a (Past vd Muijsenbergstraat 93 Hoofdplaat) - ontwerpbestemmingsplan.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat’
Toelichting ‘Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat’
Opsteller: Verhage-Lemahieu A.B. (Bram) Verhage Rondweg 1 4524 JL Sluis E: bram@verhage-lemahieu.nl T: 0117-760160
Versie: 7 december 2021 Status: Ontwerp IMRO: NL.IMRO.1714.bppstrmuijsbstr93-ON01
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
1
INHOUD
1.
Inleiding ................................................................................................................ 3 Aanleiding............................................................................................................. 3 Huidige situatie ..................................................................................................... 3 Het plan ............................................................................................................... 4
2.
Planologisch beleidskader ...................................................................................... 4 Rijksbeleid ............................................................................................................ 4 Provinciaal beleid ................................................................................................... 6 Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 7
3.
Sectorale aspecten ................................................................................................. 8 Natuur ................................................................................................................. 8 Cultuurhistorie ...................................................................................................... 8 Archeologie ........................................................................................................... 9 Mobiliteit en parkeren............................................................................................ 10 Technische infrastructuur ....................................................................................... 11 Bodem ................................................................................................................ 11 Geluid ................................................................................................................. 12 Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 12 Externe veiligheid ................................................................................................. 13 3.10 Vormvrije mer ......................................................................................................
13 Omliggende functies ............................................................................................. 14 3.12 Watertabel ........................................................................................................... 14
4. 4.1 4.2 4.3
Juridisch .............................................................................................................. 17 Algemeen ............................................................................................................ 17 Verbeelding.......................................................................................................... 17 Regels ................................................................................................................. 17
5.
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 17 Maatschappelijke haalbaarheid ............................................................................... 17
6.
Maatschappelijke haalbaarheid ............................................................................ 18 Procedure ............................................................................................................ 18 Conclusie ............................................................................................................. 18
Bijlage 1. Stikstofdepositieberekening
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
2
1. Inleiding
Aanleiding Aan de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93 te Hoofdplaat is een voormalig kantoor gelegen. Het kantoor is sinds enkele jaren niet meer in gebruik en staat momenteel leeg. Het bestaande gebouw is verkocht met het oogmerk om te gaan bewonen als woonhuis. Om het gebouw ook daadwerkelijk intern te verbouwen en te gebruiken als woonhuis dient de bestemming te worden gewijzigd. Het perceel aan de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93 te Hoofdplaat is opgenomen in het bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis en heeft de bestemming Kantoor, een bouwvlak en een maximum bebouwingspercentage van 50%. Tevens is de maximale goothoogte van 6,5 meter opgenomen. Het bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis biedt niet rechtstreeks de mogelijkheid om de bestemming Kantoor te wijzigen naar Wonen. Om deze wijziging mogelijk te maken dient op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening een partitiële herziening van het bestemmingsplan te worden opgesteld. Het bestemmingsplan dient aantoonbaar te maken dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In onderhavige toelichting wordt een afweging gemaakt waarbij alle ruimtelijke relevante aspecten met betrekking tot het initiatief inzichtelijk gemaakt worden. Uit dit rapport zal blijken dat aan de voorwaarden voldaan kan worden en dat er daardoor medewerking verleend kan worden aan het initiatief.
Huidige situatie Het plangebied aan de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat is kadastraal bekend als Oostburg, sectie EN nummers 419 en 602. Het perceel is gelegen in een typisch woongebied in de kern van Hoofdplaat. De woningen Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstreaat 56 en 95 liggen aangrenzend aan het plangebied. Binnen het plangebied is het kantoorpand gelegen. De beide percelen samen hebben een omvang van circa 1.102 m2. De functie als kantoor is mogelijk op basis van de bestemming Kantoor.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
3
Figuur 1: Kadastrale kaart Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat (Kadastralekaart.com)
Het plan Het initiatief is er op gericht om de huidige bestaande bebouwing op het perceel Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93 te renoveren tot een woonhuis. Er zal inpandig worden verbouwd en geen bebouwing worden toegevoegd. Om het pand te kunnen bewonen dient de bestemming te worden gewijzigd. 2.
