RV tot het beschikbaar stellen van de benodigde financiële middelen aan Intervence.
Tekst van het document
Vertrouwelijk Raadsvoorstel Pag. 1/5
Datum vergadering
28 januari 2021
Omschrijving agendapunt
Voorstel tot het beschikbaar stellen van de benodigde financiële middelen aan Intervence.
Portefeuillehouder
wethouder J. Werkman Samenvatting
Begin 2020 is geconstateerd dat de financiële situatie bij Intervence dermate zorgwekkend was, dat besloten is tot een scenario onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de rol die Intervence daarin kan hebben. Dit met als doel om op basis van de juiste feiten een beslissing te kunnen nemen door de 13 Zeeuwse gemeenten over de contractering van Intervence vanaf 2021. Uit het scenario-onderzoek is geconcludeerd dat Intervence de zorg niet binnen de gestelde financiële kaders kan organiseren en er ook geen overnamepartner voor Intervence is gevonden. Uiteindelijk blijft op basis daarvan alleen het scenario over waarbij de werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden afgebouwd. De werkzaamheden en de gezinsmanagers worden verspreid over een periode van 6 tot 9 maanden overgenomen door andere GI’s. Intervence is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van dit scenario 3. Dat betekent dat zij zich kunnen richten op een faillissement of een liquidatie van de onderneming. De geschatte kosten van een faillissement komen neer op € 2.75 miljoen en die van liquidatie op circa € 3.2 miljoen. Intervence heeft hier zelf onvoldoende middelen voor. Daarom worden de gemeenten gevraagd hierin te ondersteunen.
U wordt voorgesteld hiervoor de benodigde financiële middelen beschikbaar te stellen door middel van een geschatte incidentele bijdrage van € 150.275,-- in 2021 voor deels een achtergestelde lening voor de transitieperiode en deels voor de overgang van cliënten van de GI Intervence.
Aan de raad, Aanleiding Begin 2020 is geconstateerd dat de financiële situatie bij Intervence dermate zorgwekkend was, dat besloten is tot een scenario onderzoek naar de uitvoering van de GI-functie in Zeeland in relatie tot de rol die Intervence daarin kan hebben. Dit met als doel om op basis van de juiste feiten een beslissing te kunnen nemen door de 13 Zeeuwse gemeenten over de contractering van Intervence vanaf 2021. Het betreft de volgende scenario’s: 1. Intervence wordt gecontracteerd vanaf 2021 inzake GI-functies voor de Zeeuwse gemeenten. Intervence voert als zelfstandige GI deze werkzaamheden uit. Dit vindt plaats aan de hand van een helder meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen Intervence en de Zeeuwse gemeenten 2. Intervence wordt overgenomen door een andere partij, waarna Intervence (als dochter of werkmaatschappij van een nieuwe eigenaar) de GI-werkzaamheden gaat uitvoeren voor de Zeeuwse gemeenten. Dit vindt plaats aan de hand van een meerjarig bedrijfsplan voor Intervence en duidelijke zakelijke afspraken tussen de eigenaar van Intervence en de Zeeuwse gemeenten 3. De werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden (eventueel stapsgewijs) afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden worden vanaf 2021 uitgevoerd door een andere GI.
Onderstaand een korte beschrijving van de resultaten van het scenario-onderzoek voor de GI-functie in Zeeland: Scenario 1. Hierover heeft de Raad van Toezicht van Intervence geconcludeerd dat scenario 1 geen reële optie is. Dit omdat het onderzoek dat is opgesteld samen met adviesbureau EHdK, het niet haalbaar blijkt om de organisatie Intervence te laten voortbestaan op basis van de gestelde kaders (PxQ en zonder instandhoudingsbijdrage) en er geen break-even moment te noemen is. Er zijn te weinig casussen voor Intervence en daarmee is Intervence als zelfstandige organisatie niet levensvatbaar. Wanneer er wel gekozen zou worden voor scenario 1 betekent dit dat de
Raadsvoorstel Pag. 2/5
instandhoudingsbijdrage voor Intervence (die nodig is om Intervence dan in stand te houden) ook betaald zou moeten worden aan de andere gecontracteerde GI’s (i.v.m. de Europese aanbestedingsregels). Dit zou betekenen dat de tarieven voor de GI’s met 25% omhoog zouden moeten, met een toename van zo’n € 2 miljoen structureel.
