Visiedocument Krachtig Verbonden 2021 met wijzigingen (toevoegingen in geel)
Tekst van het document
36
Wat willen we bereiken?
Een lokale omroep van en voor inwoners. De lokale omroep dient een voor de gemeente representatief en functionerend PBO (Programmabeleid Bepalend Orgaan) te hebben. Vertaling van landelijk naar regionaal omroepbeleid met in achtneming van regionale omstandigheden (op basis van convenant VNG en NLPO). Een lokale omroep die minder financieel afhankelijk is van de overheid. Informatievoorziening door de bibliotheek die aansluit bij huidige tijd, wensen en maatschappelijke opdracht. Leesbevordering wordt vormgegeven in nauwe samenwerking met de kinderopvang, het primair en voortgezet onderwijs en de volwasseneducatie en richt zich primair op (jonge) kinderen en op het bestrijden van laaggeletterdheid onder volwassenen. Behoud van één sterke centrale bibliotheek in Oostburg. Daarnaast is er ruimte voor kleinschalige initiatieven in kleine kernen. Een fusie of vergaande organisatorische samenwerking tussen de openbare bibliotheek en de schoolbibliotheek van het Zwin College.
Hoe willen we het bereiken?
We kiezen voor gedeeltelijke financiële ondersteuning op basis van nog vast te stellen prestatieafspraken met de lokale media. We kiezen voor gedeeltelijke financiële ondersteuning van de bibliotheek op basis van nog vast te stellen prestatieafspraken. Deze afspraken hebben tenminste betrekking op: kosten, wijze van informatievoorziening, projecten op het gebied van leesbevordering (zowel gericht op kinderen als op laaggeletterden), huisvesting (centrale locatie in relatie tot uitgiftepunten, wisselcollecties en/of bezorgservice in de kleine kernen) en samenwerking met kinderopvang, onderwijs en overige partijen. Speerpunten daarbij zijn in ieder geval uitbreiding van het project Bibliotheek op School (bevordering leesplezier en mediawijsheid, gericht op kinderen in basisonderwijs en kinderopvang), uitbreiding van de maatschappelijke functie van de bibliotheek en de uitbouw van de samenwerking tussen de mediatheek van het Zwin College en de bibliotheek Oostburg.
Uitvoeringsparagraaf:
Komen tot prestatieafspraken met de lokale media en met de bibliotheek (eventueel voorafgegaan door een herziening van de bibliotheekvisie).
37
HOOFDSTUK 3: SOCIAAL DOMEIN Overkoepelende uitvoeringsparagraaf Alle maatregelen die binnen het Sociaal Domein vallen worden enerzijds projectmatig opgepakt via een project dat de voorkeursscenario's uitvoert en anderzijds via de lijnorganisatie die daarover via de gebruikelijke kanalen rapporteert en informeert. Het project dat zich richt op de voorkeursscenario's levert een uitvoeringsplan op. Voor zover regulier dan wel nieuw beleid - niet zijnde de voorkeursscenario's - is vastgesteld en uitvoering behoeft, dan wordt dit door de lijnorganisatie opgepakt.
3.1 SAMENKRACHT 3.1.1 SOCIAAL WERK Waar hebben we mee te maken?
Samenkracht staat voor bundeling van kennis, kunde en creativiteit van alle inwoners. De gemeentelijke rol verandert van verzorgend naar ondersteunend. Ook in onze gemeente wordt een beroep gedaan op de eigen kracht van inwoners. Hierdoor neemt de behoefte aan opbouwwerk en vrijwilligers toe. De meeste vrijwilligers willen zich wel kortdurend voor iets inzetten, maar gaan liever geen langdurige verplichtingen aan. De (gemeentelijke/Porthos) vrijwilligers ervaren dat ze niet altijd als volwaardige kracht worden gezien en ook niet als zodanig gefaciliteerd worden. We kennen drie soorten vrijwilligerswerk: o Informeel vrijwilligerswerk/burenhulp: dit betreft het helpen van buren, iets betekenen voor je buurt. o Vrijwilligerswerk/maatschappelijke participatie: dit betreft de inzet van inwoners voor een maatschappelijke vereniging en/of activiteiten in hun omgeving. o Georganiseerd vrijwilligerswerk/zorg: dit betreft het ondersteunen van kwetsbare inwoners en instandhouding voorzieningen. Denk aan de ondersteuning en begeleiding van statushouders (inburgering) of laaggeletterden (taalmaatje); de formulierenbrigade/burgeradviseurs; vrijwillige thuishulp en/of de bemensing van voorzieningen zoals buurtbus, voedselbank, museum of ouderensoos. De voor iedereen toegankelijke en kosteloze ondersteuning van inwoners (maatschappelijk werk) staat onder druk.
Maatschappelijk werk is niet meer als onafhankelijke ondersteuning beschikbaar en herkenbaar. Een gevolg is dat bepaalde ondersteuning van inwoners alleen beschikbaar is via een indicatie individuele begeleiding (een zogeheten maatwerkvoorziening volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De informele zorg, oftewel mantelzorgers, nemen een groot deel van de zorg, ondersteuning en begeleiding van onze inwoners voor hun rekening. Daarbij hebben we te maken met een dubbele vergrijzing: binnen de groep 65-plussers het aandeel 80-plussers toe. Het gevolg is dat de vraag naar zorg, en daarmee ook naar mantelzorg, blijft toenemen waardoor de kans op overbelasting groot is. Daarnaast vergrijzen mantelzorgers zelf ook. Mantelzorgers weten overigens niet altijd dat ze mantelzorger zijn, maar zien zichzelf vooral als een zorgzame partner/ouder/zoon/dochter/vriend. Dit maakt het lastig om mantelzorgers te bereiken. Ook weten zij vaak niet welke ondersteuningsmogelijkheden er voor hen zijn binnen onze gemeente. Behalve de gemeente zijn er nog meer partijen die zich bezighouden met de ondersteuning van mantelzorgers, waaronder bijvoorbeeld huisartsen, zorgaanbieders en zorgverzekeraars. In het coalitieakkoord wordt de wens uitgesproken voor specifiek jeugd- en ouderenwerk.
We kennen op dit moment jeugd- en jongerenwerk dat aan een accommodatie is gebonden en ambulant jeugd- en jongeren werk. o Accommodatiegebonden jeugd- en jongerenwerk: de functie van het accommodatiegebonden jeugd- en jongerenwerk (Time Out) is een fysieke plek bieden waar jongeren terecht kunnen met vragen, die zij niet aan hun ouders of op school kunnen/willen stellen.
38 o
o
Ambulant jeugd- en jongerenwerk: het ambulante jeugd- en jongerenwerk omvat onder meer het aanwezig zijn en aanspreken van jongeren op feesten en evenementen (over bijvoorbeeld middelengebruik), het in contact treden met jongeren op pleintjes in de wijken (vaak na meldingen van overlast) en het helpen van jongeren bij het opzetten van activiteiten in hun eigen omgeving. Het ouderenwerk komt vooral terug in ons Wmo- en Volksgezondheidsbeleid en in het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen. Het ouderenwerk is vooral gericht op het langer zelfstandig kunnen wonen, het stimuleren van maatschappelijk participatie en mobiliteit en het bestrijden van (chronische) ziekte, armoede en eenzaamheid.
Wat willen we bereiken?
Sluis maakt gebruik van de eigen kracht van inwoners, van vrijwilligers- en welzijnswerk. Het doel is de inzet van inwoners voor hun woon- en leefomgeving te vergroten. We streven naar een toename van het aantal georganiseerde vrijwilligers, zoals burgeradviseurs, begeleiders van statushouders, taalmaatjes, schuldhulpmaatjes en mensen actief in de burenhulp. Onafhankelijke ondersteuning aan kwetsbare inwoners in de vorm van maatschappelijk werk. Deze ondersteuning is duidelijk herkenbaar en vrij toegankelijk, waarbij het belang van de klant voorop staat. Mantelzorgondersteuning en -waardering: o voorkomen van vraag naar vrijwilligers en mantelzorgers (omdat deze er straks niet meer zijn of zelf ook te oud worden en hulp nodig hebben). Dit kan door het creëren van een collectief dat voor elkaar kan zorgen en elkaar helpt (via clustering van wonen, voorzieningen, dagbesteding, ontmoetingsruimte en dergelijke en door het stimuleren zorgcorporaties); o voldoende respijtzorg voor verschillende doelgroepen (zoals dagbesteding voor degene die zorg nodig heeft, ter ontlasting van de mantelzorger, zie ook 3.2.6. Maatwerkvoorzieningen Wmo). Respijtzorg bij voorkeur in de vorm van algemeen toegankelijke voorzieningen en in samenspraak met het zorgkantoor, dat een deel van de langdurige zorg uit voert.
