CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

b. ruimtelijke onderbouwing.pdf

Commissie Ruimte/AB 10 mei 2022, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een ontwerp- verklaring van geen bedenkingen voor het perceel Oudestad 98 te Oostburg voor de realisatie van een overkapping op de gemeentewerkplaats6.044 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING OVERKAPPING OUDESTAD 98, OOSTBURG

ORDITO.NL

RUIMTELIJKE ONDERBOUWING OVERKAPPING OUDESTAD 98, OOSTBURG GEMEENTE SLUIS Planstatus

Concept

Datum

22 - 12 - 2021

Auteur(s)

Zoe Zeegers

Ordito b.v.

E

info@ordito.nl

Postbus 94

T

0161 801 022

5126 ZH

I

www.ordito.nl

Gilze

KVK

54811554

TOELICHTING

1.

Inleiding

2

1.1 1.2 1.3 1.5

Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerende bestemmingsplan Leeswijzer

2 2 3 3

2.

Bestaande situatie

4

3.

Toekomstige situatie

5

4.

Beleidskader

7

4.1 4.2 4.3

Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

7 9 10

5.

Randvoorwaarden

11

5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.9 5.10

Archeologie en cultuurhistorie Bedrijven en milieuzonering Bodemkwaliteit Externe veiligheid Natuurwetgeving Geluid Luchtkwaliteit Water Energie

11 12 13 13 15 17 17 18 20

6.

Uitvoerbaarheid

21

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

21 21

|2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De aanleiding voor het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing is de wens om een nieuwe overkapping te realiseren op het perceel Oudestad 98 te Oostburg. Bij de reorganisatie van de gemeente Sluis in 2009 is uitgegaan van een halvering van het aantal gemeentewerkplaatsen. De gemeente is destijds verdeeld in drie rayons met centraal gelegen werkplaatsen in Sluis, Oostburg en Schoondijke. De overige werkplaatsen zijn gesloten. Het materiaal en materieel uit deze werkplaatsen zijn centraal bijeengebracht in Oostburg. De bestaande opslagcapaciteit ter plaatse is niet voldoende om deze spullen op te slaan. Thans staat het materiaal en materieel buiten en wordt het blootgesteld aan weersinvloeden. Gevolg hiervan is dat het materiaal en materieel sneller slijtage en veroudering begint te vertonen. Ter bescherming is het noodzakelijk om een nieuwe overkapping te realiseren. De realisatie van de overkapping is in strijd met de beheersverordening ‘Kom Oostburg’. Om het bouwplan planologisch mogelijk te maken is het noodzakelijk om een omgevingsvergunning ex. artikel 2.1, lid 1 sub a en c, juncto artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 3 Wabo te verlenen. Onderhavige ruimtelijke onderbouwing is onderdeel van de omgevingsvergunning.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen in het oosten van de kern Oostburg in de gemeente Sluis. Het perceel is kadastraal bekend Oostburg, sectie E, nummers 3917, 2747 en 2698. Het plangebied wordt aan de noordoostzijde begrensd door een begraafplaats. Aan de overige zijde grenst het plangebied aan de achterzijde van de woonpercelen gelegen aan de Zuidzandsestraat en Oudestad.

Ligging en begrenzing plangebied Ligging en begrenzing plangebied

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|3

1.3

Vigerende bestemmingsplan

Voor het plangebied is de beheersverordening ‘Kom Oostburg’ van toepassing, vastgesteld op 13 maart 2018. Op grond van de beheersverordening heeft het plangebied de bestemming ‘Bedrijf’. Voor het gedeelte kadastraal bekend Oostburg, sectie E, nummers 3917 is een bouwvlak opgenomen met de functieaanduiding ‘bedrijfscategorie 2’. Bouwwerken ten behoeve van de bedrijfsbestemming mogen uitsluitend binnen dit bouwvlak worden gebouwd.

