CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

b. Ontwerpbestemmingsplan.pdf

Commissie Ruimte/AB 8 maart 2022, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan 'Matthiasweg 2 Waterlandkerkje en Nieuwstraat 46 Sluis'22.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels 9.1 Geringe afwijkingen Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor: a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%; b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot. c. de omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. 9.2 Herbouw van gebouwen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2 sub c teneinde herbouw van gebouwen op een andere locatie toe te staan, met in achtneming van het volgende: a. b. c. d. e.

herbouw dient op hetzelfde perceel plaats te vinden; herbouw dient binnen een bouwvlak plaats te vinden; er dient sprake te zijn van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse; de herbouw is stedenbouwkundig aanvaardbaar; de nieuwe situering van de bebouwing leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende (agrarische) bedrijven, voortvloeiende uit de milieuwetgeving; f. de nieuwe situering van de bebouwing leidt niet tot extra belemmeringen voor de omliggende natuur; g. indien de (bedrijfs)woning op een ander locatie herbouwd wordt mag de geluidsbelasting aan de gevel ten gevolge van weg- en railverkeer de voorkeursgrenswaarde, zoals vastgelegd in de Wet geluidhinder, niet worden overschreden.

Adromi B.V.

Pagina 28 van 30

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels 10.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen Burgemeester en wethouders kunnen de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. De overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 m bedragen en het bestemmingsvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

Artikel 11 Overige regels De wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.

Adromi B.V.

Pagina 29 van 30

4 Overgangs- en slotregels Artikel 12 Overgangsrecht 12.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwen luidt het overgangsrecht als volgt: a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het bestemmingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan; b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%; c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2 Overgangsrecht gebruik Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a.

het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van het bestemmingsplan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.

Artikel 13 Slotregel Deze regels worden aangehaald onder de naam Regels van het bestemmingsplan Matthiasweg 2 Waterlandkerkje en Nieuwstraat Sluis.

Adromi B.V.

Pagina 30 van 30

Plangebied Matthiasweg 2 Waterlandkerkje en Nieuwstraat Sluis

Enkelbestemmingen Wonen

Dubbelbestemmingen WR-A1A

Waarde - Archeologie - 1A

WR-A2

Waarde - Archeologie - 2

Bouwvlakken bouwvlak

Bouwaanduidingen [sba-zg]

specifieke bouwaanduiding - zonder gebouwen

Maatvoeringen 3

maximum aantal wooneenheden

m 870

maximum oppervlakte bijgebouwen (m2)

[sba-zg]

W WR-A1A 3

W WR-A2 m 870

Bestemmingsplan:

Schaal:

Datum:

Bestemmingsplan Matthiasweg 2 Waterlandkerkje en Nieuwstraat Sluis

-

08-06-2021

Formaat:

Versie:

A3

3

Gemeente:

Sluis IMRO code:

Planstatus:

NL.IMRO.1714.bpmtthwnuwst-ON01

Ontwerp

ADROMI GROEP

BIJLAGE AERIUS WNB Nota van uitgangspunten

Postadres: Boxmeerseweg 9 5835 AB Beugen

+316 14 85 24 54 info@derks-advies.nl www.derks-advies.nl

kvk 74263552 NL16RABO0322772796 btw NL859829893B01

woningbouw Nieuwstraat 4524 EG Sluis

Titel : Bijlage Nota van uitgangspunten Wnb AERIUS calculator Versie : 1.1 Datum : 9 april 2021

Pagina 2 van 20

Inhoud 1.

Gegevens inrichting ....................................................................................................................................... 4 1.1

Opdrachtgever ........................................................................................................................................ 4

1.2

Projectlocatie .......................................................................................................................................... 4

2.

Gegevens locatie ............................................................................................................................................. 4

3.

Gegevens project ............................................................................................................................................ 4

4.

Emissies tijdens de bouw ............................................................................................................................. 5

5.

Emissies na ingebruikname......................................................................................................................... 7

6.

