Scenario's ruimte aangepast nav raad 26 mei (behandeld 23 juni 2020)
Tekst van het document
1.
Volkshuisvesting, RO en stedelijke vernieuwing
1.1 Ruimtelijke ordening. Waar hebben we mee te maken? Landelijk speelt de implementatie van 5G en de uitrol van glasvezel. Sommige mensen geven aan gezondheidsklachten te ervaren ten gevolge van straling. Landelijke geldt echter de verplichting dat een dekking van 98% gegarandeerd moet zijn. Digitale bereikbaarheid is van groot belang voor o.a. landbouw, toerisme en zorg. Hierbij moet worden aangemerkt dat de praktische kant van het vinden van locaties voor het plaatsen van masten ingewikkeld is. Ontwikkelingen op dit gebied gaan snel. Scenario’s 1. Als gemeente hechten wij waarde aan de digitale bereikbaarheid en een sterke internetverbinding. Ook in het buitengebied. We zien daarbij een faciliterende rol voor onszelf ten opzichte van andere partijen zoals de markt, het Rijk en de provincie ten aanzien van het proces, de inhoud en de kosten. Wel sturen we vroegtijdig bij nieuwe (gemeentelijke) ontwikkelingen op implementatie van 5G. Tevens zijn we bereid een meer sturende rol te nemen indien er zogenaamde ‘blinde’ vlekken in het dekkingsgebied ontstaan. 2. We hechten veel waarde aan de digitale bereikbaarheid en zien om die reden een initiërende rol voor onszelf weggelegd. In dit scenario nemen we een actieve rol en zijn we ook bereid om zelf investeringen te doen.
1.2 Wonen en bouwen - Aantallen Waar hebben we mee te maken? We hebben meer woningen dan huishoudens, hetgeen niet automatisch betekent dat er sprake is van leegstand en/of dat deze woningen op de markt beschikbaar zijn. Duidelijk is dat de gemeente en de provincie op een andere manier kijken naar het toevoegen van woningen. Door de provincie wordt een en ander cijfermatig benaderd, terwijl wij als gemeente inzetten op faciliteren van initiatieven. Deze cijfermatige benadering strookt mogelijk niet met werkelijkheid (kwantitatief) en met vraag (kwalitatief). Scenario’s:
1. We volgen de provincie (op grond van cijfers) en accepteren dat het toevoegen van woningen maar in zeer beperkte mate plaats kan vinden. 2. We gaan (regionaal) in overleg met de provincie om gezamenlijk afspraken te maken over de wijze waarop we de woningvoorraad aan gaan pakken en creëren daardoor mogelijkheden voor het toevoegen van (wenselijke) woningen waarbij we voldoen aan de wettelijk verplichte laddertoets. 3. We volgen de markt en nemen het op ons om de behoefte aan woningen te onderbouwen. Dit betekent dat we zelf aanvullende onderzoeken gaan uitvoeren om te voldoen aan de verplichte laddertoets. NB: positieve besluiten op principe verzoeken kennen momenteel een geldigheidsduur van maximaal 1 jaar. 1.3 Rol gemeente t.o.v. particuliere woningvoorraad Waar hebben we mee te maken? Er is sprake van een deels verouderde woningvoorraad (minder kwaliteit), het overgrote deel van de woningen is in particulier bezit, door de vergrijzing verandert de vraag naar woningen en zal een deel van de woningen op termijn leeg komen te staan, verder in beeld brengen van de situatie ten aanzien van de particuliere woningvoorraad kan door verdere uitwerking van het Kwalitatief Woningonderzoek Zeeland (KWOZ). Scenario’s: 1. We gaan actief sturen op de woningvoorraad en maken daarbij gebruik van het fonds woningbouwontwikkeling.
De functie en de werking van het fonds wordt opnieuw tegen het licht gehouden. Daarbij zal gezocht worden naar creatieve manieren om het fonds te vullen. Tevens wordt invulling gegeven aan uitwerking van het KWOZ in concrete uitvoeringsprogramma’s, zodat beschikbare gelden gericht kunnen worden ingezet; 2. We laten het kwaliteitsvraagstuk over aan de markt. We accepteren daarmee dat er sprake kan zijn van verpaupering en (tijdelijke) leegstand van woningen. Zie ook Transformatie woningvoorraad (14.2) en Economische promotie (5.4)
1.4 Tweede woningverordening Waar hebben we mee te maken? De tweede woningmarkt wordt gezien als een luxe goed. Deze markt heeft een prijsopdrijvend effect, waardoor sommige huishoudens geen geschikte woning kunnen kopen (de woonparadox). Deze markt heeft tevens zijn weerslag op de leefbaarheid (onder andere minder draagvlak voor voorzieningen). Aan de andere kant worden er dankzij deze markt meer woningen verkocht en wordt er meer geïnvesteerd. Tevens gaat het leegstand en verpaupering tegen. Scenario’s: 1. We roepen geen Tweede woningverordening meer in het leven en accepteren dat een aantal kernen als het ware veranderen in ‘recreatieparken’; 2. We roepen voor een aantal kernen de Tweede woningverordening terug in het leven. Het gaat dan om de kernen in het kustgebied. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wens om de leefbaarheid ook hier zo veel mogelijk te waarborgen (verwezen wordt naar het leefbaarheidsonderzoek onder inwoners); 3. We roepen de Tweede woningverordening voor de gehele gemeente terug in het leven. NB: Kernen in het Kustgebied betreffen de kernen boven die provinciale weg van Breskens naar Sluis. 1.5 Recreatieve verhuur Waar hebben we mee te maken? Recreatieve verhuur van woningen voorziet in een behoefte. Regulering zorgt voor een beperking van het vrije beschikkingsrecht van eigendom.
