CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

D (Galgenstraat 1 Sint Kruis) - Bijlage 7. WUR.pdf

Raad 23 maart 2023, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigde vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan 'Galgenstraat 1, Sint Kruis'.28.727 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee advies voor aanpassing in de Regeling ammoniak en veehouderij

H.H. Ellen, C.M. Groenestein, N.W.M. Ogink

Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee

Advies voor aanpassing van ammoniak emissiefactoren van pluimvee in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav)

H.H. Ellen, C.M. Groenestein, N.W M. Ogink

Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen Livestock Research, in opdracht van en gefinancierd door het Ministerie van Economische Zaken, in het kader van het Beleidsondersteunend onderzoek thema ‘Programma Stikstof (PAS)’ (BO-20-004-093) Wageningen Livestock Research Wageningen, februari 2017

Rapport 1015

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

|1

H.H. Ellen, C.M. Groenestein, N.W.M. Ogink , 2017. Actualisering ammoniak emissiefactoren pluimvee; Advies voor aanpassing van ammoniak emissiefactoren van pluimvee in de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Wageningen Livestock Research, Rapport 1015. Samenvatting NL In deze studie wordt een advies uitgebracht voor de actualisering van de ammoniak emissiefactoren voor pluimvee. De representativiteit van de emissiefactoren voor de huidige praktijk en nieuwe informatie wordt geëvalueerd. Geadviseerd wordt een aantal van de emissiefactoren aan te passen op basis van de nieuwe kennis en inzichten. Voor enkele huisvestingssystemen zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om een gefundeerd advies voor aanpassing te kunnen geven. Summary UK This study advises the actualisation of the ammonia emission factors for poultry. The study evaluates the representativeness of emission factors for current management conditions and the availability of new information on emission.

Dit rapport is gratis te downloaden op http://dx.doi.org/10.18174/407972 of op www.wur.nl/livestock-research (onder Wageningen Livestock Research publicaties).

© 2017 Wageningen Livestock Research Postbus 338, 6700 AH Wageningen, T 0317 48 39 53, E info.livestockresearch@wur.nl, www.wur.nl/livestock-research. Wageningen Livestock Research is onderdeel van Wageningen University & Research. Wageningen Livestock Research aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van de uitgever of auteur.

De certificering volgens ISO 9001 door DNV onderstreept ons kwaliteitsniveau. Op als onze onderzoeksopdrachten zijn de Algemene Voorwaarden van de Animal Sciences Group van toepassing. Deze zijn gedeponeerd bij de Arrondissementsrechtbank Zwolle.

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

2 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Inhoud

Woord vooraf

5

Samenvatting

7

Summary 11 1

Inleiding

13

2

Achtergrond en onderbouwing huidige emissiefactoren

14

2.1

Vaststelling emissiefactoren pluimvee

14

2.2

Onderbouwing en representativiteit emissiefactoren

15

2.2.1 Algemene aspecten nauwkeurigheid emissiefactoren

15

2.2.2 Onderbouwing emissiefactoren

16

3

Recente meetgegevens NH3-emissie uit pluimveestallen

29

4

Werkwijze bij afleiden en meetonzekerheid

32

4.1

32

Werkwijze bij afleidingen 4.1.1 Afleiding emissiefactor ‘overige huisvestingssystemen’ bij opfok leghennen en opfok vleeskuikenouderdieren

5

6

32

4.1.2 Afleiding binnen en tussen diercategorieën

33

4.1.3 Meetonzekerheid en weergave emissiefactoren

33

Advies aanpassing emissiefactoren

34

5.1

Opfokleghennen (E 1)

34

5.2

Leghennen (E 2)

36

5.2.1 Grondhuisvesting (E 2.100)

36

5.2.2 Volièrehuisvesting (E 2.11)

36

5.2.3 Advies emissiefactoren leghennen

37

5.3

Opfok vleeskuikenouderdieren (E 3)

39

5.4

Vleeskuikenouderdieren (E 4)

40

5.5

Vleeskuikens (E 5)

41

5.6

Additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag (E 6)

43

5.7

Kalkoenen (F)

44

5.8

Eenden (G)

45

Advies

46

Literatuur

48 Overzicht emissiefactoren

53

Systematiek beslisboom

58

6 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Woord vooraf

In de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) zijn emissiefactoren opgenomen voor huisvestingssystemen en luchtwastechnieken voor de hoofdcategorieën Pluimvee (E), Kalkoenen (F) en Eenden (G). Deze factoren zijn gebaseerd op metingen of afleidingen, waarbij gebruik is gemaakt van emissieonderzoek van 15 tot 25 jaar geleden. Sindsdien zijn er veranderingen opgetreden in de wijze waarop nieuwe stallen worden gebouwd, het management op de bedrijven, de voeding en de productiviteit van de dieren. Bovendien is er gedurende de afgelopen jaren nieuwe kennis over de ammoniakemissie uit pluimveestallen beschikbaar gekomen. Tegen deze achtergrond is in deze studie een advies opgesteld, gebaseerd op de nieuwe inzichten en meetgegevens. Daarnaast wordt een wetenschappelijk onderbouwde werkwijze aangereikt voor de actualisering van pluimvee-emissiefactoren. Dit onderzoek is uitgevoerd binnen het kader van Beleidsondersteunend Onderzoek van het Ministerie van Economische Zaken (Programma Stikstof (PAS) - BO-20-004-093). Dr.ir. Nico Ogink Projectleider Wageningen Livestock Research

5 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

6 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Samenvatting

In de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) staan emissiefactoren voor ammoniak van alle diercategorieën die in Nederland als landbouwhuisdier worden gehouden. Deze factoren zijn gebaseerd op een combinatie van meetreeksen en afleidingen, waarbij gebruik is gemaakt van emissieonderzoek dat veelal 15 tot 25 jaar geleden is uitgevoerd. Sinds die tijd zijn er veranderingen opgetreden in de wijze waarop nieuwe stallen worden gebouwd, de voeding en de productiviteit van de dieren en in de wijze waarop management plaatsvindt. Een van de belangrijkste wijzigingen in de pluimveehouderij is bijvoorbeeld het verbod op het gebruik van traditionele legbatterijen voor leghennen. Gedurende de afgelopen jaren is nieuwe kennis over de ammoniakemissie uit stallen beschikbaar gekomen. Deze studie richt zich op pluimvee. De doelstelling is het opstellen van een advies voor de Nederlandse overheid voor het actualiseren van de ammoniak emissiefactoren voor de hoofdcategorieën E, F en G van de Rav, op basis van een wetenschappelijk onderbouwde werkwijze. De onderbouwing van de huidige emissiefactoren in de hoofdcategorieën E, F en G is voornamelijk gebaseerd op emissiemetingen en op afleidingen op basis van verhoudingen in de stikstof-excretie.

In de meest omvangrijke categorieën E 2 (leghennen), E 4 (vleeskuikenouderdieren) en E 5 (vleeskuikens) zijn veel van de huidige emissiefactoren voor de reducerende technieken gebaseerd op uitgebreide metingen aan telkens één bedrijfslocatie, conform of in lijn met de Beoordelingsrichtlijn van de vroegere Stichting Groen Label (Werkgroep Emissiefactoren, 1996). In 2008 is een meetreeks uitgevoerd volgens het nieuwe meetprotocol met metingen op vier locaties met gelijke huisvestingssystemen (Ogink et al., 2010). Deze meetreeks is als basis genomen voor de actualisering van de emissiefactor van ammoniak voor categorieën E 2.100, E 4.100, E 5.100 en F 4.100. De emissiefactoren van ammoniak voor traditionele huisvesting bij de categorieën E 1 en E 3 (resp. opfok leghennen en opfok vleeskuikenouderdieren) zijn afgeleid van de emissiefactoren voor traditionele huisvesting van E 2 en E 4 (leghennen en –ouderdieren en vleeskuikenouderdieren) waarbij gebruik is gemaakt van de verhouding in TAN-excretie en de reductie ten opzichte van de referentie, aangeduid met ‘overige systemen’. In paragraaf 4.1 wordt de werkwijze beschreven alsmede de beslisboom aan de hand waarvan de berekeningen werden uitgevoerd. Ten aanzien van alle afleidingen geldt dat als het verschil met de huidige emissiefactor kleiner is dan 15%, het advies is om deze niet aan te passen.

Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de afronding van de emissiefactoren. De huidige waarden wekken de indruk van een bepaalde nauwkeurigheid die er op grond van de meetonzekerheid niet is. Op basis van de beschikbare data en kennis zijn de volgende conclusies en adviezen opgesteld: - Opfok leghennen;  De emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvestingssystemen niet-batterijhuisvesting’ (E 1.100) gelijk houden op de huidige waarde van 0,170 kg NH3/dierplaats/jaar.  De emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvestingssystemen batterijhuisvesting’ (E 1.101) gelijk houden op de huidige waarde van 0,045 kg NH3/dierplaats/jaar.  Voor de volièresystemen zijn de huidige emissiefactoren niet meer representatief voor de huidige praktijk, omdat deze waren afgeleid van die van leghennen (zie verder bij leghennen). Er zijn momenteel geen gegevens beschikbaar om een advies te geven voor een nieuwe emissiefactor voor de volièresystemen (categorie E 1.8).  Omdat de emissiefactor het systeem ‘stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren’ (E 1.11) is afgeleid van het vergelijkbare systeem bij vleeskuikens, is het advies om de emissiefactor aan te passen met dezelfde reductie naar 0,088 kg NH3/dierplaats/jaar (huidig 0,150 kg NH3/dierplaats/jaar).

 Omdat de emissiefactoren voor de systemen ‘overige huisvestingsystemen’ niet worden aangepast, is het advies de emissiefactoren van de overige systemen binnen de diercategorie ook gelijk te houden aan de huidige emissiefactor.

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

|7

- Leghennen;  De emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvestingsystemen niet-batterijhuisvesting’ (E 2.100) aan te passen naar 0,402 kg NH3/dierplaats/jaar (nu 0,315 kg NH3/dierplaats/jaar).  De emissiefactor van het systeem ‘overige huisvestingsystemen batterijhuisvesting’ (E 2.101) gelijk te houden op 0,100 kg NH3/dierplaats/jaar.  De huidige emissiefactoren voor de volièresystemen zijn niet meer representatief voor de huidige praktijk. Er zijn momenteel onvoldoende betrouwbare gegevens beschikbaar om een advies te geven voor nieuwe emissiefactoren voor de volièresystemen. De resultaten van de uitgevoerde metingen geven echter aan dat de huidige emissiefactoren te laag zijn ingeschat. Aanbevolen wordt te zorgen voor aanvulling van de huidige set meetdata om verantwoord emissiefactoren vast te kunnen stellen.  Bereken de emissiefactoren voor de andere (emissie reducerende) systemen op basis van de huidige verhouding in emissie tussen het systeem en het systeem ‘overige huisvesting’, zowel voor batterij als niet-batterij huisvestingsystemen. Hierbij uitgaan van de geadviseerde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’.

- Opfok vleeskuikenouderdieren;  Voor de categorie ‘overige huisvesting’ (E 3.100) de emissiefactor aan te passen naar 0,122 kg NH3/dierplaats/jaar (huidig 0,180 kg NH3/dierplaats/jaar) op basis van de verhouding in TAN met die van vleeskuikenouderdieren.  Bereken de emissiefactor van systemen die zijn afgeleid van gemeten systemen bij vleeskuikens ten opzichte van het systeem ‘overige huisvesting’ (E 3.100), op basis van de reductie die is bereikt binnen de diercategorie vleeskuikens met dit systeem. Hierbij uitgaan van de geadviseerde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’.  Bereken de emissiefactoren voor de andere (emissie reducerende) systemen op basis van de huidige verhouding in emissie tussen het systeem en het systeem ‘overige huisvesting’ (E 3.100). Hierbij uitgaan van de geadviseerde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’. - Vleeskuikenouderdieren;  De emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’ (E 4.100) aan te passen naar 0,456 kg NH3/dierplaats/jaar (huidig 0,580 kg NH3/dierplaats/jaar).  Bereken de emissiefactoren voor de andere (emissie reducerende) systemen op basis van de huidige verhouding in emissie tussen het systeem en het systeem ‘overige huisvesting’ (E 4.100). Hierbij uitgaan van de geadviseerde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’.

- Vleeskuikens;  Voor het systeem ‘overige huisvesting’ (E 5.100) wordt een nieuwe emissiefactor voorgesteld van 0,068 kg NH3/dierplaats/jaar (huidig 0,080 kg NH3/dierplaats/jaar).  Bereken de emissiefactoren voor de andere (emissie reducerende) systemen op basis van de huidige verhouding in emissie tussen het systeem en het systeem ‘overige huisvesting’ (E 5.100). Hierbij uitgaan van de voorgestelde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’.  De emissiefactor van de systemen met combinatie van uitbroeden en overplaatsen (E 5.9) worden opnieuw berekend volgens de formule van de beschrijving, gebaseerd op de voorgestelde emissiefactoren van de onderliggende systemen. - Additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag;  De emissiefactoren voor deze systemen zijn niet meer representatief voor de huidige praktijk. Er zijn momenteel onvoldoende betrouwbare gegevens beschikbaar om een advies te geven voor nieuwe emissiefactoren voor de additionele technieken. De resultaten van de uitgevoerde metingen geven echter aan dat de huidige emissiefactoren te laag zijn ingeschat. Aanbevolen wordt te zorgen voor aanvulling van de huidige set meetdata om verantwoord emissiefactoren vast te kunnen stellen.

- Kalkoenen;  De emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’ bij vleeskalkoenen (F 4.100) aan te passen naar 0,932 kg NH3/dierplaats/jaar (huidig 0,680 kg NH3/dierplaats/jaar).

8 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

 Bereken de emissiefactor van systemen die zijn afgeleid van gemeten systemen bij vleeskuikens ten opzichte van het systeem ‘overige huisvesting’ (F 4.100), op basis van de reductie die is bereikt binnen de diercategorie vleeskuikens met dit systeem. Hierbij uitgaan van de geadviseerde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’.  Bereken de emissiefactoren voor de andere (emissie reducerende) systemen op basis van de huidige verhouding in emissie tussen het systeem en het systeem ‘overige huisvesting’ (F 4.100). Hierbij uitgaan van de geadviseerde emissiefactor voor het systeem ‘overige huisvesting’.  Voor de overige systemen bij de andere diercategorieën binnen de hoofdcategorie Kalkoenen worden geen nieuwe emissiefactoren voorgesteld. - Eenden;  Voor de systemen bij deze hoofdcategorie worden geen nieuwe emissiefactoren voorgesteld.