Conclusie en afweging.................................................................................................................................. 7

BIJLAGE: AERIUS-bestand bouwfase ................................................................................................................. 9 BIJLAGE: AERIUS-bestand gebruiksfase ......................................................................................................... 14

Pagina 3 van 20

1. Gegevens inrichting 1.1

Opdrachtgever

Handelsnaam

: Verhage-Lemahieu B.V.

Adres

: Rondweg 1

Postcode

: 4524 JL

Telefoon

: 0117 – 760 160

1.2

Plaats:

Sluis Mail:

bram@verhage-lemahieu.nl

Projectlocatie

Adres

: Nieuwstraat ong.

Postcode

: 4524 EG

Kadastrale ligging : Sluis

Plaats:

Sluis Sectie:

M

Nr(s):

662 en 1109

2. Gegevens locatie Voor een bestemmingsplan voor de sloop van twee agrarische gebouwen en de bouw van twee woningen binnen de Gemeente Sluis dienen de effecten van de bouw en het gebruik op de locatie in relatie tot het plan/project te worden onderzocht. Hiervoor is onder andere een onderzoek naar de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden nodig. In deze nota zijn de uitgangspunten en resultaten van de berekeningen van de stikstofdepositie met AERIUS Calculator vastgelegd. Het betreft hier een bouwlocatie aan de Nieuwstraat te Sluis tegen de bebouwde kom, waar de bouw van twee vrijstaande woningen zijn gepland. Een bestaande loods van het loonwerkbedrijf en een oude schuur worden hiervoor gesloopt. Dit betekent dat de locatie zowel tijdens de bouwfase als na ingebruikname in potentie emissies van NOx kan veroorzaken op omliggende beschermde Natura2000 gebieden.

3. Gegevens project Het betreft een locatie waar woningbouw wordt gerealiseerd. De verwachte bouw- en slooptijd bedraagt 10 maanden. Eerst zal de sloop plaats vinden met een kraan die in 40 uur de loods, schuur en terreinverharding afbreekt en zo veel mogelijk in gescheiden fracties in containers stort om af te voeren. Dit zullen 5 puincontainers zijn, 2 container met hout, 2 met staal en een met restafval. Deze worden met tien vrachtwagens afgevoerd. Vervolgens vind het grondwerk plaats met een kraan, waarbij in totaal 24 uur gemoeid is en een twaalf vrachtwagens het terrein zullen aandoen voor aanvullen met zand voor de fundering (verbeterd grondwerk) en eventueel afvoer van kleigrond. Daarna komen dagelijks maximaal 3 busjes per dag. Bij het leggen van een dek zal per woning een kraan een dag aanwezig zijn gedurende 6 uur werkzaam en gemiddeld komt elke week een vrachtwagen materiaal lossen of een container ophalen, waarbij pieken bestaan bij lossen van wapening en los daarvan zijn in het begin telkenmale bij Pagina 4 van 20

de stort continue betonwagens aan het pendelen met 14 m3 beton. De grootste stort is de vloer die ze in een keer doen bij de bouw van het woonhuis en bijgebouw. Het gaat hier om een stort van 100 m3 oftewel 8 vrachtwagens op die dag. Uitgaande van een gemiddelde afwerkvloerdikte van 20 cm per dek en zo’n 250 m2 vloeroppervlak en bij 1 dek per woning met bijgebouw van eveneens 250 m2 totaal 200 m3 oftewel 16 vrachtwagens. Uitgaande van een gemiddelde laad- en lostijd van ongeveer driekwart uur zal gedurende de 10 maanden er 12 uur beton storten en 32 uur overig een vrachtwagen op terrein stationair of met een lage snelheid mobiel over het terrein rijden. Op de locatie zelf zijn verder behalve de kraan en vrachtwagens geen stikstof veroorzakende activiteiten.

