c - Ontwerpbp Noordzee-De Wielingen (versie 26-06-2020).pdf
Tekst van het document
Maatgevend dwarsprofiel op basis van BKL-waarden In Figuur 4 zijn een drietal recente dwarsprofielen (opname 2018) gepresenteerd, te weten het al eerder genoemde dwarsprofiel in km-raai 13.81, alsmede de profielen in de naastgelegen JarKus-raaien (km-raai 13.72 aan de noordoostzijde en km-raai 13.91 aan de zuidwestzijde).
1 De hier genoemde uitgangspunten zijn in basis gebaseerd op de oorspronkelijk in het kader van de veiligheidsbeoordeling
voor ‘De Blanke Top’ gemaakte afspraken. In het kader van deze advisering zijn er ten behoeve van de opstelling van het 2017advies nog een aantal aanpassingen doorgevoerd in de vorm van een nadere duiding van de te hanteren faalkansruimte. Ook is toen overeengekomen dat er ook wordt gekeken naar de resultaten voor de formeel niet meer actuele HR2006-condities.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
3 van 20
In deze figuur is ook de positie van de te realiseren parkeerkelder schematisch weergegeven (voorzijde kelderwand op RSP-108 m).
Figuur 4
Typische dwarsprofielen in de directe omgeving van de ingreep voor opnamejaar 2018, inclusief de positie van de voorzijde van de kelder.
Te zien is dat er zeewaarts van de ingraving nog sprake is van een orde 90 m breed duin. Het niveau van de duin reikt tot iets boven NAP+9 m en neemt in zuidwestelijke richting (km 13.91) nog iets toe. Uitgaande van het karakteristiek profiel in km-raai 13.81 (het zwarte profiel in Figuur 4), moet eerst worden vastgesteld welke jaaropname als maatgevend voor de veiligheidsberekeningen mag worden gebruikt. De profielen in deze raai zullen immers van jaar tot jaar verschillen. Dit laatste is ook te zien in Figuur 5 waarin opnamen uit vier verschillende jaren zijn samengebracht, inclusief de opname uit 2003 waarin er slechts een relatief mager profiel aanwezig was.
Figuur 5
Verschillende profielopnamen in km-raai 13.81, met naast de recente opname uit 2018 ook een opname uit 2016, 2010 en 2003.
Te zien is dat de opname uit 2010 in vergelijking tot de opname uit 2003 een relatief hoog en breed strand laat zien. In de 2016-opname is, als gevolg van een uitgevoerde suppletie, juist sprake van een duidelijk verder zeewaarts gelegen duinfront. Deze is ook te zien in de 2018-opname. De ‘volheid’ van de dwarsprofielen hangt nauw samen met de positie van de zogenaamde Momentane KustLijn (MKL-positie). Dit is een (volumetrische) maat welke vergelijkbaar is met de positie van de laagwaterlijn. Figuur 6 geeft de positie van de (berekende) MKL-posities voor de verschillende jaren in de omgeving van de beschouwde raai. Rechts van de aandachtslocatie is het MKL-verloop noordoostelijk van de uitwateringssluis te zien. Het Zwin bevindt zich links (zuidwestelijk).
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
4 van 20
Te zien is dat er (ook voor km-raai 13.81) sprake is van een behoorlijke dwarsvariatie in deze positie (grofweg tussen RSP+125 en RSP+150 m).
Figuur 6
MKL-posities in de verschillende jaren (1990 plus 2001 t/m 2018), inclusief de positie van de maatgevende raailocatie (km 13.81) en de positie van de BKL in elke raai.
In de figuur is ook de positie van de zogenaamde BasisKustLijn (BKL-positie; vette markering) gegeven. Dit is de positie van de MKL die van rijkswege (door middel van onderhoudssuppleties) minimaal aanwezig mag worden verondersteld. Voor km-raai 13.81 is deze gelegen op RSP+126 m (gele markering). Figuur 7 laat de tijdsontwikkeling van de MKL-positie in km-raai 13.81 en de twee naastgelegen raaien zien. Te zien is dat de jaarlijkse posities sterk aan elkaar gecorreleerd zijn. Voor het maatgevende jaar moet, binnen de opnamen van km-raai 13.81, worden gezocht naar een positie die de lokale BKL-waarde (RSP+126 m) het meest benaderd, dit echter binnen de laatste vijftien jaar (dus vanaf het jaar 2004; zwarte markers).2
Figuur 7
Verloop van MKL-posities langs de kust voor de jaren 1990 t/m 2018 plus het ‘verloop’ van de BKL-waarde.
Dit leidt, in lijn met het eerste uitgangspunt, tot de conclusie dat de profielopname uit 2013 (met een MKL op RSP+132 m) als basis kan worden gebruikt voor de verschillende duinafslagberekeningen.3 Bij het beschouwen van de karakteristieke profielligging over de komende jaren kan er feitelijk rekening worden gehouden met het lokaal aangroeien van de kustlijn als gevolg van de realisatie van de net noordoostelijk van de ingreep voorziene uitbouw van de havendammen. Ook heeft er een strandsuppletie plaatsgevonden waardoor het duinfront hier zeewaarts is verplaatst.
2 Dit is conform de eerder met het Waterschap gemaakte afspraak. 3 In de 2017-uiterkingen werd nog gebruik gemaakt van het jaar 2003 met een MKL-positie op RSP+131 m.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
5 van 20
Door de aanleg van deze havendam in 2015/2016 is het immers de verwachting dat de kust ter plaatse van de gewenste uitbreiding zich (enigszins) zal uitbouwen. Om dit effect te onderzoeken was in eerste instantie het dwarsprofiel uit 2016 gehanteerd. Figuur 8 geeft het uiteindelijk voor de veiligheidsuitwerkingen te hanteren dwarsprofiel nogmaals weer. Ter illustratie is in de figuur zowel de 2016- als de 2018-opname toegevoegd waaruit blijkt dat er daadwerkelijk een conservatieve benadering wordt gevolgd.
Figuur 8
Maatgevend dwarsprofiel voor km-raai 13.81 (jaaropname 2013) plus positie voorziene kelderconstructie, inclusief een vergelijking met de recente 2016- en 2018-opname als indicatie voor de op termijn aanwezige profielvorm.
De berekeningen zullen dus zowel worden uitgevoerd voor het formeel maatgevende 2013-profiel als voor het meest recente 2018-profiel. Deze laatste resultaten geven daarmee een beeld van de situatie zoals deze op een termijn van 50 jaar tenminste aanwezig mag worden verondersteld. Overigens zijn er ook argumenten te geven waarom er niet zou moeten worden gekeken naar het slechtste profiel van de afgelopen 15 jaar (2013), maar naar het slechtste profiel van de meer recente jaren na de uitvoering van de suppletie. In dat geval komt 2016 of 2018 als maatgevend jaar in beeld. In de volgende uitwerkingen moet dan ook relatief veel waarde worden gegeven aan de 2018-resultaten. Op basis van Figuur 8 kan ook een beeld worden verkregen van het ten behoeve van de realisatie van de parkeergarage te verwijderen duinvolume. Bij een voorzijde op RSP-108 m gaat het om ongeveer 125 m3/m1 aan materiaal.
Te hanteren hydraulische randvoorwaarden Voor de uit te voeren duinafslagberekeningen kan inmiddels gebruik worden gemaakt van de nieuwe, officiële WBI2017 getallen.4 Deze getallen zijn, samen met de tot 2016 nog vigerende HR2006-waarden, samengebracht in Tabel 1. Situatie
Rekenpeil [m tov NAP]
Golfhoogte [m]
Piekperiode [s]
HR2006
5,40
4,70
12,10
WBI2017 (70 %)
5,19
4,41
11,52
Waarde bij 70 %
WBI2017 (10 %)
5,72
4,62
11,84
Te hanteren waarden
Tabel 1
Opmerking
Overzicht basiscondities conform WBI2017 voor zowel de standaard als de specifieke waarde van de faalkansruimte, inclusief vergelijking met de (niet meer actuele) HR2006-waarden.
