CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

a. TAM omgevingsplan ((St Jacobstraat 1 Sluis)

Raad 3 juli 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het TAM omgevingsplan ‘St Jacobstraat 1 Sluis’25.822 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Motivering TAM-omgevingsplan Sint Jacobstraat 1 Sluis - 27

De twee gebouwen bestaat uit enkelsteens muren. De aanwezige scheuren in de muur zijn te smal om als verblijfplaats van vleermuizen te kunnen dienen. Op het dak van de garage ligt een gesloten bitumen dakbedekking die ongeschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. Op het dak van de loods liggen pannen op een houten frame. Het pannendak heeft geen overstek en aan de lage zijde een losse bakgoot. De randen tussen dak en gevel dichtgesmeerd waardoor er geen invliegopeningen voor vleermuizen zijn (zie onderstaande foto). De pannen zijn in goede staat en er zijn geen gebroken pannen aangetroffen. Er is geen groen aanwezig in het plangebied en het plangebied ligt midden in een versteend deel van de kern Sluis. Hierdoor is er geen sprake van een mogelijk essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen is niet noodzakelijk.

4.3 Broedvogels De volgende broedvogels zijn in de omgeving van het plangebied vastgesteld: Houtduif, Holenduif, Merel, Zanglijster, Tjiftjaf, Koolmees, Pimpelmees, Staartmees, Zwarte kraai, Ekster, Winterkoning, Heggenmus, Spreeuw, Gierzwaluw, Huismus, Turkse Tortel, Kneu, Putter, Kauw, Zwarte roodstaart, Groenling, Vink, Spreeuw, boerenzwaluw. Het nest van Gierzwaluw en Huismus is jaarrond beschermd. De twee panden bieden geen mogelijkheden voor nesten van Gierzwaluw of Huismus. Daarvoor missen er juiste openingen in daken voor nestgelegenheid. Voor Gierzwaluw en Huismus is er geen schuil- en rustgelegenheid in de vorm van voldoende essentieel groen en is er te weinig voedselaanbod. Negatieve effecten op jaarrond beschermde nesten zijn uit te sluiten. 4.4 Watervogels Er komen geen watervogels voor in het plangebied. Vanwege het ontbreken van water en groen is het plangebied volledig ongeschikt. Motivering TAM-omgevingsplan Sint Jacobstraat 1 Sluis - 28

4.5 Reptielen en amfibieën Amfibieën die kunnen voorkomen in de ruimere omgeving van het plangebied zijn algemene beschermde soorten, zoals Bruine kikker, Groene kikker, Kleine watersalamander, Gewone pad. Er zijn geen geschikt landhabitat of geschikte voortplantingswateren aanwezig in de directe omgeving van het projectgebied voor reptielen en amfibieën. Oppervlaktewater mist in zijn geheel in het projectgebied. Negatieve effecten op reptielen en amfibieën kunnen op voorhand worden uitgesloten. 4.6 Vissen Er komen geen vissen voor in het plangebied. Vanwege het ontbreken van water is het plangebied volledig ongeschikt. 4.7 Ongewervelden In het plangebied komen geen beschermde dagvlinders, nachtvlinders, libellen, sprinkhanen en overige ongewervelden voor die. Het plangebied is ongeschikt omdat het gelegen is in stedelijk gebied. Ook zijn ook geen populaties van beschermde soorten gelegen binnen 1 kilometer afstand. Negatieve effecten op ongewervelden kunnen op voorhand worden uitgesloten. 4.8 Vaatplanten In het plangebied komen geen beschermde soorten voor. Tijdens het veldbezoek zijn deze niet vastgesteld. Het biotoop is ook niet geschikt. Beschermde vaatplanten komen vooral voor in kalkrijke (vochtige) biotopen, voedselarme akkers en schraallanden. Deze zijn in het plangebied niet aanwezig.

5. Conclusie

Op grond van de beoordeling op soortenbescherming kunnen negatieve effecten op beschermde flora en fauna op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk, mede gelet op de beoogde beperkte ingreep. Vanuit de Zorgplicht is het een eis om voorzichtig te handelen met alle voorkomende flora en fauna. Indien, ondanks zorgvuldig handelen, er schade lijkt te ontstaan aan beschermde flora en fauna, wordt er direct contact opgenomen met een ter zake deskundige ecoloog. Dieren krijgen de rust en kans om zich te verplaatsen, indien zij worden aangetroffen tijdens werkzaamheden. Werkzaamheden worden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Verlichting dient vleermuisvriendelijk te zijn om verstoring te voorkomen zoals: UV-vrije verlichting, beperkte hoogte lichtmasten, convergerende en naar beneden gerichte verlichting en geen sterk bundellicht. Er wordt rekening gehouden met broedvogels en het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 augustus. Werkzaamheden worden gestart voor of na het broedseizoen. Ook buiten deze datumgrenzen dient men alert te zijn op de aanwezigheid van broedende vogels.

Motivering TAM-omgevingsplan Sint Jacobstraat 1 Sluis - 29

Bijlage 3. Verkennend bodem- en asbestonderzoek St. Jacobstraat 1 Sluis Silt, september 2024

Motivering TAM-omgevingsplan Sint Jacobstraat 1 Sluis - 30

VERKENNEND BODEM- EN ASBESTONDERZOEK St. Jacobstraat 1

Rapport:

Sluis

Opdrachtgever:

Van Kerkhoff Maatwerk in RO Reinier de Graafstraat 17 5017 GP TILBURG

Projectnummer:

2401737

Rapportdatum: Status:

5 september 2024 Definitief

Auteur:

Laura Thiesen

Kwaliteitscontrole:

Walter van den Heuvel

Vestiging Middelbeers: Putstraat 9a 5091 TH Middelbeers Tel.: 0499 578 520

Vestiging Gouda: Marconistraat 72 2809 PE Gouda Tel.: 0182 585 503

Versie: 1

Silt Milieu B.V. Postbus 38, 5688 ZG Oirschot info@silt.nl www.silt.nl

K.v.K. 17182328 IBAN: NL25 RABO 0370 7175 03 BTW: NL8148.87.016.B01 BIC: RABONL2U

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

Inhoudsopgave Samenvatting ..........................................................................................................................................1 1 Inleiding ............................................................................................................................................2 1.1 Opdrachtvorming ........................................................................................................................ 2 1.2 Aanleiding en doel ...................................................................................................................... 2 1.3 Opzet van het bodemonderzoek ................................................................................................ 2 1.4 Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage ............................................................................... 2 2 Vooronderzoek ................................................................................................................................4 2.1 Inleiding en opzet vooronderzoek .............................................................................................. 4 2.2 Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie ............................................................. 4 2.3 Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten ..........................................................

5 2.3.1 Topografische gegevens ................................................................................................... 5 2.3.2 Bedrijfsactiviteiten .............................................................................................................. 5 2.4 Boven- en ondergrondse tanks .................................................................................................. 5 2.5 Overzicht milieukundige bodemonderzoeken ............................................................................ 5 2.6 Bodemkwaliteitskaart .................................................................................................................. 6 2.7 Bodemopbouw en geohydrologie ............................................................................................... 6 2.8 Terreinverkenning en asbest ...................................................................................................... 7 2.9 Overig ......................................................................................................................................... 7 2.10 Resultaten vooronderzoek .....................................................................................................