Hierbij hebben we aandacht voor voldoende capaciteit en spreiding; o mantelzorgers voelen zich gesteund, ondersteund en gewaardeerd; o bewustzijn creëren, bij zowel de mantelzorgers als hun sociaal netwerk; o een mantelzorgvriendelijke werkomgeving. We streven naar zoveel mogelijk werkgevers (inclusief de gemeente Sluis) met het keurmerk mantelzorgvriendelijke werkgever; o uitvoering van beleid gericht op mantelzorgondersteuning en -waardering samen met huisartsen, CZ zorgkantoor en zorgaanbieders, zoals ZorgSaam (zieken-, thuis- en ouderenzorg), Emergis en Zeeuwse Gronden (geestelijke gezondheidszorg) en Tragel (mensen met een beperking). Jeugd- en jongerenwerk en ouderenwerk, gericht op het voorkomen van (dure) zorg.
Hoe willen we het bereiken?
Het welzijnswerk in de gemeente brengt behoeften, signalen en vragen van inwoners van de kernen in beeld. Aldus komt het tot een preventieve aanpak om zo een sociaal vangnet te creëren voor groepen kwetsbare inwoners. Er wordt onder andere samengewerkt met stadsen dorpsraden, actieve inwoners, (dorps)verenigingen, (praktijkondersteuners van) huisartsen, woonzorgcentra en woningcorporatie Woongoed. Via het welzijnswerk ondersteunen we alle vormen van vrijwilligerswerk. De focus ligt hierbij op het georganiseerd vrijwilligerswerk, omdat er een toenemende vraag is naar informele hulp om aan de zorgvraag van onze inwoners te kunnen voldoen. Hiervoor gaan we actief vrijwilligers werven en nieuwe en bestaande vrijwilligers beter faciliteren. Maatschappelijk werk wordt uitgevoerd door gekwalificeerde professionals die individuele inwoners met een ondersteuningsbehoefte onafhankelijk ondersteunen. De maatschappelijk werker geeft informatie en advies, doet aan vraagverheldering en verleent psychosociale hulp. De maatschappelijk werker maakt gebruik van en verwijst door naar het georganiseerd
39
vrijwilligerswerk en opbouwwerk en verwijst door naar zorg waar je een indicatie voor nodig hebt . Het maatschappelijk werk is onderdeel van het netwerk voor integrale toegang tot zorg/de centra voor Zorg en Ondersteuning (alle zorgvragen op één plek) en de daarbij behorende preventie en het ombuigen van zorg (anders organiseren, om schaarse middelen en mensen optimaal te benutten). Ten aanzien van de mantelzorgondersteuning en –waardering zetten we in op de volgende acties: o Het clusteren van wonen, zorg en voorzieningen (zowel fysiek als inhoudelijk) en het stimuleren van (zorg)corporaties en sociale netwerken. (Zie 1.1.2 Wonen en bouw.) o Op grond van populatieonderzoek voldoende aanbod (capaciteit) inkopen om te kunnen voldoen aan de vraag naar respijtzorg/dagbesteding voor de verschillende doelen en doelgroepen. Daarbij aandacht voor de spreiding (in relatie tot de hierboven genoemde clustering). (Zie ook 3.3.3 Toekomstige Zorg.) o Mantelzorgondersteuning en –waardering vormgeven in samenspraak met aanbieders van dagbesteding, thuiszorg, huisartsen, zorgverzekeraar en welzijnsorganisatie Porthos Sluis.
Het aanbod bestaat onder andere uit: informatie en advies over ziektebeeld (onder andere verloop) en omgaan met ziekte via zorgaanbieders; informatie en advies over arbeidsrechtelijke vraagstukken (zoals zorgverlof), huisvesting, vervoer et cetera via gemeente; ontmoeting en lotgenotencontact via subsidie wijk- of kerkcentrum en/of via zorgaanbieders; indien netwerk onvoldoende mantelzorg kan bieden, organiseren van ondersteuning door vrijwilligers via sociaal makelaar (georganiseerd vrijwilligerswerk); mantelzorgers attenderen op, informeren en adviseren over de mogelijkheden van respijtzorg. o We zetten een campagne op om meer aandacht te geven aan het thema mantelzorg en om het ondersteuningsaanbod breder en duidelijker te communiceren. Dit om dreigende overbelasting van de informele zorgverleners te voorkomen. o De gemeente Sluis zet stappen om het keurmerk mantelzorgvriendelijke werkgever te behalen. Daarnaast worden andere werkgevers gestimuleerd om mantelzorgvriendelijk te gaan werken. o We gaan verder met de samenwerking binnen het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen en het stimuleren en bevorderen van samenwerking tussen partijen op het gebied van mantelzorgondersteuning. We zetten in op alle vormen van jeugd- en jongerenwerk, maar kijken kritisch naar de mate waarin we dat doen.
Het jeugd- en jongerenwerk voeren we zoveel mogelijk uit in eigen beheer. Daarbij worden jongeren ondersteund in het vergroten van hun zelfredzaamheid en stimuleren we actief burgerschap. Jongeren hebben een rol in en/of stem bij zowel de inrichting van het jongerenwerk als de activiteitenprogramma’s en kunnen zelf zaken organiseren. We voeren geen beleid specifiek gericht op ouderen. Het gaat om maatwerk voor mensen die niet of niet zelfstandig kunnen participeren in de samenleving. Een leeftijdsgrens is geen goede indicator voor de behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Ook jongere mensen met bijvoorbeeld een fysieke beperking, niet aangeboren hersenletsel en/of jong dementerenden moeten een beroep kunnen doen op de gemeente. Het doelgroepenbeleid komt vooral terug in het Wmo- en het Volksgezondheidsbeleid en in het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen. Het doelgroepenbeleid is vooral gericht op het langer zelfstandig kunnen wonen, het stimuleren van maatschappelijk participatie en mobiliteit en het bestrijden van (chronische) ziekte, armoede en eenzaamheid onder kwetsbare groepen.
3.1.2 SOCIAAL-CULTURELE ACCOMMODATIES
40
Waar hebben we mee te maken?
Het aantal gebruikers daalt en de uitgaven voor onderhoud en energie lopen op, doordat een aantal voorzieningen is verouderd. De kosten per inwoner (gebruiker) lopen hierdoor op. Schaalvergroting en/of een clustering van voorzieningen lijkt hierdoor noodzakelijk. Het vastgestelde Masterplan Voorzieningen Zeeuws-Vlaanderen wordt uitgevoerd: al veel gemeentelijke accommodaties zijn verkocht en een aantal multifunctionele accommodaties zijn gerealiseerd. Ook is besloten om in Aardenburg en IJzendijke een multifunctionele accommodatie te realiseren.
Wat willen we bereiken?
Evenwicht in vraag naar en aanbod van voorzieningen, waarbij functioneel/doelmatig, toegankelijk en betaalbaar de kaders zijn. De wens is een ontmoetingsplek per kern en in de vijf grootste kernen een clustering van maatschappelijke voorzieningen in een multifunctioneel centrum. Behoud van het Ledeltheater in Oostburg.
Hoe willen we het bereiken?