4 Dit is conform de eerder met het Waterschap gemaakte tweede afspraak, zonder nog rekening te houden met een mutatie in
de faalkansruimte.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
6 van 20
De WBI2017-waarden zijn bepaald (en ontleend aan de recent beschikbaar gestelde database) op basis van de volgende onderliggende uitgangspunten: • De maximaal toelaatbare overstromingskans voor het hier relevante normtraject 32-1 bedraagt 1/1.000 per jaar; • Het traject wordt in dit specifieke geval nog beschouwd als een volwaardig duin-traject hetgeen leidt dit tot een standaard faalkansruimte van 70 %, hetgeen betekent dat de aan duinafslag gerelateerde overstromingskans op dit traject gelijk is aan 0,7 x 1/1.000 is 1/1.430 per jaar; • Rekening houdend met een lengtefactor ter grootte van N = 2, resulteert dit uiteindelijk in een faalkanseis per doorsnede van 1/1.430 gedeeld door 2 is 1/2.860 per jaar; • Vergelijking van dit laatste resultaat (1/2.860 per jaar) met het resultaat van de niet meer vigerende HR2006faalkans (1/40.000 per jaar; 1/4.000 per jaar overschrijdingskans van het rekenpeil) leidt tot de conclusie dat de norm op doorsnedeniveau ten opzichte van de HR2006-condities iets minder zwaar wordt; • Consequentie hiervan is dat voor de waterstanden en golfcondities iets minder hoge waarden kunnen worden gebruikt, iets wat ook blijkt uit de in de tabel opgenomen getalswaarden. Opgemerkt moet worden dat in de uiteindelijke WBI2017-condities ook nog het effect van het meenemen van de onzekerheid in de waterstand in beschouwing is genomen.
Omdat het betreffende duintraject voor een deel uit dijken bestaat, moet er voor deze uitwerking (conform uitgangspunt 2 van het Waterschap) uitgegaan worden van een faalkansruimte van 10 %. Uitgaande van de maximaal toelaatbare overstromingskans voor het hier relevante normtraject 32-1 van wederom 1/1.000 per jaar, leidt dit tot de volgende (gewijzigde) uitgangspunten: • Het traject wordt beschouwd als een gemengd duin-dijk-traject met een faalkansruimte van 10 %, hetgeen betekent dat de aan duinafslag gerelateerde overstromingskans op dit traject gelijk is aan 0,1 x 1/1.000 is 1/10.000 per jaar; • Rekening houdend met een lengtefactor ter grootte van N = 2 resulteert dit uiteindelijk in een faalkanseis per doorsnede van 1/10.000 gedeeld door 2 is 1/20.000 per jaar. Een en ander betekent dat de te hanteren condities moeten worden gebaseerd op een factor 7 zwaardere omstandigheden. De aan te houden hydraulische condities kunnen worden bepaald aan de hand van de zogenaamde decimeringshoogten welke aangeven wat de mutatie in de randvoorwaarde is bij voor een factor 10 afname van de overschrijdingsfrequentie. Voor rekenpeil, golfhoogte en golfperiode zijn deze decimeringswaarden respectievelijk gelijk aan (afgerond) 0,65 m, 0,25 m en 0,40 s. Bij een factor 7 in de overschrijdingsfrequentie moet ongeveer 80 % van de decimeringshoogte worden toegepast.
Het aldus verkregen resultaat is toegevoegd in de laatste rij van Tabel 1. Conclusie is dat deze benadering leidt tot een niet te verwaarlozen verzwaring van de standaard WBI2017-condities. Het in rekening te brengen rekenpeil overtreft nu zelfs de oorspronkelijke HR2006-waarde. De golfconditie blijft hier beperkt bij achter. De in de laatste rij van Tabel 1 opgenomen waarden kunnen nu dus als basis worden gebruikt voor het uitvoeren van de veiligheidsberekeningen (afslagberekeningen). Teneinde dus ook een vergelijking te maken met de tijdens de uitvoering van de zwakke schakel versterkingen vigerende condities zijn ook de HR2006-randvoorwaarden in beschouwing genomen. Naast de hydraulische condities moet daarvoor ook nog de voor de korreldiameter van het duinmateriaal te hanteren rekenwaarde Drek worden gespecificeerd. Deze is op deze locatie gelijk aan 237 µm en in bepaald door interpolatie tussen beschikbaar gestelde waarden.
Resultaten verkennende afslagberekeningen huidige situatie Voor de huidige situatie zijn de in Tabel 2 te beschouwen hydraulische condities gehanteerd.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
7 van 20
Situatie
Rekenpeil [m tov NAP]
Golfhoogte [m]
Piekperiode [s]
HR2006
5,40
4,70
12,10
Plus extra PZS-35 % toeslag
WBI2017 (10 %)
5,72
4,62
11,84
Plus extra PZS-35 % toeslag
Tabel 2
Opmerking
Overzicht voor de huidige situatie te beschouwen condities.
Het gaat hierbij dus zowel om de oude HR2006 condities als de nieuwe WBI2017-waarden. Het uitvoeren van een WBI2017-afslagberekening (met 10 % faalkansruimte) voor het meest recente 2018 profiel leidt tot het in Figuur 9 gegeven resultaat. De afslag reikt in dit geval tot RSP-60 m en blijft daarbij ruim zeewaarts van de voorzijde van de kelderconstructie.5 Dit geeft ook aan dat er in de huidige situatie geen enkele interactie te verwachten is met de achterliggende constructie. Er is op korte termijn dan ook geen veiligheidsprobleem aanwezig.
Figuur 9
Resultaat afslagberekening voor het recente 2018-profiel met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
Toepassing van de PZS-opslag van 35 % leidt tot het in Figuur 10 gegeven resultaat. Deze opslag resulteert in een landwaartse verschuiving van het afslagpunt over 13 m naar RSP-73 m.
Figuur 10
Resultaat afslagberekening inclusief de PZS-opslag van 35 %, voor het recente 2018-profiel met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
5 Bij gebruikmaking van een faalkansruimte van 70 % reikt de afslag tot RSP-48 m in plaats van RSP-60 m. Het gebruik van 10
% voor de faalkansruimte leidt dus tot een landwaartse verschuiving van het afslagpunt over 12 m.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
8 van 20
Het gebruik van het als maatgevende beschouwde 2013-profiel leidt tot enige landwaartse verschuiving van het afslagpunt zoals te zien is in Figuur 11. Het magerder profiel leidt voor de situatie zonder PZS-opslag tot een landwaartse verschuiving van het afslagpunt over 15 m naar RSP-75 m.6
Figuur 11
Resultaat afslagberekening voor het maatgevende 2013-profiel met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
Figuur 12 geeft het resultaat voor de situatie waarbij ook rekening is gehouden met de voorgeschreven PZSopslag van 35 %.
Figuur 12
Resultaat maatgevende afslagberekening inclusief de PZS-opslag van 35 %, voor het maatgevende 2013-profiel met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
Dit geeft ook aan dat er ook in deze situatie geen enkele interactie te verwachten is met de achterliggende constructie en er dus ook geen veiligheidsprobleem aanwezig is. In Tabel 3 zijn de resultaten voor de voor de huidige situatie uitgevoerde afslagberekeningen in tabelvorm samengebracht, dit inclusief de (achterblijvende) HR2006-resultaten.
6 Voor een faalkansruimte van 70 % reikt de afslag tot RSP-63 m in plaats van RSP-75 m. Een reductie tot 10 % voor de
faalkansruimte leidt dus ook hier tot een landwaartse verschuiving van het afslagpunt over 12 m.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
9 van 20
2013-profiel
2018-profiel
Situatie Geen opslag
PZS-opslag 35%
Geen opslag
PZS-opslag 35%
HR2006
RSP-69 m
RSP-82 m (+13 m)
RSP-54 m
RSP-66 m (+12 m)
WBI2017 (10 %)
RSP-75 m
RSP-90 m (+15 m)
RSP-60 m
RSP-73 m (+13 m)
Tabel 3
Overzicht voor resultaten afslagberekeningen voor huidige situatie (met vetgedrukt de formeel maatgevende situatie) en tussen haakje de extra landwaartse verschuiving van het afslagpunt als gevolg van de PZS-opslag van 35 %).
Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat de PZS-toeslag leidt tot een 12 tot 15 m verschuiving van het afslagpunt ten opzichte van een basisberekening en dat het gebruik van de WBI in plaats van de HR2006 in de basisberekening een tot 6 m landwaartse verschuiving oplevert. De WBI2017-situatie is sowieso maatgevend. Ook kan echter worden geconcludeerd dat het gebruik van het 2018-profiel in de basisberekening tot 15 m scheelt in de positie van het afslagpunt. Ten opzichte van de andere effecten is dit dus een relatief belangrijk uitgangspunt! De grootte van de genoemde verschuivingen van de afslagpositie hangen dus natuurlijk sterk samen met de meer landwaarts gelegen MKL-positie. In Figuur 13 is ter illustratie de relatie tussen de (op een faalkansruimte van 70 % gebaseerde) afslagpositie en de MKL-positie voor de laatste 15 jaar (2004 t/m 2018) gevisualiseerd. De geel gemarkeerde combinatie is de meest ongunstige combinatie en heeft betrekking op een MKL-positie van RSP+132 m (zie Figuur 7) en een afslag tot RSP-62 m (zie Voetnoot 6). Te zien is verder dat zelfs ver buiten het bereik van de gehanteerde MKL-waarden de afslag nog ver zeewaarts van de voorzijde van de kelder (op RSP114 m) zal blijven liggen. Dit geldt ook voor het geval dat in deze berekeningen gebruik zou zijn gemaakt van een faalkansruimte van 10 %.
In dat geval liggende afslagpunten grofweg 15 tot 20 m verder landwaarts, iets wat aansluit bij de eerdere constateringen.
Figuur 13
Onderlinge relatie tussen MKL-positie (verticale as) en maatgevend afslagpunt (horizontale as) voor vigerende WBI2017-condities (behorende bij een faalkansruimte van 70 %) voor de laatste 15 jaren, waarbij de gele combinatie verwijst naar het resultaat voor het 2013-profiel.
Veiligheidsberekeningen voor 50 jaar Conform het door het waterschap geformuleerde uitgangspunt moet eerst de mate van duinafslag voor een situatie met 50 jaar klimaatverandering volgens het maximale TAW-scenario worden beschouwd, dit zonder rekening te houden met een met de zeespiegelstijging meestijgende bodemligging maar wel met het in rekening brengen van een extra opslag van 35 % op de hoeveelheid afslag.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
10 van 20
Mede naar aanleiding van een op 4 april 2016 gevoerd overleg zijn de voor 50 jaar te beschouwen randvoorwaarden in meer detail gedefinieerd. Er is in overleg besloten om voor dit scenario twee sub-scenario’s te beschouwen, namelijk: • Een eerste uitwerking conform de ook bij de Zwakke Schakels gehanteerde werkwijze waarbij er alleen rekening is gehouden met een stijging van de zeespiegel, maar natuurlijk wel met een 35% opslag; • Een tweede uitwerking conform de zogenaamde OI2014-aanpak waarbij er naast de zeespiegelstijging rekening wordt gehouden met een 10%’s toename in zowel de golfhoogte als de golfperiode, maar dan zonder de 35 %’s opslag van de Zwakke Schakels. De voor het eerste sub-scenario te hanteren condities zijn samengebracht in Tabel 4. Ten opzichte van de in Tabel 2 opgenomen basiscondities is nu alleen het rekenpeil met 0,43 m (0,85 m/eeuw gedurende 50 jaar) verhoogd. Situatie
Rekenpeil [m tov NAP]
Golfhoogte [m]
Piekperiode [s]
Mutatie
+ 0,43 m
n.v.t.
n.v.t.
Conform PZS-uitgangspunt
HR2006
5,83
4,70
12,10
Plus extra PZS-35 % toeslag
WBI2017 (10 %)
6,15
4,62
11,84
Plus extra PZS-35 % toeslag
Tabel 4
Opmerking
Overzicht voor het 50 jaar scenario en de PZS-aanpak te beschouwen condities met in de eerste regel de mutatie ten opzichte van de basiscondities.
Voor het tweede sub-scenario (OI2014-aanpak; zie Tabel 5) geldt een vergelijkbare mutatie in de waterstand maar zijn de golfcondities dus verzwaard. Situatie
Rekenpeil [m tov NAP]
Golfhoogte [m]
Piekperiode [s]
Mutatie
+ 0,43 m
+ 10 %
+ 10 %
HR2006
5,83
5,17
13,31
WBI2017 (10 %)
6,15
5,08
13,02
Tabel 5
Opmerking Conform OI2014-uitgangspunt
Overzicht voor het 50 jaar scenario en de OI2014-aanpak te beschouwen condities met in de eerste regel de mutatie ten opzichte van de basiscondities.
Voor elk van de te beschouwen condities (totaal 4 stuks) zijn vervolgens berekeningen uitgevoerd voor zowel het maatgevende 2013-profiel als het 2018-profiel. Per situatie is vervolgens ook de situatie met en zonder meestijgende bodem in beschouwing genomen. In het totaal leidt dit dus tot 16 verschillende berekeningen.
Resultaten voor PZS-aanpak In Tabel 6 zijn alle resultaten van de voor de PZS-aanpak uitgevoerde afslagberekeningen in tabelvorm samengebracht.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
11 van 20
2013-profiel
2018-profiel
Situatie Met bodemstijging
Zonder bodemstijging
Met bodemstijging
Zonder bodemstijging
HR2006
RSP-84 m
RSP-94 m (+10 m)
RSP-68 m
RSP-77 m (+11 m)
WBI2017 (10 %)
RSP-93 m
RSP-101 m (+8 m)
RSP-76 m
RSP-84 m (+8 m)
Tabel 6
Overzicht voor resultaten afslagberekeningen voor het 50 jaar scenario in combinatie met de PZS-aanpak (met vetgedrukt de formeel maatgevende situatie) en tussen haakjes de extra landwaartse verschuiving van het afslagpunt als gevolg van niet in rekening brengen van de bodemstijging).
Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat het niet in rekening brengen van de bodemstijging leidt tot orde 10 m landwaartse verschuiving van het afslagpunt en dat het gebruik van de WBI in plaats van de HR2006 een tot 8 m landwaartse verschuiving oplevert. De WBI2017-situatie blijft natuurlijk maatgevend. Wederom kan ook worden geconcludeerd dat het gebruik van het 2018-profiel tot ongeveer 15 m scheelt in de positie van het afslagpunt. Ter illustratie is in Figuur 14 het resultaat van de afslagsom voor de maatgevende situatie (vet gemarkeerd in de tabel) weergegeven.
Figuur 14
Resultaat afslagberekening (PZS-aanpak) voor het maatgevende 2013-profiel voor 50 jaar maximumscenario (zonder rekening te houden met bijbehorende bodemstijging) en 35 % opslag op de mate van afslag, met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
In dit geval reikt de afslag tot RSP-101 m en kan het grensprofiel net niet meer tussen de achterzijde van het afslagprofiel en de voorzijde van de kelder worden ingepast. Een doorzetting van het achtertalud snijdt in dit geval immers de kelderingraving. Deze situatie is wel toelaatbaar indien er aan de achterliggende aanvullende eisen worden gesteld. Het alsnog in rekening brengen van de effecten van bodemstijging leidt in dit geval tot een zeewaartse verplaatsing van het afslagpunt over 8 m tot RSP-93 m (zie Figuur 15). In dit geval wordt de voorzijde van de kelderingraving net niet meer doorsneden.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
12 van 20
Figuur 15
Resultaat afslagberekening (PZS-aanpak) voor het maatgevende 2013-profiel voor 50 jaar maximumscenario rekening houdend met bijbehorende bodemstijging en 35 % opslag op de mate van afslag, met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie
Beschouwing van de situatie voor het 2018-profiel laat (ook zonder het in rekening brengen van bodemstijging) een veel gunstiger beeld zien (zie Figuur 16).