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

|9

10 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Summary

The Dutch Regulation on ammonia and livestock (‘’Regeling ammoniak en veehouderij’, abbreviated as Rav) comprises ammonia emission factors for all livestock categories. These emission factors are based on measurements and deductions based on research executed 15 to 25 years ago. Since then changes took place in the way animal houses were built, in the feed, in productivity and in overall management on the farm. One of the most important changes in poultry husbandry for instance is the ban of battery cages for laying hens. During recent years new measurements have been done and new knowledge was obtained on ammonia emission from animal housing. This study focuses on poultry. The aim of this study is to advise the Dutch government on an update of ammonia emission factors for the main poultry categories (coded E, F and G in the Rav). The foundation of the present emission factors of the animal categories E, F and G are mainly based on measurements and deductions based on the nitrogen excretion. Most emission factors of the main categories E 2 (laying hens), E 4 (broiler breeders) and E 5 (broilers) are based on extended measurements performed on single farm locations, in accordance with the Green Label measurement protocol of 1996 (Werkgroep Emissiefactoren, 1996).

In 2008 a measurement program started with a new protocol, with at least four locations with the same poultry housing (Ogink et al., 2010). The results of these measurements are used to update the ammonia emission factors for the conventional housing systems for laying hens, broiler breeders, broilers and turkeys, coded in the Rav as E2.100, E4.100, E5.100 and F4.100 respectively. Emission factors of rearing laying hens and rearing broiler breeders (E 1 and E 3) are deduced from the emission factors of E 2 and E 4, using the ratio of the TAN excretions of the animals and for the low-emission housings the reduction % of the emissions compared to the conventional housings (sub numbered as 100). The working procedure is described in paragraph 4.1, as is the decision tree, which is the basis for the choice of calculation method. When the difference of the newly calculated emission factor is within a 15% range of the old factor, it is advised not to update the old emission factor. Additionally, attention is demanded for the rounding of of the emission factors. As it is in the present Rav, the number of digits after the comma suggest an accuracy which does not reflect the measuring uncertainty.

Based on the available data and knowledge the following conclusions and advices are formulated: - Rearing laying hens (pullets);  The emission factor for conventional non-battery housing system (E 1.100) should be maintained at 0.170 kg NH3/animal place year-1  The emission factor for conventional battery housing system (E 1.101) should be maintained at 0.045 kg NH3/animal place year-1  The present emission factors for aviary systems are not representative for the present practical situation. However, as for the laying hens from which the factor needed to be derived, insufficient reliable data are available to advice a new emission factor for the aviary housing (category E1.8) (see also laying hens).  The emission factor of the housing system with heaters and fans (E 1.11) is derived from a similar system with broilers. The advice is to apply the same % reduction relative to the conventional system, which leads to 0.088 kg NH3/animal place year-1 (present is 0.150 kg NH3/animal place year-1).  The emission factors of all other systems should not be adapted because of the advice to maintain the emission factors of the conventional systems.

- Laying hens;  The emission factor for conventional non-battery housing system (E 2.100) should be changed to 0.402 kg NH3/animal place year-1 (present is 0.315 kg NH3/animal place year-1)  The emission factor for conventional battery housing system (E 2.101) should be maintained at 0.100 kg NH3/animal place year-1

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

| 11

 The present emission factors for aviary systems are not representative for the present practical situation. However, no update can be given because insufficient consistent data are available. However, the results of recent measurements suggest that the present emission factors are too low. It is recommended to carry out additional measurements to be able to determine reliable emission factors.  The emission factors of all other systems should be calculated based on the present reduction % of the ammonia-emission-reducing system compared to the conventional system and relate this % to the updated emission factor of the conventional system. - Rearing broiler breeders;  The emission factor for conventional housing system (E 3.100) should be changed to 0.122 kg NH3/animal place year-1 (present is 0.180 kg NH3/animal place year-1) based on the relative TAN excretion of parental animals of broilers.  For the emission factors derived from those of broilers: use the same reduction % as for the similar housing systems for broilers and relate this % to the updated emission factor of the conventional system.  The emission factors of all other systems should be calculated based on the present reduction % of the ammonia-emission-reducing system compared to the conventional system and relate this % to the updated emission factor of the conventional system.

- Broiler breeders;  The emission factor for conventional housing system (E 4.100) should be changed to 0.456 kg NH3/animal place year-1 (present is 0.580 kg NH3/animal place year-1).  The emission factors of all other systems should be calculated based on the present reduction % of the ammonia-emission-reducing system compared to the conventional system and relate this % to the updated emission factor of the conventional system. - Broilers;  The emission factor for conventional housing system (E 5.100) should be changed to 0.068 kg NH3/animal place year-1 (present is 0.80 kg NH3/animal place year-1).  The emission factors of all other systems should be calculated based on the present reduction % of the ammonia-emission-reducing system compared to the conventional system and relate this % to the updated emission factor of the conventional system.  The emission factors of the housing systems with combined hatching and transfer (category E 5.9) will be recalculated conform the formula in the BWL-description based on the advised emission factors of the underlying systems. - Additional techniques for manure treatment and manure storage;  The present emission factors for additional techniques are not representative for the present practical situation. However, no update can be given because insufficient consistent data are available.

However, the results of recent measurements suggest that the present emission factors are too low. It is recommended to carry out additional measurements to be able to determine reliable emission factors. - Turkeys;  The emission factor for conventional housing system (F 4.100) should be changed to 0.932 kg NH3/animal place year-1 (present is 0.680 kg NH3/animal place year-1).  For the emission factors derived from those of broilers: use the same reduction % as for the similar housing systems for broilers and relate this % to the updated emission factor of the conventional system.  The emission factors of all other systems with turkeys should be calculated based on the present reduction % of the ammonia-emission-reducing system compared to the conventional system and relate this % to the updated emission factor of the conventional system.  No updates are suggested for the other animal categories within the main category Turkeys (F 1, F 2 and F 3). - Ducks  No updates are suggested for the housing systems with ducks.

12 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

1

Inleiding

In de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) staan emissiefactoren voor ammoniak van de hoofdcategorieën E (Kippen), F (Kalkoenen) en G (Eenden) en de daaronder liggende diercategorieën. Deze factoren zijn gebaseerd op meetreeksen en afleidingen, waarbij gebruik is gemaakt van emissieonderzoek dat 15 - 25 jaar geleden is uitgevoerd. Sinds die tijd zijn er veranderingen opgetreden in de wijze waarop nieuwe stallen worden gebouwd en de wijze waarop de dieren worden gehouden. De omschakeling van kooihuisvesting naar scharrel- en volièrehuisvesting bij leghennen is hiervan een belangrijk voorbeeld. Daarnaast spelen ook wijzigingen in voeding en productiviteit een rol, evenals verandering in management. Er zijn de afgelopen jaren veel metingen verricht naar de emissie van ammoniak. Daarmee is ook meer inzicht verkregen over meetmethoden, meetstrategieën, spreiding van meetdata en zijn veel data beschikbaar gekomen. In het kader van het onderzoek naar fijnstofemissie zijn ook recentere meetgegevens over de ammoniakemissie beschikbaar gekomen (Mosquera et al., 2009 a t/m c; Winkel et al., 2009 a en b). De Rav valt onder de verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid, i.c. het Ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) en het Ministerie van Economische zaken.

De doelstelling van deze studie is een advies voor het actualiseren van ammoniakemissiefactoren in hoofdcategorieën E, F en G van de Rav, op basis van een wetenschappelijk onderbouwde werkwijze. Deze notitie is als volgt opgebouwd. Allereerst wordt in hoofdstuk 2 de totstandkoming van de huidige emissiefactoren van de systemen in hoofdcategorieën E, F en G besproken, met een beschouwing over de onderbouwing van deze factoren en de representativiteit van deze factoren voor hedendaagse stallen. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 de actuele stand van zaken beschreven met betrekking tot beschikbare en recente meetgegevens. De werkwijze voor afleidingen wordt in hoofdstuk 4 uitgelegd, samen met een beschouwing over de weergave van de emissiefactoren in relatie tot de meetonzekerheid. In hoofdstuk 5 worden op basis van beschikbare data voorstellen gedaan voor eventuele aanpassing van de emissiefactoren. Hoofdstuk 6 geeft het uiteindelijke advies ten aanzien van de aanpassing van de emissiefactoren. Dit advies beperkt zich tot emissiefactoren voor ammoniak. Bij het gebruik van het woord ‘emissie’ in de tekst wordt uitsluitend de ammoniakemissie bedoeld.