We ondersteunen actief de concentratie van voorzieningen, zoals sportaccommodaties, basisscholen, culturele voorzieningen en zorgvoorzieningen in de (vijf) grotere kernen. Voor de overige kernen kan worden volstaan met een ontmoetingsruimte voor algemeen gebruik (dorpshuis), dat niet per definitie gevestigd hoeft te zijn in een gemeentelijke accommodatie. Vervoer van en naar de voorzieningen vinden we niet primair de verantwoordelijkheid van de gemeente, tenzij mensen hier redelijkerwijs niet zelf in kunnen voorzien. We investeren in “rendabele” voorzieningen en stoten voorzieningen af die niet aan dat criteria voldoen. Voor sociale ontmoeting gelden andere, lagere tarieven (omdat er geen sprake is van intensieve begeleiding door een zorgprofessional). Daarnaast geldt voor sociale ontmoeting – in tegenstelling tot dagbesteding – de eis dat dit voor een ieder vrij toegankelijk moet zijn. Specifiek voor sportaccommodaties geldt dat we streven naar goede sportaccommodaties in de 5 grootste kernen. Deze krijgen ook een functie voor omliggende kernen. Dit betekent niet automatisch een kwantitatieve dan wel een kwalitatieve opwaardering van de accommodaties maar een inventarisatie welke investeringen nodig zijn en welke besparingen mogelijk zijn. We evalueren het huidige Masterplan Voorzieningen, beoordelen alle bestaande exploitatieovereenkomsten en passen deze waar nodig aan.
Uitvoeringsparagraaf:
Opstellen van een onderhoudsplan gemeentelijke gebouwen. Opstellen van een vervolgnotitie Masterplan Voorzieningen en strategisch eigendommenbeleid.
3.1.3 TOEGANKELIJKHEID Waar hebben we mee te maken?
In juni 2016 heeft Nederland het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap geratificeerd. Gemeenten zijn verplicht het verdrag uit te voeren. In 2019 is daartoe de Lokale agenda toegankelijkheid Sluis 2019-2022 vastgesteld. Deze richt zich op de thema’s bewustwording, toegankelijkheid, cultuur, vrije tijd en sport en werk en dagbesteding. Het gaat hierbij om de toegankelijkheid van zowel openbare (gemeentelijke) gebouwen, als van de openbare ruimte en de informatievoorziening. Zowel fysiek als digitaal dus. Er zijn beperkte middelen gereserveerd voor de uitvoering van de lokale agenda. Ongeveer een op de tien mensen in Nederland heeft een beperking (of een combinatie van beperkingen) die invloed heeft op het dagelijks leven. Als gevolg van de vergrijzing is de verwachting dat het aantal mensen met een beperking de komende jaren sterk zal stijgen.
Wat willen we bereiken?
41
Iedereen in Sluis - ongeacht leeftijd, sociale klasse of beperking - moet mee kunnen doen in de samenleving. Het uitgangspunt is om zo veel mogelijk samen te spelen, samen naar school te gaan, samen te werken en samen oud te worden. Aan de andere kant zijn we een landelijke gemeente met veel kleinschalige voorzieningen, historische kernen en een uitgestrekt kustgebied. Dat brengt met zich mee dat we niet op alle punten, locaties en/of voor alle soorten beperkingen kunnen voldoen aan de eisen die het VN-verdrag stelt en dat accepteren we.
Hoe willen we het bereiken?
De gemeente doet een onderzoek naar het toegankelijk maken van de eigen accommodaties en de openbare ruimte. Voor niet-gemeentelijke accommodaties en activiteiten stimuleren we de toegankelijkheid, door randvoorwaarden te stellen bij het verstrekken van een bouw- en/of evenementenvergunning.
Uitvoeringsparagraaf:
Onderzoek naar het toegankelijk maken van de eigen gemeentelijke accommodaties. Stellen van randvoorwaarden bij het verstrekken van een bouw- en/of evenementenvergunning.
3.1.4 CULTUURBEOEFENING EN –SUBSIDIES Waar hebben we mee te maken?
In verhouding tot het aantal inwoners zijn er relatief veel activiteiten, clubs en verenigingen. De verstrekte subsidies en beschikbare budgetten zijn niet of nauwelijks gekoppeld aan de beleidsdoelen van de gemeente.
Wat willen we bereiken?
Een activiteitenaanbod dat aansluit bij onze beleidsdoelen en de diverse (kwetsbare) doelgroepen in de gemeente.
Hoe willen we het bereiken?
We gaan actief sturen op het aanbod aan gesubsidieerde activiteiten. Op grond van onze eigen prioriteiten en doelstellingen stellen we een subsidiebudget vast per doelstelling, doelgroep of beleidsterrein. o Hiertoe is het van belang dat we onze beleidsdoelen scherp formuleren en rangorde aanbrengen in de verschillende beleidsdoelen. Deze prioriteiten zijn zowel financieel als inhoudelijk. o We gaan de besteding van de subsidiegelden beter monitoren. o We zetten in op beter contact tussen subsidieverstrekker en subsidieontvanger over de te realiseren doelen.
Uitvoeringsparagraaf:
Opstellen van nieuw subsidiebeleid.
3.2 ONDERSTEUNING EN BEGELEIDING
3.2.1 TOEGANG TOT ZORG Waar hebben we mee te maken?
Er is sprake van een zorgkloof: door demografische ontwikkelingen neemt de vraag naar zorg toe (onder andere door een dubbele vergrijzing), terwijl het aanbod afneemt (onder andere door een afnemende beroepsbevolking). (Zie ook 3.1.1. Sociaal werk.)
42
De vraag naar (en kosten van) ambulante en extramurale zorg (zorg aan huis) nemen toe. Dit geldt zowel in de ouderenzorg als in de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en de jeugdzorg. Dit heeft te maken met een scheiding van wonen en zorg (en de wens om te besparen op zorg binnen instellingen). Door een gebrek aan clustering van cliënten en een toename van reistijd is ambulante zorg arbeidsintensiever dan intramurale zorg (zorg binnen instellingen). Er zijn veel verschillende partijen verantwoordelijk voor zorg, ondersteuning en begeleiding van mensen aan huis. Dit heeft te maken met verschillende wetten en geldstromen. Het is daardoor voor inwoners niet altijd duidelijk met welke vraag of voor welke voorziening ze bij welke instelling of welk loket terecht kunnen. Zorg, ondersteuning en begeleiding worden vaak naast elkaar geboden. Er wordt gewerkt vanuit de eigen instelling en het eigen vakgebied (monodisciplinair), zonder regie of onderlinge afstemming. De verwachting is dat door meer multidisciplinair te werken de kwaliteit van de zorg en de effectiviteit van de afzonderlijke interventies toenemen: de kosten dalen en de klanttevredenheid en –waardering stijgen. Landelijk staat deze aanpak bekend als Triple Aim. Daarnaast denken wij dat wij op deze manier het schaarse personeel beter kunnen inzetten.
Om bovenstaande redenen neemt de vraag naar integrale (toegang tot) zorg, multidisciplinair werken en naar proces- en casusregie toe. Inwoners vragen om een samenhangende (integrale) benadering van hun vraag of probleem. Wet- en regelgeving belemmeren soms een soepele uitwisseling van gegevens.
Wat willen we bereiken?
Een ondersteunings- en hulpaanbod dat past bij wat mensen nodig hebben, dat aansluit bij onze basisvoorzieningen en dat effectief, dichtbij en betaalbaar is. Een benadering van de vraag van onze inwoners die integraal is en uitgaat van hun behoeften en mogelijkheden. Integraal wil zeggen dat we bij de aanvraag of melding kijken naar de gehele leefsituatie van de inwoner en die van zijn of haar gezin. Het uitgangspunt is één gezin, één plan en één casusregisseur. Werken over de grenzen van wetten en financieringsstromen heen. Van monodisciplinair naar multidisciplinair. En met oog voor de privacywetgeving. Preventie en ombuigen van zorg (anders organiseren van zorg, om schaarse middelen en mensen optimaal te benutten).
Hoe willen we het bereiken?
Om te zorgen dat we de juiste dingen op de juiste wijze doen, gaan we onze dienstverlening inrichten samen met inwoners en andere relevante partijen. Denk daarbij aan de participanten in het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen. We gaan hierbij uit van leren in netwerken en flexibele (organisatie)vormen. Middelen zijn schaars en daarom doen we blijvend onderzoek naar de effectiviteit van de geleverde ondersteuning, met name als het gaat om complexe, duurdere zorg. We zetten in op efficiënte ondersteuning, waarbij we ook ‘buiten de lijntjes’ kleuren als dit zorgt voor het terugdringen van maatschappelijke kosten. We versterken proces- en casusregie.
Uitvoeringsparagraaf:
Het verder uitvoeren van het programma Toekomstige Zorg (West) Zeeuws-Vlaanderen.
