CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Visiedocument Krachtig Verbonden 2021 Versie 16 februari.docx

Raad 25 februari 2021, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het visiedocument Krachtig Verbonden (besluitvormend).20.418 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Wat willen we bereiken?    

Bevorderen van de volksgezondheid door sport. Bevorderen van de sociale samenhang door sport. Bevorderen van het (gezondheid)toerisme. Behoud van een goede binnen- en buitensportaccommodatie in de vijf grootste kernen. Deze accommodaties krijgen ook een functie voor de omliggende kernen.

3.3.3 TOEKOMSTIGE ZORG Het onderdeel toekomstige zorg is opgesplitst in verschillende onderdelen, die elk een eigen problematiek en een eigen oplossingsrichting kennen. Wat we willen bereiken is echter voor alle deelonderwerpen hetzelfde.

Wat willen we bereiken? We hebben te maken met een zogenoemde zorgkloof: de vraag naar zorg neemt toe (onder andere door een dubbele vergrijzing) terwijl het aanbod en de beschikbaarheid van zorg afnemen (onder andere door een krimpende beroepsbevolking). Om het probleem van de zorgkloof het hoofd te bieden, zetten we binnen het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen in op drie programmalijnen:

37

1. Zorginfrastructuur a. clusteren wonen, zorg en voorzieningen b. samenwerking huisarts (eerste lijn, geen verwijzing nodig) en ziekenhuis (tweede lijn) c. acute of spoedzorg - samenwerking HAP (huisartsenpost, eerste lijn) en SEH (spoedeisende hulp, tweede lijn) d. samenwerking ziekenhuis en verpleeghuis 2. Integrale centra voor zorg en ondersteuning (inclusief preventie/positieve gezondheid) 3. Arbeidsmarkt en opleiden a. kennis en inzicht b. kiezen en toeleiden c. leren en opleiden d. werken en behoud Deze programmalijnen worden hieronder verder uitgewerkt. Het doel is telkens een oplossing te bieden voor de zorgkloof.

3.3.3.1 Wonen en zorg (en andere voorzieningen) Waar hebben we mee te maken? 

Doordat steeds meer verzorgings- en verpleeghuizen door rijksbeleid hun deuren moeten sluiten, is er in toenemende mate zorg aan huis nodig. In stedelijk gebied levert dit een besparing op, omdat de huisvestingscomponent in de bekostiging van de zorg wegvalt. In landelijk gebied maakt het de zorg niet alleen duurder (er gaat veel tijd verloren aan reizen), maar ook moeilijker te organiseren. Landelijk is er een tekort aan wijkverpleegkundigen, maar in een streek als de onze is het probleem welhaast onhoudbaar door de hoge vergrijzing, de krimpende (beroeps)bevolking en de vele reistijd in verhouding tot het aantal patiënten. Onderzoek leert dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen, mits er voorzieningen in de directe nabijheid zijn zoals (thuis)zorg, een supermarkt, de huisarts, een apotheek, dagbesteding en een goede openbaarvervoerverbinding. Ook scheelt dit in de kosten van Wmo-vervoer en thuiszorg, omdat de noodzaak tot reizen afneemt. Bovendien zijn er minder mantelzorgers en vrijwilligers nodig, omdat mensen in geclusterde woonvormen beter voor zichzelf en voor elkaar kunnen zorgen. Vanuit de bevolking bestaat er dan ook grote belangstelling voor deze woonvormen.

3.3.3.2 Transformatie woningvoorraad Waar hebben we mee te maken? 

Bij nieuwbouw zien we vaak dat er weinig rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat de woning in de toekomst geschikt moet zijn voor zorg. In de meeste gevallen wordt slechts voldaan aan de minimale eisen die op dat punt gesteld worden. Hierdoor wordt veelvuldig een beroep op de gemeente gedaan voor het realiseren van woningaanpassingen. Dit kan worden voorkomen door strengere eisen te stellen bij nieuwbouw.