8 3 Hypothese en onderzoeksstrategie ...............................................................................................9 3.1 Hypothese................................................................................................................................... 9 3.2 Onderzoeksstrategie .................................................................................................................. 9 4 Veldwerkzaamheden .................................................................................................................... 10 4.1 Grond ........................................................................................................................................ 10 4.2 Asbest ....................................................................................................................................... 11 4.2.1 Visuele inspectie maaiveld en weersomstandigheden .................................................... 11 4.2.2 Visuele inspectie grove fractie ......................................................................................... 11 4.3 Grondwater ............................................................................................................................... 12 4.4 Afwijkingen BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018 .................................................

12 5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek ....................................................................... 13 5.1 Samenstelling en analyseparameters ...................................................................................... 13 5.2 Toetsingscriteria ....................................................................................................................... 13 5.3 Toetsingen ................................................................................................................................ 16 6 Conclusies en aanbevelingen ..................................................................................................... 18 6.1 Conclusies ................................................................................................................................ 18 6.2 Resumé en aanbevelingen ....................................................................................................... 19 Bijlagen Bijlage 1: Regionale ligging locatie Bijlage 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlage 3: Profielbeschrijvingen Bijlage 4: Analysecertificaten grond, asbest en grondwater Bijlage 5: Toetsingstabellen grond en grondwater Bijlage 6: Fotorapportage Bijlage 7: CROW 400 veiligheidsbepaling

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

Samenvatting Algemeen In opdracht van Van Kerkhoff Maatwerk in RO is door Silt Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel gelegen aan de St. Jacobstraat 1 te Sluis. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie (VED-HE) is het bepalen van de kwaliteit van de bodem binnen een gebied of locatie met een heterogeen verdeelde belasting van de bodem. Daarnaast wordt getracht om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. Conclusies en aanbevelingen Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien formeel aan de orde, om de verontreiniging met koper verder in te kaderen. Dit wordt echter niet zinvol geacht.

Gezien de vele bijmengingen in de ondergrond bestaat het vermoeden dat de locatie in het verleden is opgehoogd. Voor de boogde ontwikkeling hoeft er in beginsel niet gegraven te worden. Zeker niet onder de 70 cm-mv omdat de bebouwing blijft staan. Vervolgstappen In het kader van de herontwikkeling dient allereerst te worden vastgesteld of werkzaamheden plaatsvinden ter plaatse van de geconstateerde bodemverontreiniging. Wanneer dit duidelijk is volgt automatisch welke MBA (milieubelastende activiteit) van toepassing is en kan de melding gedaan worden via het omgevingsloket. Tevens kan dan vastgesteld worden welke overige uitvoeringsvoorwaarden van toepassing zijn.

1

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

1 Inleiding 1.1

Opdrachtvorming

In opdracht van Van Kerkhoff Maatwerk in RO is door Silt Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een perceel gelegen aan de St. Jacobstraat 1 te Sluis. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1. 1.2

Aanleiding en doel

De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie (VED-HE) is het bepalen van de kwaliteit van de bodem binnen een gebied of locatie met een heterogeen verdeelde belasting van de bodem. Daarnaast wordt getracht om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of de verdenking van verontreiniging van de bodem met asbest terecht is. Opgemerkt wordt dat bij een bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering die erop is gericht om te kunnen beoordelen of (mogelijke) bodemverontreinigingen aanwezig zijn, evenals het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. 1.3

Opzet van het bodemonderzoek

Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse normen NEN5740:2023 en NEN5707+C2:2017. Het veldwerk is onder certificaat uitgevoerd op grond van beoordelingsrichtlijn BRL-SIKB 2000. Het hierbij behorende procescertificaat (EC-SIK-02238, 15 maart 2024) en keurmerk van Silt Milieu B.V. is van toepassing op het gehele proces van het veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, vanaf acceptatie tot aan de overdracht van de veldgegevens en monsters. Zoals in de betreffende protocollen wordt vereist, is tussen Silt Milieu B.V. en haar opdrachtgever geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit van Silt Milieu B.V. zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. Silt Milieu B.V. verklaart hierbij dan ook dat zij in geval van de geoffreerde werkzaamheden op geen enkele juridische, financiële, personele of andere wijze gelieerd is aan de opdrachtgever. In de BRL-SIKB 2000 wordt verwezen naar de Nederlandse normen voor bodemonderzoek die eveneens bepalend zijn voor de uitvoering van het bodemonderzoek. De belangrijkste en meest bepalende normeringen zijn de NEN5725:2023 “Bodem-Landbodem-Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek” en de NEN5740:2023 “Bodem-Landbodem-Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”.

Evenals de NEN5707+C2:2017 “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in de bodem en partijen grond”. Hierbij gelden de ten tijde van het uitvoeren van het veldwerk, vigerende versies van deze documenten. 1.4

Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage

Silt Milieu B.V. is een onafhankelijk bureau dat naast NEN-EN-ISO 9001, NEN-EN-ISO 14001, VCA**, CO2-prestatieladder (trede 5), is gecertificeerd conform BRL SIKB 1000 (protocol 1001, 1002 en 1003), BRL SIKB 2000 (protocol 2001, 2002, 2003 en 2018) en BRL SIKB 6000 (protocol 6001 en 6003).

2

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

De werkzaamheden zijn door Silt Milieu B.V. onder procescertificaat (EC-SIK-02238, 15 maart 2024) uitgevoerd, te weten conform BRL-SIKB 2000 en de daaraan gekoppelde protocollen: • 2001 (versie 7.0): “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”; • 2002 (versie 7.0): “Het nemen van grondwatermonsters”; • 2018 (versie 7.0): “Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem”. Ondanks het zorgvuldig, conform de normen, uitgevoerde onderzoek kan de representativiteit niet worden gegarandeerd: er blijft altijd een kans aanwezig dat een op locatie aanwezige verontreiniging niet wordt gedetecteerd als gevolg van de aanwezige trefkans en de uitmiddeling bij het samenstellen van (meng)monsters. Lokale afwijkingen ten opzichte van de volgens de norm voorgeschreven steekmonsters kunnen nimmer worden uitgesloten. Dit rapport is tot stand gekomen op basis van een overeenkomst van opdracht tussen Silt Milieu B.V. in kwaliteit van adviseur en haar opdrachtgever, op welke rechtsverhouding exclusief de DNR 2011 voorwaarden toepasselijk zijn. Silt Milieu B.V. is slechts in verhouding tot haar opdrachtgever verantwoording schuldig over de inhoud en wijze van totstandkoming van het rapport. Derden kunnen dan ook geen rechten ontlenen aan de inhoud van het rapport.

Voorliggend rapport presenteert de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), de onderzoekshypothese en –strategie (hoofdstuk 3), de resultaten van het veldwerk (hoofdstuk 4) en analytisch onderzoek en de aan het onderzoek te verbinden interpretatie van de onderzoeksresultaten (hoofdstuk 5) en conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 6).