3.2.2 INKOMENSREGELINGEN Waar hebben we mee te maken?
In vergelijking met andere Zeeuwse en Nederlandse gemeenten heeft onze gemeente een relatief laag aantal mensen met een bijstandsuitkering: 13,2 per 1000 inwoners. Voor Zeeland bedraagt dit 19,1 en voor Nederland 22,5. Hierdoor is de afgelopen jaren een fors overschot gerealiseerd op het zogenoemde BUIG-budget (dat we van het Rijk ontvangen om uitkeringen te kunnen betalen).
43
Voor mensen met een laag inkomen heeft Sluis een ruimhartig minimabeleid, dat gericht is op meedoen. Zo subsidiëren we maatschappelijke partners als de kledingbank en de voedselbank. Om te zorgen dat alle kinderen kunnen meedoen in de samenleving, werken we samen met de hierop gerichte Stichting Leergeld en de Zeeuwse jeugdfondsen. Ook verstrekken we – voor wie dat nodig heeft - zwembadabonnementen, betalen we zwemles en de eigen bijdrage voor de kindervakantieweek. Met onze minima-regelingen bereiken we een grote groep mensen in een uitkeringssituatie. ‘Verborgen’ armoede, zoals onder ouderen en zzp’ers, is minder goed in beeld. Als gevolg van de COVID-19-crisis kan het aantal mensen toenemen dat een beroep doet op bijstand, schuldhulpverlening of te maken krijgt met armoede.
Wat willen we bereiken?
Een aantal mensen in de bijstand dat structureel lager is dan het landelijke en Zeeuwse gemiddelde. Een minimabeleid dat gericht is op zoveel mogelijk gelijke kansen voor alle inwoners, waarbij we ernaar streven dat geen enkel kind opgroeit in armoede.
Hoe willen we het bereiken?
We continueren de door ons ingezette dienstverlening, met als uitgangspunt dat een aanvraag om een uitkering een aanvraag om werk is. Voor de omvangrijke groep mensen met een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt, maken we gebruik van de mogelijkheid om een verplichte tegenprestatie te vragen (voor hun uitkering). Aanvullend op het raadsbesluit van december 2019 om het ingezette armoedebeleid te bestendigen: o We onderzoeken de mogelijkheid om een sportfonds voor volwassen te realiseren (zodat ook mensen met een laag inkomen kunnen sporten). o Voor mensen die gebruik maken van een collectieve ziektekostenverzekering voor minima vergroten we de mogelijkheden om zelf hun pakket samen te stellen. o We intensiveren de samenwerking met onze partners in het programma Toekomstige Zorg en binnen de integrale zorgcentra, om meer ouderen te bereiken die leven op of onder het bestaansminimum (verborgen armoede). We communiceren gericht over onze minimaregelingen om het bereik te vergroten onder mensen die het echt nodig hebben. Hierbij denken we ook aan kwetsbare zzp’ers die we beter in beeld hebben door de uitvoering van de Tozo-regeling (compensatie van inkomensverlies door COVID-19).
Uitvoeringsparagraaf:
Uitvoeren communicatieplan minimaregelingen. Herijken beleidsregels tegenprestatie.
3.2.3 ARBEIDSPARTICIPATIE Waar hebben we mee te maken?
Veel mensen zitten langdurig in de bijstand, hebben geen startkwalificatie (diploma havo, vwo, mbo niveau 2 of hoger) en geen recente werkervaring. De groep statushouders in een uitkeringssituatie is relatief hoog (Zie ook 2.1.1. Arbeidsmarkt). Werkgevers vragen in toenemende mate om harmonisatie van het Zeeuws beleid en van de afspraken ten aanzien van instrumenten voor arbeidsre-integratie; ze willen dat die in de hele provincie hetzelfde zijn. Voorbeelden van zulke instrumenten zijn jobcoaching en loonkostensubsidie voor werknemers met een verminderde loonwaarde. De (maatschappelijke) begeleiding van statushouders in het huidige inburgeringsstelsel is onvoldoende.
44
Wat willen we bereiken?
Inwoners kunnen zelfstandig in de kosten van hun levensonderhoud voorzien. We geloven in de positieve bijdrage van arbeidsparticipatie op het welzijn van iedere inwoner. Daarom is onze opdracht om zoveel mogelijk inwoners toe te leiden naar werk, passend bij ieders mogelijkheden. Een goed taalniveau voor alle inwoners en een vlotte integratie van statushouders en andere nieuwkomers, zodat ze volledig kunnen meedoen in de samenleving.
Hoe willen we het bereiken? Om mensen te ondersteunen richting een passende werkplek of een andere vorm van participatie: maken we aan de kop van het proces een grondige analyse van de kandidaat om een passend profiel (plan) te kunnen maken gericht op (beschut) werk, scholing of dagbesteding; werken we met alle gemeenten samen binnen de Zeeuwse arbeidsmarktregio. Via deze samenwerking genereren we extra middelen om toe te voegen aan ons schaarse budget; bundelen we in Zeeuws-Vlaanderen onze krachten en stroomlijnen de processen van werkgeversservicepunt en sociaal werkbedrijf Dethon. Hier leren mensen werknemersvaardigheden aan, worden getraind en gecoacht, zodat ze kunnen re-integreren op een voor hen passende plek. Daarnaast zorgen we waar nodig voor nazorg; krijgt elke inburgeraar een persoonlijk integratieplan (PIP), waarbij de eerste maanden in het teken staan van kennismaking met de nieuwe omgeving en een intensief taaltraject. De leerroutes binnen het nieuwe inburgeringsstelsel kopen we gezamenlijk in met de gemeenten Hulst en Terneuzen bij erkende taalaanbieders.
Uitvoeringsparagraaf:
Inkoop leerroutes nieuwe Wet inburgering. Opstellen verordening Inburgering.
3.2.4 BEGELEIDE PARTICIPATIE Waar hebben we mee te maken?
Door een te lage rijksbijdrage voor de uitvoering van de sociale werkvoorziening is er een financieel tekort ontstaan bij sociaal werkbedrijf Dethon. Daarom is een transformatieplan opgesteld en goedgekeurd, om de gemeenschappelijke regeling Dethon om te vormen van productiebedrijf tot mensontwikkelbedrijf. Het Rijk verplicht gemeenten een aantal beschutte werkplekken in te richten: werkplekken voor mensen die door hun beperkingen zoveel begeleiding en aanpassingen nodig hebben dat een regulier dienstverband geen optie is. We hebben deze wettelijke taakstelling beschut werk (nog) niet ingevuld. Er is nog geen helder beleid voor (arbeidsmatige) dagbesteding. Wel loopt er een succesvol project in samenwerking met Emergis en Dethon. We onderscheiden drie soorten dagbesteding: arbeidsmatige dagbesteding, respijtzorg; en sociale ontmoeting. (Zie ook 3.1.1. Sociaal werk). Dit om keuzes te kunnen maken ten aanzien van onze rol en verantwoordelijk en/of om prioriteiten te kunnen stellen.
Wat willen we bereiken?
De omvorming van Dethon is afgerond waarmee zowel de inhoudelijke als financiële doelen zoals opgenomen in het in 2019 vastgestelde transformatieplan worden bereikt. Een vangnet bieden voor kwetsbare inwoners. Dit kan door het bieden van een beschutte werkplek of via de mogelijkheid van (arbeidsmatige) dagbesteding. We realiseren minimaal onze wettelijke taakstelling beschut werk. Een arbeidsmatige dagbesteding die voldoende is qua capaciteit, spreiding en variëteit (in doelgroep en soort) en die aansluit bij de kenmerken van onze populatie.
45
Hoe willen we het bereiken?
We geven uitvoering aan het transformatieplan Dethon, gericht op de doorstroom van medewerkers die ‘binnen’ werken naar de afdelingen groen en cleaning (schoonmaak bij andere organisaties). Daarnaast het realiseren van extra detacheringen bij reguliere werkgevers. Mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt die extra begeleiding nodig hebben gaan we actief opsporen en toeleiden naar het UWV om een indicatie beschut werk te verkrijgen. Zodra de indicatie rond is, kunnen deze mensen een dienstverband bij Dethon krijgen. We zien arbeidsmatige dagbesteding als een algemene voorziening (toegankelijk zonder indicatie). We stellen de benodigde capaciteit, spreiding en variëteit (in doelgroep en soort dagbesteding) vast aan de hand van een populatieonderzoek. De arbeidsmatige dagbesteding heeft bij voorkeur een maatschappelijke functie, zoals het faciliteren van een sociale ontmoetingsruimte, een maaltijdvoorziening of een was- en strijkservice. Arbeidsmatige dagbesteding op grond van de Wmo, Wlz (Wet langdurige zorg) en Participatiewet worden zoveel mogelijk gecombineerd. We benutten kansen over de domeinen heen (bijvoorbeeld geestelijke gezondheidszorg (GGZ), zorg en arbeidsmarkt).