Uitsnede Beheersverordening 'Kom Oostburg'

1.5

Leeswijzer

De toelichting is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt allereerst ingegaan op de huidige situatie van het plangebied, waarna in hoofdstuk 3 de beoogde toekomstige situatie wordt weergegeven. Een beschrijving van het relevante beleidskader op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau staat in hoofdstuk 4. Vervolgens komen in hoofdstuk 5 de milieukundige randvoorwaarden en onderzoeken aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid toegelicht.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|4

2.

BESTAANDE SITUATIE

Het plangebied betreft de gemeentewerkplaats van de gemeente Sluis. In het plangebied is één gebouw aanwezig, met een oppervlakte van 1.254 m2. Het overige gedeelte van het plangebied is geheel geasfalteerd. Op dit moment is er niet voldoende opslagcapaciteit aanwezig om het materiaal en materieel binnen de aanwezige bebouwing op te slaan. Vandaar dat de opslag momenteel op het open terrein gestald wordt, waardoor het perceel rommelig oogt.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|5

Bestaande situatie

3.

TOEKOMSTIGE SITUATIE

Het planvoornemen betreft het uitbreiden van de bestaande bebouwing met een vrijstaande overkapping op het perceel kadastraal bekend Oostburg, sectie E, nummers 2747. De beoogde locatie van de overkapping is gelegen buiten het bouwvlak. Binnen het bestaande bouwvlak is een nieuwe overkapping, gezien de inrichting, fysiek niet mogelijk. Het planvoornemen draagt bij aan een kwalitatieve verbetering van het plangebied. Momenteel vindt de opslag van materiaal en materieel plaats op het open terrein. Door realisatie van de extra opslagcapaciteit in de vorm van een overkapping, ontstaat de mogelijkheid om het perceel in ruimtelijke zin kwalitatief te verbeteren. De overkapping leent zicht daarnaast voor de aanleg van een mos sedum dak, eventueel in combinatie met zonnepanelen. De beoogde overkapping krijgt een oppervlakte van 680 m2. De overkapping wordt tegen de zuidwestelijke perceelsgrens geplaats, tegen de woonbestemmingen. De overkapping krijgt een goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 en 5,5 meter. De reden dat gekozen is voor een positionering tegen de zuidwestelijke perceelsgrens is omdat elders in het perceel een hogedruk gasleiding loopt die naar een verdeelstation gaat. Ten aanzien van de benodigde fundering bij de overkapping dient 2 meter uit de gasleiding gebleven te worden.

Daarnaast wordt de impact op de bestaande functies met deze positionering tot een minimum beperkt, (kop)lampen van voertuigen worden afgeschermd door de constructie. Dit in tegenstelling tot wanneer de overkapping aan de overzijde gepositioneerd zou worden; in dat geval zouden de lampen bij de omwonende naar binnen schijnen.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|6

Beoogde overkapping

Toekomstige situatie

Zijaanzicht overkapping

Het planvoornemen draagt bij aan een kwalitatieve verbetering van het plangebied. Momenteel vindt de opslag van materiaal en materieel plaats op het open terrein. Door realisatie van de extra opslagcapaciteit in de vorm van een overkapping, ontstaat de mogelijkheid om het perceel in ruimtelijke zin kwalitatief te verbeteren. Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|7

4.

BELEIDSKADER

4.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is geheel opgenomen in deze nieuwe visie. De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt.

Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langtermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio’s; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Door het nationale karakter van de NOVI en de kleine schaal van onderhavig plan, heeft het voornemen nauwelijks raakvlak met dit nationale kader. Met onderhavig planvoornemen zijn geen nationale belangen in het geding. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, d.w.z.

door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het Barro is op 30 december 2011 inwerking getreden en op 1 oktober 2012 verder aangevuld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevat geen voor de locatie relevante gebieden of regelingen. Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|8

Ladder voor duurzame verstedelijking Met de inwerkingtreding op 1 oktober 2012 van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijk ordening (Bro) – de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ – geldt voor alle juridisch verbindende ruimtelijke plannen van decentrale overheden die (planologische) nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken een bijzonder procesvereiste. Dit nationale belang houdt in dat, ten behoeve van een goed systeem van ruimtelijke ordening, een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijk besluit plaats dient te vinden. Deze zorgvuldige afweging heeft tot doel om, vanuit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, planologisch ongewenste versnippering en een onaanvaardbare leegstand te voorkomen. De ladder voor duurzame verstedelijking is herzien en per 1 juli 2017 is de nieuwe ladder in werking getreden. Een aantal aspecten zijn van belang om te bepalen of en hoe de ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en of de ontwikkeling ‘nieuw’ is. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1. lid 1 van de Bro omschreven als: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Toetsing plangebied Bij de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt beoordeeld of de nieuwe stedelijk ontwikkeling voorziet in een behoefte. Over- en ondercapaciteit moeten zoveel mogelijk worden voorkomen door regionaal af te stemmen bij de invulling van een kwantitatieve of kwalitatieve behoefte. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voorziet het plan in de toevoeging van een gebouw, dan ligt de ondergrens ‘in beginsel’ bij een bruto - vloeroppervlakte van minder dan 500 m2. Onderhavige ontwikkeling voorziet in een toevoegen van een overkapping ten behoeve van opslag met een oppervlakte van 680 m2 buiten het bouwvlak van de vigerende bedrijfsbestemming. Momenteel vindt de opslag in het open terrein plaats, middels een overkapping wordt het materiaal en materieel beschermd tegen weersinvloeden. Aangezien de beoogde ontwikkeling slechts het plaatsen van een overkapping betreft over reeds aanwezige opslag, kan gesteld worden dat er geen sprake is van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling. Daarnaast kan gesteld worden dat er een kwalitatieve behoefte is: de bestaande opslagcapaciteit is ter plaatse niet voldoende om de spullen intern op te slaan. Thans staat het materiaal en materieel buiten op het open terrein, waardoor het wordt blootgesteld aan weersinvloeden.

Ter bescherming van het materiaal en materieel is er behoefte aan de overkapping. Het planvoornemen voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|9

4.2

Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsplan Zeeland 2018 Op 21 september 2018 hebben de Provinciale Staten van de Provincie Zeeland het Omgevingsplan Zeeland 2018 en de Omgevingsverordening 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 geeft de provinciale visie op Zeeland. De bijbehorende regels zijn opgenomen in de verordening. Het omgevingsplan zal de transitie naar de Omgevingswet ondersteunen. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 blijft geldig tot vaststelling van de Nieuwe Omgevingsvisie behorend bij de Omgevingswet, naar verwachting in 2021. Het Omgevingsplan Zeeland 2018 vervangt het voorgaande Omgevingsplan Zeeland 2012-2018. Het overgrote deel is geen nieuw beleid, maar flink opgeruimd en opnieuw ingericht op basis van vier grote strategische opgaven. Daarbij is het uitgangspunt dat de kwaliteiten en kansen van Zeeland op het gebied van economie, ruimte, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu worden versterkt. De hoofdlijnen van het beleid richten zich daarom ook op: • Duurzame en concurrerende economie; • Klimaatbestendige en –neutrale samenleving; • Waardevolle leefomgeving; • Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving. De provincie heeft hierbij verschillende rollen en taken binnen het netwerk van samenwerkend Zeeland.