3.3.3.3 Zorginfrastructuur Veel voorzieningen in de zorg staan onder druk. Formeel zijn wij als gemeente niet verantwoordelijk voor deze voorzieningen, maar ze zijn wel van groot belang voor de leefbaarheid en de veiligheid van onze inwoners en voor het vestigingsklimaat. De vraag is daarom telkens, bij elke (zorg)voorziening: welke rol willen wij als gemeente spelen? De antwoorden variëren van geen rol tot stimulerend (intermediair), faciliterend of sturend. De keuzes die we maken, hebben gevolgen voor de vraag of we menskracht we hierop in moeten zetten en zo ja hoeveel en/of we al dan niet financieel willen bijdragen aan de instandhouding van de genoemde voorzieningen.

38

Waar hebben we mee te maken?  

Huistechnologie en domotica bieden kansen (zie Wmo) Als het gaat om de acute of spoedzorg hebben we in Zeeuws-Vlaanderen 2 HAP’s (in Terneuzen en Oostburg) en 1 SEH (in Terneuzen). Dit lijkt weinig kostenefficiënt voor een zo dunbevolkt gebied. Elders in het land zijn goede ervaringen opgedaan met een geïntegreerde 24-uurs spoedvoorziening (samenwerking tussen HAP en SEH). Daarnaast heeft de GGZ een eigen spoedvoorziening voor acute zorg genaamd SPOR (als aanvulling op de FACT-teams voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening en de IHT-teams voor psychiatrische crisisbehandeling thuis) en de piketdienst voor acute psychosociale zorg van het maatschappelijk werk. Tevens is afgelopen jaren het project Responsbalans uitgevoerd. Hierbij is onderzocht in welk geval, via welk kanaal acute zorg wordt ingeroepen: via ambulance, HAP (bezoek of visite) en/of dienstdoende thuiszorg. We zien dat sommige taken uit de tweede lijn (het ziekenhuis) zich verplaatsen naar de eerste lijn (de huisarts). Hierdoor ontstaat een zogenoemde anderhalvelijnsdienst. Het gaat dan vooral om de volgende taken: o diagnostiek (bloed, foto’s, CT-scan, et cetera) o spreekuur medisch specialist (bijvoorbeeld orthopeed) samen met huisarts of een poliklinisch spreekuur op locatie.

Door deze en andere ontwikkelingen zal de omvang en vorm van het ziekenhuis veranderen (minder diagnostiek, minder polikliniek, minder specialisatie operaties), meer bovenregionale samenwerking met andere ziekenhuizen, meer afspraken met huisartsen (eerste lijn). De huisartsenpraktijken zullen gelijktijdig groter moeten worden. Dit enerzijds vanwege de voorzieningen die nodig zijn voor de samenwerking met het ziekenhuis en met de gemeente en anderzijds vanwege de vereiste schaalgrootte (in verband met investeringen in relatie tot volume). Dit vraagt om een zorgvuldig proces en planmatige, geregisseerde verandering. De zorgverzekeraar is de eerstverantwoordelijke hiervoor, maar we zien ook een rol voor onszelf, vanwege het belang van behoud van (zorg)voorzieningen (zeker in vergrijsd gebied). We werken in dit hele proces samen met de overige twee Zeeuws-Vlaamse gemeenten, het ziekenhuis, de thuis- en ouderenzorg, de huisartsen en de zorgverzekeraar. Operaties zullen vaker plaatsvinden buiten de regio (in verband met kwaliteits- en volumeeisen). Het is dan van belang dat de verpleging na de operatie kan plaatsvinden in de eigen regio. Indien nodig kan daartoe samenwerking worden gezocht met verpleeghuizen, Seniorenkliniek Oostburg, woonzorgcentra en de intensieve thuiszorg (VPT: Volledig Pakket Thuis).

Wat willen we bereiken?   

De inzet van huistechnologie en domotica (zie Wmo). We streven naar een geïntegreerde 24-uurs spoedvoorziening. Als gemeente zijn we hierin zelf ook belanghebbende/partner vanwege het maatschappelijk werk. Daarnaast zien we kansen voor het toerisme, bijvoorbeeld in de vorm van een kust- of zomerdokter. We zien de noodzaak tot schaalvergroting in de huisartsenzorg in de grotere kernen: bijvoorbeeld maximaal vijf praktijkhouders of praktijken met huisartsen, praktijkondersteuners en verpleegkundig specialisten in loondienst. Dit gecombineerd met spreekuurlocaties in de kleinere kernen. De mogelijkheid van verpleging in de eigen regio na een operatie. Ook als deze operatie buiten de regio heeft plaatsgevonden.