Figuur 16
Resultaat afslagberekening (PZS-aanpak) voor het 2018-profiel voor 50 jaar maximumscenario (zonder rekening te houden met bijbehorende bodemstijging) en 35 % opslag op de mate van afslag, met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
In dit geval ligt het afslagpunt op ruime afstand van de kelder en is ook het grensprofiel ruim inpasbaar. De eindconclusie is dat de afslag zelfs bij het voorgeschreven uitgangspunt (35 % extra opslag en verwaarlozen van het effect van de bodemstijging) niet tot voorbij de voorzijde van de kelder reikt maar dat dan het grensprofiel net niet volledig inpasbaar is (zie Figuur 14). In dat geval zullen er dus constructieve eisen aan de achterliggende constructie moeten worden gesteld. Het in rekening brengen van bodemstijging leidt tot een duidelijke verbetering van de situatie (zie Figuur 15). Indien echter wordt uitgegaan van een reëel verwachte profielvorm (2018-profiel) voor de situatie over 50 jaar dan is er geen veiligheidsprobleem meer aanwezig (zie Figuur 16).
Resultaten voor OI2014-uitwerkingen In Tabel 8 zijn alle resultaten voor de voor de OI2014-aanpak uitgevoerde afslagberekeningen in tabelvorm samengebracht.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
13 van 20
2013-profiel
2018-profiel
Situatie Met bodemstijging
Zonder bodemstijging
Met bodemstijging
Zonder bodemstijging
HR2006
RSP-77 m
RSP-84 m (+7 m)
RSP-62 m
RSP-69 m (+7 m)
WBI2017 (10 %)
RSP-82 m
RSP-90 m (+8 m)
RSP-67 m
RSP-74 m (+7 m)
Tabel 7
Overzicht voor resultaten afslagberekeningen voor het 50 jaar scenario in combinatie met de OI2014-aanpak (met vetgedrukt de formeel maatgevende situatie) en tussen haakjes de extra landwaartse verschuiving van het afslagpunt als gevolg van niet in rekening brengen van de bodemstijging).
Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat het niet in rekening brengen van de bodemstijging leidt hier tot ongeveer 8 m landwaartse verschuiving van het afslagpunt en dat het gebruik van de WBI in plaats van de HR2006 maximaal 6 m landwaartse verschuiving oplevert. De WBI2017-situatie blijft ook hier natuurlijk maatgevend. Wederom kan ook worden geconcludeerd dat het gebruik van het 2018-profiel ongeveer 15 m scheelt in de positie van het afslagpunt. Ter illustratie is in Figuur 17 het resultaat van de afslagsom voor de maatgevende situatie (vet gemarkeerd in de tabel) weergegeven.
Figuur 17
Resultaat afslagberekening (OI2014-aanpak) voor het maatgevende 2013-profiel voor 50 jaar maximumscenario (zonder rekening te houden met bijbehorende bodemstijging) en 35 % opslag op de mate van afslag, met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
In dit geval reikt de afslag tot RSP-90 m en kan het grensprofiel nog zonder probleem tussen de achterzijde van het afslagprofiel en de voorzijde van de kelder worden ingepast. Een doorzetting van het achtertalud snijdt in dit geval de kelderingraving immers net niet. Het alsnog in rekening brengen van de effecten van bodemstijging leidt tot een verdere zeewaartse verplaatsing van het afslagpunt tot RSP-82 m. Beschouwing van de situatie voor het 2018-profiel laat (ook zonder het in rekening brengen van bodemstijging) wederom een veel gunstiger beeld zien (zie Figuur 18).
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
14 van 20
Figuur 18
Resultaat afslagberekening (OI2014-aanpak) voor het 2018-profiel voor 50 jaar maximumscenario (zonder rekening te houden met bijbehorende bodemstijging) en 35 % opslag op de mate van afslag, met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
In dit geval ligt het afslagpunt op ruime afstand van de kelder en is het grensprofiel ruim inpasbaar. De eindconclusie is dat de afslag bij de OI2014-aanpak niet tot voorbij de voorzijde van de kelder reikt en dat het grensprofiel volledig inpasbaar is (zie Figuur 17). Het in rekening brengen van bodemstijging leidt tot een verdere verbetering van de situatie. Indien echter wordt uitgegaan van een reëel verwachte profielvorm (2018-profiel) voor de situatie over 50 jaar dan is er natuurlijk helemaal geen veiligheidsprobleem meer aanwezig (zie Figuur 18).
Veiligheidsberekeningen voor 200 jaar Conform het door het waterschap geformuleerde uitgangspunt moet de mate van duinafslag voor een situatie met 200 jaar klimaatverandering volgens het maximale TAW-scenario worden beschouwd, dit zonder rekening te houden met een met de zeespiegelstijging meestijgende bodemligging. Het rekenpeil wordt verhoogd met de zeespiegelstijging en een opslag van 0,5 m voor de effecten van een ongunstig windklimaat. In dit scenario behoeft dus geen rekening te worden gehouden met een extra PZS-opslag op de hoeveelheid afslag. Ook voor dit scenario zijn de te hanteren randvoorwaarden in het kader van het op 4 april 2017 gevoerde overleg aangepast. In dit scenario wordt nu de OI2014-aanpak (en dus zonder de 35 %’s opslag) gevolgd (zie Tabel 8) in combinatie met de eerder besproken aanpassing van het rekenpeil. Situatie
Rekenpeil [m tov NAP]
Golfhoogte [m]
Piekperiode [s]
Mutatie
+ 1,70 m plus 0,50 m
+ 10 %
+ 10 %
HR2006
7,60
5,17
13,31
WBI2017 (10 %)
7,92
5,08
13,02
Tabel 8
Opmerking Conform OI2014-uitgangspunt
Overzicht voor het 200 jaar scenario (OI2014-aanpak) te beschouwen condities met in de eerste regel de mutatie ten opzichte van de basiscondities.
In Tabel 9 zijn alle resultaten voor de voor de OI2014-aanpak uitgevoerde afslagberekeningen in tabelvorm samengebracht.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
15 van 20
2013-profiel
2018-profiel
Situatie Met bodemstijging
Zonder bodemstijging
Met bodemstijging
Zonder bodemstijging
HR2006
RSP-96 m
n.v.t. (n.v.t.)
RSP-81 m
RSP-109 m (+28 m)
WBI2017 (10 %)
RSP-103 m
n.v.t. (n.v.t.)
RSP-88 m
RSP-116 m (+28 m)
Tabel 9
Overzicht voor resultaten afslagberekeningen voor het 200 jaar scenario in combinatie met de OI2014-aanpak (met vetgedrukt de formeel maatgevende situatie) en tussen haakjes de extra landwaartse verschuiving van het afslagpunt als gevolg van niet in rekening brengen van de bodemstijging).
Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat het niet in rekening brengen van de bodemstijging leidt hier tot ongeveer 30 m landwaartse verschuiving van het afslagpunt en dat het gebruik van de WBI in plaats van de HR2006 tot 7 m landwaartse verschuiving oplevert. De WBI2017-situatie blijft ook hier maatgevend. Wederom kan ook worden geconcludeerd dat het gebruik van het 2018-profiel orde 15 m scheelt in de positie van het afslagpunt.