Voor zover het past in het wettelijk kader wordt er uitgegaan van de filosofie uit de omgevingswet, namelijk het denken van ‘nee tenzij’ naar ‘ja, mits’ en het hanteren van loslaten en vertrouwen. De provincie streeft daarbij naar een herkenbare, prettige, schone, veilige en aantrekkelijke leefomgeving, waar mensen graag wonen, werken en verblijven, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is. Structuur, identiteit en inpassing van nieuwe ontwikkelingen in hun omgeving zijn belangrijk voor de ruimtelijke kwaliteit. Deze is op zijn beurt weer bepalend voor het woon- en leefklimaat van steden en dorpen. Omgevingsverordening Zeeland 2018, 5e wijziging Op 22 september 2020 hebben de Provinciale Staten van de provincie Zeeland de Omgevingsverordening Zeeland 2018, 5e wijziging vastgesteld. De Omgevingsverordening Zeeland 2018 vervangt de Verordening ruimte provincie Zeeland. De Omgevingsverordening richt zich –net zo breed als het Omgevingsplan– op de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem.

In artikel 2.3 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld over de ontwikkeling van bedrijven. Uitgangspunten daarbij zijn zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van onnodige inbreuk op de kwaliteit. Het planvoornemen betreft een kleinschalige ontwikkeling binnen een bestaande bedrijfsbestemming. Gesteld kan worden dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Daarbij voorziet het planvoornemen in een kwaliteitsverbetering. Doordat opslag van materiaal en materieel niet langer op het open terrein zal plaatsen, zal het perceel minder rommelig ogen. Het initiatief past hiermee binnen de uitgangspunten van de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|10

4.3

Gemeentelijk beleid

Visiedocument ‘Krachtig verbonden 2021’ gemeente Sluis Op 28 februari 2021 is het visiedocument ‘Krachtig verbonden’ vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Sluis. Het doel van de visie is om de hoofdlijnen van het ruimtelijk-economisch en sociaal-maatschappelijk beleid helder vast te leggen en hiermee een koers te kunnen bepalen tot 2025. Deze beleidslijnen geven richting en vormen een kapstok voor verdere uitwerking in deelvisies, bestemmingsplannen en projecten. Hierbij bewaakt het visiedocument de onderlinge samenhang tussen de verschillende deelvisies. Het visiedocument is opgebouwd uit verschillende hoofdstukken waarin per thema een beleidskoers wordt uitgestippeld. De uitwerking per thema vindt plaats aan de hand van drie centrale vragen: 1. Waar heeft de gemeente mee te maken? 2. Wat wil de gemeente bereiken? 3. Hoe wil de gemeente het bereiken? Met betrekking tot bedrijventerreinen wordt ingezet op efficiënt en kwalitatief gebruik van de bestaande voorraad bedrijventerreinen. De gemeente wil dit bereiken door waar mogelijk verantwoorde (kleinschalige) uitbreidingen toe te staan. Het planvoornemen betreft een kleinschalige ontwikkeling binnen een bestaande bedrijfsbestemming. Door het realiseren van een overkapping wordt het materiaal en materieel uit het zicht onttrokken én beschermd tegen de weersinvloeden.

Het rommelige karakter van het terrein neemt hierdoor af, de kwaliteit van het terrein verbeterd. De visie ‘Krachtig verbonden 2021’ geeft verder een paar duidelijke opdrachten aan waarmee rekening dient te worden gehouden bij dit voornemen op het gebied van duurzaamheid, natuur en klimaatadaptatie, waarbij een duidelijke voorbeeldfunctie door de gemeente is aangegeven. Daar zal verder op in worden gegaan bij de randvoorwaarden (hoofdstuk 5). Ook wordt in de visie uitgebreid ingegaan op burgerparticipatie. Daar zal op in worden gegaan bij de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6).

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|11

5.

RANDVOORWAARDEN

Dit hoofdstuk bevat een beschouwing op die factoren die een beperking kunnen inhouden voor het planvoornemen. Het gaat hierbij om onder andere archeologie, bodem, externe veiligheid, luchtkwaliteit en water.