Recreatieve verhuur veroorzaakt in sommige gevallen overlast (parkeren, geluid, e.d.) en kan negatieve gevolgen hebben voor de leefbaarheid. Het betekent een extra groei van het verblijfsrecreatieve aanbod (buitenom de reguliere recreatiesector) waarbij er weinig tot geen grip is op de kwaliteit en de wenselijkheid. Scenario’s: 1. We accepteren deze ontwikkeling en treden niet regulerend op;
2. We accepteren deze ontwikkeling onder voorwaarden in de kernen aan de kust. In de overige kernen staan we deze ontwikkelingen niet toe; 3. We accepteren deze ontwikkeling maar treden op tegen excessen; 4. We betreuren deze ontwikkeling en treden hier in alle gevallen tegen op. Zie ook Recreatie en Toerisme (2.5) 1.6 Tijdelijke huisvesting Besluitvorming heeft plaats gevonden. Kleinschalige ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Grootschalige ontwikkelingen zijn niet wenselijk. 1.7 Kernenbeleid Zie Sociaal-culturele voorzieningen (7.2.), sportaccommodaties (13.2), Wonen, zorg en voorzieningen (14.1), Zorginfrastructuur / integrale zorgcentra (14.4) 2. Recreatie, toerisme en cultuur 2.1 Verblijfsrecreatie - Kustvisie Waar hebben we mee te maken? Kustvisie is vastgesteld maar nog niet volledig geïntegreerd in beleid. Op dit moment wordt duidelijk wat de geboden mogelijkheden van de Kustvisie betekenen in relatie tot concrete projecten. Het gaat dan om het bebouwingspercentage (13%) en het uitbreidingspercentage (15%). Onze conclusie nu is dat deze ruimer zijn dan destijds beoogd en wenselijk geacht werden. Aspecten die hieraan gelinkt zijn, zijn de verblijfsrecreatieparadox (genoeg kwantiteit, omslag naar meer kwaliteit), aansluiting vraag-aanbod (chalets/recreatiewoningen vs toeristisch kamperen) en de Verdichting van het landschap (balans openheid – bebouwing).
De kustvisie reikt nu tot aan de Provinciale weg. Scenario’s: 1. Kustvisie 1 op 1 integreren op alle onderdelen, inclusief voor het achterland;
2. Kustvisie 1 op 1 integreren voor het kustgebied, specifiek beleid voor het achterland; 3. De mogelijkheden die de Kustvisie biedt, aanscherpen op onderdelen (onder andere ten aanzien van het bebouwingspercentage) met als doel het sturen op kwaliteit. Voor het achterland formuleren we specifiek beleid. 2.2 Verblijfsrecreatie - Campers Waar hebben we mee te maken? Een toename van het aantal campers en gewenste overnachtingsmogelijkheden. Op dit moment geen vastgesteld beleid hoe hiermee om te gaan. Coalitieakkoord geeft aan open te staan voor particuliere solitaire initiatieven. Scenario’s: 1. Campers zijn welkom op de bestaande verblijfsrecreatieterreinen en niet daarbuiten voor overnachting. Hierop kan door ondernemers ook ingespeeld worden d.m.v. een kwaliteitsslag; 2. Naast de bestaande verblijfsrecreatieterreinen worden ook initiatieven gefaciliteerd om campers te laten overnachten losgekoppeld van verblijfsrecreatiebedrijven. 2.3 Verblijfsrecreatie – Verevening Waar hebben we mee te maken? Op dit moment hanteren we een vastgestelde Rood voor Groen bijdrage à €34.000 per ha. Dit ongeacht het aantal eenheden of de invulling van deze hectaren. In de praktijk betekent dit dat de keuze van een ondernemer voor lagere dichtheden kan leiden tot een onevenredig hoge vereveningsbijdrage. Dit remt het doel om te streven naar kwaliteit. Scenario’s: 1.
Het vastgestelde vereveningsbedrag en verveningsprincipe handhaven we. Dit is destijds onderbouwd opgenomen in gebiedsplan Natuurlijk Vitaal; 2. We zetten in op handhaving van het vereveningsprincipe door een meer flexibele systematiek waarbij het streven naar kwaliteit uitgangspunt is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een vast bedrag per aantal eenheden per hectare.