4. Emissies tijdens de bouw Voor het bepalen van de depositieberekening in AERIUS is voor de emissies ingevolge de Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator twee bronnen te onderscheiden. Een lijnbron van transport gelieerd aan de locatie en een vlak op de bouwplaats voor de activiteiten van het laden en lossen van producten en de aanwezige kraan. Transport naar de bouwplaats (verkeer en vervoer) In de AERIUS-berekeningen zijn de rijdende voertuigen als volgt opgenomen. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal verkeersbewegingen die in een worstcase situatie van en naar de bouwplaats komen in de aan te vragen situatie. Hierin zijn de totale transportbewegingen van het gehele project van 10 maanden meegenomen. Transportbewegingen ten behoeve van bouwmaterialen, afvalstromen en bouwvakkers. Tabel 1: aantal transportmiddelen (worst-case) van en naar het bouwproject

Licht verkeer (personenauto’s) Middel zwaar (bestelbus) Zwaar verkeer

Bewegingen Bewegingen project/jaar t.b.v. AERIUS calculator 4/werkdag 860 6/werkdag

1.290

20 sloop + 24 grond + 2/week + 32 beton

20 24 86 32

De bewegingen zijn gemodelleerd van de rotonde op de Nieuwstraat tot aan de bouwplaats. Hierbij is gebruik gemaakt van de emissiefactoren voor licht, middelzwaar en zwaar verkeer die in het rekenmodel AERIUS Calculator zijn verwerkt. Door hierbij uit te gaan van snelheden “binnen bebouwde kom” en 10% stagnerend verkeer is niet uitgegaan van een worst-case scenario, omdat deze weg geen filevorming kent. De emissiefactoren voor zwaar verkeer die zijn opgenomen in AERIUS Calculator zijn gebaseerd op het gemiddelde Nederlandse vrachtwagenpark en daarmee representatief. Activiteiten op de bouwplaats (mobiele en stationaire bronnen) De emissies van mobiele werktuigen zijn afhankelijk van de emissienormen die van toepassing zijn op het desbetreffende mobiele werktuig (stageklassen). Uitgangspunt voor de berekeningen van de stationaire bronnen op de bouwplaats zijn gebaseerd op het TNOPagina 5 van 20

rapport "Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)", met het kenmerk TNO-034-UT-2009-01782_RPT-ML, november 2009 (te vinden op de website www.emissieregistratie.nl van de Rijksoverheid). Voor vrachtwagens kan worden uitgegaan van de "Invoergegevens luchtkwaliteit die jaarlijks door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat" (voorheen Infrastructuur en Milieu) bekend worden gemaakt. Tabel 2: mobiele en stationaire bronnen op het bouwproject Algemeen NOx Emissiefactor TAFEmissie Bedrijfs- Emissie Activiteit vermogen lastfactor* stage III* factor* stage III duur stage III kW % g/kWh % g/uur uur/jaar kg/jaar Aanvoer sloop vrachtwagen 108,75 7,5 0,82 Aanvoer grond vrachtwagen 108,75 9 0,98 Aanvoer vrachtwagen bouwmateriaal 108,75 32,5 3,53 Afvoer containers 108,75 12 1,31 Kraan sloop 80 0,6 3,3 1,05 166,32 40 6,65 Kraan grondwerk 80 0,6 3,3 1,05 166,32 24 3,99 Kraan dekleggen 80 0,6 3,3 1,05 166,32 12 2,00 TOTAAL: 19,27 *bron: het TNO-rapport 'Emissiemodel Mobiele Machines gebaseerd op machineverkopen in combinatie met brandstof Afzet (EMMA)', met het kenmerk TNO-034-UT-2 009-01 782_RPT-ML, november 2009

