D (Galgenstraat 1 Sint Kruis) - Bijlage 5. WUR.pdf
Tekst van het document
Op basis van metingen aan vier praktijkstallen conform het toen in concept5 geldende nieuwe meetprotocol (Ogink et al., 2011) zijn de systemen E 5.10 (warmteheaters en ventilatoren) en E 5.11 (luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar) opgenomen in bijlage 1 van de Rav. De reductie van ammoniak van deze systemen is vooral gebaseerd op het continue circuleren van stallucht waardoor mest zo snel mogelijk wordt gedroogd. Daarnaast speelt het niet in de stal brengen van de verbrandingsgassen (CO2 en water) een rol, omdat hierdoor het ventilatieniveau lager kan zijn. Ook geeft een lagere RV van de stallucht minder kans op nat strooisel. In de beschrijving van E 5.10 (BWL 2009.14) zijn twee varianten opgenomen. Een waarbij de heaters worden voorzien van warmwater om de stal te verwarmen en een waarbij verbranding van gas plaats vindt in een gesloten systeem waarbij de rookgassen naar buiten worden afgevoerd. De emissiefactor van E 5.10 is gebaseerd op metingen aan het systeem van heaters met warmwater (Anoniem, 2009). De tweede variant is opgenomen op basis van een vergelijkbare werking. Het rapport van Hensen et al. (2010) is de basis van de emissiefactor van E 5.11. Net als bij E 5.10 is gemeten aan vier praktijkstallen volgens het nieuwe protocol. In de beschrijving zijn twee varianten opgenomen van de uitvoering van de warmtewisselaar.
Aan de variant met stoffilters is niet gemeten. De reden om deze variant op te nemen in de beschrijving is dat de warmtewisselaar zelf geen directe invloed heeft op de vorming van ammoniak in de stal. Wel indirect via het inbrengen van drogere lucht, waarvoor een eis van rendement is opgenomen in de beschrijving. De drogere lucht geeft minder vochtig strooisel, met minder ammoniakvorming. Door het gebruik van de warmtewisselaar hoeft minder te worden gestookt, waardoor bij open verbranding minder vocht en CO2 in de stal terecht komt. Hierdoor hoeft minder te worden geventileerd. Het bij E 5.14 genoemde systeem van indirect gestookte heaters met luchtmengsysteem heeft een afgeleide emissiefactor op basis van expert-beoordeling van de Technische adviescommissie Rav (TacRav). In feite is het een combinatie van de systemen van E 5.10 en E 5.11. Er wordt bij dit systeem ook gebruik gemaakt van ondersteunende circulatieventilatoren zoals bij E 5.11 en daarnaast komt minder vocht en CO2 in de stal door het naar buiten afvoeren van de rookgassen van de heaters.
5
Hoewel het meetprotocol pas in 2011 in een rapport is gepubliceerd, werd het al in de jaren daarvoor toegepast als zijnde het protocol met de meest betrouwbare uitkomsten. Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 23
Om milieurisico’s te vermijden is bij de afleiding gekozen voor de emissiefactor van 0,035 kg NH3/dierplaats/jaar van E 5.10 (Ellen, 2016, persoonlijke mededeling).
Tabel 5
Overzicht huisvestingssystemen bij vleeskuikens met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze van vaststellen van emissiefactor
Rav-code
E 5.1 E 5.2 E 5.3 E 5.4
E 5.5 E 5.6 E 5.7
E 5.8 E 5.9 E 5.9.1 E 5.9.1.1 E 5.9.1.1.1
E 5.9.1.1.2
E 5.9.1.1.3
E 5.9.1.1.4
E 5.9.1.1.100
E 5.9.1.2 E 5.9.1.2.1
E 5.9.1.2.2
E 5.9.1.2.3
E 5.9.1.2.4
E 5.9.1.2.100
E 5.10 E 5.11*)
E 5.12 E 5.13
E 5.14*) E 5.100
Huisvestingssysteem
zwevende vloer met strooiseldroging geperforeerde vloer met strooiseldroging etagesysteem met volledige roostervloer en mestbandbeluchting chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling stal met mixluchtventilatie biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof etagesysteem met mestband en strooiseldroging uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens met aparte vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens in etages met vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.5 (grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.6 (stal met mixluchtventilatie) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.8 (etagesysteem met mestband en strooiseldroging) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.10 (stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in
stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.100 (overige huisvestingsystemen) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.5 (grondhuisvesting met vloerverwarming en vloerkoeling) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.6 (stal met mixluchtventilatie) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.8 (etagesysteem met mestband en strooiseldroging) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.10 (stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.100 (overige huisvestingsystemen) stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag overige huisvestingssystemen
24 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Emissiefactor
Jaar van
Vaststelling
(kg NH3/
opname in Rav
emissiefactor:
dierplaats/jr.)
/ jaar van
meting (M) of
0,005 0,014 0,005
aanpassing 1994 1996 1998
afleiding (A) M M A
0,008
2000/2004
A
0,045
2002
M
0,037 0,024
2006 2006
M A
0,020
2006 2009
M
0,040
A
0,033
A
0,018
A
0,031
A
0,070
A
0,038
A
0,033
A
0,015
A
0,030
A
0,060
A
0,035
2009
M
0,021
2010/2011
M
0,024
2011
A
0,024
2011
A
0,035
2011
A
0,080
1991/2002
M
*)
De categorieën E 5.11 en E 5.14 zijn (nog) niet toegevoegd aan de subcategorieën E 5.9.1.1 en E 5.9.1.2. Wel is die combinati e van systemen mogelijk.
2.2.2.6
Additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag (E 6)
Op bedrijven met leghennen en opfokhennen worden vaak mestbanden toegepast. In het verleden bij de diverse batterijsystemen, nu bij de volièresystemen, verrijkte kooien en Koloniehuisvesting. De mest wordt met de banden regelmatig (minimaal 1x per week) uit de stal verwijderd. De pluimveehouder heeft daarna de keuze om de mest afgedekt op te slaan en binnen 14 dagen af te voeren, verder te behandelen of langere tijd op te slaan. Als de mest binnen 14 dagen wordt afgevoerd, is de aanname dat er geen extra ammoniakemissie optreedt. Bij langdurige opslag zonder nabehandeling is er bij leghennen een extra emissie van 0,050 kg NH3/dierplaats/jaar (bij opfokhennen 0,030 kg NH3/dierplaats/jaar). Deze factor is al toegepast in de eerste richtlijnen van 1987 en 1991 bij de huisvestingsystemen binnen de categorieën voor opfokhennen en leghennen waarbij het opslaan mogelijk was (E 1.5 en E 2.5). De factor is gebaseerd op de publicatiereeks Lucht van het toenmalige ministerie van VROM (Winkel de, 1988), waarin al wordt aangegeven dat het onder een afdak opslaan van mest een aanzienlijke ammoniakemissie kan veroorzaken. Dit is vooral afhankelijk van het drogestofgehalte van de opgeslagen mest. Om de kosten van de mestafzet te verlagen kan de mest buiten de stal verder worden gedroogd.
Voor het kunnen toepassen van deze technieken op bedrijfsniveau is daarom in 1998 de aparte categorie voor nageschakelde technieken opgenomen in de Uav (Staatscourant, 1998b). Naast het opslaan van mest in een (open) opslag zijn toen een drietal systemen opgenomen bij deze categorie: mestdroogsysteem met geperforeerd doek, droogtunnel met oppervlakte droging (dichte banden) en compostering met een chemische wasser. Door een werkgroep is een notitie opgesteld waarin werd aangegeven waaraan de technieken moeten voldoen en zijn emissiefactoren voorgesteld (Zadelhoff et al., 1998). De emissiefactoren voor deze technieken zijn alle gebaseerd op metingen aan de techniek op praktijkbedrijven (Demmers et al., 1992; Kroodsma et al., 1996; Hol en Satter, 1997). Later zijn daar andere droogsystemen aan toegevoegd, met name de droogtunnel waarbij lucht door de mest wordt geblazen in plaats van er over. Hiervan zijn twee varianten opgenomen. Eén met kunststof banden en een andere met metalen platen. De emissiefactor van de laatst genoemde uitvoering is daarbij afgeleid van de gemeten factor van de uitvoering met kunststof banden (Huis in ’t Veld et al., 1999). Om de emissie uit een opslagloods voor pluimveemest verder terug te kunnen dringen, is ook het toepassen van een luchtwasser mogelijk gemaakt.
