CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Visiedocument Krachtig Verbonden 2021 met wijzigingen (toevoegingen in geel)

Commissie Samenleving/Middelen 19 januari 2021, gemeente SluisBij agendapunt: RV tot het vaststellen van het gewijzigd visiedocument Krachtig Verbonden30.297 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

VISIEDOCUMENT KRACHTIG VERBONDEN 2021

In dit document zijn de voorgestelde wijzigingen uit de inspraaknotitie in gele arcering/onderstreept toegevoegd. Ten opzichte van het oorspronkelijke document zijn er alleen teksten toegevoegd en niet geschrapt.

2

BURGERPARTICIPATIE Waar hebben we mee te maken? Algemeen  De rolverdeling tussen burger en overheid verandert. Burgerparticipatie neemt een steeds belangrijker plek in binnen onze maatschappij.  Inwoners willen meer meedoen met en meedenken over taken waarvoor de overheid primair verantwoordelijk is en voelen zich verantwoordelijk voor hun leefomgeving.  Binnen de gemeente Sluis hebben we vijftien stads- en dorpsraden.  De samenwerking met de stads- en dorpsraden ligt vast in een convenant, met daarin afspraken over wat partijen van de wederzijdse samenwerking mogen verwachten.  Naast de stads- en dorpsraden zijn er ook diverse adviesraden en –organen actief, die de gemeente op specifieke terreinen van advies voorzien. Eén ervan is de RMDO (Raad voor Maatschappelijke      

en Demografische Ontwikkeling).

De nota Burgerparticipatie schetst hoe we als gemeente om willen gaan met burgerparticipatie en wordt nader uitgewerkt. De ambitie die geschetst wordt in de nota, brengt een veranderende rol en verantwoordelijkheid van de gemeente met zich mee, zowel bestuurlijk als ambtelijk. De nota Burgerparticipatie onderscheidt drie vormen van burgerparticipatie: burgerinitiatieven, meedoen en meedenken. Momenteel wordt burgerparticipatie ook al toegepast. Dit gebeurt echter niet vanuit een overkoepelende visie, maar per geval wordt bekeken of, wanneer en hoe burgerparticipatie kan worden toegepast. Diverse voorbeelden van burgerparticipatie binnen onze gemeente worden niet als zodanig aangemerkt. Deze voorbeelden zijn tevens vaak onbekend bij onze inwoners Naar verwachting wordt op 1 januari 2022 de Omgevingswet ingevoerd. Deze geeft aan dat participatie verplicht is. Maar de nieuwe wet biedt geen vast afwegingskader voor de rol van belanghebbenden in het besluitvormingsproces. Gemeenten moeten achteraf kunnen bewijzen dat ze burgers en andere belanghebbenden een rol in het besluitvormingsproces hebben gegeven. Dit wordt ook wel de motiveringsplicht genoemd. De gemeenteraad kan activiteiten aanwijzen waarbij participatie een verplicht onderdeel is alvorens de aanvraag voor de Omgevingsvergunning kan worden ingediend (art.16.65 Ow). Zie ook bijlage 1.

Er is een wetsvoorstel in voorbereiding: Versterking participatie op decentraal niveau. Doel van deze voorgestelde wet is om de betrokkenheid van inwoners te vergroten bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid in hun gemeente, provincie of waterschap. Hierin wordt tevens het uitdaagrecht (Right to Challenge) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat bewoners taken van de gemeente kunnen overnemen als ze denken dat het beter en/of goedkoper kan.

Burgerinitiatieven  Een burgerinitiatief definiëren we als een initiatief van een of meerdere burgers, dat onverplicht wordt opgestart ten behoeve van anderen of de samenleving. Het initiatief gaat verder dan individueel ongenoegen of eigenbelang en heeft een meerwaarde voor de samenleving. De initiatiefnemers kunnen (groepjes) individuen zijn, maar ook verenigingen, stichtingen en/of bedrijven. In deze nota wordt niet het formele burgerinitiatief bedoeld, waarbij burgers het recht hebben om een onderwerp op de agenda van de volksvertegenwoordiging te zetten.  Burgerinitiatieven hebben veel waarde voor onze gemeente. Ze kunnen een positief effect hebben op de sociale cohesie en leefbaarheid in kernen. Ook kunnen ze leiden tot een grotere burgertevredenheid, tot de aanpak van maatschappelijke problemen en kunnen ze de eigen verantwoordelijkheid en grotere betrokkenheid van inwoners stimuleren. Tevens kunnen burgerinitiatieven een bijdrage leveren aan gemeentelijke vraagstukken of een oplossing bieden voor een probleem.  Binnen onze gemeente zijn nu ook diverse burgerinitiatieven gaande. Deze zijn zeer divers: grootof kleinschalig, lang- of kortdurend, kernoverstijgend of kerngericht en uiteenlopend qua onderwerp.  Initiatiefnemers van een burgerinitiatief kloppen vaak bij de gemeente aan voor hulp en/of advies.

Zij ervaren dat zij niet altijd op een eenduidige manier geholpen of geadviseerd worden. Vooruitlopend op de vaststelling van Krachtig Verbonden is er een tijdelijk handelingskader dat

3 duidelijk maakt hoe een burgerinitiatief binnen de gemeente behandeld wordt. Dit tijdelijke handelingskader kan na de vaststelling van Krachtig Verbonden worden omgezet in een definitief handelingskader. Meedoen  Het is lastig om vrijwilligers te vinden die zich voor langere tijd willen binden. Dit terwijl de behoefte aan vrijwilligers juist toeneemt.  Vrijwilligers ervaren niet altijd dat zij als volwaardige krachten worden gezien en ook niet dat ze als zodanig worden gefaciliteerd bij hun werkzaamheden  Dat zij goed gefaciliteerd worden bij het uitvoeren van hun taken, vinden vrijwilligers in het algemeen het belangrijkst. Dit vindt men belangrijker dan het krijgen van een presentje als blijk van waardering. Naast het regelen van praktische zaken door de gemeente, hebben vrijwilligers behoefte aan meer informatie over en begeleiding bij subsidieaanvragen en financieringsmogelijkheden. Meedenken  Stads- en dorpsraden waarderen het om mee te denken over beleid en projecten in de gemeente, maar ervaren op dit moment dat zij overvraagd worden. Hierbij speelt nadrukkelijk dat er voor deze betrokken vrijwilligers nu vaak te veel tijd mee is gemoeid.  Stads- en dorpsraden ervaren een grote hoeveelheid en diversiteit aan onderwerpen die ze krijgen voorgelegd. Daarbij worden ze vaak bevraagd over algemene thema’s en niet altijd over zaken die ook in hun kern aan de orde zijn.

 In sommige gevallen vinden stads- en dorpsraden het lastig om uitspraken te doen over zaken die hun kern aangaan. Representativiteit is daarbij een belangrijk issue en dit verschilt ook erg per kern, mede afhankelijk van de grootte van de kern.  De gemeente beschouwt stads- en dorpsraden vaak als eerste aanspreekpunt en niet de individuele burger. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat de individuele burger vaak lastig te bereiken is om mee te denken.  Wanneer inwoners gevraagd wordt om mee te denken, ervaren ze nu vaak een grote tijdsdruk. Daarbij is niet altijd duidelijk waarom de urgentie zo hoog is. Inwoners ervaren deze tijdsdruk als onprettig en constateren dat deze de zorgvuldigheid niet altijd ten goede komt.  Verwachtingen over het meedenken met gemeentelijke voornemens worden op voorhand niet altijd duidelijk vastgelegd en gecommuniceerd richting inwoners. Dit leidt in sommige gevallen tot onduidelijkheid en vertraging binnen een proces.  Jongeren worden vaak niet of nauwelijks gehoord binnen het burgerparticipatieproces.