3

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

2 Vooronderzoek 2.1

Inleiding en opzet vooronderzoek

Het milieuhygiënisch vooronderzoek conform NEN 5725 is uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijke onderzoek van de bodem (veld- en laboratoriumonderzoek). Het doel van het vooronderzoek is inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie en in de directe omgeving. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie en eventueel de beïnvloeding vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd. De te verzamelen informatie is afhankelijk van de aanleiding en het doel van het vooronderzoek en heeft betrekking op locatiegegevens, bodemopbouw, geohydrologie, te verwachten bodemkwaliteit en potentieel bodembedreigende activiteiten op de onderzoekslocatie. De aanleiding voor het opstellen van onderhavig vooronderzoek sluit aan bij aanleiding A ‘Uitvoeren van bodemonderzoek, saneren van een milieubelastende activiteit en/of realiseren van een gebouw op een bodemgevoelige locatie’. De resultaten van het vooronderzoek worden gebruikt bij het vaststellen van de onderzoekshypothese en -strategie en kunnen worden gebruikt bij de interpretatie van de resultaten van het bodemonderzoek. De belangrijkste door Silt Milieu B.V. geraadpleegde bronnen zijn in onderstaande tabel vermeld.

tabel 2.1 Vooronderzoek, openbare bronnen Bronnaam

Website / contactpersoon

Geraadpleegd

Opmerking

Omgevingsdienst

https://zeeland.nazca4u.nl/rapportage/

4 juli 2024

-

Gemeente

Sluis

23, 24 en 25 juli 2024

-

Kadaster

https://kadaster.nl/

4 juli 2024

Eigendomssituatie en topografie

Topografie

https://www.topotijdreis.nl/

4 juli 2024

Topografische gegevens uit verleden en heden

Bodemloket

https://www.bodemloket.nl/

4 juli 2024

Bekende bodeminformatie

Internet

http://www.ikme.nl/

4 juli 2024

NGE-gegevens

https://www.grondwatertools.nl/

4 juli 2024

-

Dino-loket

https://www.dinoloket.nl/

4 juli 2024

Geohydro-opbouw

Archieven Silt Milieu B.V.

-

4 juli 2024

Betreft tevens de archieven van Lankelma Geotechniek Zuid B.V. en Bodex Milieu B.V.

In de navolgende paragrafen wordt de verkregen informatie uit het vooronderzoek nader toegelicht. 2.2

Algemene gegevens en afbakening onderzoekslocatie

Bebouwing Maaiveldtype Ligging Gebruik Omgeving

: : : : :

Ja, pand en garage Verhard en onverhard Noordelijk van centrum Sluis Stedelijk Oosten: beklinkerde weg ‘Sint Jacobstraat’ Overige zijden: grondgebonden woningen en panden met tuinen Kadastrale aanduiding : Gemeente: Sluis Sectie: I Nummer: 2603 Oppervlakte kadastraal perceel : 242 m2 Oppervlakte onderzoekslocatie : 242 m2 Topografische veldcoördinaten : X 156.260 Y 370.843 De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven op de regionale overzichtskaart en de situatietekening, welke zijn opgenomen als respectievelijk bijlage 1 en bijlage 2.

4

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

2.3

Voormalige, huidige en toekomstige (bedrijfs)activiteiten

2.3.1 Topografische gegevens Uit topografische gegevens blijkt dat de locatie omstreeks 1900 al bebouwd was. In onderstaande figuren is de onderzoekslocatie op topografische kaarten uit meerdere tijdsperioden weergegeven. figuur 1: situatie omstreeks 1900

figuur 2: situatie omstreeks 1940

figuur 3: situatie omstreeks 1980

figuur 4: situatie omstreeks 2023

2.3.2 Bedrijfsactiviteiten Voor de locatie Dinsdagstraat 18 is op 11 september 1967 een Hinderwet vergunning (kenmerk 7729) afgegeven voor de oprichting van een graanmaalderij annex veevoederhandel. Op de locatie Dinsdagstraat 20 bevond of bevindt zich sinds 1969 een timmerwerkplaats (dossiernummer S/1944-1995/215). 2.4

Boven- en ondergrondse tanks

Ter plaatse van de onderzoekslocatie en in de directe omgeving hiervan zijn voor zover bekend geen (ondergrondse) tanks aanwezig (geweest). 2.5

Overzicht milieukundige bodemonderzoeken

Bij de gemeente Sluis en bij de provincie Zeeland zijn gegevens bekend van bodemonderzoeken en/of potentieel bodembedreigende activiteiten ter plaatse van en/of in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. In onderstaande tabel zijn de bevindingen hiervan in het kort omschreven.

5

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

tabel 2.2 Uitgevoerde bodemonderzoeken Locatie

Soort onderzoek (kenmerk, datum, auteur)

Analyseresultaten/conclusies Bovengrond

Ondergrond

Grondwater

Dinsdagstraat 13-42 en 44-62

Bodemonderzoek, SMA Zeeland B.V., referentie RvdW/MvdK/23140197, d.d. 28 oktober 2018

Licht verontreinigd met koper, kwik en lood.

Licht verontreinigd met kwik en lood.

Niet onderzocht.

Zuiddijkstraat 28

Verkennend bodemonderzoek, Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium ZeeuwsVlaanderen B.V., projectnummer 4544, d.d. 9 mei 2000

Sterk verontreinigd met lood. Matig verontreinigd met koper. Licht verontreinigd met kwik, nikkel, zink en minerale olie.

Matig verontreinigd met koper. Licht verontreinigd met kwik, lood, zink en minerale olie.

Sterk verontreinigd met arseen en naftaleen. Licht verontreinigd met cadmium, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en minerale olie.

Nader bodemonderzoek, Grond-, Gewasen Milieulaboratorium ZeeuwsVlaanderen B.V., projectnummer 4544, d.d. 30 mei 2000

Verwacht wordt dat in circa 40 m³ bodemvolume de interventiewaarde voor lood wordt overschreden. In totaal bevat ongeveer 180 m³ bovengrond matige en lichte verontreinigingen. Derhalve is op de onderzoekslocatie volgens de Wet Bodembescherming (Wbb) sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Voor wat betreft de aangetoonde verontreinigingen kan worden gesteld dat in de onderhavige situatie risico's kunnen bestaan voor de volksgezondheid en het milieu. De grond is niet multifunctioneel, bij afgraving gelden regels voor verwerking, terugneming en verwijdering.