Figuur 19
Resultaat afslagberekening (OI2014-aanpak) voor het maatgevende 2013-profiel voor 200 jaar maximumscenario (zonder rekening te houden met bijbehorende bodemstijging), met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
Ter illustratie is in Figuur 19 het resultaat van de afslagsom voor de maatgevende situatie (vet gemarkeerd in de tabel) weergegeven. In dit geval kan het afslagprofiel niet meer in het vigerende profiel worden ingepast. Omdat deze situatie sowieso om een versterking van de waterkering vraagt en het logisch lijkt om deze aan de voorzijde aan te brengen zal deze interactie in de praktijk wel worden voorkomen. In het geval dat er alleen al rekening wordt gehouden met een meestijgende bodem komt het afslagpunt op RSP103 m terecht maar is dan het grensprofiel nog steeds niet voor de constructie inpasbaar en zijn er dus aanvullende constructieve maatregelen nodig (zie Figuur 20).
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
16 van 20
Figuur 20
Resultaat afslagberekening (OI2014-aanpak) voor het maatgevende 2013-profiel voor 200 jaar maximumscenario rekening houdend met bijbehorende bodemstijging, met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
Beschouwing van de situatie voor het 2018-profiel laat, in vergelijking tot het resultaat van Figuur 19, wederom een veel gunstiger beeld zien (zie Figuur 21).
Figuur 21
Resultaat afslagberekening (OI2014-aanpak) voor het 2018-profiel voor 200 jaar maximumscenario (zonder rekening te houden met bijbehorende bodemstijging), met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
In dit geval ligt het afslagpunt net voorbij de voorzijde van de kelder en is het grensprofiel hier ook nog niet inpasbaar waardoor er ook eisen moeten worden gesteld aan de constructie. Ook hier zal het in rekening brengen van een meestijgende bodem leiden tot een veel veiliger situatie en een afslagpunt dat ver zeewaarts van de constructie ligt, namelijk op RSP-81 m (zie Tabel 9 en Figuur 22).
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
17 van 20
Figuur 22
Resultaat afslagberekening (OI2014-aanpak) voor het 2018-profiel voor 200 jaar maximumscenario rekening houdend met bijbehorende bodemstijging), met positie maatgevend afslagpunt, aanliggend grensprofiel en voorzijde voorziene positie kelderconstructie.
De eindconclusie is dat de afslag bij de OI2014-aanpak tot voorbij de voorzijde van de kelder. Het in rekening brengen van bodemstijging leidt tot een duidelijk verbetering van de situatie. Indien echter wordt uitgegaan van een reëel verwachte profielvorm (2018-profiel) voor de situatie over 200 jaar dan is er een beperkter veiligheidsprobleem aanwezig (zie Figuur 21) en dat het in rekening brengen van bodemstijging helemaal geen interactie meer oplevert (zie Figuur 22). Zoals al eerder aangegeven is het gebruik van het 2013-profiel eigenlijk niet in lijn met de situatie die na uitvoering van de suppletie is verkregen. Indien de situatie na uitvoering van de kustversterking word beschouwd, zijn met name de in Figuur 21 en Figuur 22 gegeven resultaten van toepassing.
Samenvatting en voorlopige conclusies De resultaten van de, in lijn met de overeengekomen (en later in meer detail geformuleerde) uitgangspunten, uitgevoerde afslagberekeningen laten zien dat: •
Er is de huidige situatie geen sprake is van enige interactie met de achterliggende constructie en er dus ook geen veiligheidsprobleem ontstaat (zie Figuur 12);
•
Voor het maatgevende ‘50 jaar’-scenario (PZS-aanpak, zonder bodemstijging en met 35 % extra opslag) is de eindconclusie dat de afslag bij het voorgeschreven uitgangspunt (35 % extra opslag en verwaarlozen van het gunstige effect van de bodemstijging) niet tot voorbij de voorzijde van de kelder reikt maar dat dan het grensprofiel dan net niet meer inpasbaar is (zie Figuur 14). In dat geval zouden er in principe constructieve eisen aan de achterliggende constructie moeten worden gesteld. Omdat er in deze situatie nauwelijks sprake kan zijn van golfaanval op de constructie zullen de normale bouwtechnische eisen hier al een afdoende invulling aan geven. Het in rekening brengen van bodemstijging leidt tot een duidelijke verbetering van de situatie waarbij de voorzijde van de kelderingraving niet meer wordt doorneden (zie Figuur 15).
•
Indien echter wordt uitgegaan van een reëel verwachte profielvorm (2018-profiel) voor de situatie over 50 jaar dan is er geen veiligheidsprobleem meer aanwezig (zie Figuur 18).
•
Voor het voorgeschreven ‘200 jaar’-scenario (OI2014-aanpak, zonder bodemstijging) laat het resultaat van de uitgevoerde berekeningen zien dat het afslagpunt er op die termijn sowieso een versterking van de waterkering nodig is. Dit laatste is niet meer het geval als de bodemstijging wel in rekening wordt gebracht (zie Figuur 20).
•
Het gebruik van het voor deze termijn meer reële 2018-profiel levert ook een aanmerkelijke verbetering van de situatie, zeker als ook nog rekening wordt gehouden met het gunstige effect van bodemstijging (Figuur 22). In dat laatste geval is er zelfs geen interactie met de constructie meer aanwezig.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
18 van 20
Samenvattend is de conclusie dat de constructie zich in de huidige situatie ver buiten de afslagzone bevindt. Dit geldt ook voor het maatgevende 2013-profiel in combinatie met het zwaarste hydraulische scenario. Indien echter rekening wordt gehouden met het effect van de aanleg van de havendam en de uitgevoerde suppletie en er dus gerekend mag worden op een veel voller dwarsprofiel, ontstaat een veilige situatie. Beschouwing van de situatie op veel langere termijn (200 jaar) laat zien dat de waterkering over 200 jaar mogelijk zal moeten worden versterkt afhankelijk van het daadwerkelijk meegroeien van de strandligging. Bij een zeewaartse versterking heeft de constructie hier geen negatief effect op. Omdat de ontgraving ver buiten het bereik van de thans vigerende afslagzone plaatsvindt (zie Figuur 9 en Figuur 10), behoeven er geen eisen te worden gesteld aan de uitvoering van de werkzaamheden. Het tijdens het stormseizoen uitvoeren van de ontgraving is vanuit waterkeringstechnisch oogpunt dan ook geen probleem.
Slotopmerkingen en definitieve conclusie Zoals eerder aangegeven zou bij het beschouwen van de meest recente dwarsprofielen na uitvoering van de suppletie, niet het 2013-profiel maar een meer recent profiel als maatgevend moeten worden beschouwd. Daarmee worden feitelijk de voor het 2018-profiel uitgevoerde berekeningen maatgevend. In dit geval is er alleen een potentieel probleem voor de situatie over 200 jaar en dan alleen nog als er helemaal geen rekening wordt gehouden met de een met de gemiddelde zeespiegel meestijgende vooroever en andere toekomstige ingrepen. In de basisuitwerkingen zijn dus de resultaten van Figuur 21 en Figuur 22 van toepassing. Indien 100% van de in rekening gebrachte bodemstijging daadwerkelijk wordt gerealiseerd doet zich geen enkel probleem voor. Het grensprofiel kan dan immers zeewaarts van de constructie worden ingepast en er is dan geen sprake van enige interactie met het bouwwerk. Dit laatste is dus niet het geval als deze bodemstijging niet volledig zal plaatsvinden.
Er zijn echter een tweetal argumenten aan te dragen waardoor een mogelijk probleem deels teniet kan worden gedaan, namelijk: • De berekeningen zijn uitgevoerd voor de meest ongunstige doorsnede op de hoek van de constructie terwijl er in werkelijkheid in bovenaanzicht een veel gunstiger situatie aanwezig is; • Er is nog geen rekening gehouden met het positieve effect van de terugplaatsing van een deel van het vrijkomende zand in het voorliggende duin. Gunstig effect aangepaste buitencontour In Figuur 23 is het definitieve ontwerp van de parkeergarage in bovenaanzicht weergegeven.