Hiervoor zijn een drietal aparte subcategorieën opgenomen op basis van expert-beoordeling van de Technische adviescommissie Rav (TacRav).
Tabel 6
Overzicht systemen additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze van vaststellen van emissiefactor.
Rav-code
E 6.1 E 6.2 E 6.3 E 6.4
Huisvestingssysteem
mestdroogsystemen met geperforeerde doek droogtunnel met oppervlaktedroging (dichte banden) lucht uit een composteringsunit met chemische luchtwassing droogtunnel
Emissiefactor
Jaar van
Vaststelling
(kg NH3/
opname in Rav
emissiefactor:
dierplaats/jr.)
/ jaar van
meting (M) of
0,015 0,015
aanpassing 1998 1998
afleiding (A) M M
0,003
1998
M
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 25
E 6.4.1 E 6.4.2 E 6.5
E 6.8
droogtunnel met geperforeerde banden droogtunnel met geperforeerde metalen platen mestopslagloods met biologisch luchtwassysteem 70% emissiereductie mestopslagloods met chemisch luchtwassysteem 70% emissiereductie mestopslagloods met chemisch luchtwassysteem 90% emissiereductie afgesloten mestopslagloods
2.2.2.7
Vleeskalkoenen (F 4)
E 6.6 E 6.7
0,002 0,002 0,015
2005 2007 2011
M A A
0,015
2011
A
0,005
2011
A
0,050
1998/2015
M
De hoofdcategorie kalkoenen is opgesplitst in vier diercategorieën. Hier wordt alleen ingegaan op de laatste diercategorie; vleeskalkoenen. Van de andere drie diercategorieën (opfok van en moederdieren van vleeskalkoenen) zijn slechts enkele bedrijven aanwezig in Nederland. De emissiefactor voor ammoniak voor vleeskalkoenen is eerste instantie vastgesteld op 0,40 kg NH3/dierplaats/jaar, totdat in 1998 deze berekende emissiefactor is bijgesteld naar 0,68 kg NH3/dierplaats/jaar. Deze verhoging was gebaseerd op metingen, uitgevoerd volgens het oude meetprotocol bij zowel hennen als hanen in kleinschalige eenheden op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Veldkamp, 1996a). Tegelijk met de verhoging van de emissiefactor voor overige huisvesting is onder F 4.1 een reducerend systeem opgenomen in de Uav (Staatscourant, 1998a). Een systeem waarbij een deel van de vloer verhoogd is uitgevoerd door middel van een rooster met daarop een doek waardoor lucht wordt gecirculeerd; gedeeltelijk verhoogde strooiselvoer. De emissiefactor van 0,36 kg NH3/dierplaats/jaar is vastgesteld door middel van metingen op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Veldkamp, 1996b).
Op basis van metingen volgens het oude meetprotocol bij een praktijkstal (Beurskens et al., 2002a) is voor het systeem met frequente strooiselverwijdering (F 4.3) een emissiefactor vastgesteld van 0,26 kg NH3/dierplaats/jaar. De systemen bij F 4.8 en F 4.9 zijn beide afgeleid van de vergelijkbare gemeten systemen bij vleeskuikens op basis van expert-beoordeling van de Technische Adviescommissie Rav (TacRav) (Ellen, 2016, persoonlijke mededeling). Om milieurisico’s te vermijden is bij de afleiding een correctiefactor toegepast ten opzichte van de gerealiseerde reductie bij vleeskuikens.
Tabel 7
Overzicht huisvestingssystemen bij vleeskalkoenen met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze van vaststellen van emissiefactor
Rav-code
F 4.1 F 4.2
F 4.3 F 4.4
Huisvestingssysteem
gedeeltelijk verhoogde strooiselvloer chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof mechanisch geventileerde stal met frequente strooiselverwijdering biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75%
26 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Emissiefactor
Jaar van
Vaststelling
(kg NH3/
opname in Rav
emissiefactor:
dierplaats/jr.)
/ jaar van
meting (M) of
0,36 0,07
aanpassing 1998 2002
afleiding (A) M A
0,26
2005
M
0,20
2006
A
F 4.100
emissiereductie fijn stof stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar overige huisvestingssystemen
2.2.2.8
Vleeseenden (G2)
F 4.5 F 4.6 F 4.7
F 4.8 F 4.9
0,49
2011
A
0,20
2011
A
0,20
2011
A
0,49
2011
A
0,43
2011
A
0,68
1991/1998
A/M
Zowel bij de ouderdieren voor vleeseenden als bij de vleeseenden zijn alleen de luchtwastechnieken opgenomen in Bijlage 1 van de Rav als emissie reducerende systemen. Verder is er bij vleeseenden nog een onderscheid tussen binnen mesten en buiten mesten. De emissiefactor voor binnen mesten was in eerste instantie berekend op 0,117 kg NH3/dierplaats/jaar. Op basis van metingen volgens het oude meetprotocol aan kleinschalige afdelingen op Proefbedrijf Het Spelderholt te Beekbergen (Wever en Hol, 1999) is deze factor in 2000 verhoogd naar 0,210 kg NH3/dierplaats/jaar (Staatscourant, 2000).
Tabel 8
Overzicht huisvestingssystemen bij vleeseenden met huidige emissiefactor, jaar van opname in regelgeving, eventueel jaar van wijziging en wijze van vaststellen van emissiefactor
Rav-code
Huisvestingssysteem
Emissiefactor
Jaar van
Vaststelling
(kg NH3/
opname in Rav
emissiefactor:
dierplaats/jr.) G 2.1 G 2.1.1
G 2.1.100 G.2.2
binnen mesten chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof overige huisvestingssystemen buiten mesten (per afgeleverde eend)
2.2.2.9
Luchtwastechnieken
G 2.1.2
G 2.1.3
G 2.1.4
/ jaar van
meting (M) of
aanpassing
afleiding (A)
0,021
2011
A
0,063
2011
A
0,063
2011
A
0,063
2011
A
0,210 0,019
1991/2000 1991
A/M A
Voor de opname van luchtwassers in Bijlage 1 van de Rav zijn de volgende mogelijkheden: •
Er is een toelatingscertificaat opgesteld na een theoretische toetsing op basis van aangeleverde technische aspecten (dit is alleen mogelijk voor luchtwassers met een verwijderingsrendement van maximaal 70% voor ammoniak).
•
Er is een meetrapport waarbij is gemeten volgens het geldende meetprotocol.
•
Bij hoofdcategorieën met een lagere stofconcentratie is afleiding mogelijk van metingen bij een andere hoofdcategorie met een hoge stofconcentratie in de stallucht.
In Tabel 9 is weergegeven op basis van waarvan de diverse luchtwastechnieken zijn opgenomen. De eerste luchtwassers bij pluimvee zijn opgenomen in 2000. Dit bij de diercategorieën opfokleghennen, leghennen, vleeskuikenouderdieren en vleeskuikens. Later zijn op diverse momenten ook luchtwassers bij de andere diercategorieën opgenomen, in diverse varianten en uitvoeringen. Iedere uitvoering van
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 27
een luchtwasser heeft een eigen beschrijving met specifieke eisen ten aanzien van met name het waspakket. De opname van het biofilter in 2011 was met name het gevolg van het zoeken naar technieken om de emissie van fijn stof uit pluimveestallen te reduceren. Uit indicatieve metingen bleek het verwijderingsrendement hiervoor vrij hoog (Winkel et al., 2010). Voor ammoniak was het verwijderingsrendement bij die metingen ook hoog (89%), maar is op basis van de onzekerheid met betrekking tot haalbaarheid hiervan op lange termijn een lager reductiepercentage opgenomen in de Rav.