2.6

Bodemkwaliteitskaart

Door de gemeente Sluis is een Bodemkwaliteitskaart (projectnummer P20-14, d.d. 17 december 2021, door Marmos Bodemmanagement) vastgesteld. De gegevens met betrekking tot onderhavige onderzoekslocatie worden in onderstaande tabel weergegeven. tabel 2.3 Bodemkwaliteitskaart Onderdeel Bodemkwaliteitskaart (projectnummer P20-14, d.d. 17 december 2021, door Marmos Bodemmanagement) Ouderdom bebouwing

Woonwijk < 1940

Bodemkwaliteitskaart

C woonwijken 17e -eeuwse kernen (< Max industrie)

Bodemkwaliteitskaart PFAS

Zone PFAS Zeeuws-Vlaanderen

BKK Kwaliteitsklasse bovengrond

Industrie

BKK Kwaliteitsklasse ondergrond

Wonen

Bodemfunctieklassenkaart

Wonen

Bodemtoepassingskaart (NEN5740 en OCB)

Wonen

Bodemtoepassingskaart DDD, DDE, DDT, drins (som)

Niet aanwezig

Bodemkwaliteitskaart bestrijdingsmiddelen bovengrond

Niet aanwezig

Bodemkwaliteitskaart PFAS bovengrond

Niet aanwezig

Bodemtoepassingkaart PFAS

Max wonen

Toepassingskaart PFAS 1-2 m-mv herkomst in regio

Niet aanwezig

Toepassingskaart PFAS >2 m-mv herkomst binnen regio

Niet aanwezig

Toepassingskaart PFAS 0-2, >2 m-mv herkomst buiten regio

Niet aanwezig

2.7

Bodemopbouw en geohydrologie

De op basis van de geraadpleegde bronnen verwachte ondiepe geologie op de locatie is weergegeven in tabel 2.4. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het de geologische bodemopbouw betreft die door TNO is geïnterpoleerd op basis van onderzoek in de omgeving. De werkelijke laagopbouw en –samenstelling kunnen hiervan afwijken.

6

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

tabel 2.4 Geohydrologische bodemopbouw*

*

Diepte [m-mv]

Formatienaam

Lithologie

0,00 – 10,00

Holocene afzettingen, complexe eenheid

Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand

10,00 – 23,00

Formatie van Koewacht

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand en een weinig kleiig zand en grof zand

23,00 – 26,00

Eem Formatie

Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, grof en fijn zand, weinig kleiig zand en een spoor klei en grind

26,00 – 64,00

Formatie van Dongen

Kleiige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit zandige klei, klei en fijn zand

Bron: Landelijk DGM model V1.3 – 2009, NITG-TNO, de werkelijke diepte en formatienaam kan afwijken (met name nabij geologische breukzones)

De grondwaterstromingsrichting is niet eenduidig te bepalen. De locatie ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning c.q. een grondwaterbeschermingsgebied. Er is geen informatie achterhaald waaruit blijkt dat de onderzoekslocatie in het verleden is opgehoogd, gedempt of ontgrond. 2.8

Terreinverkenning en asbest

Voor aanvang van de veldwerkzaamheden is door Silt Milieu B.V. op 15 juli 2024 een terreinverkenning op de onderzoekslocatie uitgevoerd door de erkende veldwerker de heer S.A. Dieleman. Tijdens deze verkenning is de locatie in ogenschouw genomen. Foto’s van de locatie zijn in bijlage 6 toegevoegd. Er zijn geen bijzonderheden opgemerkt ten opzichte van hetgeen verwacht kan worden op basis van de gegevens van het vooronderzoek. De locatie is daadwerkelijk in gebruik zoals in voorgaande paragraaf (paragraaf 2.2) omschreven. Er zijn tijdens de terreininspectie geen bijzonderheden (zoals verdachte plekken, artefacten of bodembeschermende voorzieningen, puin en/of asbest op het maaiveld, asbest beschoeiingen, verzakkingen, verhogingen, verkleuringen, brandplaatsen) geconstateerd, welke een aanwijzing zouden kunnen zijn voor een mogelijke bodemverontreiniging. In het terrein zijn geen duidelijke terpen, kuilen of glooiingen waargenomen en op het perceel zijn geen watergangen of waterpartijen aanwezig. De locatie is bebouwd met een pand en garage en verhard met ballast. Op de onderzoekslocatie hebben, voor zover ons bekend, in het verleden geen bedrijven gestaan die mogelijk asbesthoudend materiaal hebben geproduceerd of verwerkt. Tevens is niets bekend over stortingen, dempingen of ophogingen met asbesthoudende materialen en/of –buizen in de grond evenals asbestbewerking ter plaatse.

Ook is niets bekend over calamiteiten waarbij asbesthoudende materialen zijn vrij kunnen komen. 2.9

Overig

Ter plaatse van de onderzoekslocatie is voor zover bekend geen sprake van een (voormalige) stortlocatie. Op het perceel zijn geen legger- of waterschapssloten gelegen. Explosieven De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft voor Nederland een landelijk overzicht op een kleine schaal van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. De onderzoekslocatie is gesitueerd in de zone ‘Slagvelden’. De slaghandelingen weerspiegelen zich vooral in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf.

7

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

Op de locatie zijn (mogelijk) ondergrondse kabels en of leidingen (in eigen beheer of NUTS) aanwezig. Voorafgaande aan de werkzaamheden is door Silt Milieu B.V. een KLIC-melding verricht. 2.10 Resultaten vooronderzoek Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek is de locatie als zijnde ‘verdacht’ gekwalificeerd ten aanzien van bodemverontreiniging. Bij eerder uitgevoerde bodemonderzoeken nabij de onderzoekslocatie zijn meerdere verontreinigingen aangetoond. Uit het vooronderzoek dient de bodem / grond als verdacht voor de parameter asbest beschouwd te worden.

8

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

3 Hypothese en onderzoeksstrategie 3.1

Hypothese

Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de locatie ten aanzien van de grond en het grondwater als een ‘heterogeen diffuus verontreinigd gebied’ gekwalificeerd. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de locatie, met betrekking tot de parameter asbest, grotendeels als ‘verdachte’ locatie gekwalificeerd. 3.2

Onderzoeksstrategie

Grond en grondwater Bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie is de boor-, bemonsterings- en analysestrategie gehanteerd zoals beschreven in de NEN5740:2023 ‘Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde stof op schaal van monsterneming’ (VED-HE-NL). In deze wordt de onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming voor een niet-lijnvormige locatie (VED-HENL) gehanteerd. De verdachte parameters betreffen alle parameters uit de standaardpakketten. In onderstaande tabel zijn de uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden weergegeven. tabel 3.1 Onderzoeksstrategie verkennend bodemonderzoek (VED-HE-NL) Oppervlakte locatie A (m²)

100 < A ≤ 500 a b

Aantal boringen

Aantal te analyseren (meng)monsters

boring tot 0,5 m in de verdachte laag

boring tot de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 2 m

boring met peilbuisa,b

3

1

1

boven- en ondergrond

grondwaterb

3x NENG

1x NENW

Deze boringen worden doorgezet tot 0,5 m onder de verdachte laag. Indien het grondwater zich dieper dan 5 m-mv bevindt, kan plaatsing van peilbuizen achterwege blijven. De peilbuizen worden in dat geval vervangen door boringen tot tenminste 5 m-mv. Wanneer de verontreiniging vooral in het grondwater wordt verwacht, wordt het aantal peilbuizen uitgebreid tot 4p (p is de getalswaarde van de oppervlakte van de locatie, in ha).

