk het integraal ondersteuningsplan uitvoeren). Ook moet ieder samenwerkingsverband een eigen toegang (een eerste aanspreekpunt voor zorgvragers) inrichten. Dit biedt voor gemeentelijke toegangsorganisaties – indien gewenst – de mogelijkheid om ontzorgd te worden. In theorie kan de rol van de gemeentelijke toegang hierdoor worden beperkt tot het bieden van een voorliggende (vrij toegankelijke), algemene voorziening voor opvoed- en opgroeihulp. Als deze algemene voorziening niet toereikend is, kan de gemeentelijke toegang het bovengenoemde (tweedelijns) samenwerkingsverband inschakelen om de regie op het betreffende dossier over te nemen.
Wat willen we bereiken?
Terugdringen van de kosten voor de jeugdzorg. Het collectieve preventieaanbod sluit aan bij de (individuele en maatschappelijke) vraag en/of bij de problemen die medewerkers in het onderwijs, de kinderopvang, de (jeugd)politie, het maatschappelijk werk en de jeugdzorg in de alledaagse praktijk tegenkomen. Ook is er zicht op de resultaten van dit aanbod.
35
Een (vrij toegankelijke) jeugdzorginstelling die goed is uitgerust voor haar taken en qua omvang en deskundigheid aansluit bij de (maatschappelijke) vraag en behoefte. En die zicht heeft op de verleende hulp en behaalde resultaten. Een goede toegang tot en beoordeling en monitoring van de geïndiceerde (tweedelijns) jeugdzorg.
3.2.8 GEËSCALEERDE ZORG Waar hebben we mee te maken?
Jeugdbescherming en jeugdreclassering mogen alleen worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling (GI). De Zeeuwse GI, Intervence, dreigde om te vallen. Een fusie met een andere, naburige GI bleek niet mogelijk. De gemeenten hebben daarom gezamenlijk de aansturing van de GI overgenomen en betalen jaarlijks – totdat er een passende oplossing is gevonden – een instandhoudingsbijdrage om de tekorten te dichten. Daarnaast heeft de GI te maken met een grote uitstroom van personeel. Met als gevolg dat er te weinig menskracht is om zowel de dwangzaken (door de rechter opgelegde jeugdbescherming en jeugdreclassering) als de drangzaken (preventieve jeugdbescherming) uit te voeren. Wij hebben daarom onze eigen medewerkers opgeleid om ook drangzaken te kunnen oppakken. Voor 2022 is een verdere decentralisatie van beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingszorg voorzien (van centrumgemeenten naar alle gemeenten). Er is een regiovisie opgesteld om deze overgang mogelijk te maken.
Wat willen we bereiken?
Een sterke, solide GI die jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoert op een kwalitatief goed niveau, voor een redelijke prijs. Een goede, naadloze aansluiting tussen enerzijds de extramurale begeleiding vanuit de Wmo en anderzijds het aanbod op het gebied van beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingszorg, zoals die nu bij de centrumgemeente is belegd. Zowel inhoudelijk als financieel. Voor zeer specifieke, specialistische vormen van beschermd wonen en voor de vrouwenopvang willen we (blijvend) afspraken maken over een Zeeuws aanbod. De lichtere vormen willen we in de regio Zeeuws-Vlaanderen, met onze partners, vormgeven.
3.3 ZORG EN VOLKSGEZONDHEID
3.3.1 VOLKSGEZONDHEID Waar hebben we mee te maken?
De meeste inwoners zien hun gezondheid – gezond eten en bewegen – als hun eigen verantwoordelijkheid. Meerdere partijen hebben aangegeven zich (mede) verantwoordelijk te voelen voor de gezondheidsbevordering van mensen, zoals het Rijk, zorgverzekeraars, het onderwijs, de voedingsindustrie, sportverenigingen, de huisarts en gemeenten. Het Rijk heeft de Landelijke nota gezondheid 2020-2024 vastgesteld. Daarin staat wat Rijk en gemeenten gezamenlijk de komende jaren kunnen doen om Nederland gezonder te maken. In de nota zijn de volgende speerpunten opgenomen: o gezondheid in de fysieke en sociale leefomgeving; o gezondheidsachterstanden verkleinen; o prestatiedruk in het dagelijks leven bij jeugd en jongvolwassenen; o vitaal ouder worden. De landelijke nota is richtinggevend voor de invulling van de lokale nota in de gemeente. Daarnaast zijn er andere landelijke ontwikkelingen waarbij gemeenten kunnen aansluiten, zoals het Nationaal Preventieakkoord (aanpak roken, overgewicht en problematisch alcoholgebruik) of het Nationaal Sportakkoord (plezier in sport voor iedereen).
36
Sinds 2018 zijn we een erkende JOGG-gemeente (Jongeren op gezond gewicht). De raad heeft in het coalitieakkoord aangegeven het JOGG-project te willen continueren en mogelijk uit te breiden. In het coalitieakkoord staat verder dat de raad wil inzetten op preventie in de breedste zin, waaronder voorlichtingsbeleid over roken, drugs- en alcoholgebruik, gokken en overgewicht. Maar ook op het tegengaan van eenzaamheid bij ouderen.
Wat willen we bereiken?
We richten ons – in lijn met het coalitieakkoord – op gezondheidsbevordering in de breedste zin van het woord, zowel fysiek als mentaal. We volgen hierin de lijn van de Landelijke nota gezondheid 2020-2024. We richten ons als gemeente primair op specifieke doelgroepen, zoals kinderen (met overgewicht), kwetsbare ouderen, chronisch zieken, langdurig werklozen/ uitkeringsgerechtigden en statushouders. We streven naar een gezamenlijk preventief volksgezondheidsbeleid uitgevoerd door het samenwerkingsverband Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen, waarin de (ZeeuwsVlaamse) gemeente(n), huisartsen, zorgaanbieders, en zorgverzekeraar samenwerken.
3.3.2 SPORTBELEID EN ACTIVERING Waar hebben we mee te maken?
De gemeente heeft geen wettelijke taak ten aanzien van sport, anders dan het opzetten van programma’s voor gezondheidsbevordering (Wet publieke gezondheid) en/of het bevorderen van de sociale samenhang en leefbaarheid in de gemeente (Wmo). Sport kan een rol spelen in het preventief jeugdbeleid. We zien de afgelopen jaren een ontwikkeling van georganiseerd sporten in team- of verenigingsverband naar individualistisch sporten bij een sportschool of zelfstandig hardlopen of fietsen. Hierdoor en door de vergrijzing en ontgroening hebben sportverenigingen het moeilijk. Sportvoorzieningen komen onder druk te staan, doordat een deel is verouderd en het gebruikerspotentieel daalt. Schaalvergroting en/of clustering lijkt noodzakelijk. Er liggen kansen op het gebied van sport in relatie tot (gezondheid)toerisme. Voorbeelden zijn het organiseren van (meerdaagse) evenementen (Zwintriatlon, kustmarathon), meer gebruik maken van het strand (yoga, kitesurfen, beachvolleybal, sportvissen, suppen, paardrijden) en van de toeristische infrastructuur (ruiterpaden, fietsroutes, mountainbikeroutes, kanoroutes in de kreken). In 2019 hebben we het Zeeuws Sportakkoord ondertekend.