Scenario 2. Er is in het proces aan 6 GI’s gevraagd of zij mogelijkheden zagen voor overname. Voor scenario 2 heeft één landelijke GI op verzoek van de gemeenten een onderzoek gedaan, met als doel onderzoeken of het haalbaar was om Intervence in te lijven binnen deze organisatie. Op basis van de businesscase heeft betreffende GI zelf besloten geen aanbod aan de Zeeuwse gemeenten en Intervence te doen voor overname van de organisatie Intervence. Men vond de risico’s ook te groot voor de eigen organisatie. Een andere GI heeft, voorafgaand aan het onderzoek een aantal zekerheden gevraagd die voor gemeenten een te hoge drempel opwierpen. De betreffende GI vroeg bijvoorbeeld een garantie vooraf voor het uitvoeren van het onderzoek en een garantie van een hoog bedrag voor eventuele overname. Dit betekent dat ook scenario 2 niet uitvoerbaar bleek.
Scenario 3. Voor scenario 3 hebben de drie andere in Zeeland al gecontracteerde GI’s aangegeven dat zij bereid zijn om casussen van Intervence over te nemen en de medewerkers uit het primaire proces van Intervence de kans te willen geven bij hen in dienst te komen. Met dit scenario is de continuïteit van de zorg zoveel mogelijk gegarandeerd. De risico’s voor de Zeeuwse gemeenten zijn minder groot en ook contractueel zijn er minder risico’s. Bij keuze voor uitrol van dit scenario zijn er na afronding geen vier, maar drie GI’s in Zeeland werkzaam, waarmee het aantal casussen onder minder GI’s verdeeld worden.
Uit het scenario-onderzoek is geconcludeerd dat Intervence de zorg niet binnen de gestelde financiële kaders kan organiseren (scenario 1) en er ook geen overnamepartner voor Intervence is gevonden (scenario 2). Uiteindelijk blijft op basis daarvan alleen scenario 3 over: de werkzaamheden van Intervence in Zeeland worden afgebouwd, waarna de organisatie stopt. De werkzaamheden en de gezinsmanagers worden verspreid over een periode van 6 tot 9 maanden overgenomen door andere GI’s. De hulpverleningstrajecten die in de betreffende casussen worden uitgevoerd door andere partijen (zoals bijvoorbeeld Juvent), gaan onverminderd door. Inhoud Intervence is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van scenario 3. Dat betekent dat zij zich kunnen richten op een faillissement (scenario 3a) of een liquidatie (scenario 3b) van de onderneming. De geschatte kosten van een faillissement komen neer op € 2.75 miljoen en die van liquidatie op circa € 3.2 miljoen. Intervence heeft hier zelf onvoldoende middelen voor. Daarom worden de gemeenten gevraagd hierin te ondersteunen. Voor Intervence is het noodzakelijk te weten welke ondersteuning zij van de gemeenten zullen ontvangen om uitvoering te geven aan de keuze. Ter ondersteuning van dit besluit is door de Zeeuwse gemeenten een advies gevraagd bij de landsadvocaat. Het uitgebreide advies is als bijlage bijgevoegd.