Tabel 9
Overzicht opname luchtwastechnieken in Bijlage 1 van de Rav
Type luchtwasser
Codes Rav
BWL-nummer1)
Bron
Chemische luchtwasser 90% reductie NH3
E 1.9, E 2.10, E 3.1, E 4.6, E 5.4 F 1.1, F 2.1, F 3.1, F 4.2 G 1.1, G 2.1.1
BWL 2007.05
Meetrapport; - Mosquera et al., 2007c Meetrapporten; - Hol en Satter, 1998 - Hol et al., 1999 - Verdoes en Zonderland, 1999 Meetrapport; - Musters, 2013 Toelatingscertificaat; - ASG-2006-201-001 Toelatingscertificaat; - ASG-2006-202-001 Toelatingscertificaat; - ASG-2008-KWB-002 - WUR LR 2010 – KWB 001 - WUR LR 2010 – KWB 002 Toelatingscertificaat; - ASG-2006-202-001 Toelatingscertificaat; - WUR-LR-2010-001Van Boxtel Kunststof Toelatingscertificaat; - WUR-LR-2011-001-Robos Limburg B.V. Toelatingscertificaat; - WUR-LR-2010-001Van Boxtel Kunststof Toelatingscertificaat; - WUR LR 2011 – Inno+ 001B Meetrapport; - Winkel et al., 2010
BWL 2008.08
BWL 2013.08 Biologische luchtwasser 70% reductie NH3
E 1.10, E 2.13, E 3.2, E 4.7, E 5.7 F 1.2, F 2.2, F 3.2, F 4.4 G 1.2, G 2.1.2
BWL 2006.02 BWL 2007.03 BWL 2009.13
BWL 2010.27 BWL 2010.28
BWL 2011.11
BWL 2013.02
BWL 2015.04 Biofilter 70% reductie NH3 E 1.12, E 2.14, E 3.5, E 4.9, E 5.12 F 1.4, F 2.4, F 3.3, F 4.6 G 1.4, G 2.1.4 Chemische luchtwasser E 1.13, E 2.15, E 3.6, E 4.10, 70% reductie NH3 E 5.13 F 1.5, F 2.5, F 3.4, F 4.7 G 1.3, G 2.1.3
BWL 2011.03
BWL 2005.01 BWL 2008.06 BWL 2014.01
1) De BWL-nummers zijn weergegeven zonder versienummers.
28 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Toelatingscertificaat; - WUR LR 2010 - Inno+ 001 Toelatingscertificaat; - IMAG<nr. onbekend> Meetrapporten; - Broer, L. et al., 2012. - Gramatte, W. en J. Johann, 2009.
3
Recente meetgegevens NH3-emissie uit pluimveestallen
De emissiefactoren voor de categorieën ‘overige huisvestingssystemen’ binnen elke diercategorie bij kippen, kalkoenen en eenden zijn gebaseerd op metingen volgens het oude meetprotocol. Hiertoe zijn metingen gedaan op één enkele locatie gedurende bepaalde perioden van het jaar. In paragraaf 2.2.1 is al aangegeven dat door het wijzigen van het meetprotocol de nauwkeurigheid van de schatting van de emissiefactor vanaf 2008 is toegenomen. In 2008 en 2009 zijn metingen aan diverse stallen uitgevoerd volgens het nieuwe meetprotocol (Ogink et al., 2011). De aanleiding voor de metingen was het vaststellen van emissiefactoren voor fijn stof van de overige huisvestingssystemen en van reducerende technieken. Naast fijn stof is o.a. ook ammoniak gemeten. Deze metingen zijn veelal volgens het ‘case-control-principe’ uitgevoerd6, waarbij soms niet op twee maar op slechts één locatie is gemeten. Wel is bij deze stalmetingen de meetmethode van het nieuwe protocol gevolgd. In tabel 10 is een overzicht gegeven van deze metingen. Daarbij is aangegeven wat de aanleiding was, het meetprincipe en aantal stallen, de eerste auteur van het rapport waarin de resultaten van de meting zijn gepubliceerd en de gemeten ammoniakemissies. Uit tabel 10 blijkt dat de recent gemeten emissiewaarden afwijken van de nu in Bijlage 1 van de Rav opgenomen emissiefactoren.
Deels worden deze mogelijk veroorzaakt door het verschil in het uitvoeren van de metingen tussen het oude en het nieuwe meetprotocol. Andere oorzaken kunnen veranderingen zijn in voersamenstelling, genetische kenmerken van de dieren (voerefficiëntie), management en aanpassingen in de huisvesting op basis van wetgeving of maatschappelijke wensen. Ook omgevingsfactoren zoals weersomstandigheden kunnen een rol spelen. Op basis van alle beschikbare data is gekeken of een relatie kon worden gelegd tussen een van de genoemde factoren en de emissiewaarden. Uit de analyse van de gegevens konden de factoren die de verschillen veroorzaakten echter niet onderscheiden worden. De veranderingen in de pluimveehouderij zijn echter structureel en de recente meetgegevens worden meer representatief geacht voor de huidige huisvestingssystemen. Dit geeft voldoende aanleiding om een advies te geven voor het aanpassen van de emissiefactoren van enkele van de categorieën. In het volgende hoofdstuk wordt dit advies uitgewerkt voor alle systemen binnen de categorieën E, F en G van Bijlage 1 van de Rav.
6
Het principe van ‘case-control-meten’ is dat bij twee identieke stallen tegelijk wordt gemeten. In de ene stal is de te onderzoeken factor/techniek aangebracht, terwijl de andere de controlestal is. Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 29
Tabel 10
Overzicht recent uitgevoerde emissiemetingen in de pluimveehouderij waarbij ammoniak is gemeten.
Systeem (code Rav)
Aanleiding meting
Uitvoering meting
Aantal
Eerste auteur (jaar
stallen
van rapportage)
NH3-emissie1) met standaardafwijking2)
Huidige emissiefactor (Rav 24
Controle/
Behandeling
juni 2015)1)3)
Referentie Opfokleghennen Verhoogde strooiselvloer met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters (E 1.14)
Vaststellen emissiefactor ammoniak
Belgisch protocol, gebaseerd op Beoordelings-richtlijn 1996 Nieuw meetprotocol
1
Otten (oktober 2011)
n.v.t.
110
nieuw
1
Mosquera (november 2012a)
n.v.t.
130,6
110
129 ±80
n.v.t.
25 - 90
402 ±80
n.v.t.
315
462
404
315
Verhoogde strooiselvloer met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters Leghennen Volièrehuisvesting (E 2.11)
Luchtwasser met bypassventilatoren Vaststellen emissiefactor fijnstof
Nieuw meetprotocol
4
Grondhuisvesting (E 2.100)
Vaststellen emissiefactor fijnstof
Nieuw meetprotocol
4
Olierobot in grondstallen (E 7.9)
Effect op fijnstof emissie
2
Oliefilm in volièrestallen (E 7.8)
Effect op fijnstof emissie
Case-control volgens nieuw meetprotocol Case-control volgens nieuw meetprotocol
Winkel (November 2009b) Mosquera (November 2009c) Winkel (juni 2014)
2
Winkel (oktober 2014a)
117
106
37
Vleeskuikenouderdieren Traditioneel (E 5.100)
Vaststellen emissiefactor fijnstof
Nieuw meetprotocol
2
Mosquera (november 2009a)
456
n.v.t.
580
Vleeskuikens Scanfeeder
Effect op ammoniakemissie
Hol (maart 2007)
n.v.t.