2.4 Besteding toeristenbelasting Waar hebben we mee te maken? De toeristische sector wenst inzicht in inkomsten en uitgaven toerisme + Eerlijke koppeling tussen inkomsten en uitgaven. De sector is het niet eens met de rapporten van de rekenkamer commissie waarbij wordt aangetoond dat we als gemeente meer geld uitgeven aan toerisme dan er binnenkomt. Zij wensen een andere systematiek om de inkomsten en uitgaven in beeld te brengen. Daarnaast willen ze ook transparantie in de besteding van de toeristenbelasting en een meerjarenvisie op de toeristenbelasting die gezamenlijk met de sector wordt opgesteld. Scenario’s: 1. Als gemeente gaan we mee in deze wens en onderzoeken we met de sector op welke manier we de toeristische inkomsten en uitgaven in beeld kunnen brengen, anders dan via de rapportage van de rekenkamercommissie. Daarnaast maken we samen met de sector een visie op de toeristenbelasting gekoppeld aan het toeristisch beleid; 2. Als gemeente gaan we niet mee in deze wens en onderzoeken we niet met de sector op welke manier we de toeristische inkomsten en uitgaven in beeld kunnen brengen, anders dan via de rapportage van de rekenkamercommissie. Daarnaast gaan we niet mee in de wens om samen met de toeristische sector een visie op de toeristenbelasting te ontwikkelen gekoppeld aan het toeristisch beleid; 3.
Als gemeente gaan we niet mee in deze wens en onderzoeken we niet met de sector op welke manier we de toeristische inkomsten en uitgaven in beeld kunnen brengen, anders dan via de rapportage van de rekenkamercommissie. Daarnaast willen we wel als gemeente samen met de sector een visie op de besteding van de toeristenbelasting vormen, gekoppeld aan het toeristisch beleid. 2.5 Groei toerisme Waar hebben we mee te maken? Toerisme in de streek groeit elk jaar. In het voorjaar 2019 heeft een inwonersonderzoek plaatsgevonden. De perceptie van toerisme is overwegend positief maar wel met een aantal kanttekeningen. Inwoners ervaren zowel voor- als nadelen van toerisme. Mede naar aanleiding daarvan moeten we ons afvragen of voor toerisme ‘groei’ het uitgangspunt moet blijven.
Scenario’s: 1. We gaan uit van de groei de komende jaren, waarbij we accepteren dat het imago van toerisme bij de inwoners onder druk komt te staan en we voorbij dreigen te gaan aan de kernkwaliteiten van onze regio; 2. We zetten in op ‘waardevol toerisme’ waarbij groei geen automatisch uitgangspunt is maar waarbij we op zoek gaan naar een goede balans tussen toerist, inwoners en bedrijven. Hierbij geldt het uitgangspunt ‘kwaliteit boven kwantiteit’. Groei dient daarbij gezocht te worden in seizoensverlenging en spreiding en niet in toevoegen van meer eenheden (ruimtebeslag) 2.6 Musea & cultuur Waar hebben we mee te maken? Er is veel cultureel aanbod (waaronder musea) maar weinig onderlinge samenhang en regie op verschillende vlakken. Daarnaast is er ook veel potentie op het gebied van samenwerking tussen cultuur en erfgoedinstellingen en tussen cultuur en toerisme en ontbreekt het nu aan concreet cultuurbeleid voor de komende jaren. Scenario’s: 1. Als gemeente nemen we een regierol in het stimuleren van de samenhang in het cultureel aanbod en gaan we een gericht cultuurbeleid opstellen; 2. Eigen initiatief verantwoordelijkheid is uitgangspunt. Indien dit eigen initiatief dan wel de samenhang niet tot stand komt, zullen we een actievere rol op ons nemen. 3. Als gemeente nemen we een faciliterende en ondersteunende rol in het stimuleren van de samenhang.
We stellen hiertoe een kaderstellend cultuurbeleid op. 2.7 Media – Bibliotheek Waar hebben we mee te maken? Het bestaansrecht van het bibliotheekwerk kent twee functies: informatie verstrekken en leesbevordering. Voor informatievoorziening zijn tegenwoordig veel mogelijkheden online. Voor leesbevordering zijn ook andere mogelijkheden denkbaar.
