d. Quickscan ecologie
Tekst van het document
Memo
memonummer datum aan van
232009-003 26 juni 2024 W.J. Joosse R.J. Buijs
project projectnr. betreft Bijlagen
Quickscan Wet natuurbescherming Bosaanplant Ponte Bos 232009 Bevindingen en advies 1. Wettelijk kader
Ruimte en Groen Buijs Eco Consult B.V.
1. Inleiding In de Nationale Bossenstrategie (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2020) wordt het beleid uitgezet om voor het jaar 2030 in Nederland het totaal aan bosareaal te vergroten met 10%. Als belangrijkste redenen daarvoor worden genoemd het herstel van de biodiversiteit en het vastleggen van CO2. Dit beleid is door de Provincie Zeeland overgenomen in de Zeeuwse Bosvisie, waarin de ontwikkelingen van bos en houtige landschapselementen in Zeeland worden verwoord (opgesteld door BoschSlabbers landschapsarchitecten, 2020). Ook hierin wordt aangegeven dat gestreefd wordt om in Zeeland binnen een periode van 10 jaar het bosareaal uit te breiden met 10%. Concreet betekent dit een uitbreiding met 410 hectare. Staatsbosbeheer Zeeland zal daarvan zo'n 150 hectare voor haar rekening nemen. Eén van de locaties die hiervoor in aanmerking komen is het Pontebos In deze quickscan Wet natuurbescherming wordt deze ingreep beschouwd ten aanzien van gebiedsbescherming en soortbescherming.
blad 1 van 29
Figuur 1. Plangebied beoogde bosaanplant
Figuur 2. Impressie plangebied
blad 2 van 22
Figuur 3. Impressie plangebied
Figuur 4. Impressie plangebied
blad 3 van 22
Figuur 5. Impressie plangebied
Figuur 6. Impressie plangebied
blad 4 van 22
Figuur 7. Impressie plangebied
Figuur 8. Impressie plangebied
blad 5 van 22
Figuur 9. Impressie plangebied
Figuur 10. Impressie plangebied
blad 6 van 22
Figuur 11. Impressie plangebied
Figuur 12. Impressie plangebied
blad 7 van 22
Figuur 13. Impressie plangebied
Figuur 14. Impressie plangebied
blad 8 van 22
2. Doel Het doel van deze quickscan is om natuurwaarden in beeld te krijgen en te bepalen of er natuurwaarden al dan niet in het geding zijn en hoe effecten op natuurwaarden kunnen worden voorkomen. In het najaar van 2023 en voorjaar 2024 is het plangebied bezocht door R.J. Buijs van Buijs Eco Consult.
3. De ingreep De ingreep zal bestaan uit de volgende werkzaamheden + + + + + +
ruimen oude afrasteringen; plaatsen nieuwe afrasteringen;` plaatsen / verwijderden veehekken/klaphekken; bosaanplant cf. opbouw zoom-mantel-kern (zie tabel 1 voor sortiment); aanplant vrijstaande bomen in korf aanleg van 2 poelen
Tabel 1.
Sortiment bosaanplant Pontebos
Bij de aanplant wordt een zoom-mantel-kern structuur gehanteerd om een zo natuurlijk mogelijke uitstraling te creëren. In figuur 2 t/m 14 is een impressie van het plangebied weergegeven
blad 9 van 22
4. Wettelijk kader Vanuit de Omgevingswet is bij ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer de initiatiefnemer verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Het doel van de Omgevingswet is o.a. het in stand houden van de inheemse flora en fauna. Door, voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen en niet bestendig beheer, stil te staan bij aanwezige natuurwaarden, kan onnodige schade aan beschermde soorten worden voorkomen of beperkt. Voor een uitgebreide toelichting op de Omgevingswet wordt verwezen naar bijlage 1.
5. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het plangebied ligt op ruime afstand van de Natura 2000 gebieden Westerschelde & Saeftinghe (ca. 7,5 km) en en Groote Gat (ca. 5 km) en is gescheiden door bebouwing, akkers en dijken ten opzichte van deze nabijgelegen Natura 2000-gebieden. (zie figuur 15). Het Pontebos heeft geen functies voor aangewezen fauna waarvoor beide Natura 2000 gebieden zijn aangewezen. Gelet op de afstand van deze Natura 2000 gebieden kunnen directe effecten op de Natura 2000 gebieden als gevolg van de bosaanplant op voorhand worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied is gelegen in het Natuur Netwerk Nederland en is aangemerkt als beheertype kruiden- en faunarijk grasland en heeft als beheertype ambitie haagbeuken en essenbos (zie figuur 16). De voorgenomen bosaanplant past hiermee in de doelstelling van het Natuur Netwerk Nederland en de uiteindelijke beheerambitie waarmee wordt voldaan aan het Nee, tenzij principe. Vanwege de essentaksterfte worden er geen essen (Fraxinus excelsior) toegepast (zie tabel 1 voor sortimentkeuze).
