c. voorgestelde notitie zienswijzen platteweg 2.docx
Tekst van het document
9) Het buurtschap Terhofstede wordt zeker aan de andere zijde van de Braamdijk gekenmerkt door grote percelen met stevige woningen. Het oostelijke perceel meet circa 1.800 m². In het buurtschap (adressen gelegen aan de wegen Braamdijk, Eindstraat, Achterweg en Terhofstede) liggen 3 woonkavels die fors groter zijn (respectievelijk circa 6.000, 8.500 en 15.000 m²) en 10 woonkavels met een oppervlakte tussen 1.000 en 2.000 m². Daarmee is er geen sprake van een, voor het buurschap wezensvreemde verhouding tot bestaande kavels. Daarnaast is voor de maximale bouwhoogtes aansluiting gezocht bij de bestaande bouwmogelijkheden van omliggende woonpercelen. Het woonperceel Platteweg 1 te Retranchement heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Kleine Kernen gemeente Sluis’ een toegestane maximale goothoogte van 3,5 meter en een toegestane totale bouwhoogte van 7,5 meter. De aangrenzende woonpercelen aan de Braamdijk hebben een maximaal toegestane goothoogte van 4 meter en een toegestane totale bouwhoogte van 8 meter op grond van het bestemmingsplan ‘Kleine Kernen gemeente Sluis’. Het bouwperceel op het westelijk perceel in het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan krijgt een maximaal toegestane goothoogte van 4 meter en een maximaal toegestane bouwhoogte van 8 meter. Hierdoor sluit de toegestane bouwhoogtes aan op hetgeen toegestaan is voor de omliggende woonpercelen.
Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 10) Het bouwvlak is zo groot om twee representatieve opties ter situering van de beoogde woning mogelijk te maken. Deze twee opties zijn in het landschappelijk inpassingsplan en ook op de zichtlijnenkaart die is opgenomen in het het onderwerp ‘Verlies van uitzicht’ bij de themagewijze beantwoording, aangeduid. Aangezien er sprake is van ondoorzichtige groene erfscheidingen over de gehele breedte van de relevante aangrenzende percelen, leidt de invulling van het bouwvlak niet tot een relevant verlies van uitzicht. De bouwmassa is begrensd door de maximale maatvoering van hoogte, oppervlakte en inhoud. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 11) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toepassing ruimte-voor-ruimte-regeling en beleidsnotitie ‘Verplaatsen bouwtitels in het buitengebied Sluis’’ bij de themagewijze beantwoording. 12) Op grond van het voorliggend bestemmingsplan wordt de vervangende nieuwbouw op het middelste perceel van het plangebied mogelijk gemaakt. Op grond van het vigerende bestemmingsplan, zijnde het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sluis (2de herziening)’, is momenteel al één (burger)woning toegestaan op het middelste perceel.
Nu het een vervanging betreft van een bestaande burgerwoning in het buitengebied wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.7 en bijlage C van de Omgevingsverordening Zeeland 2018. In de toelichting op het bestemmingsplan wordt ook aangegeven
19
dat de woning op het middelste perceel strekt tot vervanging van de bestaande burgerwoning op het desbetreffende perceel. Voor zover de zienswijze tevens gericht is tegen de ontwerp-omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen voor de woning op het middelste perceel die conform het coördinatiebesluit d.d. [datum] ter inzage is gelegd wordt volledigheidshalve opgemerkt dat de zienswijze separaat wordt beantwoord bij de besluitvorming omtrent de desbetreffende omgevingsvergunning door het college van B&W. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 13) De bestaande NED, te weten een showtuin met een beperkt aanbod van tuintafels, moderne kunst en tuinobjecten is in Bijlage 8 behorende bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sluis (2de herziening)’ opgenomen. Op grond van artikel 28.1 lid e van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sluis (2de herziening)’ zijn de percelen met de bestemming ‘Wonen – 2’ onder meer bestemd voor de nevenactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage 8 behorende bij de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Sluis (2de herziening)’. In de huidige situatie wordt een ruimte binnen de bestaande loods met een oppervlakte van circa 40 m² gebruikt ten behoeve van deze NED.