Wat willen we bereiken? Algemeen  Een helder kader voor burgerparticipatie, waarbij recht wordt gedaan aan de wensen van inwoners om mee te denken en te doen als het gaat om hun leefomgeving. Dit moet een kader zijn dat burgerparticipatie verankert in het gemeentelijk denken en doen.  Helderheid voor inwoners en gemeente over werkwijze, verwachtingen, proces en communicatie bij burgerparticipatie. Aangezien burgerparticipatie geen statisch begrip is, moet helderheid ook samengaan met een bepaalde mate van flexibiliteit.  Een dynamisch convenant met de stads- en dorpsraden, dat passend is en recht doet aan de veranderende rollen en verwachtingen voor wat betreft burgerparticipatie.  Burgerparticipatie die bijdraagt aan een betere leefomgeving in brede zin. Daarbij is burgerparticipatie een middel om dit te bereiken en geen doel op zich.  Een gemeentelijke organisatie die past bij de veranderende rol en verantwoordelijkheden met betrekking tot burgerparticipatie.  Meer voorbeelden van toegepaste burgerparticipatie laten zien. Goed voorbeeld doet goed volgen. En voorbeelden kunnen ook leren hoe zaken in de toekomst anders opgepakt kunnen worden.  Een vastgesteld kader, dat duidelijkheid biedt over hoe de gemeente om wil gaan met burgerparticipatie zoals beoogd in de nieuwe Omgevingswet.

4 Burgerinitiatieven  Een eenduidige benadering en behandeling van burgerinitiatieven, waarbij de gemeente vanuit haar taak meedenkt over de kansen en (on)mogelijkheden van een initiatief.  Een gestroomlijnde routing voor burgerinitiatieven binnen de gemeentelijke organisatie. Duidelijk moet zijn hoe en waar men een burgerinitiatief bij de gemeente kan indienen en waar men met vragen terecht kan.  Duidelijke en goed vindbare informatie voor inwoners die aan de slag willen met een burgerinitiatief. Daarbij moeten rollen, mogelijkheden en procesmatige zaken op voorhand duidelijk zijn, voor zowel de initiatiefnemers als de gemeente.  Een heldere communicatie tussen de indieners van een burgerinitiatief en de gemeente gedurende het hele proces. Meedoen  Een aanbod aan vrijwilligers dat aansluit bij de vraag.  Vrijwilligers die zich als volwaardige kracht behandeld voelen en zich gewaardeerd voelen. Het moet aantrekkelijk zijn om vrijwilliger te zijn en te blijven.  Vrijwilligers die hun werk goed kunnen doen, doordat zij beschikken over de juiste faciliteiten en indien gewenst de juiste opleidingsmogelijkheden.  Op voorhand duidelijke verwachtingen over en weer, wanneer inwoners worden betrokken bij uitvoering van gemeentelijke taken. Dit om te voorkomen dat halverwege een proces teleurstellingen ontstaan door verkeerde verwachtingen.

Meedenken  Inwoners stimuleren en faciliteren om mee te denken over zaken die invloed hebben op hun eigen leefomgeving. Dit geldt zowel voor de georganiseerde als de niet georganiseerde inwoner.  Gerichte burgerparticipatie waarbij doelmatigheid en representativiteit de voornaamste uitgangspunten zijn. Burgerparticipatie is immers een middel en geen doel op zich.  Duidelijkheid over verwachtingen over en weer wanneer inwoners meedenken over gemeentelijke vraagstukken. Hieraan gekoppeld willen we ook een goede wederzijdse communicatie bewerkstelligen.  Meer betrekken van individuele burgers bij besluitvorming, enerzijds om stads- en dorpsraden te ontlasten en anderzijds omdat het voor stads- en dorpsraden soms lastig is om namens een hele kern te spreken.  Jongeren meer betrekken bij het meedenken over zaken die hen ook aangaan.

Hoe willen we het bereiken? Algemeen  Om de gemeentelijke organisatie in te richten conform de veranderende rol en verwachtingen, zal een Implementatieplan burgerparticipatie worden opgesteld. In dit plan staat beschreven hoe de gemeente omgaat met burgerparticipatie. Ook beschrijft het hoe we binnen de organisatie en met inwoners willen communiceren over dit onderwerp.  Het convenant met de stads- en dorpsraden zal worden herzien. Uitgangspunt daarbij vormen de veranderende rollen en verwachtingen van beide partijen omtrent burgerparticipatie en een bepaalde mate van flexibiliteit.  Er zal nadrukkelijk aandacht besteed worden aan communicatie over en promotie van succesvolle voorbeelden van burgerparticipatie. Goed voorbeeld doet immers goed volgen. Mindere voorbeelden zullen ook benoemd worden, met als doel daarvan te leren.  Er komt een tweejaarlijkse evaluatie en eventuele bijsturing van de wijze waarop met burgerparticipatie wordt omgegaan. Daarbij spelen praktijkervaringen van zowel inwoners als gemeente nadrukkelijk een rol. Burgerinitiatieven  Inwoners vinden op onze website informatie over hoe de gemeente hen kan adviseren en ondersteunen bij burgerinitiatieven. Deze informatie is gebaseerd op het eerdergenoemde implementatieplan.

5   

Er komt een centraal aanspreekpunt binnen de gemeente waar burgerinitiatieven terecht kunnen voor advies en ondersteuning. Dit aanspreekpunt vervult tevens een coördinerende rol binnen de organisatie. Er is een duidelijk handelingskader waarin staat beschreven hoe de gemeente een burgerinitiatief van begin tot eind behandelt. Daardoor is het voor zowel initiatiefnemers als gemeente duidelijk hoe met het initiatief wordt omgegaan en welke kansen en (on)mogelijkheden er zijn. Er wordt bekendheid gegeven aan burgerinitiatieven in onze gemeente middels diverse communicatiekanalen. Dit heeft tot doel om diverse partijen te inspireren en eventueel met elkaar in contact te brengen (onderlinge uitwisseling en leren van elkaar).

Meedoen  Er wordt zorggedragen voor het faciliteren, ondersteunen en waarderen van vrijwilligers die betrokken zijn bij de uitvoering van gemeentelijke taken.  Er wordt onderzocht hoe de gemeente vraag en aanbod van vrijwilligers beter op elkaar kan laten aansluiten.  Indien er onvoldoende aanbod is, wordt de vraag uitgezet bij professionele organisaties. Meedenken  De gemeente gaat stads- en dorpsraden, individuele burgers en/of belanghebbenden gericht bevragen. Een vraag tot meedenken wordt rechtstreeks gekoppeld aan een bepaald belang / probleem wat ergens speelt.  Stads- en dorpsraden worden hoofdzakelijk bevraagd op vraagstukken die spelen in hun kern. Voor zaken die niet direct een kern raken, of voor zaken waarbij het zeer lastig is om uitspraken te doen namens een hele kern, wordt vaker een beroep gedaan op de individuele burger.  Om de individuele burger meer te laten meedenken kan een burgerpanel een optie zijn. Deze optie wordt nader onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met hoe dit mogelijke burgerpanel zich verhoudt tot de bestaande stads- en dorpsraden.  Bij een verzoek tot meedenken wordt op voorhand vastgelegd en gecommuniceerd wat het doel is van de burgerparticipatie. Dit geldt ook voor de fase waarin het meedenken plaatsvindt, wat er met de input wordt gedaan en hoe het vervolgproces eruit ziet.

Deze verwachtingen kunnen worden bepaald samen met de mee te denken partijen of inwoners.  Communicatie loopt als een rode draad door het proces van meedenken en stopt niet na het leveren van input door meedenkers. Het is voor hen van belang om te weten wat er met hun input is gedaan.  Als inwoners wordt gevraagd mee te denken, moeten ze dit kunnen doen binnen een fatsoenlijk tijdsbestek dat vooraf duidelijk is vastgelegd. De deadlines moeten realistisch zijn.  Burgerparticipatie wordt nadrukkelijk níet ingezet voor de beeldvorming: geen burgerparticipatie om de burgerparticipatie. Het is een gericht middel om te komen tot een beter besluit. Als er geen reden of belang is om inwoners te laten meedenken, dan moet dit op voorhand duidelijk zijn.  De wijze waarop jongeren betrokken kunnen worden bij meedenken, wordt nader onderzocht. Hiervoor sluiten we aan bij het traject waarbij provinciebreed wordt gekeken hoe jongerenparticipatie verder vormgegeven kan worden.  We onderzoeken de oprichting van een jongerenraad met daarin jongeren in de middelbareschoolleeftijd. Hiertoe zal actief samenwerking gezocht worden met leerlingen van het Zwincollege.  Voor basisschoolleerlingen gaan we kijken hoe we deze op een laagdrempelige manier bekend kunnen maken met de lokale politiek. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld het aanstellen van een kinderburgemeester.