Figuur 15. Ligging ten opzichte van Natura 2000 Westerschelde & Saeftinghe, Vogelkreek en Canisvliet
blad 10 van 22
Figuur 16. Ligging plangebied in NNN (Pontebos rood omlijnd)
6. Soortbescherming Per soortgroep wordt in deze paragraaf ingegaan op het voorkomen en aanwezigheid van beschermde soorten. Eveneens wordt ingegaan welke mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om een conflict met deze beschermde soorten te voorkomen. Broedvogels Rond het plangebied van de ingreep komen broedvogels voor van riet, bos en struweel zoals o.a., kleine karekiet, zwartkop, winterkoning, roodborst, heggemus, houtduif, patrijs etc. De locatie van de aanplant zelf is grotendeels ingezaaid met klaver of bestaat uit ruw gras wat vooral soorten als fazant en graspieper. Jaarrond beschermde roofvogels zoals buizerd, havik en ransuil komen eveneens in het gebied voor maar niet binnen de invloedzone van de voorgenomen bosaanplant. Grotere nesten zijn alleen waargenomen in het oudere bos aan de overzijde van de watergang die het Pontebos doorkruist. Door de werkzaamheden te plannen buiten het kritisch vogelbroedseizoen (1 maart t/m 1 september) kunnen effecten op broedvogels worden voorkomen (indien eerder of later wordt gestart is een ecologische check op broedvogels vereist). De percelen waar de aanplant is voorzien is bestaan uit voormalig akkergebied (nu ingezaaid met klaver) of worden beheerd als kruidenrijk grasland (maaien en hooien). Met de voorgenomen bosaanplant en aanleg van poelen zal de biodiversiteit van deze percelen toenemen.
Aanbevolen wordt om ook spontane bosontwikkeling te stimuleren en te handhaven. De voorgenomen aanplant zal ook zorgen voor meer variatie in de broedvogelpopulatie en kunnen op langere termijn ook meer soorten van bos worden verwacht.
Vleermuizen Binnen de invloedsfeer van de voorgenomen ingreep staan geen bomen die functioneel kunnen zijn voor vleermuizen als verblijfplaats (alle soorten strikt beschermd). Er is geen sprake van bomen met holtes, kieren of spleten geschikt voor vleermuizen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bovendien blijven de bestaande bomen behouden. Met de aanvullende aanplant van bomen zal het gebied op de langere termijn aantrekkelijker worden voor vleermuizen omdat in de boomvormers op langere termijn geschikte verblijfplaatsen kunnen ontstaan in door spechten gemaakte holen of afgescheurde takken. Ook ontstaan door de zoom-mantel-kern opbouw meer luwteplekken die geschikt foerageergebied vormen voor diverse soorten vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen worden daarom niet verwacht.
blad 11 van 22
Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied komen algemeen voorkomende zoogdieren voorkomen zoals haas en ree (zie figuur 7), vos, kleine marterachtigen worden meer langs de bosranden verwacht waar sprake is van meer dekking en beschutting. Om de functionaliteit voor haas te beoordelen zijn er aanvullende tellingen uitgevoerd in de avond en schemering met een warmtebeeldcamera in de maanden april – mei - juni. Hieruit blijkt dat de hazen zich met name ophouden in de agrarische percelen rond het Pontebos en het zuidelijk deel van Pontebos. Jonge hazen zijn alleen waargenomen op de agrarische percelen. Met de voorgenomen aanplant gaat er weliswaar ruw gras verloren door de omvorming naar bos maar worden effecten op haas als nihil ingeschat. De hazen hebben een duidelijke voorkeur voor de agrarische percelen en zullen de zoom en mantel van de nieuwe bosaanplant zeker gebruiken om zich overdag in schuil te houden (is ook vastgesteld bij het huidige struweel waar ze bij onraad naar toevluchten.