Planologisch beleidskader
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De NOVI bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren beleid. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving wordt opgenomen in de NOVI. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro) en heeft als ondertitel Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
4
omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat. De betreffende onderdelen en/of artikelen in het Barro, Bro, en straks Bkl, blijven ook onder de NOVI gelden. Bij nadere invulling van de uitvoeringsinstrumenten van de NOVI kan blijken dat het nodig is de uitvoeringsregels aan te passen. In relatie tot de gewenste ontwikkeling, zijnde het toevoegen van een woonbestemming, dienen onderstaande onderdelen te worden beoordeeld.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Rijk heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.6 (Barro) nationaal ruimtelijk beleid geborgd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Barro omvat 14 onderwerpen. De gewenste ontwikkeling is niet strijdig met een van deze 14 onderwerpen. De ontwikkeling wordt niet beperkt door nationaal ruimtelijk beleid. Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een beschrijving op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' zoals beschreven in, het per 1 juli 2017 gewijzigde, artikel 3.1.6 Bro. Nieuwe ontwikkelingen dienen getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking mits er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling' is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van de Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.
Uit jurisprudentie blijkt dat vanaf 12 nieuwe woningen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dat deze Ladderplichtig is.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
5
De in de toelichting van een bestemmingsplan vereiste onderbouwing van de nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Om te bepalen of een planvoornemen Ladderplichtig is dient getoetst te worden of de voorziene ontwikkeling wel een stedelijke ontwikkeling is. Onderliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een woning op de locatie zelf. Het planvoornemen wordt mogelijk gemaakt door middel van het wijzigen van de bestaande bestemming Kantoor naar Wonen en voorziet in een gewenste kwaliteitsverbetering binnen stedelijk gebied. De ontwikkeling leidt niet tot extra verstedelijking nu het bestaande pand wordt gebruikt als woning. De bebouwing wordt niet uitgebreid of gewijzigd. Hoewel het één woning betreft en daarmee minder dan de genoemde 12 kan voor wat betreft behoefte worden aangegeven dat het gebouw reeds is aangekocht door initiatiefnemer en dat zodra de omzetting is gerealiseerd zal zij zich daar ook definitief zal vestigen.
Provinciaal beleid Zeeuwse omgevingsvisie Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten de Zeeuwse omgevingsvisie vastgesteld. In de Zeeuwse omgevingsvisie zijn de hoofdlijnen voor het provinciaal ruimtelijk beleid uiteengezet. In de Provinciale Omgevingsvisie (POV) 2021 staat in hoofdstuk 2 ‘Uitstekend wonen en werken in Zeeland’ o.a. dat “…steeds meer vormen van vastgoed hun functie verliezen, zoals maatschappelijk vastgoed, scholen, winkels, kerken en kantoren. Voor de dynamiek van het stedelijk gebied is het cruciaal dat woningen toegevoegd kunnen worden in, of in plaats van deze gebouwen.” Het onderhavige plan gaat uit van de transformatie (herbestemming) van een voormalig kantoorpand, een relatief groot gebouw, in één woning met atelier. Dit plan komt tegemoet aan c.q. is preventief op de bedreiging die volgt uit het verliezen van vastgoedfuncties als in de POV2021 bedoeld. Uit de eerste inventarisatie, uitgevoerd door Rho in opdracht van de provincie Zeeland, blijkt dat binnen de in de gemeente Sluis geldende bestemmingsplannen voldoende ruimte aan bestaande plancapaciteit is om dit kantoor te kunnen transformeren tot één woning. Door bij de uitvoering van het plan van aanpak Plancapaciteit, waarvoor de gemeenteraad inmiddels de bereidheid heeft uitgesproken, rekening te houden met dit plan wordt de door provincie bedoelde relatie geborgd.