In tabel 2 is de emissies (in kg/jaar) weergegeven tijdens het bouwproject van 10 maanden die zijn gebruikt in de berekeningen in AERIUS gebaseerd op machines die voldoen aan de emissienorm voor Stage Ill, die afhankelijk van het type en vermogen van de voertuigen geldt sinds ongeveer 2006. Door de aannemer is mondeling aangegeven dat gelet op het feit dat niet alle onderaannemers en daarmee de machines die het terrein opkomen al bekend zijn, maar de ervaring leert dat ongeveer een kwart van het machinepark van voor 2006 is en dat de rest nieuwer is. De emissies van nieuwere voertuigen zijn aanzienlijk lager dan die van Stage Ill, zodat onderstaande geen onderschatting zal zijn van de feitelijke emissies. Voor zwaar vrachtverkeer is uitgegaan van de waarden van 2020 bij verkeer in stad, stagnerend, zoals opgenomen in de emissiefactoren voor niet-snelwegen. De bron van stationair aanwezige mobiele bronnen veroorzaakt een NOx-emissie van 19,27 kg/jaar. Voor de ammoniakemissie bij mobiele bronnen is gebruik gemaakt van het TNOrapport 'Onderbouwing AERIUS emissiefactoren voor wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart en zeevaart', met het kenmerk TNO 2020 R11528, van 8 oktober 2020. Hierin wordt voor vrachtverkeer 0,003 g/uur en bij stage III motoren 0,0026 g/kWh.

Hiermee komt deze emissie met respectievelijk 76 uur kraanactiviteiten en 80 kWh machines met en belasting van 55% op 0,008694 kg en 0,000183 kg NH3/jaar transport.

Pagina 6 van 20

5. Emissies na ingebruikname In het onderzoek zijn de emissies ten gevolge van het wegverkeer van en naar de planlocatie beschouwd. In de nieuwe situatie is namelijk enkel het verkeer nog relevant. De inrichting wordt duurzaam opgezet waarbij de gebouwen worden verwarmd met warmtepomp en zonnepanelen en ook van het aardgas afgekoppeld. Voor het bepalen van de depositie in de gebruiksfase wordt bij een vrijstaande woning uitgegaan van twee auto’s per woning die dagelijks af- en aanrijden. Voor de bepaling van de effecten van de vrijstaande woning op de stikstofdepositie is de beoogde situatie onderzocht. Ook hier wordt uitgegaan van een ontsluiting in de richting van de rotonde op de Nieuwstraat. Als rekenjaren is het jaar 2021 gehanteerd. Het geplande jaar van ingebruikname. Tabel 3: aantal transportmiddelen na in gebruik name

Licht verkeer (personenauto’s)

Bewegingen 2x2x2/dag

Bewegingen project (jaar) 2.920

6. Conclusie en afweging Voor een bestemmingswijziging is gekeken naar het effect van de sloop-, bouw- en aanlegfase en gebruiksfase. Bij de gebruiksfase is gekeken naar situatie waarbij het beoogde project per saldo zelf niet leidt tot een significante toename van N-depositie binnen de begrenzing van het project of de locatie. Uit de AERIUS berekening blijkt dat het projecteffect op omliggende gebieden nihil is en daarmee ook geen effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden. Bij het beoogde gebruik is de depositie eveneens nihil op alle omliggende gebieden. Een Wet natuurbeschermingsvergunning is voor zowel de sloop-, bouw- en aanlegfase als gebruiksfase dan ook niet noodzakelijk.

Pagina 7 van 20

AERIUS berekening tijdens de bouwfase

AERIUS berekening tijdens de gebruiksfase

Pagina 8 van 20

BIJLAGE: AERIUS-bestand bouwfase

Pagina 9 van 20

Pagina 10 van 20

Pagina 11 van 20

Pagina 12 van 20

Pagina 13 van 20

BIJLAGE: AERIUS-bestand gebruiksfase

Pagina 14 van 20

Pagina 15 van 20

Pagina 16 van 20

Pagina 17 van 20

Pagina 18 van 20

Pagina 19 van 20

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

1

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Opdrachtgever: Datum: 15 januari 2021 Uitgevoerd en opgesteld door: Adviesbureau Wieland Liniestraat 13 4561 ZS Hulst 0612352169 © Niets uit deze rapportage mag gekopieerd worden zonder schriftelijke toestemming van de auteur.