Het huidige beleid gaat uit van één 1 centrale locatie in Oostburg, te ontstaan uit een fusie tussen de openbare en schoolbibliotheek. Tot een fusie is het nog niet gekomen. De opbrengsten zouden worden geïnvesteerd in innovatieve projecten. Momenteel ligt er een initiatief vanuit de bibliotheek om een kleinschalige bibliotheekvoorziening op te starten. Hiervoor hebben ze een eenmalige subsidie van het Rijk ontvangen. Scenario’s: 1. Behoud één centrale bibliotheek locatie in Oostburg (incl. fusie openbare en schoolbibliotheek) en inzetten op innovatieve vormen van leesbevordering bijvoorbeeld via scholen en het bestrijden van laaggeletterdheid onder volwassenen 2. Inzetten op meerdere – kleinschalige en/of onbemande – bibliotheek locaties in de dragende kernen (in MFC of woonzorglocatie of musea). 4. Stoppen met bibliotheekwerk en inzetten op innovatieve vormen van leesbevordering en bestrijden van laaggeletterdheid bv via scholen
3. Verkeer, vervoer en waterstaat 3.1 Mobiliteit woon-werk Waar hebben we mee te maken? In de Gemeente Sluis zijn we sterk gericht op autogebruik. Veel inwoners gebruiken de auto om naar het werk te gaan (uitgaand verkeer bijna 2-3 maal zo groot als inkomend) en om gebruik te maken van voorzieningen. Tevens neemt het gebruik van het openbaar busvervoer steeds verder af. Het huidig vervoerssysteem past steeds minder en vraagt om andere, nieuwe oplossingen/ alternatieven. Scenario’s: 1. We accepteren het forse autogebruik en we faciliteren het autogebruik optimaal (parkeerplaatsen, laadpalen, etc.) 2. We accepteren het autogebruik, maar zetten daarbij tevens in op aanpassing van het huidige vervoerssysteem. Te denken valt bijvoorbeeld aan omschakeling van openbaar vervoer naar slimme mobiliteit en intensiveren van het fiets-voetveer. Afstemming met de provincie is voorwaarde; 3. We ontmoedigen het autogebruik door het stimuleren van andere vervoersstromen.
Zie leerlingenvervoer en Wmo-vervoer (nr 10.3, 10,4, 11.2, 11.3) 3.2 Toeristische mobiliteit Waar hebben we mee te maken? Gasten en inwoners gebruiken veelvuldig de auto, ook als ze eenmaal op de plaats van bestemming zijn. Met name de slagenstructuur is daardoor overbelast en behoeft aanpassing. Tevens is het aanbod van mobiliteitsvormen (die ook de beleving van het gebied vergroten), te beperkt. Scenario’s: 1. We accepteren het toenemend gebruik van de auto door inwoners en gasten en daardoor toenemende druk op de kust (Zeeweg) voor inwoners en gasten en faciliteren dit. 2. We ontmoedigen het gebruik van de auto langs de kust (Zeeweg) door het bieden van alternatieven. Te denken valt aan het stimuleren van het aanbod van mobiliteitsvormen (bijvoorbeeld zonnetrein en leenfietsen). Tevens verbeteren we de slagenstructuur en trekken deze door naar de kernen Oostburg en Breskens. Daarnaast zetten we in op hoogwaardige routestructuren (wandelen, fietsen, enz). Om de kust enigszins te kunnen ontlasten willen we mensen stimuleren om de auto op hun vakantiepark te laten staan gedurende hun verblijf. Ten aanzien van het stimuleren van alternatieve verkeersvormen het volgende. Scenario’s: 1.
We accepteren de signalen van ondernemers en de vervoerder dat de kustbus geen passend alternatieve vervoersvorm is die voldoet aan de vraag; We willen inzetten op alternatieve duurzame vervoersvormen die meer gericht zijn op beleving en meer vanuit de maatwerkgedachte. Denk bijvoorbeeld ook aan het intensiveren en opwaarderen van de ferry als toeristisch vervoer in samenspraak met de provincie. En verbetering van de fietsroutes nu er al sprake is van een intensivering van het fietsverkeer. 2. We gaan onderzoeken of herinvoering van de kustbus tot de mogelijkheden behoort. Het is van belang dat er een bus op gezette tijden langs een vaste route rijdt.
3.3 Bereikbaarheid voorzieningen Waar hebben we mee te maken? De gemeente vergrijst waardoor het draagvlak voor voorzieningen afneemt. Inwoners van Sluis wonen daardoor steeds vaker niet in de nabijheid van voorzieningen. De bereikbaarheid hiervan, fysiek dan wel digitaal, is wel een bepalende factor voor leefbaarheid. Scenario’s: 1. We zorgen ervoor dat voorzieningen bereikbaar zijn door deze, indien mogelijk, naar de mensen ‘toe te brengen’, hetzij fysiek, hetzij digitaal; 2. We zetten in op concentratie van voorzieningen waardoor behoud beter gewaarborgd is en zorgen dat de mensen deze kunnen bereiken. Zie ook Sociaal-culturele accomodaties (7.2) 3.4 Parkeren Waar hebben we mee te maken? Huidig uitgangspunt is de juiste parkeerder op de juiste plek. Om afstemming te vinden tussen de parkeervraag en het parkeeraanbod, worden momenteel parkeernormen opgesteld. De vraag naar parkeerplaatsen is overigens veelal seizoensgebonden. Tevens is er een verschil in de vraag naar kort- en lang parkeren. Scenario’s: 1. We zien de parkeerterreinen als een bron van inkomsten en handhaven betaald parkeren. We accepteren dat mensen alternatieve parkeerplaatsen zoeken (wild parkeren) en parkeerterreinen deels onbenut blijven. 2. We sturen op het principe van de juiste parkeerder op de juiste plaats.