Analysepakketten: NENG standaardpakket voor landbodem en grond, bestaande uit: samplemate malen, droge stof- organische stof- en lutumgehalte, negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., polycyclische aromatische koolwaterstoffen en polychloorbifenylen; NENW standaardpakket voor grondwater, bestaande uit: negen zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), minerale olie G.C., vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen, styreen en naftaleen), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans-1,2-dichlooretheen, cis1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, trichloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,1-dichloorpropaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform).

Asbest Voor de onderzoekslocatie is bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie de boor-, bemonsteringsen analysestrategie gehanteerd, zoals beschreven in de NEN5707+C2:2017 ‘Diffuus belaste locaties met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging’. In onderstaande tabel zijn overzichten opgenomen van de uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden. tabel 3.2 Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden verkennend onderzoek asbest Oppervlak (m2) Max. 500

Asbestgaten 4

Veldwerk Boringen -

Grond 1 x NEN5707

9

Analyses Puin -

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

4 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder procescertificaat van de BRL-SIKB 2000, conform de protocollen 2001, 2002 en 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Evenals de daaraan gekoppelde Nederlandse Eenheidsnormen (NEN). 4.1

Grond

Het plaatsen van de boringen en het plaatsen van de peilbuis is door de erkende veldwerker de heer S.A. Dieleman uitgevoerd op 15 juli 2024. De veldwerker verklaart hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van de BRL-SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. In tabel 4.1 zijn ten behoeve van het onderzoek de uitgevoerde werkzaamheden opgenomen. tabel 4.1 Uitgevoerde werkzaamheden Boring B3 t/m B5 B2 PB1

Diepte [m-mv] 0,5 2,0 3,0

Filterdiepte [m-mv] 2,0 – 3,0

De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,0 m-mv overwegend uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand, afgewisseld met laagjes zwak siltig klei. De situering van de onderzoekslocatie en de geplaatste boringen en de peilbuis is opgenomen in bijlage 2. Voor de complete boorbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 3. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In de uitkomende grond zijn lokaal waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Op het gehele terrein bevindt zich 2 cm ballast. In tabel 4.2 volgt per monsternametraject een opsomming van de waargenomen afwijkingen. tabel 4.2 Waargenomen afwijkingen Boring PB1

Diepte boring [m-mv] 3,00

B2

2,00

Traject afwijking [m-mv] 0,02 - 0,20 0,20 - 1,00 1,00 - 1,50 0,02 - 1,40

Grondsoort

Waargenomen afwijkingen

Zand Zand Zand Zand

matig baksteenhoudend, matig metselpuinhoudend zwak baksteenhoudend, zwak slakhoudend matig baksteenhoudend zwak baksteenhoudend, zwak slakhoudend, zwak kalksteenhoudend, zwak koolashoudend sporen baksteen zwak metselpuinhoudend, zwak baksteenhoudend, zwak koolashoudend brokken asfalt, zwak baksteenhoudend, zwak koolashoudend resten baksteen

B3

0,50

1,40 - 2,00 0,02 - 0,50

Klei Zand

B4

0,50

0,02 - 0,50

Zand

B5

0,57

0,07 - 0,57

Zand

Gradatie: Zwak : bij puin <5% Matig : bij puin 5-15% Sterk : bij puin 15-50% Uiterst : bij puin 50-80% Volledig : bij puin >80%

Indien de laag bodemvreemd materiaal zich aan het maaiveld bevindt en daarbij de functie van verharding heeft, wordt deze niet tot de bodem gerekend. De uitkomende grond is per grondlaag van maximaal 50 cm bemonsterd. Eventuele afwijkende grondlagen zijn separaat bemonsterd. De grondmonsters zijn direct luchtdicht verpakt (volledig afgevuld) in glazen potten met polypropyleen deksel.

10

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

4.2

Asbest

Veiligheid De arbeidshygiënische maatregelen tijdens het uitvoeren van het onderzoek moeten voldoen aan de voorschriften uit het Arbeidsomstandighedenbesluit (hoofdstuk 4: afdeling 1 en 2). De maatregelen zijn uitgewerkt in de CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond”. Voorafgaand aan het onderzoek is een beoordeling uitgevoerd van mogelijke blootstellingrisico’s aan schadelijke stoffen. Indien het vochtpercentage in de bodem meer bedraagt dan 10%, zijn er geen risico’s aanwezig met betrekking tot het vrijkomen van asbestvezels. Voorafgaand aan de uitvoer van de veldwerkzaamheden is vastgesteld dat het bodemvochtgehalte meer dan 10% betrof. Tijdens de beoordeling van de locatie zijn geen blootstellingsrisico’s gedefinieerd. Derhalve zijn naast de standaard persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM: veiligheidsschoenen en handschoenen) geen aanvullende maatregelen getroffen c.q. PBM gebruikt. 4.2.1 Visuele inspectie maaiveld en weersomstandigheden De veldwerkzaamheden zijn door de erkende veldwerker de heer S.A. Dieleman uitgevoerd op 15 juli 2024. De veldwerker verklaart hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van het protocol 2018. Bij de uitgevoerde inspectie van het maaiveld zijn geen bodemvreemde materialen, kleuren e.d.

aangetroffen, welke een aanwijzing zouden kunnen zijn voor een mogelijke bodemverontreiniging. Er zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Als meer dan 25% van het maaiveld niet zichtbaar is, moeten objecten en vegetatie die de inspectie hinderen worden verwijderd. Het verwijderen van vegetatie moet zodanig geschieden dat geen asbestverdachte materialen worden beschadigd en zodoende asbestvezels in de lucht worden gebracht. In onderstaande tabel zijn de gegevens van de maaiveldinspectie opgenomen. tabel 4.3 Maaiveldinspectie Visuele maaiveldinspectie Weersomstandigheden Gesteldheid maaiveld Grondsoort Inspectie-efficiëntie Aanwezigheid asbestverdacht materiaal maaiveld

Zicht: > 50 m Neerslag: < 10 mm (droog) Waterplassen: < 25% (geen) Vegetatie: < 25 % Vegetatie verwijderd: nee Zand Circa 70-90% Nee

4.2.2 Visuele inspectie grove fractie Op basis van de opgestelde onderzoeksstrategie is een 4-tal inspectiegaten gegraven (G1 t/m G4). De afmetingen van de inspectiegaten bedragen 0,3 bij 0,3 meter tot een maximale diepte van 0,7 mmv. Voor de uiteindelijke situering van de inspectiegaten, verwijzen wij naar bijlage 2 van deze rapportage. In bijlage 3 zijn de boorprofielen weergegeven. In bijlage 6 zijn relevante foto’s toegevoegd. De uitkomende bodemmaterialen zijn naast het inspectiegat uitgespreid en visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen >20 mm aangetroffen. Vervolgens is de grond gezeefd met een grove zeef (maaswijdte 20 mm). Ook hierbij zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Wel zijn asbestverdachte materialen aangetroffen in de vorm van bodemvreemde bijmengingen zijnde baksteen- en puinresten, zie tabel 4.4. Van de fijne fractie is vervolgens een mengmonster samengesteld.