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

| 13

2

Achtergrond en onderbouwing huidige emissiefactoren

2.1

Vaststelling emissiefactoren pluimvee

De eerst beschikbare publicatie met emissiefactoren in de hoofdcategorie pluimvee (E t/m G) dateert van het eind van de jaren 80 van de vorige eeuw en betreft de vaststelling in de Richtlijn in het kader van de Hinderwet “Ammoniak en Veehouderij” van het ministerie van Landbouw en Visserij en ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (Ministerie van Landbouw en Visserij, VROM, 1987). Het aantal emissiefactoren was toen beperkt. Voor leghennen en opfokhennen waren een vijftal emissiefactoren voor huisvestingssystemen opgenomen. Voor de overige diercategorieën slechts één emissiefactor per (sub)categorie. In totaal werden 20 emissiefactoren vastgesteld voor de categorieën E t/m G. De eerste emissiefactoren zijn geadviseerd door de ‘Werkgroep NH3-emissiefactoren’, een gezamenlijke werkgroep van beide bij de Hinderwet betrokken ministeries. De onderbouwing van deze factoren is vastgelegd in de publicatiereeks Lucht van het toenmalige ministerie van VROM (Winkel de, 1988). De emissiefactoren voor leghennen en vleeskuikens waren gebaseerd op toenmalig beschikbare emissiemetingen en de N-balansmethode. De metingen betroffen vooral experimentele studies naar effecten van behandelingen en waren niet specifiek gericht op het bepalen van een emissiefactor per dierplaats per jaar.

Voor de andere (dier)categorieën binnen pluimvee (opfokleghennen, opfok vleeskuikenouderdieren, vleeskuikenouderdieren, kalkoenen en eenden) zijn ze berekend als het product van de ingeschatte N-excretie en de vervluchtigingsratio’s van NH3-N. Bij leghennen werd op basis van metingen en de berekende N-excretie vastgesteld dat bij natte mest 12,38% van de door het dier uitgescheiden hoeveelheid N als NH3-N vervluchtigde. Voor droge mest was dit 43,5%1. Voor het bepalen van de emissie van opfokleghennen zijn dezelfde percentages aangehouden. Voor de bepaling van de emissie van vleeskuikenouderdieren en de opfokdieren hiervan, is een percentage aangehouden van 20%. Deze is deels gebaseerd op de metingen bij leghennen met natte mest (12,38%) en die van vleeskuikens (39,46%). (Zie p. 36 en 37 van genoemde publicatie.) Gedurende de jaren negentig zijn er daarna in het kader van Groen Label protocollaire metingen aan een aantal (emissiearme) stalsystemen voor pluimvee verricht. De systemen zijn van emissiefactoren en beschrijvingen voorzien en in de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (Uav) gepubliceerd. De emissiefactoren van deze systemen zijn gebaseerd op metingen volgens het toen geldende meetprotocol (Werkgroep Emissiefactoren, 1996), vanaf hier aangeduid met ‘oude meetprotocol’.

In een aantal publicaties van de Staatscourant tussen 1996 en 2000 kunnen de wijzigingen gevolgd worden.

Belangrijke wijzigingen in de Uav in deze periode voor de pluimveesector waren:

1

Hierbij moet worden opgemerkt dat droge mest toen afkomstig was uit een traditionele scharrelstal waarin de mest gedurende de hele ronde werd opgeslagen. Door het broeien van de mest tijdens deze opslagperiode droogt de mest, maar ontstaat ook ammoniak.

14 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

•

de aanpassing van de emissiefactor voor vleeskuikenouderdieren van 0,300 naar 0,580 kg NH3/dierplaats/jaar (1996);

•

de aanpassing van de emissiefactor voor grondhuisvesting van 0,178 naar 0,315 kg NH3/dierplaats/jaar (1998);

•

het toevoegen van een emissiefactor voor volièrehuisvesting (1998);

•

de opname van de categorie nageschakelde technieken (opslag van mest en droogtunnels, 1998);

•

de aanpassing van de emissiefactoren voor opfokleghennen (van 0,096 naar 0,170 kg NH3/dierplaats/jaar) en opfok vleeskuikenouderdieren (van 0,128 naar 0,0250 kg NH3/dierplaats/jaar) (2000);

•

de opname emissiefactoren voor chemische luchtwassers (2000).

Na de beëindiging van de Groen Label certificering vond met de introductie van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) in 2002 (Staatscourant, 2002) een belangrijke herziening van de emissiefactoren plaats. De emissiefactoren voor batterijhuisvesting voor leghennen werden met 20% verhoogd vanwege de grotere oppervlakte per dier die werd geëist in de welzijnsregelgeving. Daarnaast is in 2002 de emissiefactor voor vleeskuikens verhoogd van 0,050 naar 0,080 kg NH3/dierplaats/jaar op basis van nieuwe meetgegevens. Na 2002 zijn diverse emissiearme systemen opgenomen bij de verschillende diercategorieën, waaronder meerdere uitvoeringen van volièrehuisvesting en verscheidene systemen bij vleeskuikens die gebruik maken van interne luchtcirculatie. Indien deze systemen ook toepasbaar waren bij andere diercategorieën vanwege vergelijkbare huisvesting, zijn voor die systemen ook emissiefactoren vastgesteld voor die diercategorieën. Dit op basis van de expert-beoordeling van de Technische Adviescommissie Rav (TacRav). In 2009 zijn de systemen ‘overige huisvesting’ opnieuw gecodeerd om verwarring bij de vergunningverlening te voorkomen. Vanaf toen hadden deze systemen allen het nummer 100 binnen de betreffende diercategorie. Tot die tijd schoof het volgnummer van deze systemen steeds op als een nieuw emissiearm systeem werd toegevoegd.

Vanaf 2011 is het mogelijk op basis van de ’Beleidsregels voorlopige emissiefactoren Rav’ (Staatscourant, 2011a) een emissiearm huisvestingssystemen op te nemen met een zogenoemde voorlopige emissiefactor. Hiervan is in de pluimveesector één maal gebruik gemaakt, bij het systeem voor vleeskuikens met luchtmengsysteem voor droging van de strooisel laag in combinatie met een warmtewisselaar (E 5.11, zie par 2.2.2.5). In de lijst met emissiefactoren van 24 juni 2015 zijn in totaal 151 beschrijvingen van huisvestingsystemen, luchtwassers en nageschakelde technieken opgenomen.