Figuur 23
Overzicht aanpassing buitencontour ondergrondse parkeergarage met in blauw de initiële rechthoekige vorm en in zwart de buitencontour die net binnen in rood aangegeven bebouwingscontour valt. De gele punt geeft de in de duinafslagberekeningen beschouwde positie weer.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
19 van 20
In de eerder gepresenteerde uitwerkingen (zie ook Figuur 1 op pagina 2) werd nog uitgegaan van de rechthoekige vorm volgens de blauwe stippellijn. De aangepaste buitenzijde van de garage valt in het definitieve ontwerp samen met de, door middel van de rode stippellijn aangegeven, bebouwingscontour. De positie van de ‘maatgevende positie’ (gele punt in de figuur) blijft ongewijzigd gelegen op 108 m uit de RSP-lijn (zie ook Figuur 1). In plaats van de eerder genoemde 35 m bevindt zich nu ongeveer 25 m van de buitencontour van de garage parallel aan het aanwezige duin. Over deze 25 m schuift de voorzijde over ongeveer 3 m in landwaartse richting. Het volgen van de bebouwingscontour heeft natuurlijk een gunstig effect op de impact op de veiligheid van de waterkering omdat er tijdens het afslagproces ook zand van de naastgelegen profielen beschikbaar komt. Gunstig effect terugplaatsing vrijkomende zand Zoals onder Figuur 8 op pagina 6 aangegeven komt er uit het in de afslagzone gelegen duin ongeveer 125 m3/m1 aan materiaal vrij. In het totaal gaat het daarbij voor de ongeveer 25 m brede voorzijde van de kelder om 3.125 m3. Rekening houdend met het ‘scheef weglopen’ van de voorzijde van de buitencontour (zie Figuur 23) leidt dit tot orde 3.000 m3 te herplaatsen materiaal. Deze 3.000 m3 kan op het duin aan de voorzijde van de parkeergarage worden aangebracht.
Voor de breedte van het ‘stortgebied’ kan worden uitgegaan van een strook van 75 m zijnde de breedte van de voorzijde van de garage (25 m) plus een maal deze breedte aan weerszijden. Effectief bedraagt daarmee de gemiddelde aanvulling 3.000 m3 gedeeld door 75 m is 40 m3/m1. Gegeven de voor de constructie aanwezige breedte van het duin van bijna 80 m vraagt dit dus om een gemiddelde ophoging van slechts 0,5 m. Een dergelijke ophoging is natuurlijk prima inpasbaar. Het lokaal toevoegen van nog meer volume behoort natuurlijk ook nog tot de mogelijkheden. Het toevoegen van 40 m3/m1 in het voorliggende duin leidt tot een verschuiving van het afslagpunt over grofweg 40 gedeeld door een werkende hoogte van 9,5 m (het niveauverschil tussen de top van het duin en de teen van de afzetting in Figuur 21) is 4 m in zeewaartse richting. Het meer geconcentreerd rond de hoek van het bouwwerk herplaatsen van het vrijkomende zand zal resulteren in een nog grotere zeewaartse verschuiving. Indien hier bijvoorbeeld 80 m3/m1 wordt aangebracht leidt dit tot een zeewaartse verschuiving van het afslagpunt over 8 m. Voor het precies inpassen van het grensprofiel conform Figuur 22 (en het dus bereiken van een volstrekt veilige situatie) is een combinatie van herplaatsing van vrijkomende zand met het realiseren van een zeker fractie van de verwachte bodemstijging nodig.
Het in rekening brengen van 100 % van de meestijgende bodem leidt tot een zeewaartse verplaatsing van het afslagpunt van RSP-116 m (Figuur 22) naar RSP-88 m (Figuur 21) ofwel 28 m. Indien 8 m van deze 28 m reeds kan worden bereikt door het herplaatsen van vrijkomende materiaal (uitgaande van 80 m3/m1) is er dus nog slechts 28 min 8 is 20 m verschuiving nodig door bodemstijging. Dit betekent dat niet 100 % maar slechts (20/28 =) 70% van de verwachte bodemstijging nodig is. Voor een verdere reductie met 10 % (dus 60 % bodemstijging en 40 % herplaatsing) is 30 m3/m1 extra aanvulling nodig. Samenvattend is dus de conclusie dat door het terugplaatsen van het vrijkomende materiaal (80 m3/m1) slechts een deel (70 %) van de op termijn verwachte bodemstijging behoeft te worden gerealiseerd om ook over 200 jaar geen enkele interactie met de constructie aanwezig te laten zijn. Gegeven de lokaal aanwezige situatie zal, zelfs in het geval van een nog verder achterblijvende bodemstijging enige interactie met de constructie overigens ook geen probleem behoeven te zijn. Er zijn immers voldoende mogelijkheden voor het tijdens maatgevende omstandigheden zijdelings herverdelen van materiaal.
Alles overziende lijken er op basis van deze waterkeringstechnische uitwerkingen geen argumenten aanwezig om geen vergunning te verlenen voor de realisatie van het aangepaste ontwerp van de voorgestelde parkeergarage.
File: C03041000120_UpdateAdviesHotelNoordzee_Rapportage_v190326_Definitief.docx
20 van 20
Bijlage 3. Passende beoordeling Wet natuurbescherming Noordzee-De Wielingen Van Kerkhoff Maatwerk in RO 11 mei 2020
Bestemmingsplan Noordzee – De Wielingen Cadzand-Bad - 49
Passende beoordeling Wet natuurbescherming in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan Noordzee-De Wielingen in Cadzand-Bad 1. Inleiding
De hotels Noordzee en De Wielingen staan aan één van de twee toegangsroutes naar Cadzand-Bad. Het voornemen bestaat om op het bestaande hotel Noordzee een kap te zetten en met een knik naar het einde van de Noordzeestraat een uitbreiding te realiseren, zodat het hotel groeit van 64 naar 104 kamers. De eigenaar van de gronden en een groot deel van het gebouw De Wielingen wil bij voorkeur het complete gebouw slopen en een complex met 70 appartementen terug bouwen, waarvan 15 appartementen bedoeld zijn voor de eigenaren van vervreemde appartementsrechten in het bestaande gebouw. Alternatief is dat een deel van de appartementen met vervreemde appartementsrechten blijft staan en daar nieuwbouw tegen gepleegd wordt. Tussen de eigenaren van Noordzee en De Wielingen is een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin geregeld wordt dat de bouw van appartementen op de locatie De Wielingen de onrendabele top van de bouw van alleen hotelkamers door Noordzee compenseert in ruil voor het gebruik van het recht van Noordzee om 55 nieuwbouwappartementen te realiseren. Onder de voorwaarden dat de beide uitbreidingsplannen in ruimtelijke zin op elkaar afgestemd zijn en dat er pas appartementen gerealiseerd kunnen worden als de uitbreiding van het hotel voldoende gestalte heeft gekregen, is de gemeente Sluis bereid medewerking te verlenen.
Er is een procedure opgestart, waarin een nieuw bestemmingsplan voor het gehele plangebied op grond van artikel 3.30 Wro wordt gecoördineerd met de omgevingsvergunning voor het bouwen van de uitbreiding van hotel Noordzee. Nagegaan dient te worden of het project vergunbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor het bestemmingsplan wordt onderstaande Passende beoordeling uitgevoerd, een ecologisch onderzoek. De vraag wordt erin beantwoord of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Of er sprake is van significant negatieve effecten hangt onder andere af van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden en de vraag welke gevolgen het plan heeft voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen. Daartoe wordt in deze Passende beoordeling nagegaan welke storingsfactoren relevant zouden kunnen zijn, zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase. Specifiek wordt getoetst op de externe werking als gevolg van stikstofdepositie. Een Passende beoordeling met dezelfde uitgangspunten wordt ook gemaakt in het kader van de omgevingsvergunning voor de bouw van hotel Noordzee.
Achtergrond stikstofdepositie Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) beslist dat de Programmatische Aanpak Stikstof niet ten grondslag mag worden gelegd aan de toestemmingverlening voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt de verplichting voor de gemeenteraad om te beoordelen of als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen relevante stikstofdeposities kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daarbij speelt de huidige staat van stikstofbelasting een belangrijke rol.
