d (Zienswijze 1)
Tekst van het document
chile
Adviesbureau Het Groene Schild Postbus 8633
6700 AP Wageningen
“4
e=
he ve
Gi
j9
IBAN 5.1.2e
Ni
5.1.2e
g+
Telefoon 5.1.2e
Tes
Email 5.1.2e
Advies en rechtsbijstand in bestuursrecht
College van Burgemeester en Wethouders van Sluis Postbus 27 4500 AA Oostburg
Uw kenmerk: Mijn kenmerk: Betreft:
CLZ-00002546 25-12/S12f zienswijze
Gemeente Sluis Ingekomen
26 FEB. 025 NR
Wageningen, 25 februari 2025 Geacht college,
Namens 5.1.2e , wonende 4.1.4 , 5.1.2e 5.1.2e en de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., Waldeck Pyrmontsingel 18, 6521 BC Nijmegen (verder te noemen: cliënten) breng ik hier bijgaande zienswijze in op uw ontwerpbesluit voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen, afwijken bestemmingsplan en milieu voor het bedrijf Margarethaweg 1 Oostburg. Bekendmaking De bekendmaking is ondeugdelijk, omdat hierin staat aangegeven dat slechts sprake is van een ontwerpvergunning voor de activiteiten handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en bouwen. Het ontwerpbesluit heeft daarnaast echter eveneens betrekking op de activiteit milieu inrichting. De bekendmaking geeft daarom ten onrechte de indruk dat de milieutoets (nog) niet plaatsvindt. Hierdoor kunnen belangen zijn geschaad. Er dient een nieuw ontwerpbesluit bekendgemaakt te worden. Natuurtoets Ten aanzien van de natuurtoets overweegt u enerzijds (in de ruimtelijke toets) dat de gebruiksfase leidt tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura2000-gebieden, dat dit met externe saldering kan worden gemitigeerd en dat er daarom een natuurvergunningplicht bestaat. Anderzijds (in de milieutoets) stelt u dat voor de aangevraagde bedrijvigheid op 27 juli 2023 een natuurvergunning is verleend.
De natuurvergunning van 27 juli 2023 heeft echter geen betrekking op het thans aangevraagde project. Het gaat om een daarvan afwijkend project, met een ander aantal dieren, een andere verdeling van de dieren over de stallen
en bovendien is de stikstofemissie van het project volgens de natuurvergunning belangrijk lager dan volgens het onderhavige ontwerpbesluit (de natuurvergunning spreekt van een projectemissie van 1276 kg stikstof per jaar, terwijl het onderhavige ontwerpbesluit ziet op een project met een emissie van maar liefst 1785 kg per jaar.
Voor het onderhavige project is dus geen natuurvergunning aangevraagd of verleend. De natuurtoets haakt dus aan. De vergunning mag niet worden verleend zonder een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) van Gedeputeerde Staten van Zeeland.
Daarbij zal een additionaliteitstoets gemaakt moeten worden, zowel ten aanzien van extern salderen als ten aanzien van intern salderen. Zie de Rendac-uitspraak ECLI:NL:RVS:2024:4923. Bovendien dient in de voortoets niet uitgegaan te worden van een stikstofemissie van 1785 kg, maar van 5780 kg kg per jaar. Er worden immers 85000 vleeskuikens aangevraagd en een project tot het houden van 85000 vleeskuikens leidt zonder mitigerende maatregelen tot een emissie van 85000 * 0,068 = 5780 kg per jaar. De systemen BWL 2017.01 en BWL 2020.04 moeten aangemerkt worden als mitigerende maatregelen die slechts in een passende beoordeling mogen worden betrokken, mits de verwachte voordelen vast staan. Dat is evident niet het geval. Uit onderzoek (WUR rapport 1426) bleek dat geclaimde emissie-arme systemen voor vleeskuikens in het algemeen geen significant lagere stikstofemissie bewerkstelligden dan traditionele huisvesting. Dit is bevestigd in de Kamerbrief van 30 juni 2023, nr DGA/27937391. Kort samengevat mag de vergunning zonder vvgb niet verleend worden en ziet het er niet naar uit dat een vvgb afgegeven zal kunnen worden. Gelet daarop wordt u verzocht de vergunning te weigeren. Milieutoets De milieutoets is ondeugdelijk omdat de aanvraag intern tegenstrijdig is. Diverse onderdelen van de aanvraag spreken elkaar tegen.