Dit doen we onder andere door aangepaste parkeertarieven in het hoogen laagseizoen (gratis indien mogelijk). 3.5 Elektrische laadpalen: Waar hebben we mee te maken: Ook in de mobiliteitssector is een transitie gaande richting elektrisch rijden. Deze trend zal verder doorzetten en het is zaak om deze groeiende markt ook van voldoende oplaadpunten te voorzien. De afweging hierbij is hoe proactief en sturend je daarbij als gemeente wilt zijn of dat je dit hoofdzakelijk aan de markt overlaat.
Scenario’s: 1. De markt bepaalt waar behoefte is aan laadpalen. Er zijn bedrijven die laadpalen plaatsen wanneer zij denken dat er op een bepaalde locatie behoefte is. Onze enige taak als gemeente is dan om het noodzakelijke verkeersbesluit te nemen zodat deze laadpaal geplaatst mag worden; 2. We sluiten aan bij een Zeeuwsbreed onderzoek waarbij gericht wordt gekeken op welke strategische plekken laadpalen nodig zijn en worden. Hiermee stellen we ons proactief op en werken we toe naar een gewenst eindbeeld waarbij geanticipeerd kan worden op toekomstige ontwikkelingen. Zodoende gebruiken we de plaatsing van laadpalen ook om deels te sturen in mobiliteits- en parkeervraagstukken. De werkelijke plaatsing zal in samen met daarin gespecialiseerde bedrijven worden gerealiseerd.
4. Duurzaamheid 4.1 Rol en ambitieniveau gemeente (als overheid) Waar hebben we mee te maken? Duurzaamheid is een item wat steeds belangrijker wordt binnen onze samenleving. Het draait hierbij om verantwoorde keuzes maken waarbij een evenwicht ontstaat tussen mens, economie en milieu. In het kader van duurzaamheid dient ook de gemeente een ambitie te bepalen vanuit zowel haar publiekrechtelijke taak als vanuit haar rol als organisatie: Scenario’s: 1. Als gemeente wordt duurzaamheid leidend in ons beleid. We gaan ruimhartig om met initiatieven voor duurzame energie, zetten zeer actief in op subsidies, informatievoorziening richting burgers en bedrijven en faciliteren bij allerlei initiatieven. Hiermee willen we op het gebied van duurzaamheid zeer vooruitstrevend en pionierend zijn; 2. Duurzaamheid wordt integraal onderdeel van het gemeentelijk beleid. Er zal op een afgewogen manier gekeken worden naar initiatieven voor duurzame energie, in lijn met de visie vanuit de regionale energiestrategie (RES) en werken geleidelijk toe naar de gestelde doelen voor 2050. De gemeente zal commerciële initiatieven voor energieopwekking koppelen aan subsidiemogelijkheden voor particulieren middels een vereveningsmodel. Tevens zullen we daar waar mogelijkheden zijn onze
burgers informeren over de mogelijkheden en zal duurzaamheid ook een randvoorwaarde worden voor subsidies en evenementen; 3. We doen datgene op het gebied van duurzaamheid wat vanuit hogere wet- en regelgeving noodzakelijk is. Verder is duurzaamheid een aspect wat meegenomen kan worden wanneer dat financieel lonend is maar niet vanuit een specifieke ambitie. 4.2 Ambitie duurzaamheid gemeentelijke organisatie (inkoopbeleid, aanbestedingen, gebouwen, energie, afval) Scenario’s: 1. Duurzaamheid speelt geen rol binnen de processen van de gemeentelijke organisatie. De huidige structuur waarbij duurzaamheid niet of nauwelijks een rol speelt blijft gehandhaafd. Duurzaamheid kan worden toegepast wanneer dat financieel loont; 2. Als organisatie gaan we onze processen tegen het licht houden en bekijken in relatie tot duurzaamheid. Dit zal resulteren in een speciaal intern duurzaamheidsplan waarbij gekeken zal worden op welke wijze duurzaamheid geïmplementeerd kan worden bij zowel het inkoopbeleid, aanbestedingen, gebouwenbeheer, energie en afvalverwerking. Uitgangspunt hierbij is dat we als gemeente onszelf een voorbeeldfunctie aanmeten vanuit onze maatschappelijke verantwoordelijkheid. 3. Duurzaamheid wordt een leidend principe binnen de gemeentelijke bedrijfsvoering.