11

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

tabel 4.4 Waargenomen afwijkingen Inspectiegat

Traject [m-mv] 0,02 - 0,20 0,02 - 0,50

Grondsoort

Afwijking

G1 G2

Diepte inspectiegat [m-mv] 0,70 0,50

Zand Zand

G3

0,50

0,02 - 0,50

Zand

G4

0,50

0,02 - 0,50

Zand

matig baksteenhoudend, matig metselpuinhoudend zwak baksteenhoudend, zwak slakhoudend, zwak kalksteenhoudend, zwak koolashoudend zwak metselpuinhoudend, zwak baksteenhoudend, zwak koolashoudend brokken asfalt, zwak baksteenhoudend, zwak koolashoudend

4.3

Grondwater

De peilbuis is, na inachtneming van de geldende rustperiode van minimaal een week, door de erkende veldwerker de heer S.A. Dieleman bemonsterd op 5 augustus 2024. De veldwerker verklaart hierbij de werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van protocol 2002. Na de grondwaterstand gemeten te hebben is de voorgeschreven hoeveelheid water uit de peilbuis afgepompt, hierna heeft de monstername van het grondwater plaatsgevonden. Tijdens de bemonstering van het grondwater is het elektrisch geleidend vermogen (EGV), de zuurgraad (pH) en de troebelheid van het grondwater bepaald. De gemeten zuurgraad is niet afwijkend ten opzichte van de natuurlijke situatie. Het elektrisch geleidend vermogen en de gemeten troebelheid zijn relatief hoog. De gemeten waarden zijn weergegeven in tabel 4.5. tabel 4.5 Peilbuisgegevens Peilbuis

Filterdiepte [m-mv]

Grondwaterstand [m-mv]

pH [-]

EGV [µS/cm]

Troebelheid [NTU#]

PB1

2,00 – 3,00

1,38

6,3

1352

73

# Tijdens de monstername van het grondwater wordt de troebelheid van het grondwater in NTU (Nephelometric Turbidity Unit) gemeten. Verondersteld wordt dat het grondwater in de bodem van nature een troebelheid van 0 tot 10 NTU heeft. Het meten van een troebelheid hoger dan 10 NTU is niet bezwaarlijk maar kan bij de interpretatie van de analyseresultaten worden gebruikt.

4.4

Afwijkingen BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018

Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen opgetreden in het kader van de BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018.

12

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek 5.1

Samenstelling en analyseparameters

De grond(meng)monsters en het grondwatermonster zijn in het laboratorium van SGS Environmental Analytics te Rotterdam (door de RvA erkend) chemisch geanalyseerd. De analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000. Het aantal samengestelde en/of analytisch onderzochte grond(meng)monsters en/of grondwatermonsters is niet in overeenstemming met de onderzoeksstrategie zoals opgenomen in hoofdstuk 3. Naar aanleiding van de eerste resultaten is een grondmengmonster uitgesplitst en zijn de individuele grondmonsters aanvullend geanalyseerd op koper. In onderstaande tabel 5.1 en tabel 5.2 is inzichtelijk gemaakt hoe de betreffende monsters (grond en asbest) zijn samengesteld (o.a. zintuiglijke waarnemingen en diepte geanalyseerde bodemlaag) en worden de resultaten vermeld. Tevens zijn in tabel 5.3 de resultaten van het grondwateronderzoek weergegeven. De analysecertificaten zijn weergegeven in bijlage 4. De resultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden en interventiewaarden en weergegeven in bijlage 5. 5.2

Toetsingscriteria

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in werking getreden. Tegelijkertijd treedt ook de Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk 2022) in werking. 5.2.1 Overgangsfase omgevingsplan Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet krijgt de gemeente door overgangsrecht een tijdelijk deel van het omgevingsplan (ook wel omgevingsplan van rechtswege genoemd). Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat voor het onderwerp bodem uit de volgende onderdelen: -

Bruidsschatregels voor bodem: Voor het thema bodem geeft het Invoeringsbesluit (aangevuld door het Aanvullingsbesluit) de zogenaamde bruidsschatregels mee aan het omgevingsplan. Het zijn tijdelijke regels die de gemeente zelf nog moet omzetten; de bodemfunctieklassenkaart en gebiedsspecifiek beleid voor het toepassen van grond of baggerspecie.

Gemeenten krijgen tot eind 2031 (of zoveel eerder als het gebiedsspecifieke beleid eerder de geldigheid verliest) de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving (bijvoorbeeld uit bestaande gemeentelijke verordeningen) om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. De gemeente heeft hiervoor een bepaalde beleidsvrijheid. Gemeenten kunnen afwijken van de algemene regels door maatwerk vast te stellen. Er zijn wel voorwaarden verbonden aan de beleidsvrijheid. Zo moeten gemeenten voldoen aan de gestelde instructieregels. Om gemeenten te ondersteunen bij de voorbereiding op het maken van regels over bodem in het omgevingsplan zijn diverse hulpmiddelen beschikbaar. De omgezette regels moeten voldoen aan de eisen aan de Omgevingswet en zijn digitaal beschikbaar via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). 5.2.2 Rijksregels Voor milieubelastende activiteiten staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) algemene rijksregels. Voor milieubelastende activiteiten waarbij bodemverontreiniging kan ontstaan, staan in het Bal maatregelen die de bodem beschermen.

13

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

Hoofdstuk 3 van het Bal is de richtingaanwijzer. Hierin staat welke paragrafen van hoofdstuk 4 en 5 van het Bal gelden voor de milieubelastende activiteit. In hoofdstuk 4 van het Bal staan regels om de bodem te beschermen tegen milieubelastende activiteiten die de bodem kunnen verontreinigen. Het Bal geeft daarnaast aan wanneer de modules eindonderzoek bodem en beschermende voorzieningen uit hoofdstuk 5 van toepassing zijn. 5.2.3 Toetsing Omgevingswet Teneinde de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten getoetst aan bijlage IIA van het Bal en bijlage B, tabel 1, Regeling Bodemkwaliteit 2022 (interventiewaarde bodemkwaliteit voor grond) en bijlage Vd van het Bkl (signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering voor grondwater). In onderstaand schema wordt de gebruikte terminologie voor grond weergegeven: figuur 1: Kwaliteitsklassen voor landbodem en grond Landbouw/natuur

Wonen

Industrie

Matig verontreinigd

Sterk verontreinigd

↑ (interventiewaarde bodem)

De analyseresultaten zijn getoetst conform de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa), waarbij de analyseresultaten (de meetwaarden) zijn gecorrigeerd aan het in het laboratorium gemeten gehalte aan organische stof en lutum. Het is vooralsnog niet mogelijk grondwater conform de Omgevingswet te toetsen, in deze wordt tijdelijk de T13-toetsing (beoordeling kwaliteit van grondwater volgens de Wbb) gehanteerd. 5.2.4 Bepaling veiligheidsklasse (CROW 400) Vanaf 1 januari 2019 is, tijdens het werken in de grond of met verontreinigd(e) grond(water), de CROW-publicatie 400 van toepassing. Deze publicatie geeft bedrijven handvatten om de risico’s van blootstelling aan stoffen tijdens het werken met of in verontreinigde bodem te onderzoeken. Er zijn echter geen ‘standaardpakketten’ maatregelen, die gekoppeld zijn aan de veiligheidsklasse. Bedrijven moeten voor elk project zelf maatregelen ‘op maat’ bepalen, op basis van het actuele risico. Deskundigen kunnen ondernemers hierbij ondersteunen. Er dient een Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan) op gesteld te worden voor de specifieke situaties in het betreffende project met daarin op te nemen voldoende maatregelen om de veiligheid van de werknemer te borgen. Verder is de publicatie in een sterke samenhang met milieuwetgeving opgesteld.