2

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

INHOUD 1

Inleiding ......................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel onderzoek ................................................................................ 4 1.2 Kader ..................................................................................................................... 4 1.3 Afbakening plangebied en werkwijze ..................................................................... 8 1.4 Opzet beoordeling..................................................................................................

9 2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten.............................................10 3 Soortenbescherming.....................................................................................................13 3.1 Zoogdieren............................................................................................................13 3.2 Vogels ...................................................................................................................14 3.2.1 Broedvogels ......................................................................................................14 3.2.2 Watervogels ......................................................................................................15 3.3 Reptielen en Amfibieën .........................................................................................15 3.4 Vissen ...................................................................................................................16 3.5 Ongewervelden .....................................................................................................16 3.6 Vaatplanten...........................................................................................................17 4 Toetsing Natura 2000 (Vogelrichtlijn / Habitatrichtlijn) en Natuurbeschermingswet en Natuurnetwerk Zeeland

(NNZ)..............................................................................................18 5 Conclusies en aanbevelingen mbt de uitvoering ...........................................................19

Bijlage 1 Kaart Natuurbeheerplan, Natura 2000 Bijlage 2 Informatie Wet natuurbescherming Zeeland

3

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel onderzoek

Gepland is om op de locatie Matthiasweg 2 te Waterlandkerkje een deel van de bestaande bebouwing te slopen. Er komt geen bebouwing voor in de plaats. Voor deze ingreep is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming Zeeland en overige natuurwetgeving. Voor deze werkzaamheden geldt een onderzoek plicht in het kader van beschermde natuurwaarden. Deze rapportage bevat de resultaten van een voorstudie van beschikbare kennis op het gebied van beschermde natuurwaarden. Op basis van de gevonden resultaten kan op voorhand bepaald worden of significante effecten op de huidige (beschermde) natuurwaarden al dan niet uit te sluiten zijn en wat eventueel nog nader onderzocht dient te worden. In deze beoordeling worden dan ook de volgende vragen, voor zover mogelijk, beantwoord: • • • • •

1.2

Tot welke (mogelijke) effecten leidt de sloop de bebouwing op beschermde natuurwaarden? Wat is de reikwijdte van de mogelijke effecten? Hoe beïnvloeden de effecten de jaarrond beschermde soorten en de kwalificerende natuurwaarden, gelet op de instandhoudingsdoelen? Zijn mogelijke negatieve effecten significant? Al of niet in combinatie met andere projecten in de omgeving? Op welke wijze kunnen negatieve effecten voorkomen of gemitigeerd worden?

Kader

Soortbescherming De soortbescherming is per 01/01/2017 ook opgenomen in de Wet natuurbescherming. Deze wet omvat ook de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000-gebieden. Deze bescherming geldt overal in Nederland, ook in de beschermde gebieden. De soortbescherming kent geen externe werking. Projecten worden getoetst aan de directe invloed op beschermde waarden binnen de grenzen van het projectgebied. Conform deze wet is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van mogelijke voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het projectgebied. Vanuit deze kennis dienen plannen en projecten getoetst te worden aan eventuele strijdigheid met de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Onder de werking van de soortbescherming vallen circa 930 dier- en plantensoorten. Alle inheemse zoogdieren, vogels, amfibieën, en reptielen zijn beschermd. Tevens hebben een aantal planten, vissen, insecten en ongewervelden een beschermde status. Voor de in het wild voorkomende planten en dieren geldt bovendien de algemene zorgplicht (art. 1.11). Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantensoorten niet worden, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet opzettelijk worden beschadigd of vernield.

Habitatrichtlijnsoorten mogen tevens niet opzettelijk worden verstoord.