52,8
--
Strooiselmateriaal
Effect op fijnstof emissie
Harn (april 2009)
35,0
80
Traditioneel (E 5.100)
Vaststellen emissiefactor fijnstof
Oud meetprotocol, twee ronden in kleine afdelingen (Het Spelderholt - Lelystad) Twee ronden in kleine afdelingen (Het Spelderholt - Lelystad) Ogink et al., 2011
Oliefilmsysteem met drukleidingen (E 7.1)4) Ionisatiesysteem met negatieve coronadraden (E 7.1)5) Stal met geconditioneerde luchtinlaat
Effect op fijnstof emissie Effect op fijnstof emissie Effect van conditioneren binnenkomende lucht
30 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Case-control volgens nieuw meetprotocol Case-control volgens nieuw meetprotocol Nieuw meetprotocol
72,0 ±25,0
4
Winkel (november 2009a) Winkel (maart 2011a)
Snijmaïssilage: 17,9 Tarwestro: 38,2 Koolzaadstro: 36,3 n.v.t.
67,6 ±60,9
67,0 ±61,6
80
4
Winkel (maart 2011b)
47,6 ±19,4
57,6 ±34,1
45 en 37
1
Mosquera (november 2012b)
n.v.t.
28,3 ±25,2
--
4
80
Systeem (code Rav)
Aanleiding meting
Uitvoering meting
Aantal
Eerste auteur (jaar
stallen
van rapportage)
NH3-emissie1) met standaardafwijking2)
Huidige emissiefactor (Rav 24
Behandeling
juni 2015)1)3)
n.v.t.
34,8 ±28,8
35 / 21
Controle/ Referentie Stal met heaters met strooiselbeluchting en warmtewisselaar (E 5.10 en E 5.11) Snijmaïssilage (PAS 2015.07-01)
Vleeskalkoenen Traditioneel (F 4.100) Nageschakelde technieken Diverse droogtunnels (E 6.4) Droogtunnels (E 6.4)
Effect combineren van systemen
Nieuw meetprotocol
1
Mosquera (juni 2013)
Vaststellen emissiereductie
Case-control volgens nieuw meetprotocol
2
Harn (2015)
49,6±51,76)
gedroogde snijmaïs: 22,4±19,3 verse snijmaïs: 40,0±61,5
nieuw
Vaststellen emissiefactor fijnstof
Nieuw meetprotocol
2
Mosquera (november 2009b)
932 ±282
n.v.t.
680
Effect op fijnstof emissie Effect snel indrogen zonder voordrogen
Nieuw meetprotocol Nieuw meetprotocol
2 2
Winkel (maart 2011c) Winkel (oktober 2014c)
241 n.v.t.
n.v.t. 24 ±10 / 45 ±297)
2 2
1)
Emissie(factor) in g/dierplaats per jaar
2)
Indien genoemd is de standaardafwijking berekend over de gemiddelde waarden van de bemeten bedrijven (N=4)
3)
Emissiefactor van bemeten systeem
4)
De metingen zijn uitgevoerd in traditionele stallen (E 5.100).
5)
De metingen zijn uitgevoerd aan stallen met ammoniakemissie reducerende technieken: E 5.5 en E 5.6. In het rapport is geen uitsplitsing gemaakt naar de emissie van beide technieken.
6)
Emissiefactor zonder leegstandscorrectie van 18%.
7)
Eerste waarde is gemeten bij E 6.4.2, tweede waarde bij E 6.4.1.
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 31
4
Werkwijze bij afleiden en meetonzekerheid
4.1
Werkwijze bij afleidingen
4.1.1 Afleiding emissiefactor ‘overige huisvestingssystemen’ bij opfok leghennen en opfok vleeskuikenouderdieren De huidige emissiefactoren voor de systemen ‘overige huisvestingssystemen’ bij opfok leghennen en opfok vleeskuikenouderdieren zijn afgeleid van de emissiefactoren van respectievelijk leghennen en vleeskuikenouderdieren op basis van de verhouding in berekende N-excretie tussen beide leeftijdsgroepen (zie paragraaf 2.1). Omdat er zowel bij opfok leghennen als opfok vleeskuikenouderdieren geen metingen zijn uitgevoerd voor het vaststellen van de ammoniak emissie bij het systeem ‘overige huisvestingssystemen’, is het advies om de emissiefactor voor deze categorie bij beide diercategorieën vast te stellen op basis van de verhouding van de TAN-productie (TAN = Totaal Ammoniakaal N). Uitgangspunt hierbij is dat de NH3-N vervluchtiging bij beide diercategorieën gelijk is ten opzichte van TAN in de mest. Hiervoor geldt dan de volgende vergelijking: 𝑇𝐴𝑁𝑦
𝐸𝐹𝑦 = 𝐸𝐹𝑥 ∗ 𝑇𝐴𝑁
𝑥
(1)
Hierin is: EFy = emissiefactor overige huisvestingssystemen categorie y (kg NH3/dierplaats/jaar) EFx = emissiefactor overige huisvestingssystemen categorie x (kg NH3/dierplaats/jaar) TANy = TAN-productie categorie y (kg/dier/jaar) TANx = TAN-productie categorie x (kg/dier/jaar) Voor het berekenen van de emissiefactor EFy voor de systemen ‘overige huisvestingssystemen’ bij opfokleghennen (E 1.100 en E 1.101) is EFx de emissiefactor van ‘overige huisvestingssystemen’ van leghennen (E 2.100 of E 2.101). Voor het berekenen van de emissiefactor voor opfok vleeskuikenouderdieren (E 3.100) is EFx de emissiefactor van E 4.100. De meest recente metingen bij zowel leghennen als vleeskuikenouderdieren die geschikt zijn voor het vast stellen van een emissiefactor zijn uitgevoerd in 2008. Daarom is de berekende TAN-productie van dat jaar genomen uit Van Bruggen et al., (2015). De waarden uit deze publicatie voor de diverse diercategorieën zijn weergegeven in tabel 11.
Tabel 11
Overzicht berekende TAN-productie per diercategorie (Bron: Bruggen et al., 2015)
Diercategorie
N (kg/dr/jr)
Leghennen, jonger dan 18 weken Leghennen, 18 weken en ouder Ouderdieren van slachtrassen, jonger dan 18 weken Ouderdieren van slachtrassen, 18 weken en ouder
0,34 0,75 0,33 1,12
%TAN
TAN
72 75 71 78
(kg/dr/jr) 0,245 0,563 0,234 0,874
Verhouding 0,44 0,27
Voordat de advieswaarde voor de emissiefactor voor opfokhennen en opfok vleeskuikenouderdieren zijn berekend, is eerst een advieswaarde voor leghennen respectievelijk vleeskuikenouderdieren vastgesteld (zie paragraaf 2.3 en paragraaf 2.5).