3.3.3.4 Integrale zorgcentra/ toegang tot zorg Waar hebben we mee te maken? 

In 2015 heeft de raad besloten om de toegang tot de Wmo, het welzijnswerk, het maatschappelijk werk en de jeugdzorg onder te brengen, dan wel te integreren in de integrale zorgcentra. Een integraal zorgcentrum is een (netwerk)samenwerking tussen de huisarts, de wijkverpleging, het welzijnswerk, het maatschappelijk werk, de toegang tot de Wmo, de toegang tot jeugdzorg, opgroei- en opvoedondersteuning en de basis-GGZ. Bij voorkeur onder één dak, laagdrempelig, in de verschillende (dragende) kernen. Dit beleid wordt nu uitgebreid naar de rest van Zeeuws-Vlaanderen.

39

HOOFDSTUK 4: VEREVENING Zie ook bijlage 2 : Stroomschema verevening

1. Inleiding De structuurvisie vormt de wettelijke basis voor de gemeentelijke bevoegdheden voor bovenplanse kosten en bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Tussen kosten van ruimtelijke ontwikkelingen en bovenplanse kosten zit geen principieel verschil indien hierover privaatrechtelijk afspraken worden gemaakt. In beide gevallen wordt een noodzakelijke relatie gelegd met de structuurvisie. Dit op basis van Artikel 6.24, lid 1 onder a, Wet ruimtelijke ordening (Wro): 1. Bij het aangaan van een overeenkomst over grondexploitatie kunnen burgemeester en wethouders in de overeenkomst bepalingen opnemen inzake: a. Financiële bijdragen aan de grondexploitatie alsmede op basis van een vastgestelde structuurvisie, aan ruimtelijke ontwikkelingen; Bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen / bovenplanse kosten hebben betrekking op maatschappelijk belangrijke functies, zoals natuur, landschap, recreatie, waterberging, infrastructuur en culturele voorzieningen. De wet biedt de mogelijkheid om daarvoor een financiële bijdrage te vragen van particuliere initiatiefnemers door middel van fondsvorming als deze ontwikkelingen in een structuurvisie zijn vastgelegd. Door de bijdrage kan een deel van de meeropbrengsten worden ingezet voor realisatie van maatschappelijke functies.

Voor het afspreken van een financiële bijdrage van een rode ontwikkeling aan een andere ruimtelijke ontwikkeling, geldt dat in de structuurvisie de samenhang op een hoger schaalniveau moet worden onderbouwd tussen de rode ontwikkeling (het betalende exploitatiegebied) en de besteding. De structuurvisie moet tenminste de volgende drie ingrediënten aanduiden:   

De voorgenomen bestedingen in verband met de beoogde ruimtelijke ontwikkeling; De exploitatiegebieden waarmee deze bestedingen gekoppeld zijn (kostendragers); De samenhang tussen beide.

2. Kostendragers, bestedingsdoelen en samenhang Bijdragen voor de onrendabele investeringen kunnen verhaald worden op bouwplannen, waarvoor een planologische procedure moet worden gevolgd. Onder bouwplannen verstaat de wetgever de volgende “aangewezen bouwplannen” (conform artikel 6.2.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro)): 1. De bouw van een of meer woningen; 2. De bouw van een of meer hoofdgebouwen; 3. Uitbreiding van een gebouw met 1.000 m² of met een of meer woningen; 4. Verbouw van een of meer gebouwen voor: a. woondoeleinden voor ten minste 10 woningen; b. kantoor- of horecadoeleinden van ten minste 1.000 m²; 5. De bouw van kassen (ten minste 1.000 m²). Het systeem van de Wro verzet zich er echter niet tegen dat ook zonder aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro een overeenkomst over grondexploitatie als bedoeld in artikel 6.24, eerste lid, van de Wro wordt aangegaan. Dit heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld ( RVS, 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2950). Ook als er geen bevoegdheid bestaat tot het opstellen van een exploitatieplan, is het sluiten van een anterieure overeenkomst dus toegestaan. Een voorbeeld hiervan kan zijn bij de aanleg van een zonnepark.