In de nieuwe ontwikkeling wordt deze activiteit voortgezet in het bijgebouw van 120 m² dat op grond van de woonbestemming al op het middelste perceel gebouwd mag worden. Er vindt dus geen extra bebouwing plaats te behoeve van de NED. NED’s mogen volgens de provinciale en gemeentelijke beleidsregels in bestaande gebouwen worden uitgeoefend. Om duidelijk te maken dat de NED niet wordt vergroot, wordt toegevoegd dat de ruimte voor opslag voor de NED niet groter mag zijn dan 40 m² en in bebouwing mag plaatsvinden die op grond van de woonbestemming mag worden gerealiseerd. Dit onderdeel van de zienswijze leidt tot de volgende aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan: a) Aan artikel 4.4.1 wordt lid k toegevoegd, luidende: ‘Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – 1’ mag de oppervlakte aan opslag in bebouwing ten behoeve van de Nieuwe Economische Drager niet meer dan 40 m² bedragen’. 14) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toepassing ruimte-voor-ruimte-regeling en beleidsnotitie ‘Verplaatsen bouwtitels in het buitengebied Sluis’’ bij de themagewijze beantwoording. 15) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toepassing ruimte-voor-ruimte-regeling en beleidsnotitie ‘Verplaatsen bouwtitels in het buitengebied Sluis’’ bij de themagewijze beantwoording.
16) Zoals aangegeven bij punt 6 van de beantwoording van deze zienswijze biedt de woonbestemming mogelijkheden voor permanente bewoning en tweede woning gebruik. Het (voorgenomen) gebruik door de gebruiker past binnen dit kader. De activiteiten zijn daarmee wel degelijk te scharen onder de woonbestemming. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 17) In het bestemmingsplan 'tweede herziening Buitengebied Sluis', vastgesteld op 28 mei 2015 is de bestemming van het plangebied niet gewijzigd, maar zijn de regels van de tweede herziening ook van toepassing verklaard op de op de verbeelding gehandhaafde bestemmingen. In die regels is bepaald dat woningen een inhoud van 1.000 m³ mogen hebben en bijgebouwen een omvang van 120 m². Verder is, anders dan reclamant beweert, de bestaande schuur niet wegbestemd. Op grond van artikel 42.2 mogen ‘de op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande afstands-, hoogte, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden’. De bestaande schuur heeft een oppervlakte van 1.225 m² en een inhoud van 6.500 m³. De schuur is dus (nog steeds) op grond van het bestemmingsplan 'tweede herziening Buitengebied Sluis' in zijn bestaande afmeting planologisch bestemd.
Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 18) Verwezen wordt naar de beantwoording onder punt 13 van deze zienswijze. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
20
19 en 20) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen onderdeel 2 en naar het onderwerp ‘Verstening of ontstening en ruimtelijke kwaliteit’ bij themagewijze beantwoording. 21) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze ten aanzien van het verlies van uitzicht wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toevoeging horeca-functie’ bij beantwoording thema’s. 22) Het aantal verkeersbewegingen in paragraaf 4.7 Verkeer en parkeren is gebaseerd op een representatieve invulling van de maximaal toegestane planologisch toegestane mogelijkheden in het voorliggend bestemmingsplan. Zoals opgenomen onder het thema ‘toevoeging horecafunctie’ bij de themagewijze beantwoording wordt het aantal dagen dat de couverts gebruikt mogen worden gemaximeerd op 90 dagen in het jaar. Daarmee wordt het gemiddeld aantal verkeersbewegingen per etmaal nog lager dan is aangenomen. In de bestaande situatie is sprake van een grote loods waarin machines staan opgeslagen. De verkeersgeneratie van deze loods volgt uit de kentallen van de CROW. Per saldo neemt het aantal verkeersbewegingen niet of nauwelijks toe, maar zal het gebruik in de tijd wel veranderen. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
3. Beantwoording zienswijze reclamant 2 De zienswijze van reclamant 2, 4 en 5 zijn identiek aan elkaar. De beantwoording van deze drie zienswijzen wordt hieronder opgenomen: 1) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Verlies van uitzicht’ bij de themagewijze beantwoording. 2) De woning op het perceel Platteweg 1 te Retranchement maakt geen onderdeel uit van het plangebied van het bestemmingsplan ‘Platteweg 2 te Retranchement’. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 3) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toepassing ruimte-voor-ruimte-regeling en beleidsnotitie ‘Verplaatsen bouwtitels in het buitengebied Sluis’’ bij de themagewijze beantwoording. 4) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp Verlies van uitzicht bij de themagewijze beantwoording. Voor zover in de zienswijze wordt aangegeven dat de plannen groter zouden zijn dan het plan doet vermoeden merken wij het volgende op. Op grond van het wettelijk kader van de Wet ruimtelijke ordening stelt het bestemmingsplan de (maximale) juridisch-planologische kaders voor initiatieven.