Alle niet duurzame processen zullen worden vervangen door duurzame processen en ook bij aanbestedingen zal de meest duurzame variant gekozen worden. Dit zal extra geld kosten maar hiermee zijn we wel zo duurzaam mogelijk. 4.3 Natuur en landschap – Ruimtelijk beleid Waar hebben we mee te maken? Ons landschap is een uniek onderdeel van de aantrekkingskracht van onze gemeente. Er spelen zich in het buitengebied veel ontwikkelingen af waar de gemeente vaak een van de betrokken partijen is. Denk hierbij aan kustontwikkeling met recreatief medegebruik, inrichting van recreatienatuurgebieden of het optimaliseren van verkeersstromen door fysieke ingrepen. De rol van de gemeente hierbij is niet altijd even helder. Vaak zijn we hierbij geen eigenaar van de desbetreffende gronden/wegen maar speelt er wel een gemeentelijk belang. De praktijk is dat andere partijen toch vaak naar de gemeente kijken om hier een leidersrol in te nemen en ook voor burgers is de gemeente toch vaak het eerste aanspreekpunt.
Scenario’s: 1. Als gemeente voelen we ons betrokken bij deze ontwikkelingen maar de verantwoordelijkheid moet blijven liggen daar waar hij hoort (de grondeigenaar). Wanneer partijen hun verantwoordelijkheid niet nemen zullen wij als gemeente hen daarop aanspreken, we gaan de verantwoordelijkheid niet overnemen. Primair zien we voor onszelf een kaderstellende- en faciliterende rol weggelegd; 2. Als gemeente vinden we het dusdanig van belang dat ontwikkelingen doorgaan, ook als de grondeigenaar daar zelf geen verantwoordelijkheid in neemt. In dat geval zullen we zelf de regie naar ons toe trekken en zorgen dat ontwikkelingen waar een gemeentelijk belang aan gekoppeld zit te allen tijde doorgang kunnen vinden. 4.4 Natuur: Waar hebben we mee te maken? Er zijn tal van opgaven in het buitengebied waar we momenteel voor staan en die er nog aan zullen komen. Denk hierbij aan de opgaven ten aanzien van klimaatadaptatie, de transitie binnen de landbouw, behoud/versterking van de biodiversiteit, de energietransitie, de stikstofproblematiek, verziltingsproblematiek, balans openheid-dichtheid buitengebied etc. Nieuwe natuur zou hierbij een oplossing kunnen bieden als verbindend element binnen deze opgaven. De vraag is hoe wij als gemeente aankijken tegen dit uitgangspunt Scenario’s: 1. We hanteren als gemeente het uitgangspunt van geen nieuwe natuur.
We hebben genoeg natuur en extra natuur gaat ten koste van andere functies. De opgaven in het buitengebied zullen elk afzonderlijk moeten worden opgepakt; 2. Nieuwe natuur is geen doel op zich maar indien het een middel kan zijn om de opgaven in het buitengebied verder vorm te geven staan we hier niet negatief tegenover. Streven hierbij is wel dat deze mogelijk nieuwe natuur passend en zoveel als mogelijk (openbaar) toegankelijk moet zijn in het landschap en streekeigen moet zijn. 5. Economische ontwikkeling 5.1 Arbeidsmarkt
Waar hebben we mee te maken? De opgave waar we mee te maken hebben is zowel kwantitatief als kwalitatief. Het kwantitatieve aspect heft betrekking op het krimpend arbeidspotentieel. Dit als gevolg van de combinatie van een dalend inwonersaantal en vergrijzing en een toenemende vraag naar arbeid. Het kwalitatieve aspect heeft betrekking op de mismatch tussen vraag en aanbod. Daarbij hebben we te maken met de dynamiek van een grensregio. Scenario’s: 1. We zetten de ingezette richting door en houden vast aan het Zeeuws en Zeeuws Vlaams beleid. We gaan er daarbij van uit dat er op deze schaal ook de specifieke aandacht is voor de situatie in Sluis; 2. Naast de Zeeuwse en Zeeuws-Vlaamse opgave en beleid, zetten we in op het ontwikkelen van eigen (specifiek) beleid. Dit gebaseerd op de lokale opgave en behoefte. 5.2 Onderwijsketen Waar hebben we mee te maken? Er is een afname van het aantal leerlingen. Hierdoor staan onderwijsvoorzieningen onder druk. Dit zowel wat betreft instandhouding als kwaliteit. Tevens hebben de verschillende niveaus (PO, VO, MBO) ieder een eigen strategie. Zo kennen we in het PO en de kinderopvang startgroepen om de concurrentie met België aan te gaan. In het VO zien we onderwijskundige vernieuwing (meer individueel, digitaal en projectmatig i.s.m.