Passende beoordeling Noordzee-De Wielingen - 1
NoordzeeDe Wielingen
De Roode Wielingen
N Figuur 1. Ligging plangebied (Pdok, 2019)
Vlakte van de Raan Westerschelde&Saeftinghe
Verdronken Zwarte Polder
ZeebruggeHeist
Zwin & Kievittepolder Duingebieden Groote Gat Polders
Figuur 2. Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (EEA, Natura 2000 Network Viewer, 2020)
N
Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is nodig op grond van artikel 2.7 lid 2 van deze Wet: “Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.” In de directe nabijheid wordt tegelijkertijd ook een bestemmingsplan voorbereid voor het plan Roode Wielingen. Ter plaatse van Boulevard de Wielingen 59-65 in Cadzand-Bad wordt verouderde Passende beoordeling Noordzee-De Wielingen - 2
bebouwing gesloopt, een transformatorhuisje verplaatst en een complex gerealiseerd bestaande uit maximaal 34 woningen/appartementen en een multifunctionele ruimte van maximaal 700 m² bedrijfsvloeroppervlak op de begane grond. De kans is groot dat deze ontwikkeling gelijktijdig met het plan voor Noordzee De Wielingen gerealiseerd wordt. Er is één ontwikkelaar-bouwer betrokken bij alle drie de onderdelen, zodat enige afstemming tussen de projecten mogelijk is. Vanuit een oogpunt van cumulatie (in combinatie met andere plannen of projecten) wordt het plan De Roode Wielingen in de Passende beoordeling meegewogen. Voor het plan De Roode Wielingen wordt met dezelfde uitgangspunten ook een aparte Passende beoordeling gemaakt. Achtereenvolgens komen in deze Passende beoordeling de volgende onderdelen aan bod: • Mogelijke storingsfactoren en de relevante Natura 2000-gebieden; • Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder; • Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe; • Referentiesituatie; • Uitgangspunten voor de toekomstige gebruikssituatie; • Uitgangspunten voor de realisatiefase; • Uitgangspunten voor de fasering; • Cumulatie met het project Roode Wielingen; • Resultaten van de Aeriusberekeningen; • Conclusies.
2. Mogelijke storingsfactoren en Natura 2000
Voordat de effectbepaling van het voornemen plaats kan vinden, is het eerst van belang om de verwachte storingsfactoren in beeld te brengen die de uitbreiding van hotel Noordzee, de herontwikkeling van hotel De Wielingen naar een gebouw met recreatieappartementen en de realisatie van de Roode Wielingen met zich meebrengt. In figuur 1 is de ligging van de plangebieden weergegeven. In de nabijheid van de plangebieden liggen de volgende Natura 2000 gebieden (figuur 2 waarbij de rode ster de plangebieden aangeeft): • Zwin & Kievittepolder, aangrenzend; • Westerschelde & Saeftinghe op circa 300 meter met de Verdronken Zwarte Polder op circa 4 kilometer; • de Vlakte van de Raan op circa 1 kilometer; • Duingebieden (B) op circa 1,05 kilometer met als dichtstbijzijnde onderdeel het Zwin; • Polders (B) op circa 7,9 kilometer; • Groote Gat op circa 9,4 kilometer. Uit te sluiten storingsfactoren De selectie van de storingsfactoren is gebaseerd op de effectenindicator van het Ministerie van EZ. Deze effectenindicator onderscheidt 19 storingsfactoren. De volgende storingsfactoren zijn op voorhand uitgesloten in het plangebied: • Oppervlakteverlies en versnippering: de ontwikkeling vindt niet plaats in Natura 2000-gebied; • Verzilting, verzoeting, verdroging en/of vernatting: de voorgenomen werkzaamheden hebben hier geen enkele relatie mee.
• Verontreiniging: uitgangspunt is dat verontreiniging via reguliere milieuwetgeving en handhaving in het gebied wordt voorkomen.
Passende beoordeling Noordzee-De Wielingen - 3
• • •
Effecten als gevolg van een verandering van stroomsnelheid, een verandering van overstromingsfrequentie of een verandering in dynamiek substraat: niet aan de orde bij de voorgenomen activiteiten. Trilling: niet aan de orde bij de voorgenomen activiteiten. Verandering in populatiedynamiek of een bewuste verandering in soortensamenstelling: niet aan de orde bij de voorgenomen activiteiten.
De onderstaande storingsfactoren die lokaal plaatsvinden, verdienen een nadere oriëntatie, omdat de uitbreiding van hotel Noordzee grenst aan Natura 2000-gebied. Vanuit de herontwikkeling van De Wielingen en De Roode Wielingen speelt dat niet, omdat de hemelsbrede afstand tot Natura 2000 minimaal 100 meter (De Wielingen) respectievelijk 300 meter (Roode Wielingen) is en er sprake is van bestaand stedelijk gebied staat tussen plangebied en Natura 2000-gebied. Verstoring door mechanische effecten (betreding) Verstoring door mechanische effecten (betreding) zou op kunnen treden, wanneer op of nabij de locatie gerecreëerd wordt. De nieuwe gebruikers van de appartementen en de hotelgasten zullen gebruik maken van het strand en daar komen via de duinovergang in het verlengde van de Noordzeestraat of via het stelsel van paden voor De Wielingen. Deze routes liggen buiten het Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder, zodat vanuit die optiek geen verstoring plaatsvindt. Vanuit de Roode Wielingen wordt het strand bereikt via trappen nabij het Strandhotel ver buiten Natura 2000gebieden. Het strand en de branding van de zee (bij eb) liggen buiten het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, zodat vanuit die optiek geen verstoring plaatsvindt.
Directe betreding van Natura 2000 gebieden vindt alleen plaats via de (drukke) fietsroute over de duinen door de Zwin & Kievittepolder en het Zwin tussen Knokke en Cadzand-Bad en door gebruik van het strand westelijk van Noordzee-De Wielingen. Betreding buiten de bestaande paden is niet toegestaan. Omdat in en rondom het plangebied al sprake is van een grote recreatiedruk, is het uitgesloten dat instandhoudingsdoelstellingen van soorten en habitats als gevolg van de beoogde beperkte toename van hotelkamers en recreatieappartementen in gevaar gebracht worden. Verstoring door licht, geluid en/of optische verstoring De buitenruimte van hotel Noordzee grenst aan de Noordzeestraat, op korte afstand van de Zwin & Kievittepolder. In deze buitenruimte is nu de parkeervoorziening gelegen met verstoring door licht en geluid. In de nieuwe situatie wordt de parkeervoorziening gebouwd onder het duin gerealiseerd met één toegang aan he begin van de Noordzeestraat, waardoor de geluidbelasting en lichtuitstraling op het Natura 2000-gebied die er in de huidige situatie nog wel is door aankomende en vertrekkende auto’s, verdwijnt. De buitenruimte wordt ingericht als een duingebied. De bestaande bouwmassa wordt voorzien van een kap en een eenlaagse uitbreiding wordt gesitueerd in de richting van de Natura 2000 gebieden. Dat leidt niet tot een optische verstoring.