32 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
4.1.2
Afleiding binnen en tussen diercategorieën
Om consequent te zijn in de benadering is bij het opstellen van de adviezen gebruik gemaakt van een beslisboom. Deze is in Bijlage 2 toegevoegd. In de beslisboom wordt toegewerkt naar een bepaalde manier van berekenen van de emissiefactor van de betreffende categorie; de rekenregel. Afhankelijk van de techniek, het wel of niet beschikbaar zijn van metingen en het gevolgde meetprotocol gelden daarbij de vergelijkingen zoals genoemd in bijlage 2. Bij het vaststellen van de emissiefactor van een systeem binnen dezelfde diercategorie is daarbij overwegend de volgende vergelijking gehanteerd:
𝐸𝐹𝑥.𝑛 = 𝑅𝑥 ∗ 𝐸𝐹𝑥.100
(2)
Hierin is: EFx.n = emissiefactor van subcategorie n van diercategorie x (kg NH3/dierplaats/jaar) Rx = reductiepercentage volgens huidige emissiefactor bij diercategorie x EFx.100 = emissiefactor ‘overige huisvesting’ van diercategorie x (kg NH3/dierplaats/jaar) Bij het afleiden van een emissiefactor voor een systeem dat is gemeten bij een andere diercategorie naar een andere diercategorie geldt vergelijking (3):
𝐸𝐹𝑦.𝑛 = 𝑅𝑥 ∗ 𝐸𝐹𝑥.100
(3)
Hierin is: EFy.n = emissiefactor van subcategorie n van diercategorie y (kg NH3/dierplaats/jaar) Rx = reductiepercentage volgens huidige emissiefactor bij diercategorie x EFx.100 = emissiefactor ‘overige huisvesting’ van diercategorie x (kg NH3/dierplaats/jaar)
4.1.3 Meetonzekerheid en weergave emissiefactoren Een belangrijk aandachtspunt bij de vaststelling van emissiefactoren is hoe om te gaan met de hieraan verbonden onzekerheid. Op basis van de in de loop der jaren verworven kennis over meetonzekerheid, concluderen wij dat de gehanteerde afronding in huidige Rav-tabel (0,001 kg in hoofdcategorieën E en G en 0,01 kg in hoofdcategorie F) een onderscheidingsvermogen suggereert die niet overeenkomt met de meetonzekerheid van het huidige meetprotocol (Protocol voor meting van ammoniakemissie uit huisvestingssystemen in de veehouderij 2013). Het huidige meetprotocol gebaseerd op 4 bedrijfslocaties levert een meetonzekerheid dat bij benadering tussen -15 en +15% van het gemeten gemiddelde ligt (95%-betrouwbaarheidsinterval). Eerder op één bedrijfslocatie vastgestelde factoren (Groen Label protocol), hebben bij benadering een dubbel zo groot interval. Vanwege de meetonzekerheid is bij het opstellen van de adviezen in hoofdstuk 5 aangehouden dat als de afgeleide emissiefactor minder dan 15% afwijkt van de oude, de emissiefactor niet wordt aangepast. Dit is onder andere het geval bij de emissiefactoren voor opfokleghennen.
Om een weg te vinden in de wijze waarop emissiegetallen kunnen worden vastgelegd, is het nodig eerst onderscheid te maken tussen de twee essentiële functies die een tabel met emissiefactoren moet vervullen: 1) de functie om informatie te geven over het emissieniveau van een diercategorie en 2) de functie om informatie te geven over de prestaties van de verschillende emissiearme stalsystemen binnen elke diercategorie ten opzichte van het traditionele huisvestingssysteem (bijvoorbeeld E 2.100 in de E2-categorie). Voor de eerste functie is het gebruik van de niet-afgeronde meetwaarde de beste methode van schatten. Voor de tweede functie, het emissie reducerende effect van een systeem, is het van belang de verschillen met een significantie vast te stellen. Dit leidt tot bandbreedtes, wat resulteert in zogenaamde emissieklassen met oplopende reductiepercentages t.o.v. de ‘overige huisvestingssystemen’. Er zijn echter op dit moment onvoldoende meetreeksen beschikbaar om de bandbreedtes betrouwbaar vast te stellen. Daarom wordt nu geadviseerd niet uit te gaan van emissieklassen, maar wel om hierop te anticiperen voor de toekomst.
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 33
5
Advies aanpassing emissiefactoren
In de volgende paragrafen worden voor de diverse sectoren de adviezen gegeven voor aanpassing van de emissiefactoren (EF). Per diercategorie zijn steeds twee tabellen opgenomen. Tabel a geeft de EF voor Categorie A systemen die nog voorkomen en waarvan verwacht wordt dat ze in de nabije toekomst nog voor zullen komen. In Tabel b zijn de systemen opgenomen die niet of nauwelijks meer in de praktijk voorkomen en waarvan niet te verwachten is dat ze in de nabije toekomst voor zullen komen volgens de huidige beschrijvingen (categorie B). Ter vergelijking zijn in de tabellen ook de huidige emissiefactoren opgenomen en het verschil tussen de geadviseerde en huidige EF.
5.1
Opfokleghennen (E 1)
Uit Tabel 10 van hoofdstuk 3 blijkt dat er geen metingen zijn uitgevoerd aan traditionele grondhuisvesting (stal met gedeeltelijk roostervloer) of volièrehuisvesting bij opfok leghennen. Er zijn op een tweetal locaties metingen gedaan aan een huisvestingssysteem voor opfok leghennen. Op beide locaties ging het om een stal waarbij boven de verhoogde roostervloer extra roosters aanwezig waren. Deze roosters worden pas later in de opfokperiode uitgeklapt zodat ze gebruikt kunnen worden door de dieren. In de praktijk staat dit systeem bekend als het NivoVaria-systeem of JumpStartsysteem. Op basis van de metingen op een van beide locaties (Otten et al., 2011) is het systeem bij E 1.14 met een emissiefactor van 0,110 kg NH3/dierplaats/jaar opgenomen in bijlage 1 van de Rav. De metingen op de andere locatie waren gericht op het effect van het gebruik van een luchtwasser waarbij niet de hele geïnstalleerde ventilatiecapaciteit door de wasser werd geleid (Mosquera et al., 2012a). Omdat er voor opfokleghennen geen nieuwe meetwaarden beschikbaar waren, is gekozen om de emissiefactoren af te leiden van die van leghennen. Dit is gedaan op basis van de verhouding in TANproductie volgens tabel 10 voor de categorie overige huisvesting (E 1.100) met vergelijking (1) en daarna zijn de systemen binnen de categorie opfokleghennen afgeleid met de rekenregels van de beslisboom (Bijlage 2).
In tabellen 12a en 12b zijn de op deze wijze afgeleide emissiefactoren weergegeven. Omdat de op basis van TAN berekende emissiefactor voor de categorie ‘overige huisvesting niet-batterijhuisvesting minder dan 15% wijzigt ten opzichte van de huidige emissiefactor, is het advies om deze factor niet aan te passen. Omdat voor volièrehuisvesting voor leghennen geen advies voor een emissiefactor kan worden gegeven (zie paragraaf 5.2), is het ook voor opfokleghennen niet mogelijk om een emissiefactor af te leiden voor volièrehuisvesting, behalve voor E 1.8.2. Binnen de volièrehuisvestingsystemen is E 1.8.2 een gemeten systeem. Daarom is hiervoor wel een advies gegeven, gebaseerd op de berekening volgens vergelijking (1) en de genoemde rekenregel van de beslisboom uit bijlage 2. Voor de emissiefactor van E 1.11 is het advies om deze vast te stellen op basis van de bij vleeskuikens gerealiseerde reductie ten opzichte van de emissie bij ‘overige huisvestingssystemen’. Voor het systeem bij E 1.14 is de door de Tac-Rav vastgestelde emissiefactor overgenomen omdat het hier gaat om een gemeten systeem. Voor de systemen die vallen onder categorie E 1.5 geldt dat categorie E 1.101 de referentie is.
34 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Tabel 12a
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor opfok leghennen (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie A systemen (voorkomend en in de nabije toekomst nog te verwachten) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 uit bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 1.5 E 1.5.1 E 1.5.2
E 1.5.3
E 1.5.4
E 1.5.5 E 1.7 E 1.8 E 1.8.1
E 1.8.2
E 1.8.3
E 1.8.3.1 E 1.8.3.2 E 1.8.4
E 1.8.5
E 1.9 E 1.10 E 1.11 E 1.12 E 1.13 E 1.14 E 1.100
mestbandbatterij met geforceerde mestdroging mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging mestbandbatterij met geforceerde mestdroging, belucht met 0,4 m³ lucht per opfokhen per uur; mestafdraaien per vijf dagen, de mest heeft dan een droge stofgehalte van minimaal 55% batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.1 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.2 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof koloniehuisvesting met mestbandbeluchting (0,7 m3 per dier per uur) grondhuisvesting (strooiselvloer, roostervloer) Volièrehuisvesting minimaal 50% van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages 65 - 70% van de leefruimte is rooster, met daaronder een mestband met 0,3 m3 per dier per uur mestbeluchting. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien.