Figuur 17. Aanwezigheid haas (gemiddelde van 3 tellingen)
Effecten op overige zoogdieren worden niet verwacht als de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten het kwetsbaar voortplantingsseizoen (buiten de periode 1 maart t/m 1 september). Na afronding van deze werkzaamheden blijft het plangebied functioneel voor grondgebonden zoogdieren zoals kleine marterachtigen en (algemeen voorkomende) muizen.
blad 12 van 22
Planten Ter plaatse van de nieuwe aanplant komt geen beschermde bokkenorchis voor. Deze soort is wel aan de andere kant van het Pontebos aanwezig buiten de invloedzone van de nu voorziene bosaanplant.
Figuur 6. Bokken orchis in Pontebos (in geel de beoogde plantvakken)
Amfibieën In het plangebied komt de gewone pad, bastaardkikker, bruine kikker en kleine watersalamander voor. Met de aanplant van bos wordt het leefgebied van deze soorten alleen maar versterkt ten opzichte van de huidige situatie. Negatieve effecten op amfibieën worden daarom niet verwacht. Ongewervelden reptielen en vissen Op basis van verspreiding en ontbreken van geschikt biotoop kunnen effecten op beschermde ongewervelden, reptielen en vissen op voorhand worden uitgesloten.
blad 13 van 22
7. Conclusie en aanbevelingen Gebiedsbescherming Directe effecten op beschermde gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied grenst niet aan Natura 2000-gebieden en de voorgenomen ingreep (bosaanplant) sluit aan bij het gewenste ambitie beheertype (haagbeuken en essenbos). Hiermee wordt aangesloten bij het gewenste eindbeeld (beheertype) en wordt voldaan aan het Nee, tenzij principe. Soortbescherming Effecten op beschermde vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, planten, amfibieën, kunnen op voorhand worden uitgesloten door werken buiten kwetsbare perioden (buiten periode 1 maart t/m 1 september) en door werkzaamheden te laten plaatsvinden onder ecologische begeleiding bij uitvoering na 1 maart of voor 1 september. Andere mitigerende maatregelen zijn maaien grazige delen waar machinaal planten is voorzien. Hiermee wordt dekking voorkomen en kan grondgebonden fauna tijdig alternatief habitat opzoeken alvorens de grondroerende werkzaamheden starten. Toegepaste nieuwe wildrasters moeten passeerbaar zijn voor kleine grondgebonden fauna om geen compartimentering van leefgebied te veroorzaken.
Literatuur Broekhuizen, M.S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren KNNV, Utrecht Diepenbeek, A. van, 1999. Veldgids diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht Strumpel, T. & Strijbosch H., 2006. Veldgids amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht Wynhoff, I., Swaay, van C., & Made van der J., Veldgids Vlinders, KNNV Uitgeverij, Utrecht Websites: www.Ravon.nl www.waarneming.nl http://www.zoogdiervereniging.nl/ www.kaartenzeeland.nl
blad 14 van 22
Bijlage 1.
Wettelijk kader
Stroomschema toetsing gebiedsbescherming Ow
Toelichting Voortoets Een globale effectenanalyse van een plan of project op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden in de invloedsfeer van het plan of project. Mitigerende maatregelen mogen niet meegenomen worden in de voortoets1, wel dient een globale cumulatietoets te worden uitgevoerd2. dient te Conclusie zijn of er een kans is op significante gevolgen op Natura 2000-gebieden. Met significante gevolgen wordt gedoeld op zodanige gevolgen door het plan (maximale planologische mogelijkheden) of project, al dan niet in cumulatie met andere plannen en projecten, het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar worden gebracht (zie hierna onder Significante gevolgen). Indien er een mogelijke kans is op significante gevolgen, dan is er sprake van een Natura 2000-activiteit voor een project.3 Voor een Natura 2000-activiteit geldt een vergunningplicht conform art. 5.1, lid 1 Ow. In sommige gevallen is er sprake van een zogenaamde vergunningsvrij geval. Zie hiervoor art. 11.16 t/m 11.21 Bal. Voorbeelden van een vergunningsvrij geval is een Natura 2000-activiteit in gevallen aangewezen 1
Zie HvJEU, 12 april 2018, zaak C-323/17 People over Wind Sweetman. In de Omgevingswet staan er geen regels voor het uitvoeren van een voortoets. Wel wordt er in het begrip Natura 2000activiteit verwezen naar de cumulatietoets (zie noot 3). Om in de voortoets te kunnen concluderen of er sprake is van een kans op een significant gevolg (en daarmee een Natura 2000-activiteit voor een project), dient onder meer de cumulatietoets te worden uitgevoerd. De beoordeling in een voortoets (of screening) dient alle onderdelen te bevatten van de vereiste beoordeling conform art. 6, lid 3 Hrl. Zie ook de uitspraak van het HvJEU, 12 april 2018, zaak C-323/17 People Over Wind Sweetman, dat betrekking had op de toetsingswijze in een voortoets, waarin staat dat de toetsing geen leemten mag vertonen in de beoordeling van plannen en projecten aan art. 6, lid 3 Hrl. 2
3
Natura 2000-activiteit: “Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is 1 voor
het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.” Zie begripsbepalingen in bijlage A behorende bij art. 1.1 Ow.