Algemeen uitgangspunt in dit visiedocument is dat nieuwe economische ontwikkelingen/grondexploitaties die planologisch mogelijk worden gemaakt, een bijdrage leveren aan de versterking van de kwaliteiten van de kernen en het buitengebied.

40

In dit visiedocument wordt een typering van grondexploitaties benoemd die een bijdrage kunnen leveren (de kostendragers), bestedingsdoelen gedefinieerd en de koppelingen daartussen gelegd. Hierna worden deze drie onderdelen uitgewerkt.

De kostendragers Op grond van de ervaring in de gemeente Sluis gedurende de afgelopen jaren worden vier typen exploitaties onderscheiden die zouden kunnen bijdragen aan ruimtelijke ontwikkelingen. Het gaat om: 1. exploitaties waarin de realisatie van permanente wooneenheden mogelijk wordt gemaakt; 2. exploitaties waarin nieuwe ‘bedrijfsactiviteiten’ (inclusief detailhandel) mogelijk worden gemaakt; 3. exploitaties waarin eenheden verblijfsrecreatie of dagrecreatieve voorzieningen mogelijk worden gemaakt; 4. exploitaties gericht op de realisatie van voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie. Definitie van bestedingsdoelen Voor welke ruimtelijke ontwikkelingen kan een bijdrage gevraagd worden? Hiervoor wordt een koppeling gelegd met de relevante beleidsuitgangspunten zoals weergegeven in het visiedocument: 1. Stedelijke vernieuwing, waaronder: a. Versterking van het hart van de woonkernen en verbetering van de openbare ruimte; b. verbetering van de kwaliteit van woningen en de woonomgeving; c. herstructurering van bestaande woongebieden; d. sloop of samenvoegen van woningen; e. verbetering c.q. realisatie van woonzorgzones en/of zorgsteunpunten; f. realisering / verbetering van maatschappelijke accommodaties. 2. Duurzaamheidsmaatregelen, waaronder: a. het dekken van een stimuleringsregeling voor de verduurzaming van particuliere woningen; b.

het compenseren van omwonenden van voorzieningen voor de opwekking van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanbieden van zonnepanelen of anderszins maatregelen voor de verduurzaming van de woning; c. het realiseren van andere duurzaamheidsopgaven waar we als gemeente voor staan. 3. Verbetering van de infrastructuur en mobiliteit, waaronder: a. bijdragen aan investeringen in (toeristische) routestructuren; b. bijdragen aan infrastructurele projecten waardoor de verkeersveiligheid wordt vergroot; c. bijdragen aan infrastructurele projecten waarmee het gebruik van ongemotoriseerde vervoersmiddelen en/of duurzame mobiliteit wordt bevorderd. 4. Versterking van natuur, landschap en cultuur(historie), waaronder: a. natuurvriendelijke en landschappelijk aantrekkelijke inrichting van recreatienatuur; b. kwaliteitsverbetering van bestaande landschappelijke structuren en (cultuurhistorische) elementen; Zie ook rapport “Kansen voor recreatienatuur” c. versterking van de culturele voorzieningen.

Koppeling tussen kostendragers en bestedingsdoelen Noch in de Wro, noch in de kamerstukken zijn de begrippen ‘bovenplanse kosten’ en ‘bijdrage aan ruimtelijke ontwikkelingen’ gedefinieerd. Vanuit de redelijkheid en billijkheid legt de gemeente Sluis een relatie tussen de typen bouwplannen die een bijdrage leveren (de kostendragers) en de bestedingsdoelen waarvoor de bijdrage bedoeld is. Het leggen van logische koppelingen tussen de

41

bouwplannen en de bestedingsdoelen heeft meerwaarde. De ervaring leert dat de bereidheid om bij te dragen sterk wordt vergroot als degene die de bijdrage moet leveren ook achter het bestedingsdoel staat dan wel voordeel ziet in de uitvoering van de bestedingsdoelen. Om die reden kiest de gemeente Sluis ervoor uitgangspunten over de mate waarin bijdragen uit de verschillende typen kostendragers worden benut voor de verschillende bestedingsdoelen vast te leggen in dit visiedocument. In onderstaand schema zijn de logische relaties weergegeven. Daarmee wordt op strategisch niveau voldoende basis gelegd voor financiële bijdragen.