Op de verbeelding en in de regels van het voorliggend bestemmingsplan zijn de kaders opgenomen voor de herontwikkeling van de Platteweg 2 te Retranchement. Bij het verdere traject dient voldaan te worden aan deze kaders. Hierdoor bepalen de regels in het voorliggend bestemmingsplan de maximale planologische mogelijkheden worden bepaald en kan het plan niet groter zijn dan ingevolge het voorliggend bestemmingsplan is bepaald. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 5) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toevoeging horeca-functie’ bij de themagewijze beantwoording. 6) Voor de beantwoording van dit onderdeel van deze zienswijze wordt integraal verwezen naar de beantwoording van punt 7 van reclamant 1. 7) Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisneming aangenomen. 8) Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisneming aangenomen.
21
9) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toevoeging horeca-functie’ bij de themagewijze beantwoording. 10) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt integraal verwezen naar de beantwoording van punt 22 van reclamant 1. 11) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toevoeging horeca-functie’ bij de themagewijze beantwoording. 12) Dit onderdeel van de zienswijze wordt voor kennisneming aangenomen.
4. Beantwoording zienswijze reclamant 3 1) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt integraal verwezen naar de beantwoording van punt 7 van reclamant 1. 2) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp Verlies van uitzicht bij de themagewijze beantwoording. 3) Uit de toelichting op het bestemmingsplan blijkt hoe de voorgestelde ontwikkeling ruimtelijk en stedenbouwkundig passend is bij het buurtschap Terhofstede. Daarnaast is in paragraaf 4.7 Mobiliteit en parkeren van de toelichting op het bestemmingsplan inzichtelijk gemaakt welke verkeersaantrekkende werking de ontwikkeling heeft. In de zienswijze wordt niet nader onderbouwd waarom deze ontwikkeling leidt tot het verlies van het karakter van het buurtschap. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 4) Het initiatief is beoordeeld aan de hand van de daarvoor geldende kaders, meer in het bijzonder de vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij geldt dat eenieder de gemeenteraad kan verzoeken een bestemmingsplan te wijzigen c.q. een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Ook ontwikkelaars. Bij de vaststelling van zo’n bestemmingsplan is het aan de raad om de bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht.
De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. Daarbij dient de raad uiteindelijk te bezien of het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Op deze manier is ook het voorliggende initiatief beoordeeld. De (direct) omwonenden zijn voordat het plan ter inzage is gelegd, gehoord. Daarmee is invulling gegeven aan het zorgvuldigheidsbeginsel, ingevolge artikel 3:2 van de Awb en de ‘participatiemogelijkheid’. De in de inspraakreacties aangevoerde gronden en af te wegen belangen leiden, samen met de ambtshalve in beeld gebrachte relevante feiten, niet tot het oordeel dat het bestemmingsplan niet strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Daarom bestaat geen aanleiding om medewerking aan dit plan te weigeren. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 5 - 7) De bezwaren van reclamant tegen de uiterlijke verschijningsvorm van ‘The Barn’ op het oostelijke perceel, vormen geen onderdeel van de bestemmingsplantoets. Volgens vaste rechtspraak zijn namelijk welstandseisen in beginsel niet ruimtelijk relevant. Zodra dit bestemmingsplan in werking is getreden, zal een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aangevraagd dienen te worden voor de oprichting van de bebouwing op het oostelijke en westelijke perceel. De desbetreffende bouwplannen zullen worden beoordeeld door de welstandcommissie.