4

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Beschermde planten mogen niet opzettelijk van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) staan vernoemd in onderstaand kader. Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb)

Bron: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Ministerie van Economische Zaken

De werkingssfeer van de Wet natuurbescherming is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft de beschermde soorten overal in Nederland bescherming. In o.a. artikelen 3.3, 3.8 en 3.10 van de Wet natuurbeschermingswet worden de ontheffings- en vrijstellingsmogelijkheden weergegeven. Welke voorwaarden verbonden zijn aan de ontheffing- of vrijstelling (zoals werken met een goedgekeurde gedragscode) hangt af van de dier- of plantensoorten die voorkomen in het plangebied. Beschermde soorten – met (Provinciale) vrijstelling: Voor deze soorten geldt een vrijstelling van een of meerdere verbodsbepalingen (zoals bijvoorbeeld het vangen van dieren en/of het vernielen van vaste verblijfsplaatsen. Voor deze soorten is derhalve in veel gevallen geen ontheffing nodig. Wel geldt ten aanzien van deze soorten de zorgplicht, die eveneens van de Wet natuurbescherming uitgaat. Soorten die vallen onder de vrijstelling betreft over het algemeen (en dus per Provincie verschillend) onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals algemene muizen- en spitsmuizen, de woelrat, de egel, konijn, ree en vos, algemene amfibiesoorten, waaronder de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander.

Overige ‘nationaal beschermde’ soorten:

5

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Voor deze soorten geldt voor ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer een mogelijkheid voor ontheffing, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Voor deze soorten is derhalve een ontheffing nodig of kan gewerkt worden met een goedgekeurde gedragscode. Soorten die vallen onder dit nationale beschermingsregime vallen betreft onder andere algemene zoogdiersoorten, zoals das, boommarter, algemene amfibieën en reptielen alpenwatersalamander, hazelworm, flora als schubvaren en bokkenorchis en vissoorten waaronder de grote modderkruiper. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Habitatrichtlijnsoorten: Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht.

Tot dit beschermingsregime horen o.a. alle vleermuissoorten, de bever, otter, noordse woelmuis, verschillende amfibiesoorten waaronder rugstreeppad en kamsalamander. Vogelrichtlijnsoorten: Alle vogels zijn in Nederland gelijk beschermd. Voor deze soorten geldt het zwaarste beschermingsregime en is voor ruimtelijke ontwikkeling ook geen vrijstelling mogelijk van de ontheffingsplicht. Voor deze soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, welke aan drie criteria wordt getoetst: er is sprake van een in of bij wet genoemd belang, er is geen alternatief en ‘doet geen afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort’. Wel kan als voldaan wordt aan een in de wet genoemd belang ook bij ruimtelijke ontwikkeling gewerkt worden met een goedgekeurd gedragscode. Daarnaast geldt ook voor deze soorten de algemene zorgplicht. Zorgplicht Voor alle in het wild voorkomende plant- en diersoorten, dus ook voor onbeschermde en beschermde soorten die zijn vrijgesteld geldt wel de ook ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming). Deze zorgplicht houdt in dat initiatiefnemer passende maatregelen moet nemen om schade aan beschermde gebieden en in het wild voorkomend plant en diersoorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden voor de verschillende soortgroepen zijn niet allen gelijk. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en diersoorten als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een locatie in die periode bouwrijp wordt gemaakt, kan daarna gedurende het winterseizoen en het daarop volgende voorjaar probleemloos worden gewerkt.

6

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, zodat er geen vogels gaan broeden en het tegen de winter ook ongeschikt is voor kleine zoogdieren of amfibieën die in winterslaap gaan. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen genomen te worden om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen of terreindelen af te zetten en het werk ter plaatse stil te leggen). Ecologische begeleiding kan hierin voorzien. Gebiedenbescherming Natura 2000 De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. De Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die zijn aangewezen als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van de EU Vogel- en/of Habitatrichtlijn. Deze gebieden samen vormen het omvangrijke Europese netwerk Natura 2000. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Wet natuurbescherming (Wnb) overgenomen. Vanuit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn zijn belangrijke bepalingen overgenomen.