Roosters minimaal in twee etages 45 - 55% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband, mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien met 0,1 m3 per dier per uur beluchting met 0,3 m3 per dier per uur beluchting 30 - 35% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband met 0,4 m³ per dier per uur beluchting, mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien 55 - 60% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband met 0,4 m³ per dier per uur beluchting, mestbanden minimaal éénmaal per week afdraaien chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof opfokhuisvesting met verhoogde roostervloer met daarboven oplierbare en/of opklapbare roosters overige huisvestingssystemen niet-batterijhuisvesting
0,020
0,020
0
4
0,006
0,006
0
4
0,002
0,002
0
2
0,001
0,001
0
2
0,016
0,016
0
4
0,170
0,170
0
4
0,030
0
4
0,017
0,017
0
2
0,051
0,051
0
2
0,150
0,088
41
3
0,051
0,051
0
2
0,051
0,051
0
2
0,110
0,110
0
0,170
0,170
0
0,050
0,030
0,030 0,023 0,014
0,020
ref.
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 35
Tabel 12b
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor opfok leghennen (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie B systemen (niet meer voorkomend en in de nabije toekomst verdwenen) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 uit bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 1.1
open mestopslag onder de batterij al dan niet voorzien van een mestschuif (flat-deck-kooien, trapkooien of compactkooien voor natte mest) mestbandbatterij voor natte mest met afvoer naar een gesloten opslag (minimaal 2 maal per week ontmesten) compactbatterij waarvan de natte mest 2 maal daags door middel van mestschuiven en een centrale mestband afgevoerd wordt naar een gesloten opslag batterij met geforceerde mestdroging (kanalenstal)
0,045
0,045
0
4
0,020
0,020
0
4
0,011
0,011
0
4
0,208
0,208
0
4
0,010
0,010
0
4
E 1.101
batterijsysteem met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel overige huisvestingssystemen batterijhuisvesting
0,045
0,045
0
ref.
5.2
Leghennen (E 2)
E 1.2 E 1.3
E 1.4 E 1.6
5.2.1 Grondhuisvesting (E 2.100) Er zijn een aantal metingen uitgevoerd aan stallen met zogenaamde grondhuisvesting (of scharrelhuisvesting). Op basis van 24 metingen in vier stallen berekende Mosquera et al. (2009) een ammoniakemissie inclusief leegstand van 402 g/j per dierplaats. Dit is hoger dan de huidige 315 g/j per dierplaats die in de Rav lijst staat voor E 2.100. Winkel et al. (2014) maten tijdens een onderzoek naar de effecten van het gebruik van een olierobot op de stofemissie een ammoniakemissie in de referentiestal van 462 g/j per dierplaats. In de stal met de olierobot was geen significant effect op ammoniakemissie meetbaar en was de emissie op jaarbasis 404 g per dierplaats. De huidige emissiefactor van 315 g/j per dierplaats is vastgesteld in 1998 (zie par. 2.2.2.2). Het is aannemelijk dat de recente meetwaarden representatiever zijn voor het huidige dier, de huidige stal en het huidige management. Geadviseerd wordt om de emissiefactor voor E 2.100 (overige huisvestingssystemen niet-batterijhuisvesting) vast te stellen op 0,402 kg NH3/dierplaats/jaar op basis van de protocollaire metingen in Mosquera et al. (2009). Hiermee stijgt de emissiefactor voor deze categorie met 28%. De emissiefactoren voor de andere systemen die gebaseerd zijn op een vergelijkbare uitvoering van de stal zijn met behulp van de beslisboom afgeleid van deze advieswaarde.
In de tabellen in paragraaf 5.2.3 zijn deze weergegeven.
5.2.2 Volièrehuisvesting (E 2.11) In Tabel 10 (hoofdstuk 3) is terug te vinden dat er een aantal metingen is uitgevoerd aan stallen met een volièresysteem. Deze metingen waren vooral gericht op het vaststellen of reduceren van de emissie van fijnstof. Bij bestudering van de rapporten is nagegaan in hoeverre de meetwaarden voor ammoniak gebruikt konden worden voor het vaststellen van een advies voor een (nieuwe) emissiefactor. In Tabel 13 is een overzicht gegeven van de eisen die worden gesteld aan de volièresystemen ten aanzien van het aantal keren afdraaien van de mestbanden en de aanwezigheid en mate van beluchting van de mest op de mestbanden. In de tabel is ook aangegeven hoe de uitvoering was ten aanzien van deze aspecten in de gemeten situaties. Ook de in de Rav opgenomen en de per stal gemeten emissie van ammoniak is opgenomen in de tabel.
36 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Tabel 13
Beschrijvingen van volièrestallen, emissiefactoren in de Rav en recenter gemeten emissies in g/j per dierplaats met nieuw protocol.
RAV-code
Afdraaifrequentie
Beluchting
Emissie
mestbanden min. aantal keren
ja/nee
m3/dier/uur
gr/dierpl./jr.
nee ja ja ja ja
0,2 0,5 0,7 0,7
90 55 42 25 37
per week Volgens beschrijving Rav E 2.11.1 E 2.11.2.1 E 2.11.2.2 E 2.11.3 E 2.11.4
1 2 2 1 1
Gemeten stallen volgens Winkel et al. 2009b en Winkel et al. 2014a 2009/1, E 2.11.1 1 ja 2009/2, E 2.11.2.1 1 ja 2009/3, E 2.11.1 1 nee 2009/4, E 2.11.2.1 1 ja 2014/1a, E 2.11.4 1 ja 2014/1b, E 2.11.4 1 ja
onbekend 0,5 0,2 0,7 0,7
172 78 50 221 117 106
Tabel 13 geeft aan dat de recent gemeten ammoniakemissies variëren van 50-221 g/j per dierplaats, waar de formele emissiefactoren variëren van 25-90 g/j per dierplaats. Verder valt op dat ten aanzien van het afdraaien van de mestbanden en het toepassen van beluchting de werkwijze in de stallen 2009/1, 2009/2 en 2009/4 niet overeenkomen met de gebruikseisen zoals die in de betreffende beschrijving van de systemen (de zgn. BWL-beschrijvingen) zijn opgenomen. Er moet daarom geconcludeerd worden dat, ondanks dat de systemen op basis van bestaande Rav nr. vergund waren, het management van afdraaien en beluchten niet (meer) overeen kwamen met bijbehorende beschrijvingen. Dit is voor de stofemissie weliswaar minder relevant, maar het zijn belangrijke aspecten met betrekking tot de ammoniakemissie. Daarom vormen de nieuwe meetcijfers geen goede basis voor een update van de ammoniakemissiefactoren voor E 2.11.1 en E 2.11.2. De stal gemeten in 2014 (E 2.11.4) voldoet wel aan de beschrijving, maar deze metingen zijn niet protocollair wat betreft het aantal stallen en locaties (Winkel et al., 2014). De hier toegepaste wijze van meten is alleen geschikt om een reductie vast te stellen ten opzichte een tegelijk gemeten referentie. Wat opvalt aan de nieuwe meetwaarden is dat de meting zonder beluchting een lagere emissie heeft dan de andere locaties met beluchting.
De verwachting is dat door beluchting de mest droogt en daarmee de omzetting van urinezuur vertraagd waardoor de emissie verminderd. Het onderzoek geeft geen inzicht in de oorzaak van dit verschil. De hoge emissiewaarden lijken er wel op te duiden dat de huidige emissiefactoren te laag zijn. Een oorzaak kan zijn dat de huidige factoren vaak in kleinschalige units zijn gemeten die vaak een lagere emissie laten zien Op basis van het hierboven staande is de conclusie dat er voor de volièrehuisvesting op basis van de beschikbare data geen advies kan worden gegeven voor een (nieuwe) emissiefactor. In paragraaf 5.2.3 zijn daarom geen waarden opgenomen voor deze categorie in de tabel.