5.1

Archeologie en cultuurhistorie

Verdrag van Malta In 1998 heeft het parlement het Europees Verdrag, inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, goedgekeurd. Dit zogeheten Verdrag van Malta voorziet in een beperking van de risico’s op aantasting van cultureel erfgoed. Dit kan door het archeologische erfgoed zoveel mogelijk in oorspronkelijke vindplaats te bewaren en door de integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening. Erfgoedwet De implementatie van het Verdrag van Malta is gekomen met het in werking treden van de nieuwe Wet op de Archeologische Monumentenzorg op 1 september 2007. Het belangrijkste uitgangspunt om rekening mee te houden is archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond te behouden zodat deze beter geconserveerd worden. De herziening van de Monumentenwet bepaald dat gemeenten een eigen archeologiebeleid op stellen. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 samen met een vijftal andere wetten opgenomen in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.

Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen werd het behoud en beheer van het erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Gemeentelijke archeologiebeleid In 2013 is het gemeentelijke archeologiebeleid van de gemeente Sluis vastgelegd in het ‘Gemeentelijke archeologiebeleid en onderzoeksagenda Sluis’ (GOAS). In januari 2017 is het archeologiebeleid herzien. In deze herziening zijn nieuwe zaken uit de Erfgoedwet opgenomen en is het beleid uit 2013 geëvalueerd. Het motto van de herziening is: “Soepel waar het kan en streng waar het moet.” In het archeologiebeleid is het grondgebied opgedeeld in verschillende geologische lagen, per laag is de verwachting op archeologische waarde bekeken en ingedeeld in categorieën van archeologische verwachtingswaarden.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|12

Onderzoek

Uitsnede beleidskaart archeologie

Het plangebied valt onder categorie 2: terrein van archeologische waarde. Voor dergelijke gebieden geldt een vrijstelling van archeologisch onderzoek tot een oppervlakte, kleiner of gelijk aan 50 m 2. De fundering van de beoogde overkapping bestaat uit betonpoeren van 0,8m x 0,8m x 0,2m, met een onderlinge afstand van 5,25 meter. De verstoring is daarmee niet groter dan 50 m2. Voor onderhavig planvoornemen is derhalve geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.2

Bedrijven en milieuzonering

Wet milieubeheer De Wet milieubeheer zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebied zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moet daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer. In de Handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een indicatieve richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Alle bedrijven die in de buurt van de planlocatie liggen worden aan de hand van een milieucategorie verbonden met een maximale hinderafstand. In deze paragraaf dient getoetst te worden of de voorgenomen functie past binnen het plangebied met inachtneming van eventuele milieubelastende functies in de directe omgeving. Onderzoek Het aspect bedrijven en milieuzonering heeft geen betrekking op het planvoornemen, omdat er geen nieuwe milieubelastende of milieugevoelige functies toegevoegd worden aan het plangebied. De functie van het plangebied blijft ongewijzigd, enkel het materiaal en materieel wordt overkapt. Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|13

Het bouwplan is op basis van de gebruiksregels reeds mogelijk op basis van het vigerend bestemmingsplan. De afstand van en naar milieubelastende of milieugevoelige functies verandert hierdoor niet. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.3

Bodemkwaliteit

Besluit bodemkwaliteit Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Dat wil zeggen: een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu, én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw of de aanleg van wegen. Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (2008) moet een bodemonderzoek worden verricht om de realiseerbaarheid van een bestemmingswijziging te beoordelen. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of een herinrichting mogelijk is moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden verricht. Onderzoek Het uitvoeren van een bodemonderzoek is niet noodzakelijk wanneer het om een bouwwerk gaat waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. In ieder geval minder dan twee uur per dag dezelfde mensen. Een overkapping voor de opslag van materiaal en materieel behorende bij de gemeentewerkplaats, betreft een dergelijk bouwwerk waarin niet voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen verblijven. Een bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4

Externe veiligheid

Beleidskader Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren voor de directe omgeving in het geval dat er iets misgaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico’s moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden normstellingen gehanteerd: • Het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; • Het groepsrisico stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is vastgelegd dat voor iedere toename in het groepsrisico een verantwoordingsplicht geldt, ongeacht of er door de wijziging een norm wordt overschreden. Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi zijn grenswaarden en oriënterende of richtwaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico (PR). Voor het groepsrisico (GR) is een verantwoordingsplicht opgenomen.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|14