In paragraaf 5 van het Plan van Aanpak Plancapaciteit Sluis wordt aangegeven dat invulling van leegstaand vastgoed binnen de grens bestaand stedelijk gebied in een centrumdorps woonmilieu als kwalitatief gewenste woningbouw kan worden gezien. Hoewel de kern Hoofdplaat niet geldt als een centrumdorps woonmilieu maar als een landelijk woonmilieu geldt de ombouw van dit voor één woning volumineus pand tot één woning met atelier als een kwalitatief gewenst plan dat voorziet in een specifieke behoefte.
Omgevingsverordening 2018 Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de kaarten behorend bij de Omgevingsverordening geraadpleegd. De locatie is niet gelegen in de nabijheid van een gebied welke is aangeduid in hoofdstuk 2, afdeling 2.9 Natuur en Landschap van de omgevingsverordening 2018.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
6
Aangaande de omgevingskwaliteiten worden in deze toelichting alle ruimtelijke factoren afgewogen. Geconcludeerd
kan
worden
dat
de
gewenste
ontwikkeling
zich
niet
verzet
tegen
de
omgevingskwaliteiten. De gewenste ontwikkeling is niet in strijd met provinciaal beleid.
Gemeentelijk beleid Krachtig Verbonden 2021-2025 De Structuurvisie, vastgesteld 28 februari 2021, is een visie op hoofdlijnen waarmee de gemeente Sluis op hooflijnen de koers bepaalt ten aanzien van het ruimtelijk-economisch en sociaalmaatschappelijk beleid. Het document vormt een 'Structuurvisie' zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. De hoofdlijnen van het ruimtelijk-economisch en sociaal-maatschappelijk beleid worden vastgelegd, geven richting en vormen het uitgangspunt en de basis voor verdere uitwerking in deelvisies, bestemmingsplannen en projecten. In deze structuurvisie wordt onder andere ingegaan op wonen en nieuwbouw. Aandacht voor beeldkwaliteit en zorgvuldig ruimtegebruik binnen de kernen is hierbij van belang. De gewenste ontwikkeling betreft het omzetten van de bestemming Kantoor naar Wonen binnen de kern. Deze omzetting past binnen de visie van kwalitatieve herstructurering en voldoet aan bovengenoemde aandachtspunten. Bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis Op de gronden is het bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis van de gemeente Sluis van kracht (vastgesteld door de Raad d.d. 30 april 2014). De wijzigingen die zijn doorgevoerd in de 1e herziening van het bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis (vastgesteld door de Raad d.d. 27 oktober 2016) zijn niet van invloed op het onderhavige plan.
In dit bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de enkelbestemming Kantoor met een bouwvlak en een maximum bebouwingspercentage terrein van 50%. Tevens is een maximale goothoogte van 6,5 meter opgenomen.
Figuur 2: Uitsnede bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis, locatie Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93
De omzetting van de bestemming Kantoor naar Wonen is op basis van het vigerende bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis niet mogelijk. Dat betekent dat voor de omzetting naar een woning door middel van een bestemmingsplanprocedure moet worden afgeweken van het bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
7
3.
Sectorale aspecten
Natuur De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. Gebiedsbescherming Op circa 800 meter is Natura-2000 gebied aanwezig, zijnde de Westerschelde & Saeftinghe. In relatie tot dit gebied is berekend in hoeverre deze ontwikkeling effect op de instandhouding van deze gebieden. Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase het projecteffect bij het beoogde gebruik nihil is en geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden tot gevolg heeft. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten en daarom bestaat op basis van artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming geen vergunningplicht voor deze wijziging, zie bijlage 1. Op ongeveer 250 meter van het plangebied is bestaande natuur aanwezig (dijken/binnendijk). Tevens dient er niet te worden gesloopt of beplanting te worden verwijderd. De ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor dit gebied of andere bestaande natuurgebieden.