In dit advies wordt met name ingegaan op het risico dat gemeenten lopen bij scenario 3 voor wat betreft de kans dat er sprake is van ‘’overgang van onderneming’’. Samenvattend stelt de landsadvocaat dat overgang van onderneming een groot risico is bij zowel liquidatie als, in mindere mate, faillissement. De overnemende GI’s zijn geen van allen in staat om in te steken op ‘overgang van onderneming”. Het financiële risico voor partijen is dan te groot (vergelijkbaar met de uitwerking van scenario 2). Wanneer overname van onderneming toch onderdeel van de overname door de andere GI’s, is het risico aanwezig dat het benodigde bedrag hoger uitkomt (tot een maximum van circa € 6 miljoen, gebaseerd op de resultaten van het onderzoek bij scenario 2). De landsadvocaat heeft de Zeeuwse gemeenten geadviseerd voldoende middelen beschikbaar te stellen voor liquidatie van Intervence. Dit scenario heeft de voorkeur omdat gemeenten dan zelf meer zeggenschap hebben over een goede overdracht van casussen en werkzaamheden. Bij faillissement ligt dit bij een curator. De jeugdautoriteit en de Inspecties hebben hun zorgen geuit over de gevolgen van het besluit van de
Raadsvoorstel Pag. 3/5
Zeeuwse gemeenten (lees Bestuurscommissie). Hierover is ook veel aandacht in de pers geweest. De Jeugdautoriteit en de Inspecties hebben aangegeven dat zij actief betrokken willen worden bij het opstellen van het Transitieplan. Tot het akkoord van de Jeugdautoriteit en de Inspecties op het Transitieplan is afgesproken met de Minister van Veiligheid (S. Dekker) dat er geen onomkeerbare acties worden uitgevoerd. Dat betekent dat de huidige situatie zowel voor medewerkers als kinderen hetzelfde blijven. Pas na vaststelling van het Transitieplan kan een start gemaakt worden met overdracht van bestaande maatregelen en nieuwe maatregelen naar de andere 3 GI’s. Deze zijn overigens ook al lange tijd gecontracteerd in Zeeland en hebben gesteld dat zij de maatregelen na de transitieperiode voor bestaande tarieven kunnen uitvoeren. Volgens de huidige financiële doorrekening is een faillissementssituatie minder kostbaar voor de gemeenten. De kosten voor de gemeenten in scenario 3a ongeveer 2,75 miljoen, terwijl de kosten in scenario 3b bij liquidatie uitkomen op circa 3,2 miljoen. Verdeeld over de dertien Zeeuwse gemeenten is het verschil per gemeente tussen faillissement en liquidatie dan echter klein.
Mede op basis van het advies van de landsadvocaat wordt geadviseerd uit te gaan van scenario 3b liquidatie en in 2021 voor uitvoering van dit scenario eenmalig in 2021 € 150.275,-- te reserveren. Het advies is dit via een achtergestelde lening aan Intervence beschikbaar te stellen. Conform de financiële verordening is dit laatste een bevoegdheid van de raad. Financiën Er zijn, zoals beschreven, bij Intervence zelf onvoldoende financiële middelen om het proces van uitvoering van scenario 3 vorm te geven. Intervence heeft een negatief eigen vermogen en dat maakt de kans op terugvordering van de teveel bevoorschotte bedragen zeer klein. Dit is een financieel risico waar rekening mee gehouden moet worden. Intervence zal in de afbouwperiode ook betaald moeten worden, dit wordt geregeld middels het overbruggingscontract. Intervence moet dan betaald worden voor de casussen die zij nog oppakken, maar ook voor het instandhouding van de organisatie zolang er nog maatregelen onder de verantwoordelijkheid van Intervence vallen. Dit zal periodiek afgebouwd gaan worden wanneer casussen en medewerkers overgaan naar de andere GI’s.