Uitvoeringsparagraaf:
Uitvoeren transformatieplan Dethon. Projectmatige aanpak algemene voorziening dagbesteding.
3.2.5 ONDERWIJSONDERSTEUNING EN LEERLINGZAKEN Waar hebben we mee te maken?
Kinderen en jongeren hebben in toenemende mate behoefte aan ondersteuning en begeleiding. Niet alleen in de thuissituatie, maar ook op school en in de kinderopvang. De gemeente biedt ondersteuning en begeleiding van leerlingen en het onderwijs, via de kinderopvang, het Primair Onderwijs (PO), het Voortgezet Onderwijs (VO) en het Middelbaar Beroeps Onderwijs (MBO), maar die is op dit moment redelijk divers en versnipperd. Ook is er te weinig afstemming geweest tussen de gemeente, zorgaanbieders, kinderopvang, onderwijs en huisartsen. Het aanbod wordt de laatste jaren echter meer in afstemming bekeken. Onder andere binnen de vorming van de integrale kindcentra (PO, kinderopvang en peuterspeelzaal in één organisatie); de regionalisering van het voortgezet onderwijs; het Regionaal Bureau Leerlingzaken (RBL); de Zeeuwse werkgroepen voor onderwijszorgarrangementen en de afstemming jeugdzorg en onderwijs (onderdeel van de Transformatieagenda Jeugd); en de integrale toegang tot (jeugd)zorg en de jeugd-GGZ.
Naast het aanbod dat de scholen zelf inzetten, bestaat het aanbod van de gemeente op dit moment onder andere uit: o observatieprogramma’s vanuit de voor- en vroegschoolse educatie (maatregelen om onderwijsachterstanden te voorkomen, gericht op peuters); o Schoolbegeleiding door Regionaal Pedagogisch Centrum Zeeland (RPCZ); o schoolmaatschappelijk werk; o een zorgadviesteam (ZAT); o een trajectgroep; o RMC-trajectbegeleiders (voor jongeren die niet op school zitten en geen startkwalificatie hebben); o gecertificeerde jeugdhulpverleners; o buitenschoolse tieneropvang; o een collectief preventieaanbod op scholen (op het gebied van middelengebruik, groepsdruk, discriminatie, radicalisering). Daarnaast wordt er nog gesproken over observatie- en gedragsgroepen in het PO en - op grond van het coalitieakkoord - over de herinvoering van de logopedie op school. Een specifiek onderdeel van de ondersteuning en begeleiding van leerlingen is het onderwijsachterstandenbeleid, gericht op taalachterstanden bij jonge kinderen. De rijksmiddelen die wij hiervoor ontvangen, mogen alleen hieraan besteed worden. De focus in ons beleid ligt nu vooral op de jongste doelgroep. Dit vanuit de overtuiging dat je de grootste resultaten behaalt als je vroegtijdig bijstuurt. Voor onderwijsachterstanden die op latere leeftijd
46
ontstaan of zichtbaar worden, is er het project Kwetsbare leerlingen van het RMC (Regionaal Meld- en Coördinatiepunt. Dit project wordt betaald uit de VSV-middelen (Voortijdig Schoolverlaten). Uit de middelen voor het onderwijsachterstandbeleid (OAB-middelen) betalen we ook de startgroepen. Het doel van deze startgroepen is voorkomen dat ouders kiezen voor een school in België, omdat kinderen daar al vanaf 2,5 jaar terecht kunnen (zie ook 2.1.2 Onderwijsketen). Maar het aanbieden van opvang (en voor- en vroegschoolse educatie) aan doelgroepleerlingen mag vanuit de OAB-middelen bekostigd worden. Als er geen geschikte basisschool beschikbaar is binnen een straal van 6 kilometer en/of als kinderen in het PO, VO en (V)SO vanwege een beperking niet in staat zijn om zelfstandig met het openbaar vervoer te reizen, dan hebben die leerlingen recht op leerlingenvervoer. Leerlingenvervoer kan – afhankelijk van de situatie – bestaan uit een busabonnement (met begeleiding), een kilometervergoeding en/of taxivervoer. Het merendeel van de leerlingen dat recht heeft op leerlingenvervoer, maakt gebruik van het taxivervoer. Dit zijn met name de leerlingen in het speciaal onderwijs. Leerlingen van verschillende leeftijden en problematiek worden gescheiden van elkaar vervoerd, en ook apart van mensen die gebruik maken van een taxi op grond van de Wmo.
Met uitzondering van een deel van Hoofdplaat is het basisonderwijs overal in de gemeente binnen een straal van 6 kilometer te bereiken. Alleen als een beroep wordt gedaan op het recht op godsdienstvrijheid (de school die de religieuze voorkeur heeft van ouders, ligt verder weg dan 6 kilometer), kan recht ontstaan op leerlingenvoer. Naast leerlingenvervoer kennen we ook scholierenvervoer: vervoer van basisschoolleerlingen die wonen in een kern waar de laatste basisschool is opgeheven, maar die op grond van de Verordening leerlingenvervoer geen recht hebben op betaald vervoer. De regelingen verschillen per kern. Veel regelingen lopen komende tijd af. In Zeeland is ongeveer 13% van de bevolking laaggeletterd, dat is iets hoger dan in de rest van Nederland. Dit relatief hoge percentage geldt zeker voor de groep 50-plussers, die oververtegenwoordigd is in onze regio. Het aantal laaggeletterde jongeren wijkt in Zeeland in positieve zin af. Rijk en VNG maakten vorig jaar nieuwe afspraken over de aanpak van laaggeletterdheid. Op basis hiervan komt er ook in Zeeland een regioplan laaggeletterdheid 2020-2024.
De voornaamste doelstellingen en randvoorwaarden vanuit het Rijk en de VNG zijn: o Gemeenten voeren zelfstandig regie over de aanpak van laaggeletterdheid in een netwerk van samenwerkende partijen uit de domeinen onderwijs, werk, gezin, gezondheid en aanverwante terreinen; o Meer mensen bereiken, met name mensen die Nederlands als moedertaal hebben. Ook kinderen en jongeren met een risico op een taalachterstand krijgen extra aandacht; o Investeren in de kwaliteit van het lesaanbod; o Jaarlijkse rapportage over bereik en behaalde resultaten (monitoring). De geformuleerde doelstellingen en randvoorwaarden vanuit het Rijk en de VNG zijn: o De groep laaggeletterden is een zeer diverse groep, van ouderen met slechte samenhangende beleidsambities formuleren met andere terreinen. Gemeenten voeren zelfstandig regie over de aanpak van laaggeletterdheid in een netwerk van samenwerkende partijen uit de domeinen onderwijs, werk, gezin, gezondheid en aanverwante terreinen; o méér mensen bereiken met een aanbod op maat, vooral de groep met Nederlands als moedertaal (NT-1); o aandacht voor kwaliteit van het educatieve aanbod; o jaarlijkse rapportage over bereik en behaalde resultaten (monitoring). Gemeenten en scholen hebben de afgelopen jaren samengewerkt aan terugdringing van het aantal voortijdig schoolverlaters. Dat is niet overal gelukt.
Oorzaken zijn een verkeerde studiekeuze, toenemende multiproblematiek onder jongeren en een (tot de COVID-19-crisis) aantrekkende arbeidsmarkt. Binnen Zeeland is de afgelopen jaren flink geïnvesteerd in een aantal projecten gericht op jongeren in een kwetsbare positie, zoals plusvoorzieningen (speciale trajecten in het onderwijs) en de aanpak van schoolverzuim. Hiervoor is een intensieve samenwerking tot stand gekomen met het praktijkonderwijs, het voortgezet (speciaal) onderwijs, mbo en het RBL.
47
Wat willen we bereiken?