Enkele voorbeelden hiervan: bijlage 2 (milieuaspecten aanvraag) spreekt over een stuwbak van 4,5 bij 10 meter = 45 m? bij stal 5, terwijl bijlage 1 (plattegrondtekening) duidelijk aangeeft dat de maten 4,5 bij 8 meter zijn, dus 36 m2. Bijlage 2 geeft aan dat stal 5 een gemiddelde gebouwhoogte heeft van 6,1 meter, terwijl volgens de plattegrondtekening de nok 7,5 meter is en de goothoogte 2,75 meter, dus een gemiddelde gebouwhoogte van 5,1 meter. Ook de emissiepunthoogte verschilt tussen bijlage 1 en bijlage 2. Op blz. 7 van het akoestisch rapport staat aangegeven dat er in stal 2 11 nokventilatoren zijn, terwijl deze op de plattegrondtekening niet staan aangegeven en in bijlage 2 nadrukkelijk wordt gesteld dat deze niet aanwezig zijn. Daarentegen spreekt de plattegrondtekening en bijlage 2 wel van 2 gevelventilatoren aan de voorgevel, die ontbreken in het akoestisch rapport.
Doordat de stukken elkaar tegenspreken kan uw conclusie dat voldaan wordt aan de voorgrondgeurbelastingsnorm van 8,0 OÙU/m3 en in de representatieve bedrijfssituatie voldaan wordt aan de geluidsnorm van 40 dB(A) etmaalwaarde bij de omliggende woningen, niet gedragen worden door de eraan ten grondslag liggende motivering.
In uw ontwerpbesluit stelt u bovendien dat er geen milieueffectbeoordeling nodig is omdat de activiteiten waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, geen betrekking hebben op uitbreiding van het aantal dieren of wijziging van een installatie voor pluimvee. Dit is een evident onjuiste motivering. De vergunning ziet immers op een forse uitbreiding van het aantal dieren en een forse wijziging van de installatie voor pluimvee; er komt een stal bij en het huisvestingssysteem wijzig. Er is integendeel alle reden om een MER te vereisen voor deze aanvraag. De forse uitbreiding leidt immers tot een forse toename van de stikstofdepositie op omliggende natuurgebieden — dit betreft zowel Natura 2000-gebieden als andere natuurgebieden. Dit kan leiden tot significante effecten en dus tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Daarbij dient rekening te worden gehouden met een stikstofemissie van 5780 kg per jaar (zie hierboven). Daarnaast leidt de aanvraag tot een aanzienlijke geurbelasting op omliggende woningen. Op de woning van cliënt 5.1.2e rekent u een geurbelasting van 6,8 OU/m? uit. Zoals hiervoor aangegeven is dat rekenresultaat niet in overeenstemming met de stukken. Daarom moet met een hogere geurbelasting rekening worden gehouden.
Maar ook uitgaande van 6,8 OU/m3leidt dat al tot meer dan 25 % geurgehinderden volgens tabel B in bijlage 6 bij de Handreiking geurhinder en veehouderij en daarmee tot een slechte milieukwaliteit volgens bijlage 7 bij die Handreiking. Daarmee is sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Ruimtelijke toets In de ruimtelijke toets dient bovendien gemotiveerd te worden dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Die afweging is echter niet gemaakt. Er is slechts kaal getoetst aan de voorgrondgeurnormen van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Noch in uw ontwerpbesluit, noch in de ruimtelijke onderbouwwing wordt verder gekeken dan dat. Ook indien voldaan kan worden aan de normen uit de Wgyv (iets wat bovendien niet deugdelijk is onderbouwd, zie hierboven) dan is daarmee nog niet gemotiveerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierboven is immers al gemotiveerd uiteengezet dat de vergunning aanleiding zou geven tot een slecht woon- en leefklimaat. Een slecht woonen leefklimaat kan bezwaarlijk als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geduid worden. Anders gezegd verzet de omgevingskwaliteit zich tegen de gevraagde
uitbreiding. De vergunning is dan ook strijdig met art. 2.19 lid 7 sub c van de Omgevingsverordening.
Ook dienen de natuureffecten in de ruimtelijke toets te worden meegenomen. Op blz. 11 van de ruimtelijke onderbouwing staat dat de gewenste uitbreiding geen nadelige gevolgen heeft voor de dijken van ZeeuwsVlaanderen en de Sofiapolder (beiden onderdeel van Natuurnetwerk Zeeland) omdat ze op meer dan i00 meter afstand liggen. Er wordt echter niet aangegeven waarom de uitbreiding geen nadelige gevolgen heeft voor deze gebieden. Die nadelige gevolgen zijn wel degelijk te verwachten, reeds door de hoge stikstofdepositie die ten gevolge van de uitbreiding op deze gebieden is
te verwachten.
Ook de vereiste verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is er nog niet.
Concluderend verzoeken cliënten u de vergunning niet te verlenen. 5.1.2e
Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens geanonimiseerd op grond van: Wet
Artikel
Omschrijving
Pagina's
Wet open overheid
Art. 4.1 lid 4
Buiten reikwijdte verzoek
1
Wet open overheid
Art. 5.1 lid 2 sub e
De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
1, 3, 4