Uitvoeringsparagraaf: 

Implementatieplan communicatieplan).

burgerparticipatie

opstellen

(waaronder

handelingskader

en

6

HOOFDSTUK 1: RUIMTE EN BEHEER 1.1.

VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN STEDELIJKE VERNIEUWING

1.1.1 RUIMTELIJKE ORDENING  OMGEVINGSWET Waar hebben we mee te maken? Met de Omgevingswet vereenvoudigt en bundelt de overheid regels op het gebied van wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het doel van de wet is drieledig: meer samenhang in het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving, eenvoudiger procedures en meer verantwoordelijkheid op lokaal niveau. Op termijn moet de wet niet alleen leiden tot en eenvoudigere maar ook snellere procedures. De inwerkingtreding van de wet wordt voorzien op 1 januari 2022.

Wat willen we bereiken? We willen tijdig wennen aan en leren werken met het nieuwe stelsel van regels. Dit stelsel brengt een cultuurverandering met zich mee die geleidelijk aan vorm krijgt. Dit komt mede doordat de afstemming tussen initiatiefnemers, belanghebbenden en medeoverheden in alle fasen van het proces - van beleidsvoorbereiding tot handhaving - zal veranderen.

Hoe willen we het bereiken? Om de Omgevingswet in de praktijk uit te voeren is een projectplan opgesteld. Aan de hand daarvan wordt het proces uitgevoerd, dat voorafgaat aan het werken met het nieuwe stelsel. Daarmee zorgen we ervoor dat de gemeente Sluis op de invoeringsdatum kan voldoen aan de wettelijke vereisten.

 DIGITALE BEREIKBAARHEID Waar hebben we mee te maken?       

De implementatie van de vijfde generatie mobiele communicatie (5G). De wijziging van de Telecommunicatiewet en de impact daarvan op de gemeentelijke organisatie en processen. Een nieuw antenneconvenant. Vragen over de gezondheidseffecten van 5G. De aankondiging van marktpartijen om glasvezel te gaan uitrollen in de kernen van de gemeente Sluis. Het op een aantal plaatsen ontbreken van (voldoende) mobiele dekking: zogenoemde witte vlekken. Het ontbreken van breedband internet of een te beperkte snelheid van breedband verbindingen, met name in het buitengebied.

Wat willen we bereiken? De gemeente Sluis wil een goede digitale bereikbaarheid voor onze inwoners, ondernemers en toeristen. Dit om de leefbaarheid in en de aantrekkelijkheid van de gemeente Sluis te behouden en versterken. Een goede digitale bereikbaarheid is van sociaal-economisch belang.

Hoe willen we het bereiken? 

We blijven in gesprek met providers om de mobiele dekking in de gemeente Sluis te versterken. Dit doen we via de vereniging Monet, die namens een aantal belangrijke aanbieders de plaatsing van antennes afstemt met overheden.

7     

Samen met andere Zeeuwse gemeenten werken we aan nieuw gemeentelijk antennebeleid. We bereiden de implementatie voor van de Telecommunicatiewet. Vragen over de gezondheidseffecten van 5G beantwoorden we op basis van informatie van de Rijksoverheid. We voeren gesprekken met marktpartijen over de uitrol van breedband internet (glasvezel) in de gemeente Sluis en hebben daarbij specifieke aandacht voor de positie van het buitengebied. We bepalen onze rol ten aanzien van de uitrol van breedband internet.

Uitvoeringsparagraaf: 

We zorgen voor een gemeentelijk antennebeleidsplan.

1.1.2 WONEN EN BOUW  ALGEMEEN Waar hebben we mee te maken?  In de periode 2015 - 2019 kromp het inwonertal van de gemeente Sluis meer dan in de provinciale prognose van 2015 was voorspeld. Volgens de nieuwste prognose neemt in de periode 2020 2040 de bevolking in de gemeente Sluis verder af.  Kenmerkend voor Sluis is het grote verschil tussen het aantal huishoudens dat in de gemeente woont en het aantal woningen. Het aantal woningen ligt een vijfde (20%) hoger dan het aantal huishoudens (bron: CBS). De verschillen tussen de kernen zijn groot. In het algemeen is er eerder een overschot dan een tekort aan woningen.  De laatste jaren nam het aantal geboortes af. Daarnaast neemt het aantal inwoners in de leeftijdscategorie 60 jaar en ouder toe (vergrijzing), terwijl de groep in de leeftijd van 15 tot 59 jaar afneemt (ontgroening). Daarmee is sprake van een versnelling van de vergrijzing. De combinatie van minder geboortes en vergrijzing zorgt voor een sterfteoverschot (er overlijden meer mensen in de gemeente dan er geboren worden).  Als gevolg van de vergrijzing is er een afname van de potentiële beroepsbevolking (inwoners in de leeftijd van 15 tot 67 jaar). De vraag naar tijdelijke werknemers of internationale werknemers neemt daardoor toe en daarmee ook de vraag naar adequate huisvesting.

 Door vergrijzing en ontgroening verandert de huishoudenssamenstelling ingrijpend: er vindt een sterke toename plaats van één- en twee-persoons-huishoudens bestaande uit ouderen. Daarmee verandert ook de woningbehoefte.  Door de vergrijzing neemt de behoefte aan nultredenwoningen toe en die aan reguliere grondgebonden woningen af. (Grondgebonden wil zeggen: rechtstreeks toegankelijk vanaf straatniveau). Of dit een behoefte aan appartementen betekent, is afhankelijk van de aard, de schaal en het (zorg)voorzieningenniveau van de kernen.  Een kwart van de huishoudens bestaande uit inwoners van 75 jaar en ouder - de groep met veelal matige tot ernstige beperkingen - woont in een woning die niet meer goed toegankelijk voor hen is. Als zij in een woning willen wonen die geschikt is voor hun beperking, is verhuizen naar een toegankelijke woning voor hen de enige mogelijkheid.  Het aantal mensen met een mobiliteitsbeperking neemt in de periode tot 2030 toe, zodat ook de zorgvraag toeneemt. Dit vergt adequate huisvesting en dito zorgverlening.  Er is behoefte aan het clusteren van zorgwoningen, om zorg aan huis zo adequaat en optimaal mogelijk te organiseren en betaalbaar te houden.  De partijen die in onze gemeente het merendeel van de meer complexe zorg bieden aan ouderen in intramurale voorzieningen (instellingen), willen deze zorg behouden en versterken.

Deze zorg wordt geclusterd in de kernen Breskens en Oostburg. De gehandicapten- en GGZ-zorg kiezen in basis voor huisvesting in dezelfde kernen.  Er ontstaan of er zijn al overschotten aan bepaalde typen woningen: kleine, reguliere grondgebonden sociale huurwoningen, kleine goedkope koopwoningen en ruime, dure grondgebonden koopwoningen.  Een groot deel van de (overwegend particuliere) woningvoorraad is niet energiezuinig. Hierdoor sluit het woningaanbod onvoldoende aan op de vraag, zowel nu als in de toekomst.

8  70% van de woningvoorraad (niet zijnde vakantiewoningen) is in handen van eigenaar-bewoners en bestaat uit vrijstaande woningen (vaak bewoond door ouderen).  Het aantal huurwoningen bedraagt 30% van de permanente woningvoorraad. Twee derde van deze huurwoningen is in bezit van woningcorporaties en ongeveer 10% is particulier bezit.  In sociale huurwoningen wonen vooral groepen die niet bij machte zijn of waren om een huis te kopen.  Zogenoemde spoedzoekers met inkomens boven de sociale huurgrens zijn aangewezen op de particuliere huurmarkt. Deze markt is te beperkt in omvang.  Een deel van de permanente woningvoorraad staat leeg (wordt niet gebruikt). Een ander deel wordt gebruikt als tweede woning of voor recreatieve verhuur. Dit zogenaamde deeltijdwonen kan gevolgen hebben voor de leefbaarheid. Recreatieve verhuur doet zich met name voor in de zogenoemde kustkernen (Retranchement, Cadzand, Nieuwvliet, Groede en Hoofdplaat).  Als de vraag naar tweede woningen wegvalt, leidt dit tot meer leegstand en prijsdalingen.  Permanente bewoning op recreatieparken is op dit moment beperkt in omvang.  Er is sprake van een overschot aan bestaande (meestal verouderde) woningbouwplannen. Tegelijkertijd is er wel behoefte aan nieuwe woningbouwplannen die zijn afgestemd op de vraag.