blad 15 van 22
in een programma, omgevingsverordening of ministeriële regeling. Een project dat wordt uitgevoerd in het kader van het beheer van een Natura 2000-gebied, valt niet binnen de reikwijdte van het begrip Natura 2000-activiteit en valt derhalve ook buiten de vergunningplicht. Wel geldt de specifieke zorgplicht. Let wel, het begrip Natura 2000-activiteit geldt alleen voor projecten. Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd dan met betrekking tot projecten. Een plan mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid Ow, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Bkl). Bij een kans op significante gevolgen is nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling (zie hierna) voordat een plan kan worden vastgesteld of een vergunning kan worden verleend. Voor het bepalen van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in een voortoets, heeft BIJ12 een speciale handreiking gepubliceerd. Zie: https://www.bij12.nl/nieuws/handreiking-voortoets-stikstof/ Is er géén sprake van een kans op een significant gevolg, dan geldt er geen vergunningplicht of kan het plan worden vastgesteld.
Echter, er kan nog steeds sprake zijn van een activiteit met een nadelige (maar zeker geen significante) gevolg voor een Natura 2000-gebied. Onder ‘nadelig gevolg’ vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000-gebied. In dat geval moet worden gehouden aan de specifieke zorgplicht voor Natura 2000-gebieden (art. 11.6 Bal). Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen, of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen. Passende beoordeling Een Passende beoordeling is erop gericht om, op basis van de beste wetenschappelijke kennis, alle aspecten van het plan of project te inventariseren - die op zichzelf of in combinatie met andere activiteiten of plannen - de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden in gevaar kunnen brengen. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, of het bevoegd gezag verlenen voor het project uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Voor plannen gelden de regels zoals aangegeven in art. 16.53c Ow en art. 10.24 Bkl. Voor projecten gelden de regels zoals aangegeven in art. 16.53c Ow en art. 8.74b Bkl.
Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het plan alleen worden vastgesteld of kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (plannen: art. 10.24, lid 2 en 3 Bkl; projecten: art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl). In de Passende Beoordeling mogen mitigerende maatregelen worden betrokken om het netto-effect te beoordelen. Mitigatie is gericht op het voorkomen of verzachten van effecten, aan de bron of op de plek waar het effect optreedt. ADC-toets Aan deze criteria moet worden voldaan om bij mogelijk significant negatieve gevolgen toch een plan te kunnen vaststellen of een vergunning te kunnen verlenen voor een project: • • •
bij ontbreken van Alternatieve oplossingen voor het project of andere handeling, om Dwingende redenen van groot openbaar belang, en dat de initiatiefnemer Compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft.
Wanneer sprake is van een significant effect op een prioritaire soort of een prioritair habitattype4, kunnen alleen argumenten die verband houden met (1) de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijke gunstige effecten dan wel, (2) na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. BIJ12 heeft een handreiking ADC-toets opgesteld dat het bevoegd gezag ook gebruikt als toetsingskader bij vergunningverlening. De handreiking vindt je hier: https://www.bij12.nl/wpcontent/uploads/2023/11/Handreiking_ADC-toets-oktober-2019.pdf
4 Prioritaire soorten of habitats zijn beschermde waarden waarvoor Nederland een bijzondere verplichting heeft binnen de EU om ze in
stand te houden.