Figuur 3: Uitsnede Natuurnetwerk Zeeland 2021
Cultuurhistorie Op 1 januari 2012 is door middel van aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening bepaald dat cultuurhistorische belangen moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Het waarborgen van cultuurhistorische belangen en het meewegen van deze belangen is belangrijk. Hiervoor is een omschrijving van het plangebied noodzakelijk.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
8
Het plangebied is gelegen in het dorp Hoofdplaat. De omgeving wordt gekenmerkt door woongebied. De percelen zijn bestemd als Kantoor. Het omzetten van de bestemming Kantoor naar Wonen past in het bestaande straatbeeld. Er wordt geen verdichting toegepast en de bestaande bebouwing krijgt een nieuwe invulling. Binnen of aangrenzend aan het plangebied zijn geen Rijksmonumenten of cultuurhistorische monumenten aanwezig. Op enige afstand, circa 300 meter ten noorden is een kerkgebouw gelegen. De bestaande bebouwing wordt omgezet naar woonhuis. Deze bestemmingswijziging heeft geen nadelige gevolgen voor omliggende cultuurhistorisch waardevolle objecten.
Figuur 4: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart Zeeland 2021
Archeologie In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden worden opgegraven en ex situ worden bewaard. Het verdrag van Valletta is doorvertaald in de Nederlandse wetgeving, thans de Erfgoedwet. Archeologiebeleid De gemeente Sluis heeft haar archeologiebeleid vastgelegd, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 28 september 2017. Dit archeologiebeleid is vervolgens verwerkt in het bestemmingsplan Parapluplan archeologie. Het plangebied is niet aangeduid als een gebied als archeologisch waardevol.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
9
Figuur 5: Uitsnede bestemmingsplan Parapluplan archeologie
Tevens betreft het hier enkel een bestemmingswijziging waardoor er geen sprake is van sloop- en of bouwactiviteiten. Voor het omzetten van het kantoor naar een woonhuis is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het geval tijdens graafwerkzaamheden archeologische sporen of vondsten in de bodem worden aangetroffen zal, conform de wettelijke meldingsplicht paragraaf 5.10 van de Erfgoedwet (2016), melding dienen te worden gemaakt bij de bevoegde overheid (gemeente Sluis).
Mobiliteit en parkeren De ontsluiting van het plangebied verloopt via de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat. De Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat is een straat welke in noordoostelijke richting uitkomt op de Kersenlaan en in oostelijke richting op de Deltastraat en vervolgens de Schoolstraat. De Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat is een straat met voornamelijk bestemmingsverkeer van de bewoners en hun bezoekers. Vanuit de kern Hoofdplaat zijn allerlei verbindingen mogelijk onder andere naar Breskens en Biervliet. De Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat beschikt niet over een fysieke scheiding tussen fiets- en autoverkeer. Het plan leidt tot afname van de verkeersbewegingen. De huidige locatie is bestemd met de bestemming Kantoor. Binnen deze bestemming zijn (met name met piekbelasting) relatief veel verkeersbewegingen mogelijk. De hoeveelheid verkeersbewegingen als gevolg van het omzetten naar Wonen resulteert dan ook in een afname. Realisatie van de woning is dan ook inpasbaar in het lokale verkeersbeeld en zal gezien de afname van verkeersbewegingen en het verdwijnen van de huidige activiteiten een positieve bijdrage leveren aan het woon- en leefklimaat in de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om minimaal 5 auto’s te parkeren. Hierdoor is er geen overlast te verwachten voor de omgeving.
De parkeerplaatsen welke tegen het plangebied gelegen
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
10
zijn werden vaak gebruikt voor gasten van het kantoor. Ook deze plaatsen zijn nu makkelijker te gebruiken voor mensen in de omgeving.
Technische infrastructuur De omgeving is aangesloten op de riolering en op alle gangbare nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ten behoeve van het plan hoeven hiervoor geen structurele aanpassingen plaats te vinden.