 Indien sprake is van een gewenste ruimtelijke kwaliteitsverbetering, kan een beperkte toevoeging van woningen planologisch mogelijk worden gemaakt. Hierbij geldt de voorwaarde van verevening ten behoeve van het Fonds Woningbouwontwikkeling.  De landgoederen- en Ruimte-voor-Ruimte-regeling maken nieuwbouw van woningen in het buitengebied mogelijk. Deze nieuwbouwmogelijkheid komt voort uit de nood aan een kwalitatieve ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied. Deze regelingen gaan echter ten koste van de door ons gewenste nieuwbouw in de kernen (met toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking, een planologisch hulpmiddel).

Wat willen we bereiken?  

     

Door te focussen op een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat, is de bevolkingsdaling afgeremd en de bevolkingsontwikkeling zo mogelijk gestabiliseerd. In 2040 is er een balans tussen de kwalitatieve en kwantitatieve woningvoorraad. Dat wil zeggen: de vraag naar (een bepaald type) woningen is in overeenstemming met het aanbod. Het gaat daarbij om woningen die nodig zijn om ook in de toekomst de inwoners van Sluis passend te kunnen huisvesten (inclusief nieuwe migranten, arbeidskrachten en hun gezinnen). In het passend maken van het aanbod houden we tevens rekening met duurzaamheid, toegankelijkheid en zorggeschiktheid. Nieuwbouw van woningen in het buitengebied op grond van de Ruimte-voor-Ruimte- en de landgoederenregeling gaan, gelet op de achterliggende motivatie van dit beleid, niet ten koste van de nieuwbouw in de kernen. Op de markt voor permanente bewoning sturen we, in het algemeen belang (onder andere leefbaarheid), op basis van een onderverdeling in woonmilieus. Voorbeelden van woonmilieus zijn groen-stedelijk en centrum-dorps. Deeltijdwonen vormt een waardevolle bijdrage aan het woon- en leefmilieu in onze gemeente. De nadelen van deeltijdwonen zijn geëlimineerd. In het belang van de leefbaarheid is de bestaande recreatieve verhuur in de kernen ingekaderd en gereguleerd. Daarbij kan per kern sprake zijn van differentiatie.

In basis wordt uitbreiding niet toegestaan. Door samenwerking met de provincie en de regiogemeenten is er sprake van meer concrete (financiële) ondersteuning door het Rijk (bijvoorbeeld in het kader van een Woondeal, bedoeld om woningtekorten aan te pakken). Zorggeschikte woningen zijn geconcentreerd in twee kernen, om doelmatig en efficiënt zorg aan huis te kunnen leveren en ontvangen. Woonzorgzones dragen bij aan het langer zelfstandig wonen. Dit type woonomgeving is niet alleen geschikt voor ouderen maar ook voor mensen met een mobiliteitsbeperking.

Hoe willen we het bereiken? 

We stellen kaders voor het behoud en de realisatie van een aantrekkelijke woonomgeving. Daarbij houden we rekening met zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve woningbehoefte en geven we prioriteit aan de aanpak van de bestaande woningvoorraad. Toevoeging van

9

  

woningen sluiten we niet uit, mits de ‘juiste’ woningen worden toegevoegd. Hierdoor zijn we aantrekkelijk voor bijvoorbeeld Belgische migranten en werknemers. Door middel van adaptief programmeren (een planning die rekening houdt met actuele ontwikkelingen én lange termijn ambities) maken we een realistisch woningbouwprogramma. We stemmen dit af met de gemeenten Terneuzen en Hulst omdat krachtenbundeling noodzakelijk is en om scheefgroei en onbedoelde concurrentie tussen de regiogemeenten te voorkomen. We gaan de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken om te voldoen aan de kwalitatieve woningbehoefte. Nieuwbouw wordt zo veel mogelijk ontwikkeld gelijktijdig met al geplande woningen en de aanpak van de verouderde woningvoorraad. We onderzoeken de mogelijkheden tot verbreding van het Vereveningsfonds Woningbouwontwikkeling, Dit zowel op het gebied van voeding van het fonds tot de inzet ervan. We gaan de aanpak van de bestaande (permanente) woningvoorraad uitwerken in een uitvoeringsprogramma (in afstemming met de Woonvisie Regio Zeeuws-Vlaanderen 2020). Daarbij maken we de taakstelling voor woningcorporatie Woongoed Zeeuws-Vlaanderen concreet. Ook bepalen we welke positie de gemeente inneemt (passief, faciliterend of actief) ten aanzien van de aanpak van de particuliere woningmarkt. De mogelijkheid tot toepassing van het instrument “Opkoopbescherming” nemen we daarbij mee.

Uit oogpunt van het algemeen belang, zoals leefbaarheid, gaan we actief sturen op de ontwikkeling van de permanente woningmarkt. Daarbij hanteren we de volgende woonmilieus: centrum-dorps, dorps en landelijk. Dit zal worden uitgewerkt in het Plan van aanpak plancapaciteit. Voor de regulering van de bestaande recreatieve verhuur gaan we gebruik maken van de kansen die het instrument Wet Tijdelijke verhuur woonruimte na herziening van de Huisvestingswet biedt. Voorwaarde is dat deze wetswijziging van kracht wordt.

Uitvoeringsparagraaf: 

   

Vaststellen realistisch woningbouwprogramma, bestaande uit: o Plannen die vallen binnen de harde planvoorraad (alle procedures zijn doorlopen, waardoor in principe direct kan worden gebouwd); o sloop- en renovatieplannen en o Kwalitatief gewenste ‘zachte’ plannen (die aansluiten op de kwalitatieve woningbehoefte) Opstellen afwegingskader voor nieuwe woningbouwinitiatieven en dit kader evalueren (inclusief de overige vastgestelde beleidskaders). We gebruiken de Planmonitor Wonen, een webbased systeem waarmee ‘real time’ woningbouwplannen gemonitord kunnen worden. Acties in het Plan van aanpak plancapaciteit Sluis 2020 uitvoeren. Middelen voor (co-)financiering van deze aanpak reserveren in de gemeentelijke begroting en plancyclus.

. 

WOONWAGENS EN STANDPLAATSEN

Waar hebben we mee te maken? Op 1 maart 1999 is de Woonwagenwet ingetrokken en werd het woonwagenbeleid gedecentraliseerd. Als gevolg van uitspraken van verschillende instanties kwam hierin verandering. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde dat woonwagenbewoners een minderheidsgroep vormen met een eigen culturele identiteit, die bescherming van de overheid verdient. In verband daarmee heeft de minister in 2018 het Beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid uitgebracht. De hoofdlijnen van het landelijk beleidskader zijn:  De gemeente stelt het beleid voor woonwagens en standplaatsen vast als onderdeel van het volkshuisvestingsbeleid.  Het beleid dient voldoende rekening te houden met en ruimte te geven aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners.  Hiervoor is nodig dat de behoefte aan standplaatsen helder is.

10   

Corporaties voorzien in de huisvesting van woonwagenbewoners voor zover deze tot de doelgroep behoren. De afbouw van standplaatsen is, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet toegestaan zolang er behoefte aan standplaatsen is. Een woonwagenbewoner die dit wenst, heeft binnen een redelijke termijn kans op een standplaats.

Het landelijk beleidskader heeft enkel betrekking op volkshuisvestelijke aspecten. In het gemeentelijk beleidskader worden de volgende zaken geregeld:  inbedding in gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid;  registratie belangstelling voor standplaats;  vaststelling behoefte aan standplaatsen;  inspanningsverplichting voldoende standplaatsen;  toewijzing van standplaatsen;  verstrekken van huurwoonwagens en  overdracht standplaatsen en huurwoonwagens aan woningcorporatie.