5.2.3 Advies emissiefactoren leghennen In Tabellen 14a en 14b zijn de advieswaarden opgenomen voor de diverse huisvestingssystemen voor leghennen. De geadviseerde waarden zijn gebaseerd op de rekenregels van de beslisboom in bijlage 2. Daarbij is categorie E 2.101 (overige huisvestingssystemen batterijhuisvesting) de referentie voor alle kooihuisvestingssystemen, inclusief de verrijkte kooien en koloniehuisvesting. De emissiefactor voor E 2.101 is gelijk gehouden aan de huidige emissiefactor, omdat er geen nieuwe meetgegevens beschikbaar zijn en dit systeem niet meer mag worden gebruikt. Voor alle systemen met een vergelijkbare indeling is categorie E 2.100 (overige huisvestingssystemen niet-batterijhuisvesting) de referentie. Zoals in paragraaf 5.2.2. al is aangegeven kan geen advieswaarde voor de volièresystemen worden gegeven vanwege onvoldoende beschikbare data voor de diverse systemen. De meeste emissiefactoren zijn afgeleid op basis van rekenregel 4 van de beslisboom (zie bijlage 2) van de categorieën ‘overige’ (E 2.100 voor de niet-batterij (of alternatieve) huisvestingssystemen en E 2.101 voor de batterijhuisvestingssystemen), omdat de emissies gebaseerd zijn op meetcijfers gemeten volgens het oude meetprotocol.
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 37
Voor de luchtwassers is rekenregel 2 toegepast (conform de beslisboom) en voor E 2.7 (traditionele scharrelstal) rekenregel 3. Reden voor dit laatste is dat de huidige emissiefactor van het systeem ‘overige huisvestingssystemen’ in het verleden gelijk is gesteld aan de gemeten emissie van E 2.7. Van E 2.7 is echter wel een beschrijving opgesteld en bij alle diercategorieën is van ‘overige huisvestingssystemen’ per definitie geen beschrijving omdat dit een veelheid aan verschillende staluitvoeringen is. Tabel 14a
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor leghennen (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie A systemen (voorkomend en in de nabije toekomst nog te verwachten) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 uit bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 2.5
mestbandbatterij met geforceerde mestdroging
E 2.5.5
verrijkte kooien met mestbandbeluchting (0,7 m³ per dier per uur) koloniehuisvesting met mestbandbeluchting (0,7 m³ per dier per uur) grondhuisvesting van legrassen (circa 1/3 strooiselvloer en circa 2/3 roostervloer) grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen
0,030
0,030
0
4
0,030
0,030
0
4
0,315
0,402
28
3
grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen onder de beun grondhuisvesting met enkele buis onder de beun aan weerszijden van het legnest grondhuisvesting met mestbeluchting door middel van verticale ventilatiekokers chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof Volièrehuisvesting
0,125
0,160
28
4
0,150
0,191
27
4
0,150
0,191
27
4
0,032
0,041
28
2
0,090
E 2.11.2.1
minimaal 50% van de leefruimte is rooster met daaronder een mestband. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. 45 - 55% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met beluchting. Mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. beluchtingscapaciteit minimaal 0,2 m³ per dier per uur
E 2.11.2.2
beluchtingscapaciteit minimaal 0,5 m³ per dier per uur
0,042
E 2.11.3
30-35% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met 0,7 m3 per dier per uur mestbeluchting. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. 55-60% van de leefruimte roosters met daaronder een mestband met 0,7 m3 per dier per uur mestbeluchting. Mestbanden minimaal eenmaal per week afdraaien. Roosters minimaal in twee etages. Scharrelhuisvesting
0,025
scharrelstal in twee verdiepingen met mestbanden onder de roosters (twee maal per week afdraaien), bezetting 9 dieren per m² biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof overige huisvestingssystemen niet-batterijhuisvesting
0,068
0,087
28
4
0,095
0,121
27
2
0,095
0,121
27
2
0,095
0,121
27
2
0,315
0,402
28
ref.
E 2.5.6 E 2.7 E 2.9 E 2.9.1 E 2.9.2 E 2.9.3 E 2.10 E 2.11 E 2.11.1
E 2.11.2
E 2.11.4
E 2.12 E 2.12.1
E 2.13 E 2.14 E 2.15 E 2.100
38 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
0,055
0,037
Tabel 14b
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor leghennen (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie B systemen (niet meer voorkomend of in de nabije toekomst verdwenen) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 uit bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 2.1
open mestopslag onder de batterij al dan niet voorzien van een mestschuif (flat-deck-kooien, trapkooien of compactkooien voor natte mest) mestbandbatterij voor natte mest met afvoer naar een gesloten opslag (minimaal 2 maal per week ontmesten) compactbatterij waarvan de natte mest 2 maal daags door middel van mestschuiven en een centrale mestband afgevoerd wordt naar een gesloten opslag batterij met geforceerde mestdroging (deeppitstal of highrisestal, kanalenstal) mestbandbatterij met geforceerde mestdroging
0,100
0,100
0
4
0,042
0,042
0
4
0,024
0,024
0
4
0,463
0,463
0
4
mestbandbatterij voor droge mest met geforceerde mestdroging mestbandbatterij met geforceerde mestdroging, belucht met 0,7 m³ lucht per dier per uur. Mestafdraaien per vijf dagen; de mest heeft dan een droge stofgehalte van minimaal 55% batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.1 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof batterijhuisvesting volgens categorie E 1.5.2 met chemisch luchtwassysteem met 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof batterijsysteem met mestbandbeluchting en bovenliggende droogtunnel grondhuisvesting met beluchting onder gedeeltelijk verhoogde roostervloer (perfosysteem) Scharrelhuisvesting
0,042
0,042
0
4
0,012
0,012
0
4
0,004
0,004
0
2
0,001
0,001
0
2
0,018
0,018
0
4
0,110
0,140
27
4
0,106
0,135
27
4
E 2.101
scharrelhuisvesting met frequente mest- en strooiselverwijdering overige huisvestingssystemen batterijhuisvesting
0,100
0,100
0
ref.
5.3
Opfok vleeskuikenouderdieren (E 3)
E 2.2 E 2.3
E 2.4 E 2.5 E 2.5.1 E 2.5.2
E 2.5.3
E 2.5.4
E 2.6 E 2.8 E 2.12 E 2.12.2
Uit Tabel 10 (hoofdstuk 3) blijkt dat er geen metingen zijn uitgevoerd aan stallen met opfok vleeskuikenouderdieren. Het advies is om de emissiefactor voor overige huisvesting (E 3.100) voor deze diercategorie af te leiden op basis van de verhouding van de TAN-productie ten opzichte van vleeskuikenouderdieren volgens vergelijking (1) en de waarden in tabel 10. De andere systemen van deze categorie kunnen dan worden afgeleid volgens de rekenregels van de beslisboom in bijlage 2 ten opzichte van deze emissiefactor. Uit de advieswaarde voor ammoniak voor vleeskuikenouderdieren volgt een emissiefactor voor ammoniak voor opfok vleeskuikenouderdieren van 0,122 kg/dierplaats/jaar. Dit is een afname met ruim 50% ten opzichte van de oude emissiefactor. Voor de emissie reducerende staltechnieken (niet de luchtwassers) is rekenregel 3 van de beslisboom toegepast met de oorspronkelijke reductie zoals gemeten bij vleeskuikens, omdat de verwachting is dat de technieken een vergelijkbare reductie realiseren bij opfok vleeskuikenouderdieren. De advieswaarden voor de emissiefactoren voor opfok vleeskuikenouderdieren staan in tabel 15. Er zijn voor deze diercategorie geen systemen waarvan wordt verwacht dat deze in de toekomst niet zullen worden toegepast.
