CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Sluis 2025

Raad 30 oktober 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de 11e wijziging van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Sluis..22.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen 1.

Artikel 5:18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

2.

De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Artikel 5:21 Aanhoudingsplicht [gereserveerd]

Afdeling 5 Snuffelmarkten Artikel 5:22 Begripsbepaling 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats.

2.

Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:

a.

een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

b.

een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.

2.

Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet .

3.

De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

4.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 6 Openbaar water Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.

Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

3.

De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

4.

Van de melding wordt kennis gegeven in een huis-aan-huisblad.

5.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1.

Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

2.

Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: a.

nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

b.

beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

3.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement.

4.

Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid,

5.

veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats (Vervallen).

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats (Vervallen).

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken 1.

Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement of de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1.

Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer of watersporter in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 1.

Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

2.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Artikel 5:31a Verhuur en gebruik vaartuigen 1.

Het is de eigenaar van een vaartuig verboden, zonder vergunning van het college, dit vaartuig in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf te verhuren, te gebruiken of te doen gebruiken ten behoeve van de pleziervaart of de sportvisserij op de Westerschelde of de Noordzee, of tegen betaling de gelegenheid open te stellen om met dat vaartuig mee te varen op de Westerschelde of de Noordzee.

2.

Het is de eigenaar van een waterfiets, kajak, motorboot of vergelijkbaar vaartuig verboden, zonder vergunning van het college, dit vaartuig al dan niet in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf te verhuren, te gebruiken of te doen gebruiken ten behoeve van de pleziervaart in openbaar water.

3.

Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Schepenwet, de Wet openbare vervoermiddelen of het Zeeuws-verenreglement.

4.

Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor de houder van een vergunning, afgegeven door het college van enige andere gemeente in de provincie Zeeland, op grond van een gelijkluidende bepaling als in dit artikel gesteld.

5.

Het college kan met betrekking tot het in het eerste en tweede lid bedoelde vaartuig eisen stellen ten aanzien van de deugdelijkheid, inrichting en uitrusting, alsmede voor zover van toepassing betreffende de bemanning en het maximum aantal passagiers voor het vaartuig.

6.

Het college kan aan een vergunning om te handelen in afwijking van het eerste lid voorwaarden verbinden betreffende hetgeen in het belang van de veiligheid van het vaartuig en de opvarenden dient te worden verricht of nagelaten.

7.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:32 Crossterreinen 1.

Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoel in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel e van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

2.

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

3.

a.

in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

b.

in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

c.

in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.

Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 , een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder e, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

2.

Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

3.

a.

in het belang van het voorkomen van overlast;

b.

in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

c.

in het belang van de veiligheid van het publiek.

Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden: a.

ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

b.

die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

4.

c.

die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

d.

van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet: a.

op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 ;

b.

binnen de bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel.

5.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

6.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 8 Verbod vuur te stoken Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.

Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

2.

Het verbod geldt, mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, niet voor zover het betreft: a.

verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

b.

sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

c.

vuur voor koken, bakken en braden;

3.

Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna, in het belang van de openbare orde en veiligheid of ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

5.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.

6.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 9 Verstrooiing van as Artikel 5:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen 1.

Incidentele asverstrooiing is verboden op: a.

(verharde delen van) de weg;

2.

b.

buiten een permanent daartoe bestemd terrein op de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;

c.

binnenwateren;

d. op zee binnen de territoriale zone. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen en dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

3.

Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

4.

Het verstrooien dient te geschieden binnen de tijden genoemd in artikel 9 van de verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen in de gemeente Sluis.

5.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 5:37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Afdeling 10 Nadere regels het strand en de zee betreffende Artikel 5:38 Activiteiten en voorwerpen op het strand 1.

In aanvulling op het in deze verordening ten aanzien van het publiek terrein gestelde, is het verboden: a.

op het strand tenten, tafels, banken, kisten, palen, vlaggen(masten), speeltoestellen, sporttoestellen of andere objecten of voorwerpen te plaatsen, te laten liggen of te laten staan;

b.

op het strand fun- en beachsporten te beoefenen waarbij grote hinder wordt veroorzaakt voor de strandbezoekers;

c.

op het strand met motorvoertuigen en (brom-)fietsen te rijden;

d.

zich in een wagentje of dergelijke te laten voorttrekken door een vlieger, zeil of soortgelijk voorwerp;

e.

op het strand een surfplank te hebben ten behoeve van golf- en/of windsurfen of daarmee zee te kiezen;

f.

op het strand een kitesurfboard te hebben of daarmee zee te kiezen of een voor kitesurfing te gebruiken kite op te laten;

2.

Het college kan van de in het eerste lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Het college kan eveneens gebieden aanwijzen waar (enkele van) die verboden niet van toepassing zijn en hieraan nadere regels verbinden.

3.

Het in het eerste lid onder a. gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van niet-commerciële vlaggen, zoals bijvoorbeeld de Blauwe Vlaggen en de vlagsignalisatie in het kader van een gebiedsafbakening (bv. aanduiding bewaakte zwemgebieden, kitesurfgebieden,..)

4.

Het in het eerste lid onder c gestelde verbod geldt niet voor voertuigen ten dienste van gemeente, politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en reddingsdiensten en voor voertuigen ten behoeve van het strand- en kustbeheer.

Artikel 5:39 Zwemverbod 1.