Wat willen we bereiken?  We willen in het gemeentelijk woonbeleid voldoende rekening houden met en ruimte geven aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners in de gemeente Sluis; dit binnen de kaders van de bestaande ruimte voor woonwagencentra.  In het algemeen gelden woonwagenbewoners als een specifieke doelgroep voor beleid. Toch staan wij niet langer gemeentelijke exploitatie voor. De gemeente oordeelt dat een woningcorporatie het meest aangewezen instituut is om de eigendom en exploitatie van huurstandplaatsen en –woonwagens op zich te nemen. Een woningcorporatie beschikt immers over expertise op het gebied van beheer en verhuur en is een toegelaten instelling als bedoeld in het Besluit Toegelaten Instellingen Volkshuisvesting.

Hoe willen we het bereiken?  

De bestaande gemeentelijke huurstandplaatsen en –woonwagens houden we in stand en we benutten de nog aanwezige ruimte aan de Willemsweg te Schoondijke voor extra standplaatsen. We treden in overleg met Stichting Woongoed Zeeuws-Vlaanderen, om te komen tot overdracht van de eigendom en exploitatie van de in de gemeente Sluis aanwezige huurstandplaatsen en –woonwagens.

Uitvoeringsparagraaf: 

De overdracht van de huurstandplaatsen en –woonwagens naar de Stichting Woongoed Zeeuws-Vlaanderen.

1.1.3 KERNENBELEID: Waar hebben we mee te maken? 

 

Elk van de kernen in onze gemeente is anders. In met name de kleinere kernen dreigen de voorzieningen, en daardoor de leefbaarheid onder druk te komen staan. Denk aan voorzieningen zoals sportaccommodaties, basisscholen, culturele voorzieningen, winkels en zorg. Ook in grotere kernen kunnen specifieke omstandigheden van invloed zijn op de leefbaarheid. Een voorbeeld is kooptoerisme: in een andere plaats dingen kopen, meestal omdat ze daar goedkoper zijn. Voorzieningen komen onder druk te staan doordat een deel is verouderd en het gebruikerspotentieel daalt. Schaalvergroting en/of clustering van die voorzieningen lijkt noodzakelijk. Onderzoek leert dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen als er voorzieningen in de directe nabijheid zijn, zoals (thuis)zorg, een supermarkt, de huisarts, een apotheek, dagbesteding en goed openbaar vervoer.

Wat willen we bereiken?

11 

Evenwicht in vraag en aanbod van voorzieningen waarbij functioneel, doelmatig, toegankelijk en betaalbaar de kaders zijn. Onze wens is één ontmoetingsplek per kern en in de vijf grootste kernen een clustering van maatschappelijke voorzieningen in een multifunctioneel centrum. Voorzieningen dienen daarbij voor eenieder bereikbaar te zijn. Behoud (wat niet automatisch opwaardering betekent) van een goede binnen- en buitensportaccommodatie in de vijf grootste kernen. Deze krijgen ook een functie voor de omliggende kernen.

Hoe willen we het bereiken? 

 

In verband met de geconstateerde diversiteit geldt dat er voor de individuele kernen maatwerk nodig is. In verband met de geconstateerde diversiteit geldt dat er voor de individuele kernen maatwerk nodig is. Dit zal worden uitgewerkt in het Plan van aanpak Plancapaciteit / uitvoering Regionale Woonvisie. Aspecten zoals tweede woningen en recreatieve verhuur worden daarbij meegenomen. We werken de keuzes in het kernenbeleid verder uit bij de herziening van het Masterplan Voorzieningen en het Plan van aanpak plancapaciteit Sluis 2020. Uitgangspunt daarbij zijn de keuzes die gemaakt zijn in het kader van het project Toekomstige Zorg (West) ZeeuwsVlaanderen. Er is gekozen voor twee kernen met een woonzorgcentrum, drie kernen met geclusterd wonen met basisvoorzieningen en voor de overige kernen enkel ambulante zorg. De visies voor Aardenburg, IJzendijke als Retranchement werken we verder uit in samenspraak met de betreffende dorpsraden. We ondersteunen actief de concentratie van voorzieningen, zoals sportaccommodaties, basisscholen, culturele voorzieningen en zorg, in de (vijf) grotere kernen. Voor de overige kernen kan worden volstaan met een ontmoetingsruimte voor algemeen gebruik (een dorpshuis).

Uitvoeringsparagraaf:  

Herziening Masterplan Voorzieningen en Plan van aanpak plancapaciteit Sluis 2020. Uitwerken visies voor Aardenburg, IJzendijke en Retranchement.

1.1.4 CULTUREEL ERFGOED Waar hebben we mee te maken?      

De gemeente Sluis heeft een Erfgoedvisie (2013) en een Kerkenvisie (2018) vastgesteld. In 2016 is de Erfgoedverordening gemeente Sluis vastgesteld en in werking getreden. In 2017 is het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Dit is in 2019 vertaald naar een zogenoemd paraplubestemmingsplan Archeologie. Vanaf 2017 is – verdeeld over vijf fasen - overgegaan tot het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. De laatste fase is naar verwachting afgerond in 2021. In 2020 wordt gestart met de actualisering van de Kerkenvisie, in provinciaal verband. Het belang van het behoud van cultureel erfgoed neemt toe, gelet op maatschappelijke ontwikkelingen zoals ontkerkelijking. Behoud van erfgoed is niet alleen belangrijk voor de eigen inwoners maar in toenemende mate ook voor de toeristisch-recreatieve sector.

Wat willen we bereiken?     

In het algemeen streeft de gemeente naar behoud van het cultureel erfgoed, zowel het gebouwde als het archeologische en het landschappelijke erfgoed. Behoud, ontwikkeling en exploitatie van erfgoed dat eigendom is van de gemeente. Faciliteren van behoud, ontwikkeling en exploitatie van erfgoed dat in handen is van particulieren en andere (semi-)overheidsinstanties. Bijzondere aandacht verdienen het religieus erfgoed en de molens, die de uithangborden van de gemeente zijn. Een positieve grondhouding ten aanzien van het herbestemmen van gebouwen. Borging van de waarde van cultureel erfgoed.

Hoe willen we het bereiken?

12        

Voor het cultureel erfgoed in eigendom van de gemeente stellen we onderhoudsplannen op. Daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijke verduurzamingsmaatregelen. In de gemeentebegroting wordt zo nodig rekening gehouden met de kosten, verbonden aan deze onderhoudsplannen. De bestaande subsidieregelingen voor molens en kerken worden gehandhaafd en zo nodig aangepast. De gemeente onderzoekt op welke wijze zij kan bijdragen aan behoud van cultureel erfgoed dat in eigendom is bij particulieren. De waarde van cultureel erfgoed wordt geborgd door monitoring van de aangewezen gemeentelijke monumenten. Dit doen we door de gemeentelijke monumentenlijst bij te houden en te actualiseren. De gemeente onderzoekt op welke wijze het cultureel erfgoed (onder andere de StaatsSpaanse Linies) een rol kan spelen in toerisme en recreatie. Dit doen we zo mogelijk in samenwerking met bedrijven die werkzaam zijn in deze sector. We streven naar behoud van het (historische) polderlandschap. Dit doen we door het opstellen van een landschapsplan. Daarbij houden we onder andere rekening met de ontwikkelingen in de agrarische sector (bedrijfsbeëindiging, schaalvergroting, monotonie). De gemeente onderzoekt of toenadering tot het landelijk netwerk van vestingsteden wenselijk is.

Uitvoeringsparagraaf:   

Onderzoek naar de wijze waarop de gemeente kan bijdragen aan het behoud van cultureel erfgoed in eigendom van derden. Bijhouden en actualiseren van de gemeentelijke monumentenlijst. Het opstellen van een landschapsplan.

1.1.5. GEBOUWEN EN OPENBAAR GROEN Waar hebben we mee te maken?      

Er is een relatief groot bestand van gemeentelijke accommodaties/gebouwen waarvan de bezettingsgraad laag is. Ons vastgoedbeleid is gericht op vermindering van het aantal gemeentelijke vastgoedobjecten. Bij verkoop van gemeentelijke gebouwen is vaak een functieverandering wenselijk. We staan voor de opgaaf om gemeentelijke gebouwen te verduurzamen. Er is veel particulier en exclusief gebruik van perceeltjes die openbaar groen horen te zijn. Klimaatverandering vraagt een andere wijze van inrichting en onderhoud van de openbare ruimte en het groen.