2.2

Onderbouwing en representativiteit emissiefactoren

2.2.1 Algemene aspecten nauwkeurigheid emissiefactoren Voortschrijdend inzicht heeft geleid tot belangrijke wijzigingen in de wijze waarop emissies van huisvestingssystemen worden bemeten ter verkrijging van een emissiefactor. Met de toenemende beschikbaarheid van emissiemeetgegevens werd het mogelijk statistische analyses te maken waarmee de meetnauwkeurigheid van emissiefactoren voor een aantal diercategorieën in kaart kon worden gebracht, zie o.a. (Mosquera et al., 2008), (Ogink et al., 2008). Uit deze analyses bleek dat de emissiefactoren voor stalsystemen gebaseerd op metingen aan enkelvoudige stallocaties een grote mate van onzekerheid bevatten als gevolg van sterke variaties tussen stallocaties met dezelfde inrichting. Deze analyses hadden betrekking op emissiedata van varkens- en pluimveecategorieën. Uit de later beschikbaar gekomen meetgegevens van melkveestallen komt een soortgelijk beeld naar voren. Waar in de jaren negentig het meetprotocol was gericht op langdurige continue meetreeksen aan één stallocatie, is daarom vanaf 2010 het meetprotocol (Ogink et al., 2011) opgezet volgens een ‘meerlocatie’ benadering (vier stallocaties), met hierin korte over het jaar verdeelde metingen (zes 24uursmetingen), vanaf hier aangeduid met ‘nieuwe meetprotocol’. Als gevolg hiervan is de nauwkeurigheid van de schatting van de emissiefactor met circa een factor 2 toegenomen.

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

| 15

Emissiefactoren gebaseerd op het nieuwe meetprotocol hebben daarmee een beduidend hogere nauwkeurigheid dan de Rav-emissiefactoren die met het oude meetprotocol zijn vastgesteld.

2.2.2 Onderbouwing emissiefactoren Hierna wordt per diercategorie een korte toelichting gegeven over hoe de emissiefactoren tot stand zijn gekomen. In paragraaf 2.2.2.9 wordt kort ingegaan op de luchtwastechnieken. Per diercategorie is in een tabel een overzicht gegeven van de systemen met de huidige emissiefactor, het jaar van opname in de Rav, het jaar van een eventuele aanpassing van de emissiefactor en of de emissiefactor is gemeten of afgeleid. In Bijlage 1 zijn alle losse tabellen samengevoegd.

2.2.2.1

Opfokleghennen (E 1)

De emissiefactoren voor opfokhennen zijn, op twee systemen na (E 1.8.2 en E 1.14), afgeleid. Voor het merendeel van de systemen is de afleiding gebaseerd op de berekende N-excretie en vervluchtiging van N (zie par. 2.1) en op het toepassen van vergelijkbare huisvestingssystemen bij leghennen. Dit zijn alle systemen bij kooihuisvesting (E 1.1 t/m E 1.6 en E 1.101), de systemen met grondhuisvesting van E 1.7 en E 1.100 en alle volièresystemen behalve E 1.8.2. Daarnaast is E 1.11 (stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren) afgeleid van hetzelfde (gemeten) systeem bij vleeskuikens (E 5.10) op basis van expert-beoordeling van de Technische Adviescommissie Rav (TacRav), waarbij de reductie is berekend ten opzichte van E 1.100. Om milieurisico’s te vermijden is bij de afleiding een correctiefactor toegepast ten opzichte van de gerealiseerde reductie bij vleeskuikens. In 2005 is E 1.8.2 als eerste gemeten systeem bij opfokleghennen opgenomen in de bijlage van de Rav. De emissiefactor van dit volièresysteem is gebaseerd op de metingen uit Scheer et al. (2001). De metingen zijn uitgevoerd volgens het oude meetprotocol. E 1.14 is in 2015 opgenomen op basis van het meetrapport van Bayens et al. (2011), waarbij de metingen zijn uitgevoerd volgens een methode die vergelijkbaar is met het oude meetprotocol.

Tabel 1

Overzicht huisvestingssystemen bij opfokleghennen met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze van vaststellen emissiefactor

Rav-code

E 1.1

E 1.2

E 1.3

E 1.4 E 1.5 E 1.5.1 E 1.5.2

E 1.5.3

E 1.5.4

E 1.5.5 E 1.6

Huisvestingssysteem

open mestopslag onder de batterij al dan niet voorzien van een mestschuif (flat-deck-kooien, trapkooien of compactkooien voor natte mest) mestbandbatterij voor natte mest met afvoer naar een gesloten opslag (minimaal 2 maal per week ontmesten) compactbatterij waarvan de natte mest 2 maal daags door middel van mestschuiven en een centrale mestband afgevoerd wordt naar een gesloten opslag batterij met geforceerde mestdroging (kanalenstal) mestbandbatterij met geforceerde mestdroging mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging mestbandbatterij met geforceerde mestdroging, belucht met 0,4 m³ lucht per opfokhen per uur; mest afdraaien per vijf dagen, de mest heeft dan een droge stofgehalte van minimaal 55% batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.1 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.2 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof koloniehuisvesting met mestbandbeluchting (0,7 m3 per dier per uur) batterijsysteem met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel

16 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Emissiefactor

Jaar van

Vaststelling

(kg NH3/

opname in Rav

emissiefactor:

dierplaats/jr.)

/ jaar van

meting (M) of

0,045

aanpassing 1991

afleiding (A) A

0,020

1991

A

0,011

1996

A

0,208

1991

A

0,020

1998

A

0,006

1998

A

0,002

2002

A

0,001

2002

A

0,016

2009

A

0,010

2002

A

Rav-code

E 1.7 E 1.8 E 1.8.1

Huisvestingssysteem

E 1.101

grondhuisvesting (strooiselvloer, roostervloer) Volièrehuisvesting minimaal 50% van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages 65 - 70% van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband met 0,3 m3 per dier per uur mestbeluchting. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages 45 - 55% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband, mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien met 0,1 m3 per dier per uur beluchting met 0,3 m3 per dier per uur beluchting 30 - 35% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband met 0,4 m³ per dier per uur beluchting, mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien 55 - 60% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband met 0,4 m³ per dier per uur beluchting, mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof opfokhuisvesting met verhoogde roostervloer

met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters overige huisvestingssystemen nietbatterijhuisvesting overige huisvestingssystemen batterijhuisvesting

2.2.2.2

Leghennen (E 2)

E 1.8.2

E 1.8.3

E 1.8.3.1 E 1.8.3.2 E 1.8.4

E 1.8.5

E 1.9

E 1.10

E 1.11 E 1.12 E 1.13

E 1.14 E 1.100

Emissiefactor

Jaar van

Vaststelling

(kg NH3/

opname in Rav

emissiefactor:

dierplaats/jr.)

/ jaar van

meting (M) of

0,170

aanpassing 1991/2000

afleiding (A) A

0,050

1998

A

0,030

2005

M

0,030 0,023 0,014

2006 2011 2006

A A A

0,020

2006

A

0,017

2000

A

0,051

2006

A

0,150

2011

A

0,051

2011

A

0,051

2011

A

0,110

2015

M

0,170

2002

A

0,045

2002

A

In de legsector waren binnen de Rav twee typen huisvestingssystemen relevant: batterij en nietbatterijhuisvesting. Inmiddels is traditionele batterijhuisvesting voor leghennen in Nederland niet meer toegestaan vanwege het Legkippenbesluit (m.i.v. 2014 overgenomen in het Besluit houders van dieren). Daarom wordt hier niet verder op de traditionele batterijhuisvesting ingegaan. In Bijlage 1 van de Rav zijn twee kooihuisvestingssystemen opgenomen, namelijk verrijkte kooien en koloniehuisvesting. Verrijkte kooien zijn vanaf 1 januari 2021 voor leghennen verboden. Koloniehuisvesting blijft wel mogelijk. De emissiefactor van de koloniehuisvesting is afgeleid van die van de verrijkte kooien (Ellen en Ogink, juli 2009), die gemeten is in enkele kleinschalige opstellingen op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Emous et al., 2003). Onder niet-batterijhuisvesting vallen de systemen waarbij de dieren los in de dierruimte zijn gehuisvest. In het Besluit houders van dieren vallen deze systemen onder de term ‘alternatieve huisvestingssystemen’. Dit zijn de stallen met: a.

een traditionele scharrelindeling; strooiselvloer aan weerszijden van een verhoogde roostervloer (beun) met daaronder de mestopslag en in het midden van de roosters legnesten (alleen bij leghennen)2;

b.

volièrehuisvesting; boven de strooiselvloer stellingen met roosters en daaronder mestbanden, in de stellingen ook legnesten (alleen bij leghennen).