Het is verboden zich, binnen een voor baders en zwemmers bestemd en daartoe afgebakend gedeelte van de zee, in zee te begeven of te bevinden, wanneer door middel van vlaggen, korven of borden voor dat gedeelte van de zee een zwemverbod is aangegeven.

2.

Het college kan (gedeelten) aanwijzen waar het te allen tijde verboden is te zwemmen of te baden.

3.

Het college kan van het bepaalde in lid 2 ontheffing verlenen ten behoeve van evenementen.

Artikel 5:40 Vliegeren, voortbewegen met vliegers, hanggliders e.d. Het is in de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur op het strand ter hoogte van de bewaakte zwemgebieden verboden te vliegeren met een vlieger die door twee of meer lijnen wordt bestuurd of zich voort te bewegen met een vlieger, hangglider en dergelijke. Het college kan ontheffing verlenen ten behoeve van vliegerevenementen.

Artikel 5:41 Verlichten van het stand en de zee 1.

Het is verboden om het strand en de zee te verlichten.

2.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien het functionele verlichting betreft in het kader van de fysieke en sociale veiligheid voor de toegang tot een strandpaviljoen of een strandslaaphuisje en kan hieraan nadere (kwaliteits)eisen verbinden.

Artikel 5:42 Vaartuigen in zee 1.

Het is verboden zich met een waterscooter of een ander soortgelijk gemotoriseerd vaartuig in de zee te begeven vanaf het grondgebied van de gemeente Sluis, behoudens op door het college aangewezen plaatsen.

2.

Het is verboden zich met een catamaran of een andere zeilboot in zee te begeven, behoudens op door het college aangewezen plaatsen.

3.

Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor vaartuigen van openbare lichamen en hulp- en reddingsdiensten.

Artikel 5:43 Vrijhouden van het stand voor redding en hulpverlening 1.

Het is verboden op enigerlei wijze de vrije doorgang te beperken op de strand op- en afritten.

2.

Het is verboden de bereikbaarheid van de strandposten van de strandbewaking onnodig te beperken.

3.

Het is verboden op enigerlei wijze de uitrukmogelijkheden en uitruksnelheid van de reddingsbrigade, politie en hulpdiensten onnodig nadelig te beïnvloeden.

Artikel 5:44 Dieren op het strand 1.

Het is een eigenaar of houder van een hond verboden die hond los te laten lopen op het strand in de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur.

2.

In de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur is het verboden op het strand een paard of ander hoefdier te berijden of te begeleiden. Buiten deze periode is het alleen toegestaan om een paard of onder hoefdier te berijden of te begeleiden op het strand direct langs de vloedlijn.

3.

Artikel 2:58 is onverminderd van toepassing.

Artikel 5:45 Fuiken, ander vistuig en werphengels 1.

Het is verboden om binnen een afstand van 100 meter van de laagwaterlijn fuiken/ en ander vistuig / te plaatsen dan wel geplaatst te hebben, in de periode van 1 mei tot 1 oktober.

2.

Fuiken of ander vistuig dienen te zijn gemarkeerd met een goed zichtbare boei en voorzien te zijn van een registratie.

3.

Het is verboden (werp)hengels te gebruiken in de bewaakte zwemgebieden en de aangewezen kitesurfgebieden.

4.

Van het bepaalde in het eerste lid kan het college ontheffing verlenen ten behoeve van het vissen in wedstrijdverband, georganiseerd door hengelsportverenigingen.

Artikel 5:46 Naaktrecreatie 1.

Het met borden aangegeven gedeelte tussen de paalhoofden 20 en 23, van het strand nabij de Walendijk (Groede) wordt als geschikt, in de zin van artikel 430a van het Wetboek van Strafrecht, voor naaktrecreatie aangemerkt.

2.

Artikel 2:53 is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 11 Gebruik gemeentelogo en -wapen Artikel 5:50 Gebruik gemeentelogo en -wapen 1.

Het is verboden om, het logo of het wapen van de gemeente Sluis te gebruiken in welke vorm en voor welk doel dan ook.

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

3.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 6 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1.

Overtredingen van de in deze verordening gestelde geboden en verboden en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste 3 maanden of geldboete van de tweede categorie.

2.

Overtreding van het bij of krachtens artikel 2:1 bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie.

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10, vijfde lid, 2:11, tweede lid, 2:12, eerste lid, en 4:11, eerste lid.

4.

In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid, van de Wet veiligheidsregio’s.

Artikel 6:2 Toezichthouders 1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de daartoe aangewezen gemeentelijke toezichthouders.

2.

Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

1.

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening, behoudens hoofdstuk 3, gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

2.

De in artikel 6:2, derde lid, bedoelde ambtenaren, voor zover zij zijn belast met de opsporing van de strafbare feiten, bedoeld in de artikel 3:14, en 3:21, eerste lid, zijn bevoegd zonder toestemming van de bewoner in een woning binnen te treden waar een overtreding van een dergelijk strafbaar feit wordt gepleegd of naar hun redelijk vermoeden wordt gepleegd.

3.

De in artikel 6:2, derde lid, bedoelde ambtenaren zijn in het kader van hun toezichtstaak bevoegd zonder toestemming van de bewoner in een woning binnen te treden, als daar bedrijfsmatige prostitutie plaatsvindt.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening 1.

De Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Sluis, zoals vastgesteld op 19 december 2013, evenals de eerste en tweede wijziging worden ingetrokken.

2.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Sluis.

Ziet u een fout in deze regeling? Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl. Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=d304cca5-a738-4ae1-9953-cf3526cad6af