Wat willen we bereiken?      

Vermindering van het aantal gemeentelijke accommodaties door voorzieningen te clusteren (gezamenlijk gebruik van gemeentelijke accommodaties). Optimaliseren van de verhuur van gemeentelijke gebouwen en de exploitatie van gemeentelijke accommodaties. Gemeentelijke gebouwen zijn verduurzaamd en gemeentelijke gebouwen en voorzieningen zijn goed toegankelijk voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Vermindering van de beheer- en exploitatiekosten van gemeentelijke gebouwen en openbaar groen. Een goed onderhouden openbare ruimte op basis van integraal beheer, Daarbij hebben we speciale aandacht voor renovaties en klimaatverandering (meer biodiversiteit). Optimaal onderhoud van bomen.

Hoe willen we het bereiken? 

We maken een goede inventarisatie van het gemeentelijk vastgoed (gebouwen, infrastructuur en openbaar groen).

13         

We stellen op basis van deze inventarisatie een meerjarenonderhoudsplan op, inclusief een investerings- en beheerskostenraming. De kostenraming nemen we mee in de gemeentelijke budget- en begrotingscyclus. Bij verkoop van gemeentelijke gebouwen staan we open voor verandering van de functie van het gebouw, mits dit kan volgens de geldende regelgeving en er kwalitatief sprake is van een toegevoegde waarde. We stellen huurbeleid voor gemeentelijke gebouwen op en de verhuur van gemeentelijke accommodaties wordt verder geautomatiseerd. We prioriteren de verduurzaming van gemeentelijke gebouwen op basis van de duurzaamheidscore en de bezettingscapaciteit. Indien aan voorwaarden wordt voldaan, stoten we snippergroen af. We stellen een onderhoudsbestek op voor het bomenareaal. Om schade aan onze beplanting door droogte te voorkomen, zetten we in op innovatieve manieren of producten om zoetwater te bufferen. Bij de inrichting van het openbaar groen kiezen we voor minder intensief onderhoud en houden we rekening met klimaatverandering en biodiversiteit. Behoud en versterking van de biodiversiteit.

Uitvoeringsparagraaf:   

Een goede inventarisatie en daaraan gekoppeld een meerjarenonderhoudsplan voor gemeentelijk vastgoed. Opstellen huurbeleid voor gemeentelijke gebouwen. Opstellen onderhoudsbestek voor het bomenareaal.

1.2 NATUUR EN DUURZAAMHEID 1.2.1 DUURZAAMHEID EN ENERGIETRANSITIE Waar hebben we mee te maken?     

  

Er is toenemende aandacht voor duurzaamheid. Steeds meer wordt gekeken naar de impact van ons handelen, de negatieve effecten daarvan op de aarde en hoe we deze zo klein mogelijk kunnen maken. Duurzaamheid is een kernbegrip geworden. Hoofdzakelijk gaat het over het maken van bewuste en verantwoorde keuzes, die het milieu, de leefomgeving en het klimaat zo min mogelijk schade berokkenen. Duurzaamheid is geen op zichzelf staand thema maar dient onderdeel te zijn van beleid op alle terreinen. Op elk terrein zijn er namelijk keuzes die een relatie hebben met duurzaamheid. De bestaande duurzaamheidsvisie uit 2013 is verlopen en achterhaald. We dienen nieuwe ambities uit te spreken ten aanzien van duurzaamheid, zowel op beleidsmatig vlak als met betrekking tot de eigen organisatie. Het Klimaatverdrag van Parijs uit december 2015 draagt alle deelnemende landen op de opwarming van de aarde te beperken tot een stijging van maximaal 2 graden Celsius voor de periode tot 2050. Het is aan de afzonderlijke landen zelf om concrete maatregelen vast te stellen. Nederland heeft een Klimaatakkoord opgesteld en gepresenteerd in juni 2019. Hierin staat hoofdzakelijk beschreven hoe Nederland de uitstoot van CO2 (verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde) gaat beperken en de overgang gaat maken naar een volledig fossielvrije (CO2-vrije) samenleving.

Het nationale Klimaatakkoord heeft als doelstellingen 49% CO2-reductie in 2030 en 95% CO2reductie in 2050 ten opzichte van 1990. Provincie Zeeland heeft deze doelstellingen overgenomen en vastgelegd in de Regionale Energiestrategie (RES), door onze gemeente vastgesteld in mei 2020. De RES is de uitwerking van het Klimaatakkoord op provinciale schaal. De gemeente dient aan te geven hoe zij haar bijdrage kan en wil leveren aan het behalen van de doelstellingen uit de RES.

14   

 

 

 

   

Het Rijk verplicht gemeenten om voor eind 2021 een Transitievisie Warmte op te stellen. Daarin staat hoe en wanneer de woningvoorraad aardgasvrij wordt. In de RES staat dat het vastgoed van de Zeeuwse gemeenten in 2040 energieneutraal moet zijn. Dat wil zeggen dat het evenveel energie gebruikt als opwekt. De energietransitie, zoals de in het Klimaatakkoord beschreven opgave genoemd wordt, gaat uit van enerzijds besparing van energie en anderzijds het gebruik van schone energie. De energietransitie is een geleidelijk proces dat uiteindelijk invloed heeft op en consequenties voor alle inwoners. Het bewustzijn en de urgentie hiervan bij de inwoners is momenteel echter beperkt. Gemeenten zijn verplicht een energieloket te hebben, waar inwoners terecht kunnen voor vragen over verduurzaming van woningen. Hiervoor werken we samen met het Duurzaam Bouwloket. Ook ondersteunen we de Stichting Energiek Zeeland, die maatwerkadviezen voor woningen levert. Hoeveel de uitvoering van de energietransitie kost, is nog onbekend. Het staat echter vast dat deze grootschalige transitie veel kosten met zich mee zal brengen. Technisch gezien zijn wind- en zonne-energie op dit moment de enige methoden voor het opwekken van duurzame energie, die op grote schaal te realiseren zijn in onze gemeente.

Andere methoden zijn nog in ontwikkeling of niet geschikt vanwege de geografische eigenschappen van onze gemeente. Daarom betekent duurzame energie vooralsnog wind- en zonne-energie. Wat mogelijk is in de gemeente Sluis baseren we op de opbouw van het elektriciteitsnetwerk en op het provinciale beleid voor wind- en zonne-energie. Op dit moment is het elektriciteitsnetwerk berekend op 14,6 MW (megawatt) extra op te wekken energie. Beleidsmatig en technisch bezien zijn er in onze gemeente twee potentiele locaties voor grootschalige opwek van duurzame energie: rondom het hoofdverdeelstation van Oostburg en rondom de windturbines in de Hoofdplaatpolder. Momenteel worden er op bedrijventerreinen twee locaties voor zonnepanelen ontwikkeld en zijn er vijf windmolens nabij Hoofdplaat gesitueerd. Het provinciale beleid staat windturbines hoger dan 20 meter toe in de omgeving van de Hoofdplaatpolder. Windturbines met een maximale tiphoogte (het hoogste punt) van 20 meter zijn elders onder voorwaarden toegestaan. Het huidige gemeentelijke beleid hanteert echter een maximale tiphoogte van 15 meter. Het Rijk is voornemens de N-1 redundantie los te laten, een norm voor reservecapaciteit bij storingen. Hierdoor komt er mogelijk 30 MW extra aansluitcapaciteit beschikbaar aan energiecapaciteit.

Technisch gezien is het mogelijk het elektriciteitsnetwerk verder te verzwaren en meer opwek van duurzame energie mogelijk te maken. Hiervoor is een aanpassing van het verdeelstation in Oostburg nodig in overleg met de netbeheerder, wat een forse ruimtelijke en financiële ingreep betekent. Omdat netbeheerder Enduris namens de overheid het elektriciteitsnetwerk beheert, zullen deze kosten uiteindelijk afgewenteld worden op de maatschappij. Het provinciale beleid staat zonneparken binnen bebouwd gebied toe. Buiten bebouwd gebied zijn zonneparken onder voorwaarden toegestaan. Een belangrijke voorwaarde is dat gekeken moet worden naar functiecombinaties, bijvoorbeeld zonnepanelen op bedrijventerreinen. Zonnepanelen op daken zijn in principe vergunningsvrij (met uitzondering van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten). Een van de doelen van het Rijk is Nederland circulair in 2050. Dat wil zeggen dat de economie volledig draait op herbruikbare grondstoffen. Ook op het gebied van mobiliteit speelt verduurzaming een steeds grotere rol. Fossiele brandstoffen worden op termijn vervangen door schone energie, vooral door een transitie richting elektrisch rijden.