Gekoppeld aan dit bestemmingsplan zit alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woning op het middelste perceel; de omgevingsvergunning voor de bouw van deze woning op het middelste perceel is gecoördineerd met dit bestemmingsplan. De zienswijze van reclamant geeft geen grond voor het oordeel dat binnen de planologische kaders van het ontwerpbestemmingsplan geen ontwikkeling tot stand zou kunnen komen die voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
22
5. Beantwoording zienswijze reclamant 4 1) De zienswijze van reclamant 4 is identiek aan de zienswijze van reclamant 2 en 5. Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt integraal verwezen naar de beantwoording van reclamant 2.
5. Beantwoording zienswijze reclamant 5 1) De zienswijze van reclamant 5 is identiek aan de zienswijze van reclamant 2 en 4. Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt integraal verwezen naar de beantwoording van reclamant 2.
6. Beantwoording zienswijze reclamant 6 1) Dit onderdeel van de zienswijze wordt ter kennisneming aangenomen. In de zienswijze wordt niet nader gemotiveerd waarom en op welke gronden de beantwoording van de ingediende inspraakreacties onvoldoende is. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 2) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen onderdeel 2 en naar het onderwerp ‘Verstening of ontstening en ruimtelijke kwaliteit’ bij de themagewijze beantwoording. Daarop aanvullend: los van het feit dat er geen rechtsgrond bestaat die verplicht om alternatieve locaties voor de ontwikkeling te onderzoeken, is er geen sprake van een keuze voor een andere locatie. Het plan berust immers op aan aanvraag van de huidige eigenaar/initiatiefnemer om de eigen woning te vernieuwen en de grote loods af te breken. Dit plan is beoordeeld of op passendheid binnen de kaders van een goede ruimtelijke ordening in het plangebied waarop de beoogde ontwikkeling betrekking heeft. Van de initiatiefnemer kan niet worden gevergd dat hij andere locaties aanwerft voor zijn plannen. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
3) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toepassing ruimte-voor-ruimte-regeling en beleidsnotitie ‘Verplaatsen bouwtitels in het buitengebied Sluis’’ bij de themagewijze beantwoording. 4) Het is onduidelijk, mede gezien de uitleg die in onderdeel 2 van deze notitie is gegeven, waarom en op welke manier volgens reclamant de ‘identiteit van het landschap ter plaatse volledig verdwijnt’. Er is sprake van een kleinschalige weidelandschap met knotbomen aan de rand van een buurtschap en dat blijft ook onder het toekomstige planologisch regime het geval. Deze bestaande landschapskwaliteit wordt in het plangebied versterkt met kikkerputten en fruitbomen. De wijziging van de bestemming ‘agrarisch’ naar ‘agrarisch met waarden - landschapswaarde’ biedt een waarborg dat niet zonder omgevingsvergunning het kleinschalige weidelandschap kan worden aangetast. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. 5) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen onderdeel 2 en naar het onderwerp ‘Verstening of ontstening en ruimtelijke kwaliteit’ bij de themagewijze beantwoording..
6) Voor de beantwoording van dit onderdeel van de zienswijze wordt verwezen naar het onderwerp ‘Toepassing ruimte-voor-ruimte-regeling en beleidsnotitie ‘Verplaatsen bouwtitels in het buitengebied Sluis’’ bij de themagewijze beantwoording. 7) Reclamant maakt niet concreet waarom de onderhavige ontwikkeling met haar specifieke uitwerkingen, tot precedentwerking zou kunnen leiden. In alle gevallen dient immers bij ontwikkelingen in het buitengebied van Sluis die tot nieuwe woningen leiden, een planologische procedure gevoerd te worden, waarbij de ontwikkeling door de gemeenteraad op zijn eigen merites wordt getoetst aan de goede ruimtelijke ordening. Dit onderdeel van de zienswijze leidt niet tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan.
23
4. Ambtshalve aanpassingen 1) Aanvullend natuuronderzoek Toegevoegd worden de resultaten van het aanvullend natuuronderzoek dat in de periode na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is afgerond. Uit dit aanvullend natuuronderzoek zijn geen verdere beperkingen vanuit natuuroptiek gebleken.
24