Hiermee worden de aan te houden afstanden tussen inrichtingen (bedrijven) waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en kwetsbare en beperkte objecten gewaarborgd. Naast het Bevi is de bijbehorende ministeriële Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) van belang. Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijk besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht. Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen waarin opslag/ verwerking gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Onderzoek Voor de inventarisatie van de risicobronnen is gebruik gemaakt van de Risicokaart Nederland.

Uitsnede Risicokaart Nederland

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|15

Inrichtingen Binnen of direct aangrenzend aan het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichting. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichtingen betreffen het sportcomplex de Eenhoorn (Baljuw Veltersweg 15), welke is gelegen op een afstand van circa 420 m en Belderok B.V. (Neringweg 2) op een afstand van 1,3 km. Het plangebied ligt hiermee ruim buiten de risicocontour behorende bij de inrichtingen. Vervoer gevaarlijke stoffen Conform het gestelde in de ‘Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen’ hoeven er geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in een gebied op meer dan 200 meter van een route of tracé. De dichtstbijzijnde route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen bevindt zich op 810 m (buisleiding). Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Natuurwetgeving

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhouding)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000 gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Met de Wet natuurbescherming vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd.

De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wnb niet is veranderd. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|16

Beschermde planten en dieren Met de Wet natuurbescherming is de lijst van beschermde soorten gewijzigd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wnb niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes: 1. 2.

3.

Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.

De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Onderzoek Natura 2000-gebieden De afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn circa 750 meter tot het ‘Groote Gat’ en circa 7,5 kilometer tot de Zwin & Kievittepolder. De afstand tot het dichtstbijzijnde gebied is te groot om directe effecten door geluid of visuele hinder op de daar aanwezige soorten en habitat te hebben. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op circa 375 meter afstand tot gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied bevindt zicht op voldoende afstand van het NNN. De voorgestane werkzaamheden en inrichtingen zullen geen negatieve effecten op de NNN hebben. Beschermde planten en dieren Het plangebied is momenteel geheel verhard. Op het terrein wordt enkel een overkapping geplaatst.

Mogelijke aanwezige dier- en plantsoorten worden hierdoor niet in gevaar gebracht. Een Quickscan natuurwetgeving is voor het plangebied niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|17

5.6

Geluid

Wet geluidhinder Het aspect geluid speelt een belangrijk rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed kunnen zijn op de omgevingskwaliteit. Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet geluidhinder wordt onderscheidt gemaakt tussen verkeers-, industrie- en spoorweglawaai. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van de wet iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij de weg binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. De te beschouwen wegen hebben een onderzoekszone waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden. De grootte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstrokken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Op grond van de wet bedraagt de voorkeursgrenswaarde 48 dB op de gevels van geluidsgevoelige bestemmingen. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen, zijn op basis van de wet niet beschermd tegen geluidshinder. Onderzoek Onderhavig ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een geluidsgevoelig object.

Het object is derhalve niet beschermd op basis van de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7

Luchtkwaliteit

Beleidskader De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het “Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)”. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. Voor de periode tussen het in werking treden van de Wet luchtkwaliteit en het verlenen van derogatie door de EU is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 1% van de grenswaarde voor NO2, PM10 en PM2,5. Inmiddels is derogatie verleend en het NSL in werking getreden. De definitie van NIBM is daardoor verschoven naar 3% van de grenswaarde.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|18

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit achterwege blijven. Onderzoek Het planvoornemen voorziet niet in een uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden van de bedrijfsbestemming. Van een toename van het verkeer is dan ook geen sprake. Gesteld kan worden dat het planvoornemen ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Water

Watertoets Voor ruimtelijke plannen is de watertoets verplicht. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het kwaliteits- en kwantiteitsbeheer. Deze instantie is daarmee formeel de waterbeheerder. Nagegaan is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het Waterschap Scheldestromen of het beoogde planvoornemen strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. Daarbij wordt ook de relatie gelegd met het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid (zie 4.3).