Wat willen we bereiken?  

Het belang van duurzaamheid staat meer centraal bij onze beleidsvoornemens. Duurzaamheid dient een plaats te krijgen binnen alle beleidsterreinen. Een voorbeeldfunctie vervullen voor andere organisaties door een duurzame bedrijfsvoering. Dit betekent dat duurzaamheid een plaats zal moeten krijgen in onze interne processen, ons onderhoudsprogramma, aanbestedingsbeleid en inkoopbeleid.

15  

   

Inwoners, en specifiek jongeren, die het belang van duurzaamheid onderschrijven en hier voldoende kennis over hebben (zie 1.2.2. Natuur en landschap). Een voorbeeldfunctie vervullen voor onze inwoners. We willen onze verantwoordelijkheid nemen voor de energietransitie en naar redelijkheid bijdragen aan de doelen van de RES. Dit betekent dat we de doelen in het Klimaatverdrag van Parijs en het landelijke Klimaatakkoord onderschrijven. We zetten in, waar mogelijk, op besparing van energie. We besparen enerzijds als gemeentelijke organisatie en anderzijds wijzen we burgers en bedrijven op het belang van energiebesparing. Energiebesparing is de eerste stap in de energietransitie. Alles wat bespaard wordt, moet immers niet opgewekt worden. Een groter bewustzijn onder burgers over wat de energietransitie inhoudt en wat hun rol, mogelijkheden en uitdagingen daarbij zijn. Burgers die aan de slag willen met de energietransitie willen we stimuleren en mogelijkheden bieden. Ook willen we dat zij goed op de hoogte zijn van alle (on)mogelijkheden. Een helder toetsingskader voor de energietransitie tot 2030 en een doorkijk richting 2050. Innovaties en technische ontwikkelingen gaan dusdanig snel dat het niet realistisch is om heel concreet beleid te formuleren voor 2050. Daarnaast wordt de voortgang van de energietransitie gemonitord en het beleid steeds geëvalueerd.

Benutting van de extra opwekmogelijkheden voor duurzame energie, voor zover het huidige elektriciteitsnetwerk dit toelaat, en al dan niet met het loslaten van het principe van N-1 redundantie. Eventuele extra mogelijkheden door het loslaten van het N-1 principe zal niet leiden tot grotere of meer zonneparken. Opwekking van duurzame energie op land in het buitengebied zal impact hebben op het landschap. We willen bereiken dat dergelijke initiatieven zo min mogelijk een verstoring van het landschap met zich meebrengen. Een zo optimaal mogelijke ruimtelijke ordening is daarbij essentieel. Initiatieven voor opwekking van duurzame energie moeten kunnen rekenen op draagvlak van de omwonenden. We vinden het belangrijk omwonenden in een vroeg stadium bij dergelijke ontwikkelingen te betrekken of dat ze deze zelf vormgeven. Opbrengsten uit de opwekking van duurzame energie, worden zoveel mogelijk geïnvesteerd in de directe omgeving. In plannen voor de opwekking van duurzame energie wordt vastgelegd hoe de ontmanteling van de energie-installatie na afloop van de operationele periode wordt verzorgd en gefinancierd. Een infrastructuur die bijdraagt aan de transitie naar duurzame mobiliteitsvormen. Concreet betekent dit voor de kortere termijn een richtinggevende visie ten aanzien van locaties en hoeveelheden laadpalen.

Hoe willen we het bereiken? 

  

We onderzoeken hoe we de gemeentelijke bedrijfsvoering verder kunnen verduurzamen. Dit kan onder andere op het gebied van afvalinzameling, gebouwenbeheer, inkoop- en aanbestedingsbeleid, het gemeentelijk wagenpark et cetera. Hiertoe stellen we een plan ‘verduurzaming gemeentelijke organisatie Sluis’ op. Bij aanbestedingen, prijsvragen en andere soortgelijke procedures wordt duurzaamheid een onderdeel waar (mede) op geselecteerd wordt. We continueren de samenwerking met Natuur & Zo voor educatie over duurzaamheid (zie 1.2.2 Natuur en landschap). We zetten ons blijvend in om de bewustwording onder inwoners te vergroten en hen waar mogelijk te adviseren. Hiertoe zetten we de samenwerking voort met Duurzaam Bouwloket. Er wordt onderzocht hoe Stichting Energiek Zeeland hierin een rol kan spelen. We zetten een stimuleringsregeling op om woningeigenaren te stimuleren energiebesparende maatregelen te nemen. De gemeente neemt de rol van regisseur op zich in de ontwikkeling van de Transitievisie Warmte, die voor 2022 is opgesteld. De visie wordt ontwikkeld samen met verschillende belanghebbenden zoals de netbeheerder, de woningcorporatie en (belangenvertegenwoordigers van de) inwoners. Hoewel de voorkeur uitgaat naar zonne-energie, sluiten we windenergie voor de lange termijn (na 2030) niet uit.

16 

 

      

Wat betreft windenergie zijn de mogelijkheden beperkt. Van uitbreiding van het aantal windturbines in de Hoofdplaatpolder is geen sprake op de korte termijn. We onderzoeken of de maximaal toegestane tiphoogte van kleine windturbines gelijkgetrokken kan worden met het huidige provinciale beleid. Dit alleen bij agrarische bedrijven en onder voorwaarden. Binnen de bebouwde kom blijft opwekking van duurzame energie via zonnepanelen mogelijk conform het huidige beleid. We hanteren de zonneladder als uitgangspunt voor het plaatsen van zonnepanelen. Dat houdt in: zonnepanelen bij voorkeur allereerst op daken van woningen en overige gebouwen. Vervolgens kijken we naar mogelijkheden op vervuilde gronden of gronden die niet gebruikt worden. Als laatste wordt er gekeken naar landbouwgronden grenzend aan andere functies. De zonneladder wordt wel toegepast vanuit een realistisch perspectief en passend bij de ambities uit de RES: Het is niet de bedoeling dat pas naar de volgende trede gegaan kan worden wanneer de vorige trede volledig is afgerond. Zonneparken buiten bebouwd gebied staan we toe onder voorwaarden. Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden wijzen we twee locaties voor zonneparken aan in het buitengebied: het hoofdverdeelstation nabij Oostburg (maximaal 10 MW) en nabij de windturbines in de Hoofdplaatpolder (max 8 MW).

De overige 4,6 MW die mogelijk is gezien de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk, wordt in afstemming met de netbeheerder gereserveerd voor zonnepanelen op daken en andere ontwikkelingen. Ditzelfde geldt voor eventuele vrijkomende capaciteit door het mogelijk vervallen van het N-1 principe. De hierboven genoemde mogelijke zonneparken dienen te voldoen aan essentiële randvoorwaarden, zoals een adequate landschappelijke inpassing, een goede vorm van bewonersparticipatie (procesmatig en financieel) en behoud of versterking van de biodiversiteit. Van de opbrengst van zonneparken gaat een deel naar een nog op te richten duurzaamheidsfonds. Afspraken over zo’n (jaarlijkse) bijdrage zullen in een overeenkomst worden vastgelegd alvorens planologisch medewerking wordt verleend. We werken nader uit waaraan het nog op te richten duurzaamheidsfonds zal worden besteed, ook in relatie tot de nog te ontwikkelen stimuleringsregeling voor woningeigenaren. Kleinschalige locaties voor duurzame energieopwekking in het buitengebied staan we niet toe (met uitzondering van bestaande agrarische bouwvlakken). Dit om het karakteristieke landschap zoveel mogelijk te behouden en verrommeling tegen te gaan. De technische en financiële aspecten van zonnepanelen boven parkeerplaatsen worden nader onderzocht. Elke twee jaar publiceren we een monitoring van de effecten van het energietransitiebeleid.