Binnen de categorie ‘legkippen’ is ook de groep (groot-)ouderdieren voor legrassen opgenomen in de lijst met emissiefactoren. De reden voor deze bundeling is dat deze dieren op dezelfde wijze worden gehuisvest als (scharrel-)leghennen.

2

Er zijn stallen waarbij de legnesten tegen de buitenmuur zijn geplaatst met daarvoor een roostervloer boven een mestput. De strooiselruimte is dan in het midden van de stal gesitueerd. Wageningen Livestock Research Rapport 1015

| 17

Ad a. Dit systeem valt onder de categorie E 2.7 (grondhuisvesting van legrassen (circa 1/3 strooiselvloer en circa 2/3 roostervloer)). Het heeft dezelfde emissiefactor als categorie E 2.100 (overige huisvestingssystemen niet-batterijhuisvesting). E 2.7 geeft daarmee ten opzichte van de categorie ‘overige huisvesting’ geen reductie. In 1998 is de huidige emissiefactor van 0,315 kg NH3/dierplaats/jaar vastgesteld op basis van een onderzoek van Reuvekamp en Niekerk (1996). De metingen zijn uitgevoerd volgens de toen geldende voorwaarden voor Groen Label in een kleinschalige eenheid met 680 leghennen. De gemeten emissie is gecorrigeerd door de werkgroep emissiefactoren en uiteindelijk vastgesteld op de genoemde 315 gram (Staatscourant, 1998a). Andere systemen in de lijst met een vergelijkbare indeling van de stal zijn de categorieën E 2.8, E 2.9 en E 2.12. De emissiefactoren van E 2.8 en E 2.9.1 zijn ook gebaseerd op metingen volgens het oude meetprotocol in een kleinschalige eenheid met leghennen op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen. Beide systemen maken voor het reduceren van de ammoniakemissie gebruik van het beluchten van de mest onder de roostervloer (Reuvekamp en Niekerk (1996), Reuvekamp en Niekerk (1999)). De onder E 2.12.1 en E 2.12.2 genoemde systemen zijn gemeten in praktijkstallen volgens het oude meetprotocol (Hol et al (2001), Scheer et al (2002b)).

De reductie bij deze beide systemen werd bereikt door de mest regelmatig (minimaal 1x per week) uit de stal te verwijderen. De emissiefactoren van de categorieën E 2.9.2 en E 2.9.3 zijn afgeleid van vergelijkbare systemen bij ouderdieren van vleeskuikens, gebaseerd op expert-beoordeling van Wageningen Livestock Research (Ellen, 2010). Deze twee systemen mogen alleen worden toegepast bij (groot-)ouderdieren van legrassen (Staatscourant, 2011b). Ad b. In de jaren ’90 is de ontwikkeling van de volièrehuisvesting op gang gekomen, naar aanleiding van een mogelijk verbod op de batterijhuisvesting. De in 1998 opgenomen emissiefactor van 0,90 kg NH3/dierplaats/jaar voor dit huisvestingssysteem was een gemiddelde van alle toen gemeten emissiewaarden op diverse praktijk- en onderzoekslocaties in kader van het POEL-project (Praktijk Onderzoek Etagehuisvesting Leghennen). In dit project zijn metingen verricht aan een drietal praktijkstallen en kleinschalige onderzoekseenheden, waarbij de concentratie van de ammoniak is vastgesteld met een NOx-monitor en het debiet is gemeten met meetventilatoren (Blokhuis en Metz, 1994). De emissiewaarde is op basis van de toen beschikbare kennis en meetgegevens vastgesteld door de toenmalige Werkgroep Emissiefactoren (Staatscourant, 1998).

Er wordt bij dit systeem, nu opgenomen onder E 2.11.1, geen eis gesteld ten aanzien van de beluchting van de mest op de mestbanden. Dit is wel het geval bij de andere systemen binnen de categorie E 2.11. De combinatie van regelmatige mestafvoer en beluchting van de mest op de mestbanden zorgt voor de verlaging van de emissie van ammoniak. De emissiefactor van E 2.11.2.2 is afgeleid van de bij E 2.11.2.1. gemeten waarde op basis van een hoger debiet van de mestbeluchting op de mestbanden. De emissie van het laatst genoemde systeem is gemeten op een praktijkbedrijf (Beurskens et al., 2002b). De emissiefactoren van E 2.11.3 en E 2.11.4 zijn gebaseerd op metingen aan kleinschalige opstellingen op Proefbedrijf Het Spelderholt (Emous et al., 2001), waarbij de metingen zijn uitgevoerd volgens het oude meetprotocol.

18 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Tabel 2

Overzicht huisvestingssystemen bij leghennen met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze van vaststellen

Rav-code

E 2.1

E 2.2

E 2.3

E 2.4 E 2.5 E 2.5.1 E 2.5.2

E 2.5.3

E 2.5.4

E 2.5.5 E 2.5.6 E 2.6 E 2.7 E 2.8 E 2.9 E 2.9.1 E 2.9.2 E 2.9.3 E 2.10

E 2.11 E 2.11.1

E 2.11.2

E 2.11.2.1 E 2.11.2.2 E 2.11.3

E 2.11.4

E 2.12 E 2.12.1

E 2.12.2 E 2.13

Huisvestingssysteem

open mestopslag onder de batterij al dan niet voorzien van een mestschuif (flat-deck-kooien, trapkooien of compactkooien voor natte mest) mestbandbatterij voor natte mest met afvoer naar een gesloten opslag (minimaal 2 maal per week ontmesten) compactbatterij waarvan de natte mest 2 maal daags door middel van mestschuiven en een centrale mestband afgevoerd wordt naar een gesloten opslag batterij met geforceerde mestdroging (deeppitstal of highrisestal, kanalenstal) mestbandbatterij met geforceerde mestdroging mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging mestbandbatterij met geforceerde mestdroging, belucht met 0,7 m³ lucht per dier per uur.

Mestafdraaien per vijf dagen; de mest heeft dan een droge stofgehalte van minimaal 55% batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.1 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.2 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof verrijkte kooien met mestbandbeluchting (0,7 m³ per dier per uur) koloniehuisvesting met mestbandbeluchting (0,7 m³ per dier per uur) batterijsysteem met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel grondhuisvesting van legrassen (circa 1/3 strooiselvloer en circa 2/3 roostervloer) grondhuisvesting met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roostervloer (perfosysteem) grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen onder de beun grondhuisvesting met enkele buis onder de beun aan weerszijden van het legnest grondhuisvesting met mestbeluchting door middel van verticale ventilatiekokers chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof Volièrehuisvesting minimaal 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. 45 - 55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting.

Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. beluchtingscapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur beluchtingscapaciteit minimaal 0,5 m³ per dier per uur 30-35% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met 0,7 m3 per dier per uur mestbeluchting. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. 55-60% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met 0,7 m3 per dier per uur mestbeluchting. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. Scharrelhuisvesting scharrelstal in twee verdiepingen met mestbanden onder de roosters (twee maal per week afdraaien), bezetting 9 dieren per m² scharrelhuisvesting met frequente mest- en strooiselverwijdering biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof

Emissiefactor

Jaar van

Vaststelling

(kg NH3/

opname in Rav

emissiefactor:

dierplaats/jr.)