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|19

Thema en water(beheer)doelstelling Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties. Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden. Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden. Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen.

Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.

Uitwerking In en/of nabij het plangebied bevinden zich geen primaire- of regionale waterkeringen.

De overkapping wordt gesitueerd op bestaand geasfalteerd terrein, derhalve neemt het verhard oppervlak niet toe. De overkapping leent zich daarnaast voor de aanleg van een mos sedum dak, eventueel in combinatie met zonnepanelen. Hierdoor ontstaat een aanzienlijke bergingscapaciteit van max. 20 liter per m 2. Het groene dak draagt ook bij aan biodiversiteit. De overkapping leent zich voor de aanleg van een mos sedum dak, eventueel in combinatie met zonnepanelen. Hierdoor ontstaat een aanzienlijke bergingscapaciteit van max. 20 liter per m2. Overtollig hemelwater wordt met een schuin aflopend dak bovengronds afgevoerd op het naastgelegen onverharde terrein. De overkapping produceert geen afvalwater.

Er is geen sprake van het onttrekken van grondwater of het specifiek infiltreren van grondwater. Verdroging is niet aan de orde.

Er is geen sprake van grondwateroverlast in het plangebied.

Om diffuse verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen, zal bij bouwwerkzaamheden duurzame (nietuitloogbare) bouwmaterialen worden toegepast.

Niet van toepassing voor deze ontwikkeling.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|20

Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting. Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Scheepvaart en/of wegbeheer Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.

Er zullen geen veranderingen in het polderpeil plaatsvinden die voor bodemdaling zorgen.

Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening.

Het plan geeft geen wijziging ten opzichte van het huidige onderhoud en is derhalve niet van toepassing.

Niet van toepassing voor deze ontwikkeling.

De verkeerssituatie blijft ongewijzigd.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.10

Energie

In de visie ‘Krachtig verbonden 2021’ (zie 4.3) is een duidelijke voorbeeldfunctie weggelegd voor de gemeente waar het gaat om energiebesparing en het opwekken van groene energie. De te plaatsen overkapping biedt een kans om energie op te wekken door middel van zonnepanelen. De constructie van het dak wordt zodanig uitgevoerd dat daar eenvoudig zonnepanelen op kunnen worden gemonteerd. De aanwezige hoge bomenbeplanting direct grenzend aan de geprojecteerde overkapping vormt nu echter een probleem voor een efficiënte energieopwekking. Mocht in de toekomst de bomenrij moeten worden gekapt vanwege ziekte of veiligheid kunnen alsnog panelen worden aangebracht.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

|21

6.

UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Er is bij dit plan geen sprake van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Er kan geen kostenverhaal plaats vinden via het exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro. Het planvoornemen betreft een initiatief van de gemeente en is gesitueerd op gemeentelijke gronden. De gemaakte kosten komen voor rekening van de gemeente en passen binnen het door de raad vrijgegeven budget. Aangezien sprake is van een gemeentelijke aangelegenheid en het verhalen van kosten gezien het bovenstaande, is het verhaal van kosten anderszins verzekerd. Hiermee is de economische haalbaarheid van voorliggende plan voldoende aangetoond.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in de Wabo en Awb wordt voor deze omgevingsvergunning gevolgd. Ten aanzien van burgerparticipatie zijn inloopavonden georganiseerd. Naar aanleiding van deze avonden zijn aanpassingen in het plan doorgevoerd ten opzichte van het plan dat eerder in procedure was gebracht.

Ruimtelijke onderbouwing Oudestad 98, Oostburg

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=6a09cb1b-fe16-4f40-be10-490cfd04831a