blad 16 van 22
Significante gevolgen Bij significantie wordt gekeken of het halen van de instandhoudingsdoelstelling door het project mogelijk in gevaar komt. Dit kan optreden door directe effecten als gevolg van ruimtelijke effecten (oppervlakteverlies), fysische of chemische effecten op de abiotische standplaatsfactoren of leefgebied van soorten (verdroging, vernatting, eutrofiering, verzuring, etc.), mechanische effecten (bijv. betreding, geluid- of trillingshinder, of optische verstoring van soorten) of menselijke effecten (door bijv. het bewust veranderen van de soortensamenstelling). Dan kan sprake zijn van significante gevolgen. Habitattypen hebben verder ook zogeheten typische soorten die de kwaliteit van het habitattype kunnen aangeven. Er dient derhalve ook getoetst te worden of nadelige gevolgen voor typische soorten ook een nadelig gevolg heeft voor de instandhoudingsdoelstelling zelf. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft aangegeven dat, met betrekking tot storingsfactoren die kunnen leiden tot gevolgen voor typische soorten van habitattypen, deze effecten onderzocht dienen te worden in een passende beoordeling. 5 Typische soorten vind je in de profieldocumenten van de habitattypen.6 In sommige gevallen kunnen significante gevolgen worden uitgesloten, bijvoorbeeld: • • •
als de afname van de oppervlakte, minder dan de minimum-oppervlakte van het habitattype is. Er is dan per definitie geen sprake van een meetbare afname; wanneer het effect opgevangen kan worden in de natuurlijke fluctuaties, door de veerkracht van het gebied of van de populatie; er sprake is van specifieke bijzonderheden en milieukenmerken.
Het minimumareaal per habitattype is beschreven in het Profielendocument (Ministerie van LNV, 2008 en 2014) en bedraagt in de meeste gevallen 1 are7. Voor leefgebieden van soorten is meestal geen oppervlakte(ondergrens) gekwantificeerd en draait het in de beoordeling om de populatieomvang en de draagkracht van een Natura 2000-gebied. Zie ook het document ‘Leidraad bepaling significantie’ op de volgende link: https://www.commissiemer.nl/docs/mer/diversen/leidraad_bepaling_significantie27052010.pdf. Cumulatietoets In de voortoets en de passende beoordeling moet ook onderzocht worden of een activiteit in cumulatie met andere plannen of projecten kan leiden tot significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Een activiteit hoeft op zichzelf niet tot significante effecten te leiden, maar bij stapeling van effecten van andere projecten kan dit wel het geval zijn. Het is daarom belangrijk dat deze effecten goed onderzocht worden. Bij de beoordeling van cumulatie van effecten hoeft in principe alleen rekening worden gehouden met de soorten, hun leefgebied en de habitattypen waarop het plan of project - die het belangrijkste voorwerp van de beoordeling uitmaakt - mogelijk significant negatieve effecten heeft. In cumulatie hoeven alleen concrete plannen en projecten te worden betrokken.
Projecten of activiteiten die al enige tijd zijn gerealiseerd of plaatsvinden, worden geacht verdisconteerd te zijn in de achtergrond of onderdeel uit te maken van de actuele toestand. Projecten waarvoor de goedkeuring is verleend maar nog niet zijn voltooid moeten wel worden betrokken in cumulatie, evenals projecten en plannen waarvoor gedurende de toetsingsprocedure of op zeer korte termijn toestemming wordt verleend.
blad 17 van 22
Mitigatie Mitigatie is gericht op het voorkomen of verzachten van effecten, aan de bron of op de plek waar het effect optreedt. Mitigerende maatregelen mogen in de verslechteringstoets en in de passende beoordeling worden betrokken in de toetsing, maar eerst dienen de effecten in beeld te worden gebracht van sec het project zelf. In de voortoets mag expliciet geen mitigatie worden meegenomen (zie hiervoor). Mitigerende maatregelen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op: • • • • •
Het tijdschema (timing en duur) van de uitvoering, bijvoorbeeld geen werkzaamheden tijdens het voortplantingsseizoen. De aard van de werkzaamheden en het gebruikte materieel. De afbakening van delen van het gebied die in geen geval mogen worden betreden. Alternatieve bouwtechnieken, bijvoorbeeld boren in plaats van heien, ‘onderwaterbeton’ in plaats van grondwateronttrekking. Afscherming van geluid, licht en andere verstoringsbronnen.
5
ECLI:NL:RVS:2019:547, r.o. 22.3. Zie: https://www.natura2000.nl/beschermde-natuur/habitattypen https://www.natura2000.nl/profielen 6
blad 18 van 22
Stroomschema toetsing soortbescherming Ow
blad 19 van 22