/ jaar van

meting (M) of

0,100

aanpassing 1991/2002

afleiding (A) M

0,042

1991/2002

M

0,024

1996/2002

M

0,463

1991/2002

M

0,042

1991/2002

M

0,012

1998/2002

M

0,004

2002

A

0,001

2002

A

0,030

2005

M

0,030

2009

A

0,018

2000/2002

M

0,315

1991/1998

M

0,110

2002

M

0,125

1999

M

0,150

2011

A

0,150

2011

A

0,032

2000

A

0,090

1998

M

0,055

2004

M

0,042

2011

A

0,025

2005

M

0,037

2005

M

0,068

2002

M

0,106

2004

M

0,095

2006

A

Wageningen Livestock Research Rapport 1015

| 19

Rav-code

E 2.14

Huisvestingssysteem

E 2.101

biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof overige huisvestingssystemen nietbatterijhuisvesting overige huisvestingssystemen batterijhuisvesting

2.2.2.3

Opfok vleeskuikenouderdieren (E 3)

E 2.15

E 2.100

Emissiefactor

Jaar van

Vaststelling

(kg NH3/

opname in Rav

emissiefactor:

dierplaats/jr.)

/ jaar van

meting (M) of

0,095

aanpassing 2011

afleiding (A) M

0,095

2011

A

0,315

2002

M

0,100

2002

M

Net als bij de legsector is de emissiefactor van (groot-)ouderdieren van vleeskuikens in opfok bij overige huisvesting (E 3.100) afgeleid van die van de (groot-)ouderdieren op basis van de ingeschatte N-excretie en vervluchtigingsratio van NH3-N (zie par. 2.1). De andere emissiefactoren binnen deze diercategorie zijn gebaseerd op deze emissiefactor. Daarbij zijn de factoren van E 3.3, E 3.4, E 3.6 en E 3.7 afgeleid van dezelfde (gemeten) systemen bij vleeskuikens op basis van expert-beoordeling van de Technische Adviescommissie Rav (TacRav) (Ellen, 2016, persoonlijke mededeling). Om milieurisico’s te vermijden is bij de afleiding een correctiefactor toegepast ten opzichte van de gerealiseerde reductie bij vleeskuikens.

Tabel 3

Overzicht huisvestingssystemen bij opfok vleeskuikenouderdieren met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze

Rav-code

E 3.1

Huisvestingssysteem

E 3.100

chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof stal met mixluchtventilatie stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar overige huisvestingssystemen

2.2.2.4

(Groot-)Ouderdieren van vleeskuikens (E 4)

E 3.2

E 3.3 E 3.4 E 3.5 E 3.6

E 3.7 E 3.8

Emissiefactor

Jaar van

Vaststelling

(kg NH3/

opname in Rav

emissiefactor:

dierplaats/jr.)

/ jaar van

meting (M) of

0,025

aanpassing 2009

afleiding (A) A

0,075

2009

A

0,183 0,180

2009/2011 2011

A A

0,075

2011

A

0,075

2011

A

0,180

2011

A

0,158

2011

A

0,250

1991/2000

A

Bij de vleeskuikenouderdieren zijn drie huisvestingssystemen opgenomen in de Rav: grondhuisvesting; strooiselvloer aan weerszijden van een verhoogde roostervloer (beun) met daaronder de mestopslag en in het midden van de roosters legnesten3; volièrehuisvesting; boven de strooiselvloer stellingen met roosters en daaronder mestbanden, in de stellingen ook legnesten; kooihuisvesting; kooien waarin groepen van hennen met enkele hanen worden gehouden. In de kooi is naast een legnest ook een scharrelgelegenheid met strooisel aanwezig. Ad a.

3

Zie voetnoot 2 bij paragraaf 2.2.2.2.

20 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

Dit systeem kan worden gezien als het traditionele huisvestingssysteem voor deze diergroep. Qua uitvoering is het gelijk aan dat van scharrelhennen. In 1987 is de emissiefactor voor dit systeem vastgesteld op 0,300 kg NH3/dierplaats/jaar (toen was de categorie nog ‘ouderdieren van slachtrassen’). In 1996 is de factor aangepast naar 0,580 kg NH3/dierplaats/jaar op basis van diverse metingen aan kleinschalige opstellingen in 1992 en 1993 op Proefbedrijf Het Spelderholt (Meijerhof en Van der Haar, 1994). De metingen zijn uitgevoerd volgens de beschrijving in Bleijenberg en Ploegaert (1994)4. Tijdens die onderzoeken zijn ook al diverse reducerende technieken getest, zoals beluchting van de mest onder de roosters, mestbanden en mestschuiven. In december 1998 is het systeem met beluchtingsbuizen boven de mest opgenomen in de lijst (Staatscourant, 1998b). De emissiefactor van 0,250 kg NH3/dierplaats/jaar is gebaseerd op metingen van Van der Haar et al. (1998) en is gemeten volgens het oude meetprotocol. Het systeem staat nu in de lijst onder E 4.4.1. Andere systemen die gebruik maken van beluchting van de mest onder de roosters zijn E 4.4.2 t/m E 4.4.4 en E 4.5. Hiervan zijn E 4.4.2 en E 4.5 gemeten in praktijkstallen volgens het oude meetprotocol. De emissiefactor van E 4.4.2 is gebaseerd op metingen van Scheer et al.

(2002a) en die van E 4.5 op metingen van (Ellen, 2016 mondelinge mededeling). De emissiefactoren van E 4.4.3 en E 4.4.4 zijn afgeleid door expert-beoordeling van de Technische adviescommissie Rav (TacRav) op basis van alle beschikbare informatie over emissiereductie door beluchten van mest (Staatscourant, 2010). Een systeem waarvan de emissiereductie is gebaseerd op het regelmatig uit de stal verwijden van de mest is E 4.8. De emissiefactor van dit systeem is gebaseerd op metingen volgens het oude meetprotocol aan een kleinschalige afdeling op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Emous et al., 2004). Ad b. De emissiefactoren van de twee volièresystemen voor vleeskuikenouderdieren (E 4.2 en E 4.3) zijn gemeten volgens het oude meetprotocol in kleinschalige afdelingen op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Haar en Meijerhof (1996a), Haar en Meijerhof (1996b)). In beide systemen werd de mest belucht op de banden onder de roosters. Door ook het strooisel in de scharrelruimte te beluchten is de emissie bij E 4.3 lager; 0,130 kg NH3/dierplaats/jaar ten opzichte van 0,170 kg NH3/dierplaats/jaar. Beide systemen zijn in 1998 opgenomen in de lijst met emissiefactoren. Ad c. In 1996 zijn de groepskooien voor vleeskuikenouderdieren opgenomen in de lijst (Staatscourant, 1996) met een emissiefactor van 0,080 kg NH3/dierplaats/jaar.

Deze factor is gebaseerd op de metingen aan het systeem op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Haar, 1995), uitgevoerd volgens Bleijenberg en Ploegaart (1994). Nadien zijn tijdens een tweetal ronden ook metingen uitgevoerd (volgens het oude meetprotocol), maar deze metingen zijn geen aanleiding geweest om de emissiefactor aan te passen (Haar en Meijerhof, 1997; Haar et al., 1998). Via een verzoek aan de TacRav is in 2009 een extra beschrijving toegevoegd. De aanleiding was het moeten voldoen aan de ‘Verordening welzijnsnormen vleeskuikenouderdieren 2003’ van het Productschap Pluimvee en Eieren (PPE). In de kooien is een scharrelgelegenheid geplaatst. Op basis van de expertbeoordeling is de emissiefactor voor deze variant ingeschat als gelijk aan die van het oorspronkelijke ontwerp.