bedrijfsleven, waarmee we ons juist verder onderscheiden van het Belgische onderwijs), maar ook regionalisering en samenwerking met het MBO (CTT). In het MBO zien we schaalvergroting (Zeeuws) en onderwijskundige vernieuwing i.s.m. het bedrijfsleven (praktijkroutes). In het HBO/WO zetten we in toenemende mate in op samenwerking met België (Gent). Geconcludeerd kan worden dat een eenduidige strategie en regie ontbreekt. Ook de aansluiting tussen het aanbod vanuit het onderwijs en de vraag op de arbeidsmarkt is niet optimaal: Er is vooral aanbod van laag opgeleid personeel terwijl er vraag is naar hoog- en laagopgeleid (horeca, zorg, techniek). Scenario’s Startgroepen: 1. Om de kinderen van jongs af aan te behouden voor het Nederlandse onderwijs, zetten we in op stargroepen in alle grensdorpen. 2. Om de kinderen van jongs af aan te behouden voor het Nederlandse onderwijs, zetten we in op startgroepen in alle kernen. 3. Om leerlingen te behouden voor het Nederlandse onderwijssysteem gaan we uit van onze eigen kracht en zetten we in op een eigen
onderscheidend en hoogwaardig aanbod. In dit scenario gaan we niet concurreren op een vergelijkbaar aanbod als België (startgroepen) Zie ook Onderwijsachterstanenbeleid (OAB) (10.1) Scenario’s VO: 1. We hechten als gemeente aan behoud lokaal VO/Zwincollege 2. We zetten in op één sterke VO voorziening in Zeeuws-Vlaanderen i.c.m. vervoer/bereikbaarheid Scenario’s beroepsonderwijs : 1. We zetten in op kleinschalige onderwijsvoorzieningen in de regio in samenwerking met het bedrijfsleven (praktijkroutes). 2. We zetten in op één sterke educatieve campus voor heel Zeeland. Ook als deze buiten Zeeuws-Vlaanderen ligt. Scenario’s rol gemeente: 1. De gemeente heeft geen rol t.a.v. de afstemming in de onderwijsketen 2. De gemeente speelt als intermediair een verbindende rol zowel tussen onderwijs en bedrijfsleven als tussen scholen onderling. 3. De gemeente wil een regierol in het voortbestaan van het onderwijs 5.3 Bedrijvenloket & bedrijfsregelingen Waar hebben we mee te maken? We willen nieuwe bedrijven en ondernemers aantrekken. Daarvoor is een gunstig vestigingsklimaat noodzakelijk. Dit wordt op dit moment als onvoldoende ervaren. We voeren op dit punt te weinig beleid en hebben weinig tot geen samenwerkingsafspraken. Bovendien wordt onvoldoende acquisitie gepleegd en blijven alternatieve mogelijkheden/locaties vaak buiten beeld.
We richten ons nu veelal op de bestaande situatie en minder op nieuwe kansen. Scenario’s: 1. We zetten ons actief in om nieuwe bedrijven aan te trekken en te faciliteren. We zien daarbij vooral een rol voor onszelf weggelegd. 2. We nemen een actieve rol in ten aanzien van de kansrijke sectoren en beleggen het overige bij derden. 3. We zijn faciliterend bij het aantrekken van nieuwe bedrijven. Het primaat op dit punt wordt bij een derde belegd (bv. Impuls) en we maken daarover gerichte afspraken.
Scenario’s: 1. We richten onze acquisitie met name op de bestaande situatie. Dat betekent dat we onze aandacht richten op de bedrijventerreinen en detailhandel. 2. We gaan onze acquisitie met name inzetten voor het benutten van nieuwe kansen. Denk hierbij onder andere aan de potentie van vrijkomende locaties in het buitengebied. Dat wil zeggen dat we ons met name richten op niet locatie gebonden bedrijven (passend binnen de uitgangspunten van de NED-regeling). Naast de landbouw, behouden we aandacht voor de bedrijventerreinen en detailhandel. Er is op dit moment een groot verschil tussen hoe we met bijvoorbeeld recreatieondernemers, landbouw en detailhandel omgaan. Zelfs per kern zijn er verschillen. Zowel organisatorisch als financieel. We hebben geen vastgesteld beleid hiervoor en geen (uniforme) samenwerkingsafspraken. Scenario’s: 1. We gaan voor een minimum variant en reageren enkel op vragen vanuit het bedrijfsleven; 2. We willen volwaardig gesprekspartner zijn om samen met de verschillende sectoren economisch beleid te ontwikkelen en een strategie voor de toekomst te ontwikkelen. 5.4 Economische promotie Waar hebben we mee te maken? De promotie op het gebied van wonen, werken, recreëren is versnipperd en vraagt om een toekomstbestendige benadering. Scenario’s: 1.
We kiezen voor een volledig Zeeuwse aanpak van de promotie op het gebied van wonen, werken en recreëren en zetten daarbij niet in op lokale profilering middels streekpromotie. 2. We spelen in op de ontstane versnippering op het gebied van promotie tussen wonen en werken enerzijds en recreatie en toerisme anderzijds. Voor het promoten van wonen en werken kiezen we voor een combinatie van Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen en voor de toeristische promotie kiezen we voor een combinatie van Zeeland en de Zwinstreek.