We willen meer structuur en eenheid aanbrengen in het aanbod aan ondersteuning en begeleiding van leerlingen en het primair en voortgezet onderwijs. Hierdoor moet een doorgaande leer-, zorg- en ondersteuningslijn gedurende de gehele schoolloopbaan ontstaan. Ook moet er een aansluiting komen tussen de zorg op school en in de thuissituatie. Het onderwijsachterstandenbeleid richt zich niet alleen op de jongste doelgroep en/of taalachterstanden, maar op alle ontwikkelingsachterstanden en alle leeftijdscategorieën. Hiertoe streven we naar een samenhangend aanbod, voor alle kinderen en jongeren, op het gebied van (passend) onderwijs, sport, cultuur, opvang, jeugdgezondheidszorg, jeugdzorg en armoedebeleid. Iedere leerling moet naar school kunnen. Als vervoer een belemmering vormt, dan treffen we een voorziening in de vorm van leerlingenvervoer. Dit vervoer is adequaat en kostenbewust. We beperken ons daarbij strikt tot wat wettelijk mogelijk is. Het onderwijs is zich (net als andere voorzieningen) aan het concentreren in de grotere kernen. We streven ernaar dat vanuit iedere kern het basisonderwijs goed bereikbaar is. Als de bereikbaarheid in het geding komt, kan scholierenvervoer een middel zijn, maar ook veilige fietsroutes en/of carpoolen. Door het bestrijden van laaggeletterdheid willen we de participatie van burgers verhogen.
Het gaat hierbij zowel om arbeidsparticipatie als maatschappelijke participatie. We zetten in op een afname van het aantal voortijdig schoolverlaters. We kiezen voor een sluitende aanpak: iedere jongere tot 23 jaar wordt zo nodig ondersteund om via de best haalbare route te participeren in de maatschappij.
Hoe willen we het bereiken?
De ondersteuning en begeleiding van leerlingen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van scholen (onderwijs) en de gemeente (jeugdzorg). De kosten worden verdeeld op basis van de wettelijke verantwoordelijkheden. We houden het aanbod nog eens samen met het onderwijs en de kinderopvang tegen het licht, zodat het beter op de vraag aansluit en verschillende onderdelen beter op elkaar zijn afgestemd. In het kader van het onderwijsachterstandenbeleid subsidiëren we in de kinderopvang en het basisonderwijs ruimer dan alleen de bijdrage voor risicoleerlingen met een (mogelijke) taalachterstand, zodat deze partijen ook voor leerlingen met andere ontwikkelingsachterstanden en/of gedragsproblemen volgprogramma’s kunnen ontwikkelen en zorg kunnen dragen voor een warme overdracht van de kinderopvang naar het primair We beperken ons tot de wettelijke eisen ten aanzien van het leerlingenvervoer (en verruimen de mogelijkheden niet). Op grond hiervan kiezen we voor aanscherping van onze verordening en van contracten met vervoerders. We sturen ook op een striktere naleving hiervan. (We vragen het RBL om strenger te toetsen of een specifieke beperking reizen met openbaar vervoer daadwerkelijk onmogelijk maakt). Ook kijken we samen met het onderwijs hoe we het vervoer efficiënter kunnen inrichten. Dit betekent dat we het combineren van vervoersstromen gaan toestaan.
Een andere mogelijkheid is afspraken met het onderwijs over bijvoorbeeld naschoolse opvang op school, waardoor alle leerlingen op hetzelfde tijdstip opgehaald moeten worden. Hierdoor zijn op één dag nog maar twee ritten nodig zijn: heen en terug (en niet iedere leerling afzonderlijk). We maken afspraken met het onderwijs over de spreiding en bereikbaarheid van het primair onderwijs. De discussie over het scholierenvervoer nemen we hierin mee. Dit kan betekenen dat er één uniforme regeling komt voor het scholierenvervoer. Een andere mogelijkheid is dat we een budget aan het onderwijs geven om het vervoer van en naar school zelf (naar eigen inzicht) te organiseren. Ook het invoeren van veilige fietsroutes en/of netwerken van ouders met wie een kind kan meerijden zijn opties. We bestrijden laaggeletterdheid door: o een kwalitatief educatief aanbod, gericht op het ontwikkelen van basisvaardigheden: taal, rekenen en digitale zelfredzaamheid; o het opstellen van een regionaal plan laaggeletterdheid 2020-2024 door deelname aan het Zeeuwse projectteam namens de regio Zeeuws-Vlaanderen;
48 voor de regio Zeeuws-Vlaanderen de regie te voeren op de inzet van de middelen voor laaggeletterdheid en volwasseneducatie en jaarlijks een subregionaal plan te maken met betrekking tot de inzet van de beschikbare middelen; o de regie op de aanpak van laaggeletterdheid te beleggen bij een Zeeuws-Vlaams kernteam, bestaande uit taalaanbieders, welzijnsorganisaties (inclusief Porthos), de bibliotheek en de stichting Lezen en Schrijven. We continueren de dienstverlening van het Regionaal Bureau Leerlingzaken (een samenwerking tussen de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen voor uitvoering van de leerplicht), waarbij o het bedrijfsplan wordt herzien; en o het RBL moet samenwerken met andere (gemeentelijke) partijen op het gebied van zorg en werk.
We doen aanspraak doen op de middelen uit de convenanten VSV (Voortijdig Schoolverlaten) 2020-2024 om: o kwetsbare jongeren te begeleiden naar werk, door meer leerwerkplekken te realiseren; o plusvoorzieningen (speciale trajecten) binnen het vo/mbo voort te zetten voor leerlingen met multiproblematiek, en om een betere aansluiting te waarborgen tussen praktijkonderwijs, vso (voortgezet speciaal onderwijs), vmbo basis en mbo; o (ongeoorloofd) verzuim te voorkomen en bestrijden; o ‘studie switchers’ te ondersteunen en zo uitval te voorkomen; o aandacht te generen voor de groei van het aantal anderstaligen in het onderwijs en voor de problematiek van de geringe taalbeheersing van deze jongeren. o
Uitvoeringsparagraaf:
Masterplan kindvoorzieningen. Verordening leerlingenvervoer. Regionaal plan laaggeletterdheid 2020-2024. Herijken bedrijfsplan RBL (Regionaal Bureau Leerlingzaken) en aanvraag doen in het kader van convenanten VSV 2021-2024.
3.2.6 MAATWERKVOORZIENINGEN WMO Waar hebben we mee te maken?
De vraag naar zorg neemt toe, door vergrijzing en extramuralisering (het streven zorg steeds meer buiten instellingen aan te bieden.) Dit terwijl het aanbod van zorg, met name in termen van personele bezetting, afneemt. Daarnaast blijven mensen (uit eigen wil of noodgedwongen) langer zelfstandig wonen. Om reistijd te besparen (zowel voor de behandelaar als voor de patiënt), zien we een beweging naar ‘zorg op afstand’. Dit zien we zowel in de GGZ, de huisartsenzorg, de sociaal-maatschappelijke begeleiding als bij het overleg met de medisch specialist in het ziekenhuis. Daarnaast ontstaan er steeds meer mogelijkheden voor (vroeg)signalering via slimme sensoren. Zowel in huis (bijvoorbeeld via bewegingsmelders en beeldverbindingen), als ook lichaamsgebonden (bijvoorbeeld hartritme- en bloeddrukmeters). Deze vormen van huistechnologie en domotica bieden kansen voor vroegsignalering, diagnose en hulp op afstand. En besparen reistijd. Door de toenemende vergrijzing en extramuralisering, is er een toenemende vraag naar individuele voorzieningen, zoals vervoersvoorzieningen, woonaanpassingen) en (medische) hulpmiddelen. Ook de behoefte aan begeleiding neemt door bovengenoemde oorzaken toe. Er zijn vele vormen van extramurale of individuele begeleiding.
Van begeleiding door een vrijwilliger (buddy), via algemeen maatschappelijk werk naar gespecialiseerde extramurale begeleiding door een GGZ- of thuiszorginstelling waarvoor een indicatie nodig is. Onduidelijk is welke vorm van begeleiding in welke situatie het meest passend is. Ook het onderscheid tussen extramurale begeleiding (bekostigd door de gemeente) en extramurale behandeling (bekostigd door de zorgverzekeraars) is niet altijd duidelijk. Daarnaast komen mensen die geen uitzicht hebben op herstel en/of actieve participatie in de maatschappij, mogelijk in aanmerking voor begeleiding in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz).