Eén van die bepalingen is het afwegingskader, incl. compenserende maatregelen, zoals dat in artikel 6 van de Habitatrichtlijn staat. Het afwegingskader geeft aan op welke wijze besluitvorming plaats moet vinden voor plannen en projecten met mogelijke gevolgen voor beschermde natuurgebieden. Binnen Nederland zijn er, in de periode 1986-2005, 79 belangrijke vogelgebieden als speciale beschermingszone (SBZ) van de Vogelrichtlijn aangewezen. In het kader van de Habitatrichtlijn zijn in 2003 141 gebieden aangemeld bij de Europese Commissie. Ongeveer 87% van het oppervlak van deze Habitatrichtlijngebieden heeft overlap met de gebieden die als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen. In Aanwijzingsbesluiten wordt door de minister van EZ de bescherming van de Natura 2000-gebieden juridisch vastgelegd. Centraal in de Aanwijzingsbesluiten staan de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van leefgebieden, natuurlijke Habitats en populaties van in het wild levende plant- en diersoorten, waarvoor het betreffende gebied is aangewezen. Het toetsingskader van de Wet natuurbescherming kent de volgende procedurevarianten: 1. Er is zeker geen kans op effecten: geen vergunningplicht; 2. Er een kans op effecten, maar zeker niet significant: vergunningaanvraag via een verstoringstoets/ verslechteringstoets; 3.

Er is een kans op significante effecten: vergunningaanvraag via Passende Beoordeling (alternatieventoets + dwingende redenen van groot openbaar belang). Het referentiekader voor de toetsing wordt gevormd door de instandhoudingsdoelen voor de habitats en soorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen.

7

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Zeeland, vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd, is het Zeeuwse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het maakt onderdeel uit van het Nederlandse netwerk. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid hiervoor verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het rijk afgesproken om tot 2027 80.000 hectare natuur in te richten. Het Natuurnetwerk Nederland moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen het aaneengesloten pan-Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen.

1.3

Afbakening plangebied en werkwijze

Het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het plangebied is het gebied waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden (rood aangegeven).

8

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Figuur 1. Plangebied (rood).

Het plangebied is bezocht op 17 oktober 2020. Daarnaast zijn lokale verspreidingsatlassen geraadpleegd, zijn gegevens opgevraagd en zijn openbare websites geraadpleegd.

1.4

Opzet beoordeling

De opzet van deze beoordeling is als volgt. In hoofdstuk 2 is een korte beschrijving gegeven van het studiegebied, het plangebied en de voorgenomen activiteit. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de te verwachten en de aangetroffen natuurwaarden in het gebied. Deze gegevens zijn vervolgens geïnterpreteerd en beoordeeld in relatie tot de voorgenomen activiteit.

9

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

2 Beschrijving huidige situatie en voorgenomen activiteiten In dit hoofdstuk wordt een korte beschrijving gegeven van de huidige situatie. Het plangebied waar deze quickscan op van toepassing is, is weergegeven in figuur 1. Het betreft een landbouwschuur. Het plangebied is gelegen ten zuiden van Waterlandskerkje. De omgeving bestaat uit landbouwgrond (akkers). De bebouwing zal gesloopt worden door middel van ontmanteling. Er komt geen nieuwe bebouwing voor in de plaats op deze locatie.

10

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Foto 1. Te slopen schuuur.

Foto 2. Damwand profiel (te glad voor vleermuizen).

11

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

Foto 3. Binnenzijde van het gebouw, koelcellen.

Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied en de omgeving.

12

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

3

Soortenbescherming

Hieronder worden soorten vernoemd die in de omgeving van het plangebied voorkomen. Vervolgens wordt uitgewerkt of deze soorten ook in het plangebied voorkomen en of er eventueel nadelige effecten te verwachten zijn.

3.1

Zoogdieren

Algemene soorten (zorgplicht van toepassing): Huisspitsmuis, Bosmuis, Egel.