Op basis van voorgaande bevat de CROW 400 een methode die de werkzaamheden indeelt in een veiligheidsklasse, op basis van aanwezige verontreinigingen. De indeling in een veiligheidsklasse uit CROW 400 is gebaseerd op: • het gehalte van de aanwezige verontreinigingen; • de vraag of het om vluchtige of niet-vluchtige stoffen gaat; • de aan- of afwezigheid van voldoende ventilatie (in geval van vluchtige stoffen); • de aan- of afwezigheid van kankerverwekkende of mutagene stoffen (inclusief asbest). SRC-humaan waarden (Serious Risk Concentration-humaan waarden) zijn het uitgangspunt om de veiligheidsklasse te bepalen op basis van het gehalte stoffen in de bodem. ‘Humaan’ betekent: gebaseerd op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor de mens. Voor vluchtige stoffen wordt uitgegaan van Interventiewaarden.

14

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

CROW 400 onderscheidt deze zes veiligheidsklassen: • Oranje – niet-vluchtig: tussen 75% en 100% van de SRC-humaan waarde; • Oranje – vluchtig: lager dan interventiewaarden, maar hoger dan de ½ (AW of SW+I) waarde of bodemindex; • Rood – niet-vluchtig: hoger dan de SRC-humaan waarde en/of de aanwezige CM-stof1*: minder dan 1.000 milligram per kilo; • Rood – vluchtig: hoger dan de Interventiewaarde en voldoende ventilatie; • Zwart – niet-vluchtig: hoger dan de SRC-humaan waarde en/of de aanwezige CM-stof*: meer dan 1.000 milligram per kilo en/of asbest meer dan 100 milligram per kilo; • Zwart – vluchtig: hoger dan de Interventiewaarde en onvoldoende ventilatie. * Kankerverwekkende of mutagene stof

Naast de genoemde veiligheidsklasse kan er sprake zijn van werken die vallen buiten een veiligheidsklasse. Deze vallen in dit schrijven onder de benaming “geen veiligheidsklasse”. Door middel van onderhavige bodemonderzoek wordt de voorlopige veiligheidsklasse op basis van de richtlijnen van de regeling vastgesteld. Deze vormt de basis van een op te stellen ontwerp V&G plan. Ten tijde van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden zal de aannemer een definitief V&G-plan (uitvoeringsfase) opstellen. Alhier wordt opgemerkt dat basishygiëne en basiskennis ook van toepassing is bij werk buiten een veiligheidsklasse. Opgemerkt dient te worden dat omtrent de somparameter PCB heden (nog) onvoldoende informatie beschikbaar is. Derhalve kan de CROW-tool voor de bepaling van de veiligheidsklassen vooralsnog niet gehanteerd worden voor deze parameter. Indien van een bepaalde stof onvoldoende informatie bekend is, en de stof om die reden niet in de tool is opgenomen, betekent dat niet dat er geen toetsing hoeft plaats te vinden. In dat geval dient de betreffende deskundige het veiligheidsrisico in te schatten en op basis daarvan de bijbehorende beheersmaatregelen te treffen. In overleg met een hogere veiligheidskundige wordt een eventueel licht verhoogd aangetroffen gehalte aan PCB beschouwd als zijnde “geen veiligheidsklasse”.

5.2.5 Asbest De landelijke normen voor asbest in grond, bodem en puingranulaat zijn vastgesteld op 100 mg/kg d.s. gewogen gehalte. Het gewogen gehalte is het serpentijngehalte vermeerderd met tienmaal het amfiboolgehalte. Deze waarde geldt zowel als interventiewaarde bodemkwaliteit, als kwaliteitseis bij het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. De interventiewaarde bodemkwaliteit voor asbest in grond is opgenomen in bijlage IIA van het Bal. In de NEN5707+C2:2017 is opgenomen dat indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (afkomstig uit de Circulaire bodemsanering), het statistisch aannemelijk is dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend.

1

Kankerverwekkende of mutagene stof

15

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

5.3

Toetsingen

5.3.1 Grond In tabel 5.1 zijn (indien van toepassing) alleen de onderzochte parameters vermeld, waarvan de gehalten de betreffende toetsingswaarden overschrijden. tabel 5.1 Resultaten grondonderzoek Monsternr. MM01

Samenstelling [m-mv]

MM02

B2 (0,50 - 1,00) B2 (1,00 - 1,40) PB1 (0,70 - 1,00) PB1 (1,00 - 1,50)

B2 (0,02 - 0,50) B3 (0,02 - 0,50) B4 (0,02 - 0,50) PB1 (0,20 - 0,70)

Uitsplitsingen MM02 PB1-3 PB1 (0,70 - 1,00) PB1-4

PB1 (1,00 - 1,50)

B2-2

B2 (0,50 - 1,00)

B2-3

B2 (1,00 - 1,40)

MM03

B2 (1,40 - 1,60) B2 (1,60 - 2,00) PB1 (1,50 - 2,00)

LN WO IND MV SV

Bodemsamenstelling/ bijmengingen Matig fijn zwak tot matig siltig zand, baksteen, slakken, kalksteen, koolas, metselpuin, asfalt Matig fijn zwak tot matig siltig zand, baksteen, slakken, kalksteen, kolengruis

Analyseparameters NEN5740 pakket grond

Parameters >LN Koper Zink Kwik Lood Nikkel Koper Kwik Lood

Toets T101 IND

Toets T130 < = IW

SV

> IW

Matig fijn zwak siltig zand, baksteen, slakken Matig fijn zwak siltig zand, baksteen Matig fijn matig siltig zand, baksteen, slakken, kalksteen, kolengruis Matig fijn matig siltig zand, baksteen, slakken, kalksteen, kolengruis

Koper

Koper

SV

> IW

Koper

Koper

IND

< = IW

Koper

Koper

IND

< = IW

Koper

Koper

SV

> IW

Zwak siltig klei

NEN5740 pakket grond

Nikkel Koper Zink Molybdeen Kwik Lood

IND

< = IW

NEN5740 pakket grond

Verklaring gebruikte afkortingen: Landbouw/natuur Wonen Industrie Matig verontreinigd Sterk verontreinigd

5.3.2 Asbest In tabel 5.2 is een overzicht weergegeven van de totale gehalten aan asbest. In de tabel zijn per traject alleen de gemiddelde totaal gewogen gehalten opgenomen per (deel)locatie (lees: wanneer sprake is van een verkennend asbestonderzoek). Het berekende totale gewogen gehalte is een sommatie van de grove fractie (indien aangetoond tijdens de visuele inspectie van de sleuven/gaten) en de concentratie van de fijne fractie (analytisch gemeten in het laboratorium). tabel 5.2 Resultaten verkennend onderzoek asbest Monsternr.