Tabel 4

Overzicht huisvestingssystemen bij vleeskuikenouderdieren met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze

4

Op het moment dat deze metingen zijn uitgevoerd was er nog geen sprake van een officieel meetprotocol. Bij de metingen is daarom gebruik gemaakt van de in deze publicatie beschreven meetmethode. Wageningen Livestock Research Rapport 1015

| 21

Rav-code

E 4.1

Huisvestingssysteem

E 4.100

groepskooi voorzien van mestband en geforceerde mestdroging volièrehuisvesting met geforceerde mestdroging volièrehuisvesting met geforceerde mest- en strooiseldroging grondhuisvesting met mestbeluchting mestbeluchting van bovenaf mestbeluchting met verticale slangen in de mest grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen onder de beun grondhuisvesting met mestbeluchting door middel van verticale ventilatiekokers perfosysteem op gedeeltelijk verhoogde roostervloer chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof grondhuisvesting, mestbanden onder de roosters, mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof overige huisvestingssystemen

2.2.2.5

Vleeskuikens

E 4.2 E 4.3 E 4.4 E 4.4.1 E 4.4.2 E 4.4.3 E 4.4.4 E 4.5 E 4.6

E 4.7

E 4.8 E 4.9 E 4.10

Emissiefactor

Jaar van

Vaststelling

(kg NH3/

opname in Rav

emissiefactor:

dierplaats/jr.)

/ jaar van

meting (M) of

0,080

aanpassing 1996

afleiding (A) M

0,170 0,130

1998 1998

M M

0,250 0,435 0,435

1998 2004 2010

M M A

0,435

2011

A

0,230

1999

M

0,058

2000

A

0,174

2006

A

0,245

2007

M

0,174

2011

A

0,174

2011

A

0,580

1987/1996

M

Tot 2002 was de emissiefactor voor vleeskuikenstallen 0,050 kg NH3/dierplaats/jaar. Deze factor was gebaseerd op enkele metingen (Winkel, 1988). Op basis van beschikbare metingen is de emissiefactor voor de categorie ‘overige huisvesting’ in 2002 aangepast naar 0,080 kg NH3/dierplaats/jaar. De metingen zijn onder andere uitgevoerd aan een stal in de praktijk die voldeed aan het zogenaamde VEA-concept (VEA = Vleeskuiken Emissie Arm) (Wever et al., 1999). De gedachte achter dit concept was dat door de wijze van ventileren en het isoleren van de stalvloer het strooisel/de mest droger zou zijn waardoor minder ammoniak zou ontstaan. Uit de metingen bleek dit echter niet. Ook metingen aan kleine eenheden op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen wezen in de richting van een emissie van 0,080 kg NH3/dierplaats/jaar (Middelkoop en Van Harn, 1995; Groot Koerkamp et al., 2000). De emissiefactoren voor de reducerende technieken zijn meest gebaseerd op metingen in praktijkstallen. Afhankelijk van het moment van meten is het toen geldende meetprotocol toegepast. Bij een aantal categorieën is er sprake van een afleiding; of binnen dezelfde categorie of vanaf een andere categorie. De emissiefactor van het systeem bij E 5.1 is bepaald op basis van metingen van Groenestein en Montsma (1991) aan een praktijkstal.

Bij deze categorie worden meerdere Groen Labelnummers vermeld, waarbij elk Groen Labelnummer in feite een eigen systeem is. De systemen verschillen dus onderling van elkaar wat betreft uitvoering, maar hebben dezelfde emissiefactor op basis van het emissie reducerende principe. De later opgenomen systemen zijn afgeleid van de metingen aan het eerste systeem. Het reducerende principe van dit systeem is het snel drogen van de mest door lucht door een doek te blazen waarop de mest (en het strooisel) ligt. Binnen E 5.2 zijn twee verschillende uitvoeringen beschikbaar, waarvan de eerste is gemeten (Ellen, 2016, mondelinge mededeling). Ook hier is het emissie reducerende principe gebaseerd op het drogen van de mest door middel van beluchten. Hiertoe zijn openingen in de betonvloer aanwezig waardoor lucht wordt geblazen vanuit een kelder (gemeten variant) of vanuit kanalen in de vloer (afgeleide variant).

De emissiefactor voor het kooihuisvestingssysteem bij E 5.3 is gelijkgesteld aan die van het systeem met een ‘zwevende vloer met strooiseldroging’ (E 5.1) op basis van hetzelfde werkingsprincipe; snelle droging van de mest door middel van beluchting.

22 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015

De emissiefactor van E 5.5 (grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling) is gebaseerd op metingen volgens het oude meetprotocol in een afgescheiden deel van een praktijkstal (Hol en Groot Koerkamp, 1998). Onder andere vanwege afwijkende technische resultaten en gezondheidsproblemen tijdens de eerste ronde zijn metingen gedaan tijdens meer dan de voorgeschreven twee ronden. De emissie van het afgescheiden deel van de stal is steeds vergeleken met een referentiestal die qua verdere uitvoering vergelijkbaar was. De reductie van de ammoniakemissie is bij dit systeem het gevolg van het koelen van de vloer (en daarmee de mest/het strooisel) tijdens de tweede helft van de groeiperiode van de vleeskuikens. De metingen, volgens het oude meetprotocol, in Bleeker en Bulk (2005a) en Bleeker en Bulk (2005b) zijn gebruikt voor vaststellen van de emissiefactor voor E 5.6 (stal met mixluchtventilatie). De reductie bij dit systeem wordt veroorzaakt door het continue laten circuleren van stallucht over het strooisel, waardoor deze droogt. Het systeem bij E 5.8 bestaat uit stellingen met meerdere etages. Iedere etage heeft een mestband als vloer voor de kuikens waarop strooisel is aangebracht. Aan het eind van de ronde worden zowel kuikens als strooisel/mest uit de stal gehaald door de band af te draaien.

De metingen voor de emissiefactor zijn uitgevoerd conform het oude meetprotocol op één locatie met dit huisvestingssysteem (Huis in ’t Veld et al., 2005). Het emissie reducerend principe van deze vorm van huisvesting bestaat uit het voorkomen van broei in het strooisel en het efficiënt ventileren. Op basis van de metingen is een emissiefactor vastgesteld van 0,020 kg NH3/dierplaats/jaar. De emissiefactoren bij categorie E 5.9 zijn alle afgeleid. Het zijn combinaties van twee huisvestingsystemen, waarbij broedeieren worden aangevoerd op het vleeskuikenbedrijf op de 18e dag van het broedproces. Deze eieren worden uitgebroed in een variant van het systeem genoemd bij E 5.8, waarna de kuikens in dit systeem blijven tot op 13 of 19 dagen leeftijd. Daarna worden ze overgeplaatst naar een van de andere huisvestingssystemen. Omdat op deze manier van huisvesten er dieren van twee verschillende leeftijden tegelijk aanwezig zijn, is voor het bepalen van de emissiefactor een aparte formule opgesteld. In deze formule zijn de afgeleide emissies voor de beide toegepaste huisvestingsystemen opgenomen. De afgeleide emissies zijn gebaseerd op rapportages van Mosquera en Hol (2007a, 2007b).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=f19e87c0-fad9-4201-aa6a-3c03470997b1