We ontwikkelen een Zeeuwse visie op laadpalen. De provincie Zeeland neemt de regie en pakt dit op samen met de gemeenten. De uitwerking hiervan wordt indien mogelijk opgepakt samen met ondernemers .

Uitvoeringsparagraaf:    

Plan ‘verduurzaming gemeentelijke organisatie Sluis’. Transitievisie Warmte Uitwerking duurzaamheidsfonds (in relatie met stimuleringsregeling). Opstellen beleidsregel/toetsingskader zonnepanelen.

1.2.2 NATUUR EN LANDSCHAP Waar hebben we mee te maken?   

Klimaatverandering en de gevolgen daarvan worden steeds duidelijker merkbaar en zichtbaar. Dit heeft gevolgen voor het landschap en de inrichting daarvan. We zien een toenemende verzilting (verzouting van de bodem) en verdroging van percelen, waardoor sommige gebieden steeds minder vruchtbaar zullen zijn. De biodiversiteit (soortenrijkdom) neemt af en staat sterk onder druk. Er is echter steeds meer aandacht voor instandhouding en versterking van de biodiversiteit op verschillende niveaus.

17   

  

   

Op dit moment besteden we in het groenbeheerplan reeds aandacht aan de instandhouding van de biodiversiteit. De gemeente is echter niet de enige verantwoordelijke voor het beheer van de openbare ruimte; in het buitengebied zijn dit vaak andere partijen. Door de verscheidenheid aan partijen die betrokken zijn bij de inrichting en instandhouding van het landschap is een goede samenwerking essentieel. Rust, ruimte en beleefbaarheid zijn aspecten van het landschap die van belang zijn voor zowel de recreant als onze inwoners. Naast andere kenmerken, maken ze onze streek onderscheidend. Ook hebben we diverse kleine en karakteristieke dorpskernen en een unieke kustzone die het landschap completeren. Ruimtelijke ontwikkelingen en de landbouw leggen een toenemende druk op het landschap. Dit terwijl de recreant juist waarde hecht aan een rustig en open landschap. De landbouw is een van de dragers van het landschap. Tegelijkertijd staat de landbouwsector onder druk door onder meer een veranderend rijksbeleid. Centraal hierbij staan verduurzaming, versterking van biodiversiteit en kringlooplandbouw. Er ligt een Zeeuwse Kustvisie waarin, vanuit een brede maatschappelijke discussie, beleidsuitgangspunten zijn geformuleerd voor het omgaan met het kustlandschap. Behoud en versterking van het landschap staan hierbij centraal.

Breskens en Cadzand-Bad zijn gedefinieerd als badplaats en vallen buiten de scope van de Kustvisie. We hebben te maken met geld dat beschikbaar is vanuit de rood-voor-groen regeling. (Bestaande verblijfsrecreatieterreinen mogen (beperkt) uitbreiden. Dit onder de voorwaarde dat op het gehele terrein een kwaliteitsslag wordt gemaakt en er per hectare uitbreiding een bijdrage van 34.000 euro wordt betaald.) Daaraan gekoppeld ligt er een rapport Kansen voor recreatienatuur in West-Zeeuws-Vlaanderen, dat een visie vormt op de besteding van deze rood-voor-groen middelen. (Zie verder hoofdstuk 3 Recreatie en toerisme.) Provincie en Rijk zijn bezig met een bossenstrategie, om te kijken waar extra bos aangeplant kan worden. Dit enerzijds vanuit de biodiversiteits- en natuuropgave, anderzijds vanuit het klimaatakkoord waarbij extra bos een bijdrage kan leveren aan de CO2-reductie. De gemeente heeft in 2019 samen met Hulst en Terneuzen de klimaatstresstest uitgevoerd. De klimaatstresstest dient om de kwetsbaarheden van de gemeente in kaart te brengen op het gebied van wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. Als vervolg op deze klimaatstresstest voert de gemeente momenteel een risicodialoog met haar inwoners.

Samen met de gemeenten Terneuzen en Hulst hebben we de Dienstverleningsovereenkomst Uitvoering Natuur en Milieueducatie Zeeuws-Vlaanderen gesloten met centrum voor natuur-en milieueducatie Natuur & Zo.

Wat willen we bereiken?   

   

Een gebied waar de gevolgen van klimaatverandering zo goed mogelijk opgevangen worden binnen het landschap en waar de overlast minimaal is. Een goede samenwerking met alle partijen die betrokken zijn bij de vormgeving en instandhouding van het landschap, om zo te komen tot de meest optimale en aantrekkelijke invulling. Bewustwording over klimaatverandering en de gevolgen daarvan. Dit geldt voor alle economische sectoren en alle inwoners die daarmee te maken hebben of krijgen. Naast deze bewustwording willen we ook duidelijk inzicht verschaffen in de mogelijkheden die eenieder heeft om op dit punt zelf een bijdrage aan te leveren. Inbedding van de onderwerpen klimaatadaptatie en biodiversiteit in nieuwe plannen, hetzij gemeentelijke plannen hetzij andere plannen. (Klimaatadaptatie is aanpassingen doen vanwege veranderend klimaat.) Een bijdrage leveren aan de instandhouding en versterking van de biodiversiteit, daar waar de gemeente hierop rechtstreeks invloed kan uitoefenen. Daar waar de gemeente indirect een bijdrage kan leveren, vervult ze een faciliterende rol. Behoud en versterking van het karakteristieke landschap waarbij een natuurlijk evenwicht zal zijn tussen de mogelijkheden voor activiteiten in het buitengebied en de specifieke kernkwaliteiten. De Zeeuwse Kustvisie vertalen naar onze gemeente.

Daarbij houden we rekening met de uitgangspunten voor verblijfsrecreatie, maar ook met duiding en behoud van de kwaliteiten van ons landschap.

18    

Openbaar toegankelijke en aantrekkelijke recreatienatuurgebieden, waar het beheer en onderhoud goed geregeld is. Daar waar mogelijk willen we opgaven in het buitengebied in samenhang aanpakken. Dit in het kader van efficiënt en duurzaam ruimtegebruik. Denk bijvoorbeeld aan een koppeling van (nieuwe) natuur en klimaatadaptatie. Een gezonde landbouwsector, waarbij agrariërs de mogelijkheid hebben om te kiezen voor een transitie naar een duurzamere manier van landbouw bedrijven. (Zie hoofdstuk Economie.) Onze inwoners, en met name basisschoolleerlingen, zijn zich bewust van en hebben kennis over de natuur, biodiversiteit, duurzaamheid en afval.

Hoe willen we het bereiken?       

 

 

Als vervolg op de klimaatstresstest en de risicodialoog stellen we, in samenwerking met Hulst en Terneuzen, een regionale klimaatadaptatiestrategie op. Voor de inrichting van het buitengebied faciliteren we een goede samenwerking tussen betrokken partijen, waarbij natuur, water, recreatie en landbouw samenkomen. We hanteren als beleidsuitgangspunt dat nieuwe natuur geen op zichzelf staand doel is, maar een bijdrage levert aan eerdergenoemde opgaven en uitdagingen op het gebied van klimaatadaptatie, verzilting, landbouw en biodiversiteit. De gemeente neemt een positieve grondhouding aan tegenover een transitie naar kringlooplandbouw en daar waar mogelijk faciliteert zij landbouwbedrijven hierbij. (Zie hoofdstuk Economie.) Klimaatadaptatie en behoud of versterking van de biodiversiteit worden vast onderdeel van nieuwe plannen op diverse terreinen. Voor plannen van derden nemen we deze aspecten mee bij beoordeling en belangenafweging. Bij gemeentelijk groenbeheer nemen we behoud en versterking van de biodiversiteit nadrukkelijker mee. Een concreet voorbeeld hiervan is dat we ons conformeren aan de Zeeuwse bijenstrategie. Het rapport Kansen voor recreatienatuur in West-Zeeuws-Vlaanderen’ is uitgangspunt voor de inzet van rood-voor-groen middelen. Versterking en verbinding van bestaande recreatienatuurgebieden staat hierbij centraal.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=f98912ff-6ed8-4766-a76a-64c1dde2aa3c