Samenstelling en bodemlaag [m-mv]

MM04ASB (grond)

G1 (0,20 - 0,70) G2 (0,02 - 0,50) G3 (0,02 - 0,50) G4 (0,02 - 0,50)

+ +/--

Gewogen asbestconcentratie [mg/kg.ds] Grove fractie Fijne fractie Totaal n.a. <2 <2

Verklaring van de tekens: concentratie overschrijdt interventiewaarde (=grenswaarde) concentratie overschrijdt waarde voor nader onderzoek (1/2 interventiewaarde) concentratie lager dan de detectiegrens concentratie overschrijdt niet de helft van de grenswaarde

16

Toets --

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

5.3.3 Grondwater In tabel 5.3 zijn, indien van toepassing, alleen de onderzochte parameters vermeld, waarvan de concentraties de betreffende streefwaarden overschrijden. tabel 5.3 Resultaten grondwateronderzoek Monsternr. PB01

Analyse NEN5740 grondwater

Parameters >SW -

Verklaring van de tekens: * groter dan streefwaarde en kleiner of gelijk ½ (streefwaarde+I) waarde ** groter dan ½ (SW+I) waarde en kleiner of gelijk interventiewaarde *** groter interventiewaarde gehalte niet verhoogd t.o.v. streefwaarde dan wel detectiegrens

17

Toets (Wbb) -

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

6 Conclusies en aanbevelingen In opdracht van Van Kerkhoff Maatwerk in RO heeft Silt Milieu B.V. een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op een locatie gelegen aan de St. Jacobstraat 1 te Sluis. De aanleiding voor de uitvoering van het onderzoek is de voorgenomen ontwikkeling op de locatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Grondwater wordt beoordeeld conform de Bkl (bijlage Vd). 6.1

Conclusies

Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 3,0 m-mv overwegend uit matig fijn, zwak tot matig siltig zand, afgewisseld met laagjes zwak siltig klei. In de uitkomende grond zijn lokaal bijmengingen (baksteen, metselpuin, slakken, kalksteen, koolas, asfalt) aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In het grondmengmonster MM01 (bovengrond, baksteen, slakken, kalksteen, koolas, metselpuin, asfalt) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan koper, zink, kwik en lood aangetoond. De gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. De kwaliteitsklasse van de bovengrond betreft Industrie. In het grondmengmonster MM02 (ondergrond, baksteen, slakken, kalksteen, kolengruis) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan nikkel, kwik en lood aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. Tevens is in dit grondmengmonster analytisch een sterk verhoogd gehalte aan koper aangetoond, welke de interventiewaarde overschrijdt. Op basis van deze resultaten is dit grondmengmonster uitgesplitst.

In de grondmonsters PB1-3 (0,70 – 1,00 m-mv, baksteen, slakken) en B2-3 (1,00 – 1,40 m-mv, baksteen, slakken, kalksteen, kolengruis) zijn analytisch sterk verhoogde gehaltes aan koper aangetoond, welke de interventiewaarde overschrijden. In de grondmonsters PB1-4 (1,00 – 1,50 mmv, baksteen) en B2-2 (0,50 – 1,00 m-mv, baksteen, slakken, kalksteen, kolengruis) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan koper aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. In het zintuiglijk niet verontreinigde grondmengmonster MM03 (ondergrond) zijn analytisch verhoogde gehaltes aan nikkel, koper, zink, molybdeen, kwik en lood aangetoond. Deze gehaltes overschrijden de interventiewaarde niet. De kwaliteitsklasse van de ondergrond betreft maximaal sterk verontreinigd op basis van koper. Grondwater Het is vooralsnog niet mogelijk grondwater conform de Omgevingswet te toetsen, in deze wordt tijdelijk de T13-toetsing (beoordeling kwaliteit van grondwater volgens de Wbb) gehanteerd. In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Asbest in grond In het grondmengmonster MM04ASB is analytisch geen verhoogd gehalte aan asbest aangetoond die de detectiegrens overschrijdt. Toetsing hypothese De hypothese ‘heterogeen diffuus verdacht’ kan op basis van de resultaten worden aanvaard.

18

Verkennend bodem- en asbestonderzoek, St. Jacobstraat 1 te Sluis Rapport: 2401737 versie 1, 5 september 2024

Toetsing hypothese asbest De hypothese ‘diffuse bodembelasting met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op basis van monsterneming’ kan op basis van de resultaten worden verworpen. Veiligheidsklasse Conform de CROW 400 geldt dat voor de geplande werkzaamheden in de grond geen veiligheidsklasse van toepassing is. Opgemerkt wordt dat de basishygiëne en basiskennis ook van toepassing is bij werk buiten een veiligheidsklasse. 6.2

Resumé en aanbevelingen

Middels onderhavig bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd. Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien formeel aan de orde, om de verontreiniging met koper verder in te kaderen. Dit wordt echter niet zinvol geacht. Gezien de vele bijmengingen in de ondergrond bestaat het vermoeden dat de locatie in het verleden is opgehoogd. Voor de beoogde ontwikkeling hoeft er in beginsel niet gegraven te worden. Zeker niet onder de 70 cm-mv omdat de bebouwing blijft staan. Op basis van de bevindingen uit onderhavig bodemonderzoek zijn er, ons inziens, vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen c.q. beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling op deze locatie. Wanneer men grond van de locatie wil afvoeren dient men rekening te houden met afzetkosten. Een acceptant van de grond kan een aanvullend onderzoek eisen (lees partijkeuring). Wetgeving Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) van kracht geworden en daarmee zijn de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit uniforme sanering (BUS) komen te vervallen, tenzij sprake is van overgangsrecht. Aangezien voor deze verontreiniging geen beschikking conform de Wbb is genomen is van overgangsrecht geen sprake.

Binnen de Ow wordt er gesproken over een MBA (milieubelastende activiteit) conform Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), waarbij de handelingen leidend zijn. In dit geval is bij civieltechnische ingrepen dieper dan 1,0 m-mv, sprake van de MBA “graven in grond met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde” of “graven in grond met een kwaliteit boven de interventiewaarde”. Hiervoor is het noodzakelijk om een melding te doen via het omgevingsloket, waarbij de beoogde werkzaamheden en de beoogde eindsituatie worden aangegeven. Deze werkwijze lijkt op de oude BUS-regeling. Een andere optie is om het te beschouwen als de MBA “saneren”, waarbij een saneringsdoelstelling wordt vastgelegd. Vervolgens wordt er een maatwerkbesluit genomen op basis van het Bal. Deze werkwijze is vergelijkbaar met het saneringsplan of Plan van Aanpak conform de Wbb. Gelet op de aard van de geconstateerde bodemverontreiniging en de noodzakelijke werkzaamheden in het kader van de herontwikkeling, wordt deze werkwijze in onderhavige situatie afgeraden. Voor het graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving. In het Bal is weergegeven wat onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=49b75fb7-42d2-4d4c-a90d-bf72ced00c35