In de bekostiging van Intervence hebben we de keuzemogelijkheden van: Lening; Achtergestelde lening; Subsidie In deze afweging moet worden meegenomen dat het verstrekken van een lening kan leiden tot het benadelen van bestaande crediteuren, waardoor Intervence in de positie kan komen te besluiten tot het direct aanvragen van een faillissement. Dat kan een verhoogd risico geven voor de continuïteit van zorg. Een achtergestelde lening is een krediet waarbij de verlener in het geval van faillissement van de lener wordt achtergesteld in zijn positie als schuldeiser: de achtergestelde schuldeiser komt in een faillissement in de volgorde van schuldeisers dus achter de concurrente ('gewone') schuldeisers zoals de werknemers en de banken. Door deze voorwaarden loopt de schuldeiser een hoger risico dat hij een deel van zijn verstrekte krediet niet terugbetaald krijgt. Een subsidie toekennen zou een langer traject met een openstelling voor meerdere partijen betekenen. Op basis van bovenstaande en ondanks dat het risico groot is dat de gemeenten de middelen niet terug kunnen krijgen, adviseren wij om Intervence te financieren middels een achtergestelde lening. In totaal vraagt de afbouw van Intervence vanuit liquidatie (3b) en de overdracht van de casussen een bedrag van ongeveer circa € 3.2 miljoen van de Zeeuwse gemeenten,.
Voor de verdeelsleutel per gemeente wordt verwezen naar de bijlagen. Voor Sluis gaat het in totaal om een incidenteel bedrag van € 150.275,-- dat nodig is om te reserveren in 2021. Het is belangrijk dat gemeenten ook in de afbouwperiode grip houden op de uitgaven van Intervence. Daarom wordt als voorwaarde geadviseerd voor de steun bij liquidatie te stellen dat een vertegenwoordiging namens gemeenten meekijkt naar de uitvoering van de plannen. Dit is ook zo
Raadsvoorstel Pag. 4/5
geregeld in het Overbruggingscontract. Risico. Er is nog een onzekerheid als het gaat om het vraagstuk overgang van onderneming. Dit kan mogelijk nog extra kosten met zich meebrengen als blijkt dat overgang van onderneming een feit is. Het advies van de landsadvoaat is daar niet helder over. Nu de procesbegeleider aan het werk is gegaan in aanloop naar het transitieplan zal moeten blijken of het inderdaad gaat om overgang van onderneming of niet. De inzet van gemeenten is erop gericht om het geen overgang van onderneming te laten zijn Communicatie De communicatie verloopt via de gemeente Sluis als coördinerende gemeente. Dit omdat zij ook de voorzitter van de jeugdhulpregio Zeeland leveren, wethouder Jack Werkman. Gezamenlijk is er door de Zeeuwse gemeenten met de betrokken partijen een communicatieplan opgesteld voor zowel cliënten alsook personeel. Aanvullend daarop kunnen cliënten contact opnemen met het cluster Jeugd en Gezin binnen Porthos Sluis over het verdere proces. Oostburg, 22 december 2020 BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SLUIS, De secretaris,
De burgemeester,
S.I. de Kievit-Minnaert
mr. M.M.D. Vermue
Bijlage(n): 1. Matrix kansen en bedreigingen; 2. Matrix vergelijking scenario’s; 3. Oplegger besluitvorming Intervence; 4. Advies landsadvocaat; 5. Overzicht kosten per gemeente; 6. Memo raden situatie Intervence 8 december 2020; 7. Feitenoverzicht Intervence; 8. Reactie inkooporganisatie jeugd (IJZ) op feitenoverzicht Intervence.
Raadsvoorstel Pag. 5/5
DE RAAD VAN DE GEMEENTE SLUIS gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 22 december 2020; BESLUIT: De benodigde financiële middelen beschikbaar te stellen door middel van een (geschatte) incidentele bijdrage van € 150.275,-- in 2021 voor deels een achtergestelde lening voor de transitieperiode en deels voor de overgang van cliënten van de GI Intervence. Sluis, 28 januari 2021 DE RAAD VOORNOEMD, De griffier,
De voorzitter,
mr. P.T.G. Claeijs
mr. M.M.D. Vermue