TYPE BOUWPLAN

BESTEDINGSDOEL

WONINGBOUW

STEDELIJKE VERNIEUWING

BEDRIJFS ACTIVITEITEN

DUURZAAMHEIDSMAATREGELEN

RECREATIE

VERBETERING INFRASTRUCTUUR / MOBILITEIT

OPWEKKING DUURZAME ENERGIE

VERSTERKING LANDSCHAP EN CULTUUR

Met de recreatiesector zijn specifieke afspraken gemaakt over de inzet van de vereveningsmiddelen rood-voor-groen (zie punt 4) .

3. Fondsvorming Verevening kan op twee manieren plaatsvinden: rechtstreekse fysieke verevening of compensatie via een (verevenings)fonds. Bij rechtstreekse fysieke verevening realiseert de initiatiefnemer van een project zelf de verevening. Deze vorm van verevening vindt dan plaats, geïntegreerd in het project. Bij toepassing van een vereveningsfonds stort een initiatiefnemer een geldbedrag in een fonds. De gemeente gebruikt het fonds vervolgens om de benodigde verevening te realiseren. Daarbij kunnen de vereveningsbijdragen van verschillende initiatieven gebundeld worden ingezet. Het fonds wordt gevoed met bijdragen op grond van afspraken in anterieure overeenkomsten, eigen grondexploitaties of subsidies en andere geldelijke bijdragen. De financiële middelen uit het fonds kunnen gebruikt worden als cofinanciering bij de uitvoering van projecten. Hiermee kan het bedrag in het fonds mogelijk verdubbeld worden. Op dit moment kent de gemeente Sluis 2 fondsen waarin de ontvangen vereveningsbijdragen worden ondergebracht. Het betreft het Fonds Woningbouwontwikkeling (herstructureringsbijdragen woningbouw) en het Fonds recreatieontwikkeling (rood-voor-groen en rood-voor-rood bijdragen recreatieontwikkeling). Nieuwe beleidsuitdagingen leiden tot de wens om het vereveningsprincipe breder in te kunnen zetten.

Dit kan leiden tot de vorming van nieuwe voeding van de bestaande of het instellen van andere fondsen. Dit wordt nader uitgewerkt in de herziene Nota Grondbeleid. De Nota Grondbeleid vormt hiermee een

42

directe aansluiting op de beleidsdoelen zoals weergegeven in het visiedocument en geeft de wijze aan waarop deze beleidsdoelstellingen kunnen worden gerealiseerd.

4. Specifieke afspraken rood-voor-groen Voor de rood-voor-groen bijdragen zijn met onder andere de recreatiesector specifieke afspraken gemaakt. De rood-voor-groen bijdrage wordt gevraagd in het geval van een kwaliteitsslag op een bestaand verblijfsrecreatieterrein waarbij ook de bestaande situatie wordt aangepakt en bij nieuwvestiging van een verblijfsrecreatieterrein. De middelen kunnen worden ingezet voor het behoud en de versterking van een aantrekkelijk afwisselend (kust)landschap met groene lobben tussen de verschillende recreatiegebieden. Hierbij kan gedacht worden aan het invullen van ontbrekende routestructuren door bestaande gebieden, aanleggen van uitzichtpunten, versterking van de beleving van het open en agrarisch landschap en versterking van natuurgebieden. De rood-voor-groen bijdragen kunnen op 2 manieren worden ingezet: -

Zelfrealisatie: de (maatregelen aan de) recreatienatuur wordt door de ontwikkelaar zelf gerealiseerd. Hiertoe is in 2019 de beleidsregel “Toetsingscriteria zelfrealisatie rood voor groen” vastgesteld. Afdracht aan het Fonds Recreatieontwikkeling: de gemeente zet de middelen in voor de doelen zoals hierboven omschreven.