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 39
Tabel 15
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor opfok vleeskuikenouderdieren (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie A systemen (voorkomend en in de nabije toekomst nog te verwachten) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 van bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 3.1
chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof stal met mixluchtventilatie
0,025
0,012
51
2
0,075
0,037
51
2
0,183
0,057
69
3
0,180
0,053
70
3
0,075
0,037
51
2
0,075
0,037
51
2
0,180
0,053
70
3
0,158
0,032
80
3
E 3.100
stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met een warmtewisselaar overige huisvestingssystemen
0,250
0,122
51
ref.
5.4
Vleeskuikenouderdieren (E 4)
E 3.2 E 3.3 E 3.4 E 3.5 E 3.6 E 3.7 E 3.8
De advieswaarden voor de emissies van ammoniak bij vleeskuikenouderdieren staan in de tabellen 16a en 16b. Er is een nieuwe emissiefactor voor de categorie E 4.100 ‘overige huisvestingssystemen’ berekend op basis van metingen volgens Mosquera et al. (2009a). Deze meting is niet volledig volgens het nieuwe meetprotocol uitgevoerd. Er is namelijk slechts op twee locaties gemeten in plaats van op vier. De resultaten van de metingen op de twee bedrijven liggen echter dicht bij elkaar; omgerekend 0,450 en 0,461 kg NH3/dierplaats/jaar. De standaardafwijking tussen de metingen op beide bedrijven is ook klein, namelijk 0,08 kg. Op basis hiervan en vanwege de grotere onzekerheid ten aanzien van de resultaten van metingen uitgevoerd volgens het oude meetprotocol (zie ook paragraaf 2.2.1), is het advies om deze nieuwe emissiefactor van 0,456 kg NH3/dierplaats/jaar toe te passen. Het gegeven dat de metingen van Mosquera et al. bovendien van meer recente datum zijn en daarmee representatiever voor de huidige praktijk ondersteunt dit advies. De emissiefactoren van de emissie reducerende systemen zijn afgeleid conform rekenregel 4 van de beslisboom uit bijlage 2 op basis van vergelijking (2).
40 | Wageningen Livestock Research Rapport 1015
Tabel 16a
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor vleeskuikenouderdieren (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie A systemen (voorkomend en in de nabije toekomst nog te verwachten) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 van bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 4.1 E 4.2
groepskooi voorzien van mestband en geforceerde mestdroging volièrehuisvesting met geforceerde mestdroging
E 4.4
grondhuisvesting met mestbeluchting
E 4.4.1
mestbeluchting van bovenaf
0,250
0,196
22
4
E 4.4.3
0,435
0,342
22
4
0,435
0,342
22
4
0,058
0,046
22
2
0,174
0,137
22
2
0,245
0,192
22
4
0,174
0,137
22
2
0,174
0,137
22
2
E 4.100
grondhuisvesting met mestbeluchting via buizen onder de beun grondhuisvesting met mestbeluchting door middel van verticale ventilatiekokers chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof grondhuisvesting, mestbanden onder de roosters, mestbanden minimaal tweemaal per week afdraaien biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof overige huisvestingssystemen
0,580
0,456
22
ref.
Tabel 16b
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor vleeskuikenouderdieren
E 4.4.4 E 4.6 E 4.7 E 4.8 E 4.9 E 4.10
0,080
0,063
22
4
0,170
0,134
22
4
(in kg/dierplaats/jaar) van Categorie B systemen (niet meer voorkomend of in de nabije toekomst verdwenen) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 van bijlage 2). Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 4.3
0,130
0,102
22
4
E 4.4.2
volièrehuisvesting met geforceerde mest- en strooiseldroging mestbeluchting met verticale slangen in de mest
0,435
0,342
22
4
E 4.5
perfosysteem op gedeeltelijk verhoogde roostervloer
0,230
0,181
22
4
5.5
Vleeskuikens (E 5)
In de Tabellen 17a en 17b staan de advieswaarden voor de emissiefactoren voor ammoniak voor vleeskuikens. Ten opzichte van de huidige emissiefactor neemt de emissie voor de categorie E 5.100 ‘overige huisvestingssystemen’ af van 0,080 kg/dierplaats/jaar naar 0,068 kg/dierplaats/jaar. Deze afname is gebaseerd op metingen volgens het nieuwe meetprotocol (Winkel et al., 2009b; Harn et al., 2015). De andere emissiefactoren zijn van deze emissie afgeleid volgens de genoemde rekenregel van de beslisboom uit Bijlage 2. Voor de systemen die gemeten zijn met het oude meetprotocol is rekenregel 4 toegepast. Voor systemen gemeten volgens het nieuwe meetprotocol is dat rekenregel 6. Gevolg van rekenregel 6 is dat de emissiefactor gelijk blijft aan de huidige. Voor de systemen met de combinatie van uitbroeden in de stal, opfokken tot 13 of 19 dagen leeftijd en daarna overplaatsen naar een vervolghuisvesting (E 5.9) is de emissiefactor berekend volgens de formule op de BWLbeschrijving, gebruik makend van de nieuwe emissiefactoren van de vervolghuisvestingssystemen. Dit is conform rekenregel 3 van de beslisboom voor de vervolghuisvesting gemeten volgens het oude meetprotocol. Is het systeem van de vervolghuisvesting gemeten volgens het nieuwe meetprotocol, dan geldt rekenregel 6.
Rekenregel 3 is ook van toepassing op categorie E 5.14, omdat de emissiefactor van dit systeem direct is afgeleid van E 5.10.
Wageningen Livestock Research Rapport 1015
| 41
Tabel 17a
Huidige en geadviseerde ammoniak emissiefactoren voor vleeskuikens (in kg/dierplaats/jaar) van Categorie A systemen (voorkomend en in de nabije toekomst nog te verwachten) inclusief het nummer van de rekenregel uit de beslisboom (Figuur 1 van bijlage 2).
Rav code
Categorie
Emissiefactor Huidig
Advies
Wijziging
Nr.
t.o.v.
rekenregel
huidig % E 5.4 E 5.6 E 5.7 E 5.8 E 5.9 E 5.9.1 E 5.9.1.1 E 5.9.1.1.2
E 5.9.1.1.3
E 5.9.1.1.4
E 5.9.1.2 E 5.9.1.2.2
E 5.9.1.2.3
E 5.9.1.2.4
E 5.10 E 5.11 E 5.12 E 5.13 E 5.14 E 5.100
chemisch luchtwassysteem 90% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof stal met mixluchtventilatie
0,008
0,007
15,0
2
0,037
0,031
15,0
4
biologisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 60/75% emissiereductie fijn stof etagesysteem met mestband en strooiseldroging
0,024
0,020
15,0
2
0,020
0,017
15,0
4
0,033
0,028
15,2
3
0,018
0,015
16,7
3
0,031
0,031
0
6
0,033
0,028
15,2
3
0,015
0,013
13,3
3
0,030
0,030
0
6
0,035
0,035
0
6
0,021
0,021
0
6
0,024
0,020
15
2
0,024
0,020
15
2
0,035
0,035
0
3
0,080
0,068
15
ref.
uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens met aparte vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens in etages met vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.6 (stal met mixluchtventilatie) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.8 (etagesysteem met mestband en strooiseldroging) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 13 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.10 (stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.6 (stal met mixluchtventilatie) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.8 (etagesysteem met mestband en strooiseldroging) uitbroeden eieren en opfokken vleeskuikens tot 19 dagen in stal met etages en vervolghuisvesting in E 5.10 (stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren) stal met verwarmingssysteem met warmteheaters en ventilatoren stal met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag in combinatie met
een warmtewisselaar biofilter; 70% reductie ammoniak, 40% reductie geur en 80% emissiereductie fijn stof chemisch luchtwassysteem 70% reductie ammoniak, 30% reductie geur en 35% emissiereductie fijn stof stal met indirect gestookte warmteheaters met luchtmengsysteem voor droging strooisellaag overige huisvestingssystemen