49
Het aantal cliënten dat gebruik maakt van huishoudelijke verzorging (hulp bij schoonmaken en dergelijke) ligt vele malen hoger dan bij vergelijkbare gemeentes. Desondanks liggen de kosten op een vergelijkbaar niveau. Een groot deel van zorg, ondersteuning en begeleiding wordt momenteel ingevuld door informele zorg in de vorm van mantelzorg. Door een dubbele vergrijzing (maar ook door een toename van cliënten in de jeugdzorg en de GGZ) blijft de vraag naar zorg, en daarmee ook naar mantelzorg, toenemen. Daardoor is de kans op overbelasting groot. Daarbij vergrijst het aanbod van mantelzorgers zelf ook. Om ervoor te zorgen dat de mantelzorgers de zorg kunnen blijven volhouden en maatschappelijk kunnen participeren, is het van belang dat de hulpbehoevende enkele dagen of dagdelen naar de dagopvang of dagbesteding gaat. Als deze zorg niet gericht is op het herstel van de cliënt maar primair gericht is op het ontlasten van de mantelzorger, noemen we dit respijtzorg. Ook de zorgverzekeraar en het zorgkantoor hebben belang bij deze vorm van respijtzorg, omdat daarmee de opname in een verpleeghuis of intramuraal behandelcentrum kan worden voorkomen. Door de geografische ligging van onze gemeente, de afstand tot voorzieningen en de vergrijzing zijn we relatief veel geld kwijt aan collectief vraagafhankelijk vervoer (Wmo-taxivervoer).
Door het verhogen van de eigen bijdrage is het gebruik wel afgenomen. Door economische omstandigheden en/of bepaalde levensgebeurtenissen komen mensen soms (buiten hun schuld) in financiële problemen. In die gevallen bieden we schuldhulpverlening. We onderscheiden daarbij drie niveaus: o preventie en vroegsignalering; o stabiliseren (budgetbeheer en budgetcoaching); o schuldenregeling (inclusief budgetbeheer en budgetcoaching). In dit geval is er een kredietinstelling nodig en een banklicentie voor de schuldhulpverlenende instantie.
Wat willen we bereiken?
We willen huistechnologie en domotica inzetten om vroegsignalering, diagnose en zorg op afstand mogelijk te maken en reistijd te besparen, zowel voor de cliënt als voor de hulpverlener. Daarmee leveren we tevens een bijdrage aan het arbeidstekort in de zorg. We willen de uitgaven voor vervoersvoorzieningen, woonaanpassingen en hulpmiddelen inperken. Dat kan door meer zaken als algemeen gebruikelijk aan te merken (voor iedereen gebruikelijk om zelf te kopen), de woningvoorraad te herstructureren (meer nultredenwoningen, zie 1.1.2), wonen en voorzieningen te clusteren, en/of slimme collectieve voorzieningen te treffen. We streven naar de juiste zorg, in de juiste vorm of op de juiste plaats. We willen daarbij een duidelijke differentiatie tussen vrij toegankelijke begeleiding (in de vorm van een algemene voorziening) en geïndiceerde, specialistische extramurale begeleiding. We willen het aantal cliënten dat gebruik maakt van huishoudelijke verzorging terugbrengen naar het gemiddelde aantal bij vergelijkbare gemeenten. We willen dit doen door een vereenvoudiging van het indicatiesysteem. En door een onderzoek naar alternatieven voor de manier waarop schoonmaken, wassen, strijken en maaltijd bereiden nu wordt aangeboden. We willen voldoende respijtzorg (dagbesteding) voor verschillende doelgroepen (ook voor jong dementerenden en mensen met Niet Aangeboren Hersenletsel).
Bij voorkeur in de vorm van algemene voorzieningen, in samenspraak met het zorgkantoor (voor de doelgroepen die zijn aangewezen op de Wlz). Daarbij moet aandacht zijn voor voldoende capaciteit, spreiding en variatie (in doelgroep en soort dagopvang). We willen de kosten van het collectief vervoer terugdringen, zonder een grote inbreuk te doen op de bewegingsvrijheid van hen die zijn aangewezen op Wmo-taxivervoer. We willen dat mensen die dreigen in de financiële problemen te komen, vroegtijdig hulp zoeken. Schuldhulpverlening moet daarom onderdeel worden van een breed (maatschappelijk) loket voor zorg en ondersteuning, dat zichtbaar in de wijken is en laagdrempelig.
Hoe willen we het bereiken?
Met name in de kernen waar de 24-uurs bezetting van de zorg verdwijnt, doen we verschillende experimenten. Op die manier willen we ervaringen opdoen met slimme sensoren, waarbij een signaal wordt opgevolgd door respectievelijk zorg op afstand (beeldschermzorg), informele zorg (vanuit eigen sociale netwerk) en/of reguliere, professionele thuiszorg. Belangrijke aspecten die
50
we in beeld willen brengen zijn de klantbeleving, de kosten en de effecten op de inzet van zorgpersoneel. Dit moet leiden tot het meest geschikte model, dat verder uitgerold kan worden. Om het aantal scootmobielen dat op individuele basis wordt verstrekt naar beneden te brengen, gaan we op zoek naar alternatieven. Hierbij kan worden gedacht aan (her)onderzoek naar hoe de toegekende voorziening feitelijk wordt gebruikt, een uitleenservice voor scootmobielen voor incidenteel gebruik en/of een gemeenschappelijke voorraad scootmobielen voor algemeen gebruik bij ieder woonzorgcentrum (in plaats van elke bewoner op dat adres een eigen maatwerkvoorziening aan te bieden). Daarnaast gaan we de juridische mogelijkheden onderzoeken om standaard scootmobielen niet meer als individuele maatwerkvoorziening te verstrekken. In plaats daarvan kunnen we deze voorziening aanmerken als algemeen gebruikelijk en/of hiervoor een voorliggende voorziening te creëren via het minimabeleid. We onderzoeken of het beter is om extramurale begeleiding vroegtijdig in te zetten om grotere problemen te voorkomen (onderdeel van deze strategie is dat specialistische ondersteuning en begeleiding op tijd wordt ingeschakeld), of dat we extramurale begeleiding als laatste redmiddel zien en vooral moeten proberen zoveel mogelijk te volstaan met de inzet van maatschappelijk werk en georganiseerd vrijwilligerswerk.
Zowel de kosten als de kwaliteit van de zorg zullen een rol spelen bij deze afweging. We onderzoeken of de huishoudelijke verzorging als niet-geïndiceerde voorziening kan worden aangeboden en anders kan worden georganiseerd. Dat laatst bijvoorbeeld door bepaalde taken, zoals wassen, strijken en maaltijd bereiden te laten uitvoeren door mensen die in aanmerking komen voor (arbeidsmatige) dagbesteding of deze te koppelen aan bestaande voorzieningen. Daarnaast geven we aanbieders die zorg leveren in een woonzorgcomplex (zoals bijvoorbeeld Hooge Plaaten of Coensdike) een vast bedrag voor de uitvoering van de huishoudelijk hulp, in plaats van dat we per cliënt een indicatie afgeven. Zo kan de zorgaanbieder de zorg flexibeler inzetten en hoeven er minder indicaties te worden afgegeven. We zien respijtzorg/dagopvang als een algemene voorziening. We stellen de benodigde capaciteit, spreiding en variëteit (in doelgroep en soort dagopvang) vast aan de hand van een populatieonderzoek. We richten een gezamenlijke algemene voorziening in voor zowel de Wmo-cliënten als de Wlz-cliënten. Ook maken we afspraken met het zorgkantoor over de verdeling van de kosten en eventuele gezamenlijke besparingen. Daarbij hebben we aandacht voor de spreiding (in relatie tot de clustering van wonen en zorg in de grotere kernen).