5. Berekeningswijze financiële bijdragen De hoogte van de vereveningsbijdrage dient proportioneel en redelijk te zijn. Een rekenmethode kan de hoogte van de vereveningsbijdrage (deels) bepalen op een objectieve manier, waarmee willekeur voorkomen kan worden. Gemeenten kunnen zelf keuzes maken over de te hanteren methodiek. De gemeente Sluis hanteert momenteel 2 verschillende methodes: een vast bedrag of een bijdrage op basis van residuele waardeberekening. De gehanteerde bedragen en onderbouwing zullen eveneens nader worden uitgewerkt in de herziene Nota Grondbeleid. In het geval van de rood-voor-groen bijdragen hanteren we de regel dat er per uit te breiden eenheid een bijdrage van € 1.000,- wordt gerekend. In het geval van een hoteluitbreiding hanteren we een vast bedrag van € 600,- per toe te voegen hotelkamer. Deze regeling is voor het gehele grondgebied van de gemeente van toepassing tenzij daar specifieke afspraken anderzijds over gemaakt zijn (bv. CadzandBad). De eerdere berekeningswijze van € 34.000/ha uitbreiding komt hiermee te vervallen.

6. Specifieke vereveningsafspraken Voor een aantal plannen geldt dat specifieke of nadere vereveningsafspraken overeengekomen zijn waarbij ontwikkelaars: - Bijdragen in een investeringsfonds wat vervolgens wordt ingezet voor bovenplanse / ruimtelijke ontwikkelingen in en om de betreffende ontwikkelingslocaties, of - De bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit zelf uitvoeren Het betreft reeds bestaande afspraken zoals: - Waterdunen, Kustwerk, Baanstpolder - Cadzand-Bad: het ontwikkelingsplan Cadzand-Bad en de schilvisie Cadzand-Bad - De projecten die vallen onder de rood-voor-groen vereveningsregeling van gebiedsplan Natuurlijk Vitaal - De mogelijkheden/ wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan Buitengebied (met name voor de agrarische sector - De ontwikkeling van het Havengebied Breskens

43

Bijlage 1 Burgerparticipatie onder de Omgevingswet De Omgevingswet zegt het volgende over participatie: ‘het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit’. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. De wet geeft het bevoegd gezag en de initiatiefnemer de vrijheid eigen keuzes te maken voor de inrichting van het participatieproces. Gemeente Sluis volgt de wettelijke bepalingen die in de Omgevingswet staan opgenomen. Omgevingsvisie Motiveringsplicht: het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Programma Motiveringsplicht: het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Omgevingsplan Het bevoegd gezag geeft bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen aan hoe het de participatie vormgeeft. Het bevoegd gezag geeft bij het besluit aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen zijn betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn.

Omgevingsvergunning In de Omgevingsregeling wordt een aanvraagvereiste participatie opgenomen. Dit houdt in dat de initiatiefnemer die een omgevingsvergunning aanvraagt, moet aangeven of, en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Het aanvraag-vereiste wordt uitgewerkt in de Omgevingsregeling. Participatie door de initiatiefnemer wordt gestimuleerd, omdat het betrekken van de omgeving waardevolle inzichten op kan leveren en een initiatief beter kan maken. Daarnaast voorkomt het vroegtijdig betrekken van de belanghebbenden vaak bezwaren later in het traject. Er zijn natuurlijk ook gevallen waarin het niet nodig is om een (groot) participatietraject te starten, bijvoorbeeld als het initiatief geen consequenties heeft voor de omgeving. Om deze reden is participatie niet per definitie verplicht gesteld en altijd vormvrij. Het ontbreken van een participatieproces is dan ook geen reden om een vergunning te weigeren. Als het bevoegd gezag onvoldoende informatie heeft om tot een goede belangenafweging te komen kan het vragen om meer informatie of zelf extra informatie verzamelen om tot een goed besluit te komen. De initiatiefnemer heeft zelf de verantwoordelijkheid om belanghebbenden te informeren en te betrekken.

Hij of zij moet in de aanvraag voor een omgevingsvergunning aangeven of, en zo ja, hoe er overleg is geweest met belanghebbenden. Ook moet dan worden aangegeven wat er met het resultaat van de participatie is gedaan.

44

Bijlage 2 Stroomschema verevening

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=fc2ab56a-8736-4982-b0fc-6a5490cd0e59