5.5 Bedrijfsinfrastructuur/bedrijventerreinen Waar hebben we mee te maken? Er is een zeer wisselende vraag naar bedrijventerreinen en bovendien is deze vraag sterk afhankelijk van de locatie. Zo is er veel vraag naar gronden op het terrein in Eede (vooral vanuit België), maar hebben we daar geen capaciteit. Voor andere kernen geldt vervolgens dat er wel capaciteit is, maar veel minder vraag. Het betreft onder andere particuliere terreinen. Gemeente breed is er sprake van overaanbod (meer capaciteit dan vraag). Scenario’s: 1. We accepteren dat de terreinen die niet zijn gelegen in Eede, op termijn niet ingevuld worden. We nemen de stap om deze gronden af te waarderen en gaan over tot sanering. 2. We zetten in op invulling van de terreinen die niet zijn gelegen in Eede, ofwel door vestiging van bedrijven dan wel door het zoeken naar alternatieve functies (bijvoorbeeld zonneparken). Tevens zetten we stappen tot het wegbestemmen van (delen van) de particuliere terreinen. 5.6 Detailhandel Waar hebben we mee te maken? De beschikbare (planologische) ruimte voor detailhandel is niet afgestemd op de behoefte, waardoor er sprake is van overaanbod. Ook is er sprake van te veel versnippering van de winkelgebieden waardoor er sprake is van leegstand. Tevens lopen door toenemende internetverkoop, de bestedingen in de winkelgebieden fors terug. Scenario’s: 1.
We zien hiervoor onszelf geen rol weggelegd en laten de markt zijn werk doen; 2. We nemen een sturende rol en gaan daarbij actief gebruik maken van de instrumenten die ons ter beschikking staan. Te denken valt daarbij aan het terugbrengen van de planologische ruimte. Waar mogelijk wordt detailhandel omgezet naar wonen. Daarbij maken we geen onderscheid in kernen; 3. Aanvullend op scenario 2 maken we in dit scenario 3 wel onderscheid in kernen en de functies die ze vervullen. Als gevolg daarvan accepteren we het verschil tussen Sluis / Breskens / Cadzand als toeristische kernen versus Oostburg als functioneel koopcentrum.
6. Burgerparticipatie Waar hebben we mee te maken? De samenleving verandert en ook de rolverdeling tussen inwoners en overheid verandert mee. Inwoners willen meer meedoen en meedenken met taken waar de overheid primair verantwoordelijk voor is en voelen zich verantwoordelijk voor hun leefomgeving. Dit geldt op allerlei vlakken en beleidsterreinen en van belang is om goed na te denken over de wijze hoe we burgerparticipatie vorm willen geven. Ook de naderende Omgevingswet vraagt op het punt van burgerparticipatie een duidelijke ambitie van de gemeente. Hierbij onderscheiden we burgerparticipatie in drie pijlers; meedoen, burgerinitiatieven en meedenken. Als uitwerking op de Nota Burgerparticipatie zal per pijler de voorgestelde aanpak worden beschreven. Meedoen: Het thema meedoen ziet met name op de rol die vrijwilligers hebben bij het uitvoeren of assisteren van gemeentelijke taken. Belangrijkste speerpunt hierbij is dat we vrijwilligers als volwaardige krachten beschouwen en ze ook als zodanig faciliteren. Dit zowel in materiële zin, toegang tot voorzieningen als qua opleidingen. Op dit moment zijn er minder beschikbare vrijwilligers dan wenselijk, hopelijk kan deze benadering bijdragen aan een toename van het aantal vrijwilligers. Ook zal gevolg worden gegeven aan de Right to challenge.
Burgerinitiatief: Het is van belang om een eenduidig kader te ontwikkeling op het gebied van burgerinitiatieven, op dit moment ontbreekt het hieraan. Daarbij moet duidelijk zijn hoe een burgerinitiatief ingediend kan worden, welke routing het volgt, wat wel en niet mogelijk is en wat men daarbij wel en niet van de gemeente mag verwachten. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat het burgerinitiatief ook de verantwoordelijkheid van de burger blijft. Goed voorbeeld doet volgen; vanuit die gedachte zal de gemeente ook in de communicatie aandacht besteden aan goede voorbeelden van burgerinitiatieven en wat die hebben opgeleverd voor inwoners. Meedenken: Hoe stakeholders betrokken worden bij vraagstukken zal voorafgaand worden vormgegeven en niet pas tijdens een traject. Een vraag tot meedenken wordt rechtstreeks gekoppeld aan een bepaald belang / probleem wat ergens speelt. Deze verwachtingen kunnen samen worden bepaald met de mee te denken partijen/inwoners inclusief het niveau van de participatie (van informeren tot
meebeslissen). Hierbij zal minder vanuit de vaste structuren bevraagd worden maar meer vanuit een flexibele insteek, afhankelijk van het vraagstuk en de belanghebbenden daarbij. De rol van de individuele burger zal hierbij groter worden. Ook zal de oprichting van een burgerpanel en een jongerenraad onderzocht worden, dit met name op het gebied van gemeentebrede vraagstukken. Jeugdparticipatie zal nadrukkelijker vormgegeven worden, in samenspraak met de jeugd zelf. Communicatie binnen een proces van meedenken stopt niet na het aanleveren van input maar loopt als een rode draad door het gehele proces. Het is van belang voor meedenkers om te weten wat er met hun input is gedaan en hoe vervolgstappen eruitzien.