We voeren een lichte toets in voor aanvragers van collectief vervoer (Wmo-taxivervoer). De toets bestaat uit een doorverwijzing van de huisarts, wijkverpleegkundige, praktijkondersteuner ouderenzorg, medisch specialist en/of andere behandelaar. Schuldhulpverlening. Preventie, vroegsignalering en stabiliseren (niveau 0 en 1) doen we zelf. Dit raakt heel het sociale domein. En omdat financiële omstandigheden een belangrijke voorwaarde zijn voor functioneren, is het goed schuldhulpverlening mee te nemen in het integrale hulp- of ondersteuningsplan). Schuldenregeling (niveau 2) beleggen we bij de Plangroep, die is gespecialiseerd in schuldhulpverlening. Via folders op scholen en bij huisartsen bijvoorbeeld, het Zeeuws-Vlaams Advertentieblad en Facebook vragen we aandacht voor schuldenproblematiek. Verder is het nodig een ander systeem aan te schaffen, want het huidige systeem is niet toereikend voor schuldhulpverlening. Tenslotte is koppeling met een bank een voorwaarde.
Uitvoeringsparagraaf: Aanpassen Wmo-verordening. Beleidsplan en beleidsregels schuldhulpverlening.
3.2.7 MAATWERKVOORZIENINGEN JEUGD Waar hebben we mee te maken?
De vraag naar jeugdzorg neemt toe en daarmee de kosten ook. Er is veel collectief preventieaanbod. Maar het is niet altijd duidelijk of dit aansluit bij de (individuele en maatschappelijke) vraag en/of bij de problemen die jeugdzorgmedewerkers in de alledaagse praktijk tegenkomen. Ook is er geen zicht op de resultaten van dit aanbod.
51
In het Verbeterplan Jeugd is ingezet op meer vrij toegankelijke opvoedhulp. Dit om geïndiceerde specialistische (opvoedkundige) jeugdzorg, zoals Intensieve Pedagogische Thuisbegeleiding (IPT) te voorkomen. Deze vrij toegankelijke opvoedhulp, een algemene voorziening voor opvoedondersteuning en jeugdhulp, werkt op locatie en onderhoudt nauwe contacten met het onderwijs, de kinderopvang en de huisartsen. Er is (nog) geen beleid vastgesteld ten aanzien van de benodigde omvang en deskundigheid van deze voorziening. We hebben een forse overschrijding op de budgetten voor jeugdzorg. Het is daarom belangrijk om goed grip te hebben op de kosten en kwaliteit van de jeugdzorg. In de huidige situatie maken, bij een aanvraag voor meervoudige complexe zorg, medewerkers van de gemeente een ondersteuningsplan. (Zij zijn SKJ-gecertificeerd, waarbij SKJ staat voor Stichting Kwaliteitsregister Jeugd). Indien nodig kopen zij de jeugdzorg in bij aanbieders die het benodigde specialisme in huis hebben. Volgens het nieuwe inkoopmodel zijn aanbieders van jeugdzorg verplicht om onderling samenwerkingsverbanden te vormen, zodat zij gezamenlijk de benodigde zorg kunnen leveren (Dit heet ‘wrap around care’ en houdt in dat ze gezamenlijk het integraal ondersteuningsplan uitvoeren). Ook moet ieder samenwerkingsverband een eigen toegang (een eerste aanspreekpunt voor zorgvragers) inrichten.
Dit biedt voor gemeentelijke toegangsorganisaties – indien gewenst – de mogelijkheid om ontzorgd te worden. In theorie kan de rol van de gemeentelijke toegang hierdoor worden beperkt tot het bieden van een voorliggende (vrij toegankelijke), algemene voorziening voor opvoed- en opgroeihulp. Als deze algemene voorziening niet toereikend is, kan de gemeentelijke toegang het bovengenoemde (tweedelijns) samenwerkingsverband inschakelen om de regie op het betreffende dossier over te nemen.
Wat willen we bereiken?
Terugdringen van de kosten voor de jeugdzorg. Het collectieve preventieaanbod sluit aan bij de (individuele en maatschappelijke) vraag en/of bij de problemen die medewerkers in het onderwijs, de kinderopvang, de (jeugd)politie, het maatschappelijk werk en de jeugdzorg in de alledaagse praktijk tegenkomen. Ook is er zicht op de resultaten van dit aanbod. Een (vrij toegankelijke) jeugdzorginstelling die goed is uitgerust voor haar taken en qua omvang en deskundigheid aansluit bij de (maatschappelijke) vraag en behoefte. En die zicht heeft op de verleende hulp en behaalde resultaten. Een goede toegang tot en beoordeling en monitoring van de geïndiceerde (tweedelijns) jeugdzorg.
Hoe willen we het bereiken?
We gaan de uitgaven en resultaten beter monitoren en laten de toekenningen (van jeugdzorgvoorzieningen) niet alleen juridisch maar ook inhoudelijk toetsen. Ook gaan we de toegekende zorg beter evalueren. We zetten minder in op algemeen collectief preventieaanbod en meer op vroegsignalering en snelle, adequate ondersteuning en begeleiding van kinderen en gezinnen (eventueel aangevuld met specifieke, op maat gemaakte, gerichte trainingen). We bieden een algemene voorziening voor opvoed- en jeugdhulp aan als onderdeel van een jeugdzorgorganisatie (in de vorm van vrij toegankelijke jeugdhulp). Dit kan zowel intern als extern bij een bestaande jeugdzorgorganisatie. We gaan hiertoe (eerst) de benodigde omvang en deskundigheid voor deze voorziening in beeld brengen. We beleggen de toegang tot de jeugdzorg (indicatiestelling, opstellen ondersteuningsplan, inkoop en casemanagement) bij de (netwerk)samenwerking in de integrale zorgcentra, bestaande uit de gemeente, het onderwijs, de huisarts, de jeugdgezondheidszorg en een orthopedagoog (in de eerste lijn). En we gaan de uitgaven en behaalde resultaten beter monitoren.
Uitvoeringsparagraaf:
Transformatieplan Jeugdzorg.
52
3.2.8 GEËSCALEERDE ZORG Waar hebben we mee te maken?
Jeugdbescherming en jeugdreclassering mogen alleen worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling (GI). De Zeeuwse GI, Intervence, dreigde om te vallen. Een fusie met een andere, naburige GI bleek niet mogelijk. De gemeenten hebben daarom gezamenlijk de aansturing van de GI overgenomen en betalen jaarlijks – totdat er een passende oplossing is gevonden – een instandhoudingsbijdrage om de tekorten te dichten. Daarnaast heeft de GI te maken met een grote uitstroom van personeel. Met als gevolg dat er te weinig menskracht is om zowel de dwangzaken (door de rechter opgelegde jeugdbescherming en jeugdreclassering) als de drangzaken (preventieve jeugdbescherming) uit te voeren. Wij hebben daarom onze eigen medewerkers opgeleid om ook drangzaken te kunnen oppakken. Voor 2022 is een verdere decentralisatie van beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingszorg voorzien (van centrumgemeenten naar alle gemeenten). Er is een regiovisie opgesteld om deze overgang mogelijk te maken.
Wat willen we bereiken?
Een sterke, solide GI die jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoert op een kwalitatief goed niveau, voor een redelijke prijs. Een goede, naadloze aansluiting tussen enerzijds de extramurale begeleiding vanuit de Wmo en anderzijds het aanbod op het gebied van beschermd wonen, maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en verslavingszorg, zoals die nu bij de centrumgemeente is belegd. Zowel inhoudelijk als financieel. Voor zeer specifieke, specialistische vormen van beschermd wonen en voor de vrouwenopvang willen we (blijvend) afspraken maken over een Zeeuws aanbod. De lichtere vormen willen we in de regio Zeeuws-Vlaanderen, met onze partners, vormgeven.
Hoe willen we het bereiken?
We beleggen alleen onze wettelijke taken (jeugdbescherming en jeugdreclassering) bij een Zeeuwse GI en blijven de preventieve jeugdbescherming zelf (in eigen beheer) uitvoeren. Omdat er dan een te kleine Zeeuwse GI overblijft, laten we de GI fuseren met andere organisaties in de veiligheidsketen (zoals Veilig Thuis, het Veiligheidshuis Zeeland en indien mogelijk de Raad voor de Kinderbescherming), waardoor één solide veiligheidsorganisatie ontstaat. We zijn hiervoor afhankelijk van Zeeuwse afspraken. Aan de hand van het stappenplan in de regiovisie Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang bereiden we ons voor op de komende decentralisatie. Overigens zal er sprake zijn van een geleidelijke overgangsperiode met een ruime overgangsregeling.