Beschermde soorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone grootoorvleermuis. Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: Bekker 2009, Zoogdieren in Zeeland, NDFF. De te slopen bebouwing is niet geschikt voor grondgebonden zoogdieren. Deze is geheel verhard en ontoegankelijk. De te slopen bebouwing is niet geschikt als dagverblijf voor vleermuizen. Er zijn zowel aan de binnen zijde als de buitenzijde geen toegangen tot dagverblijven voor vleermuizen. Uit te voeren maatregelen: Slopen bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet van toepassing. Mitigerende maatregelen / Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Het gebouw is niet geschikt voor zoogdieren. Conclusie: Het gebouw is niet geschikt voor zoogdieren. Er zijn geen effecten te verwachten.

13

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

3.2

Vogels

3.2.1 Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Houtduif, Holenduif, Merel, Zanglijster, Tjiftjaf, Koolmees, Pimpelmees, Staartmees, Zwarte kraai, Ekster, Winterkoning, Heggenmus, Spreeuw, Ringmus, Huismus, Steenuil, Torenvalk, Turkse Tortel, Kneu, Putter, Kauw, Zwarte roodstaart, Groenling, Groene Specht, , Wilde Eend, Huiszwaluw, Patrijs, Putter, Grasmus, Graspieper, Veldleeuwerik, Gele Kwikstaart, Witte Kwikstaart, Scholekster.

Vet gedrukt zijn soorten waarvan het nest jaarrond beschermd is.

Voorkomen / functie van het plangebied: Bron: veldinspectie, vogelatlas van Nederland, NDFF. In de bebouwing zijn geen restanten van nesten aangetroffen. Er zijn geen openingen die toegang tot het gebouw verlenen. Er zijn geen nesten tegen de bebouwing. Er zijn geen overstekken waaronder huiszwaluwen een nest kunnen maken en er ligt geen grind of groen op het dak waarop scholeksters kunnen broeden. Uit te voeren maatregelen: Slopen van bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Is niet in geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: De te slopen bebouwing is niet geschikt als broedlocatie voor vogels

14

Quickscan natuurwetgeving project Matthiasweg 2 Waterlandkerkje

3.2.2 Watervogels Er komen geen watervogels voor in het plangebied. Trekvogels en watervogels Voorkomen / functie van het plangebied: (Ministerie van Verkeer en Waterstaat e.a., Deltavogelatlas, atlas van vogelconcentraties en vliegbewegingen in het Deltagebied, digitale versie 10-11-2020; SOVON Vogelonderzoek Nederland & Ganzenwerkgroep Zeeland.2018; Omdat het terrein volledig verhard is en ook de omgeving bestaat uit verhard terrein is het ongeschikt voor watervogels. De dichtstbijzijnde gebieden die geschikt zijn voor watervogels liggen op meer dan 0,5 kilometer afstand van het plangebied. Uit te voeren maatregelen: Slopen van bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet te verwachten Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Is niet in het geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing. Conclusie: Geen nadelig effect te verwachten. Het plangebied is ongeschikt voor watervogels.

3.3

Reptielen en Amfibieën

Amfibieën die kunnen voorkomen in de ruimere omgeving van het plangebied zijn: Algemene beschermde soorten: Bruine kikker, Groene kikker, Kleine watersalamander, Gewone pad.

Voorkomen en functie van het plangebied: Bron: website www.ravon.nl De genoemde soorten komen voor in de ruimere omgeving van het plangebied. Het plangebied heeft geen waarde voor de beschermde soorten omdat het verhard is. Er zijn geen voortplantingswateren aanwezig. Reptielen komen in de ruime omgeving (> 20 kilometer) niet voor. Het habitat is vanwege de grote oppervlakte verharding niet geschikt. Uit te voeren maatregelen: Slopen van bebouwing. Verboden handelingen (doden, vernielen, verstoren van beschermde soorten): Niet van toepassing. Het betreffende plangebied is niet geschikt als leefgebied. Gunstige staat van instandhouding / effect op populatieniveau (lokaal): Niet in het geding. Worden er maatregelen uitgevoerd om eventuele schade tot een minimum te beperken: Niet van toepassing.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=74baab78-4714-415b-9cfb-09b7b87d30a2