Verzuring en vermesting door stikstofdepositie De enige mogelijke storingsfactor met een verderreikend effect is dan ook verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht. De Vlakte van de Raan en het Groote Gat hebben geen stikstofgevoelige habitats en vallen derhalve verder buiten beschouwing van deze Passende beoordeling. De betekenis van stikstofdepositie voor Vlaamse Natura 2000-gebieden De Vlaamse Natura 2000-gebieden Duingebieden en Polders liggen al op enige afstand, maar een effect vanuit stikstofdepositie is op voorhand niet uit te sluiten. De Aerius-berekeningen houden geen rekening met de Vlaamse Natura 2000-gebieden. Tegelijkertijd geldt ook de uitspraak van de
Passende beoordeling Noordzee-De Wielingen - 4
Raad van State niet voor Vlaamse Natura 2000-gebieden. Onderstaand wordt derhalve een kwalitatieve beoordeling weergegeven. De specifieke natuurdoelen voor het gebied ‘Duingebieden‘ hebben logischerwijs betrekking op gelijksoortige habitattypen en kwalificerende soorten als in de Natura 2000-gebieden Zwin & Kievittepolder en Westerschelde & Saeftinghe. In veel gevallen is er sprake van een doelstelling om de oppervlakte te vergroten (bijlage 7). Deze doelstellingen gelden evenwel voor het gehele Natura 2000-gebied Duingebieden dat zich als een lang lint langs de 67 kilometer lange Belgische kust uitstrekt. Het Vlaamse beleid gaat uit van een aanpak van de stikstofneerslag die bestaat uit enerzijds brongerichte maatregelen en een herstelbeleid voor speciale beschermingszones. Bij de bronmaatregelen wordt verschil gemaakt naar type uitstoot. Wanneer de stikstof op grote hoogte wordt uitgestoten, zoals bij een industriële schoorsteen, dan zal de stikstof vaak verdund en op grote afstand van de bron neerslaan. Wanneer de stikstofbron laag is, zoals bij een stal of de uitlaat van een voertuig, dan zal de stikstof niet verdund en vaak kort bij de bron neerslaan. Het beleid is dan ook vooral gericht op herstructurering of verplaatsing van activiteiten met impact op landbouwbedrijven dicht bij speciale beschermingszones. Daarvoor is een impactscoretool ontwikkeld.
Stikstofneerslag als gevolg van de bestemmingsplannen Noordzee-De Wielingen en de Roode Wielingen is alleen afkomstig van lage bronnen (uitlaat van voertuigen), nu de verwarming van gebouwen gasloos gebeurt. De impact van deze plannen op Vlaamse Natura 2000-gebieden zal dan ook beperkt zijn. De conclusies voor het Nederlandse Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder zijn doorslaggevend.
3. Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder Ecologische beschrijving Het Zwin is een sluftergebied op de grens van Nederland en België. Ongeveer een derde deel van het gebied ligt in Nederland, het grootste deel in België. Het gebied is uniek in zijn landschappelijke en geomorfologische waarden die worden vertegenwoordigd door strand, schor en slikgebied dat doorloopt van duinen tot in de achterliggende polders. Het areaal schorren is sterk toegenomen door de toenemende verzanding. Het directe contact met de zee is vrij groot. Met uitzondering van de hogere helmduinen wordt het gebied gemiddeld 20 tot 30 keer per jaar door het zeewater overspoeld. In totaal heeft het gebied een oppervlakte van 213 hectare en is recent uitgebreid met 123 hectare, waarvan 10 hectare in Nederland. De uitbreiding heeft als doel om de verzanding en het verlies van belangrijke natuurwaarden tegen te gaan. Het gebied bestaat grotendeels uit duinen, strand, strandvlakten, schorren, slikken en geulen. Het Zwin bevat dynamische duinen en is één van de weinige gebieden in Zeeland met een zandig schor en bijbehorende vegetatie. De aangrenzende poldergebieden die in de begrenzing zijn opgenomen, bestaan uit reliëfrijke vochtige graslanden, gekenmerkt door zoet-zout-gradiënten. De bodem varieert van zandig (Zwinweide) tot kleiig (Oudelandse Polder).
De Kievittepolder heeft het karakter van een zandige inlaag en is deels met struweel begroeid. Het gebied wordt gekarakteriseerd door zoute kwel en een mozaïek van verschillende vegetatietypen. Naast de botanische waarden staat het gebied bekend om de grote verscheidenheid aan Passende beoordeling Noordzee-De Wielingen - 5
vogels. De aanwezige flora en fauna is rechtstreeks afhankelijk van de verscheidenheid aan open water, diepe en ondiepe geulen, slikken en schorren. Op de schorren in het Zwin groeien zout- en brakwater(getijde)planten. De laagdynamische slibrijke platen, slikken, schorren en brak/zoute binnenmeertjes zijn een foerageerplaats voor vogels (met name tureluur, kluut en scholekster). De zeereep, de strandvlakte en de hogere schorren vormden in het verleden een broedplaats voor kolonievogels (kokmeeuw, incidenteel zwartkopmeeuw). Ook in de struwelen en moerasvegetaties in het duingebied broeden veel bijzondere vogelsoorten (nachtegaal, Cetti’s zanger en recent graszanger). De schorkreken en de Zwingeul zelf zijn een kinderkamer en verblijfplaats voor jonge vissen en garnaal. Het gebied is van belang als pleistergebied voor een aantal niet-broedvogels: kolgans, smient, wulp, regenwulp, goudplevier, kemphaan en kluut. In de trektijd komen regelmatig lepelaars in het gebied voor. De natuur- en landschapswaarden in de Kievitte- en Oudelandse Polder worden grotendeels bepaald door het Zwin. Een fijnmazig patroon van zoete en zoute kwel, een zandige of meer kleiige bodem, en afwisselingen tussen struwelen en schraalgraslanden met drinkputten vormen de basis voor hoge botanische waarden en een optimaal leefgebied voor diverse amfibiesoorten.
De graslandvegetatie wordt plaatselijk gekenmerkt door soorten als zeekraal, lamsoor, zilte rus, zilt torkruid, en, overgaand naar het zoete milieu, heemst, addertong, echte koekoeksbloem en rietorchis. Voorkomende amfibieën zijn boomkikker, kamsalamander, kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en incidenteel groene kikker. Daarnaast is in 2015 voor het eerst de alpenwatersalamander waargenomen in een van de poelen in de Oudelandse polder. Vanaf 2010 zijn de natuurwaarden van beide polders versterkt door onder meer maaiveldverlagingen, aanpassing van het waterpeil en een jaarronde begrazing met Schotse hooglanders. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen hebben in dit Natura 2000-gebied betrekking op de habitattypen en leefgebieden van soorten die zijn opgenomen in figuur 3. Type/soort
Doel
H1140A Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1320 Slijkgrasvelden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) H2120 Witte duinen
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit
Huidige situatie Bijdrage Staat van (opp) instandhouding 9,5 ha Matig ongunstig
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit H2130 Grijze duinen Behoud oppervlakte en kwaliteit H2160 Duindoornstruwelen Behoud oppervlakte en kwaliteit Nauwe korfslak (leefgebied) Behoud omvang en kwaliteit leefgebied Kamsalamander (leefgebied) Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied kleine zilverreiger Behoud omvang en kwaliteit leefgebied (leefgebied) voor een populatie van gemiddeld 9 vogels (seizoensmaximum) Figuur 3. Instandhoudingsdoelstellingen Zwin & Kievittepolder
2,9 ha
Matig ongunstig
1,4 ha 19,4 ha
Ongunstig Matig ongunstig
0,7 ha
Matig ongunstig
6,0 ha
Matig ongunstig
0,2 ha 13,9 ha < 13,8 ha Ca 25 ha
Ongunstig Gunstig Matig ongunstig Matig ongunstig
Ca 12,5 ha
Gunstig
Bron: Beheerplan Natura 2000-gebied Zwin en Kievittepolder 2017-2023
Passende beoordeling Noordzee-De Wielingen - 6
Het relatief belang vanuit Nederlands perspectief is weergegeven met kleuren: groen is matig groot, lichtblauw is gering, donkerblauw is zeer gering. Kritische depositiewaarden De kritische depositiewaarden voor de habitattypen aangewezen voor Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder zijn opgenomen in figuur 4. Habitattype
Volledige omschrijving
KDW (mol/ha/jaar)
H1140A H1310A
Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende planten H1320 Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) H1330A Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) buitendijks (subtype A) H1330B Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) binnendijks subtype B) H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen“) H2130 Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen“) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides Figuur 4. Kritische depositiewaarden van aangewezen habitattypen in Zwin & Kievittepolder