Bodem Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. De oppervlakte van het plangebied en de conclusie van het vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn bepalend voor het uitvoeren van eventueel veld- en laboratoriumonderzoek. Bodemgebruiksfuncties nemen af naarmate bodemverontreinigingen en gerelateerde risico's toenemen. Sanerende maatregelen kunnen daardoor nodig zijn. De bestemmingswijziging van de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat van Kantoor naar Wonen betreft een functiewijziging (zonder bouwwerkzaamheden) waardoor historisch onderzoek van de locatie van belang is. De bodemkwaliteitskaart Zeeland duidt de locatie aan als achtergrondwaarde, zie figuur 6. Van de locatie zijn verder geen gegevens bekend die de locatie als verdacht zouden aanmerken. Verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk.
Figuur 6: Uitsnede bodemkwaliteitskaart Zeeland
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
11
Geluid De mate waarin geluid, bijvoorbeeld veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten is geregeld in de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder (Wgh en Bgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige bestemmingen: 1.
Woningen
2.
Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal)
3.
Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.
Het beschermen van bijvoorbeeld het woonmilieu gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op de geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt de bestemming Kantoor gewijzigd naar Wonen, waarbij een woonhuis mogelijk wordt gemaakt. Binnen het afwegingskader met betrekking tot geluid is de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat bepalend. De Pastoor J.A.M. van den Muijsenberstraat is een
30-kilometerweg.
Op
grond
van
de
Wet
geluidhinder
geldt
weliswaar
geen
onderzoeksverplichting. Echter op basis van vaste jurisprudentie dient toch inzichtelijk te worden gemaakt of sprake is van een akoestisch aanvaardbaar klimaat. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen in het algemeen aangesloten bij de benaderingswijze die de Wet geluidhinder hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeursgrenswaarde en de uiterste grenswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde van 63 dB volgens de Wet geluidhinder als maximaal aanvaardbare waarde. De Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat
is
ingericht
als
straat
met
voornamelijk
bestemmingsverkeer,
wat
de
verkeersintensiteit ten goede komt. De woning zal voldoen aan de gestelde eisen omtrent bouwbesluit. Er is dan ook sprake van een akoestisch aanvaardbare situatie.
Luchtkwaliteit Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld dat bij één ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen niet in betekenende mate van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijnstof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn:
jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3;
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
12
daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3;
aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.
Het omzetten van kantoor naar woonhuis betreft een positieve ontwikkeling met betrekking tot de uitstoot van fijnstof. Er is sprake van een afname van verkeersbewegingen. Voor de omzetting naar een woonhuis kan reeds geconcludeerd worden dat deze ontwikkeling niet leidt tot een gewijzigde situatie aangaande de luchtkwaliteit. Gesteld kan worden dat voorgestane ontwikkeling niet leidt tot een verkeerstoename van meer dan 1.200 motorvoertuigen per etmaal. Deze ontwikkeling valt hierdoor onder het 3% criterium waardoor het aangemerkt kan worden als zijnde NIBM. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. De externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water, spoor en door buisleidingen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes.
Toetsing plangebied aan de Risicokaart Geconcludeerd kan worden dat de locatie niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk.
3.10
Vormvrije mer
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Indien een bestemmingsplan een ontwikkeling mogelijk maakt die in de D-lijst van het Besluit m.e.r. is opgenomen, maar onder de daarin genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r. beoordeling benodigd. Voor bestemmingsplannen die ontwikkelingen mogelijk maken die onder de drempelwaarde van de activiteiten in de D-lijst vallen en waarvan het bestemmingsplan als besluit in kolom 4 is genoemd (zoals bij D11.2 stedelijk ontwikkelingsproject), dient getoetst te worden aan de criteria uit bijlage 111 bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. De hoofdcriteria bestaan uit:
de kenmerken van het project;
de plaats van het project;
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
13
de kenmerken van de potentiële effecten.
Daarbij dient onderzocht te worden of er sprake is van cumulatie met (milieu-effecten van) andere ontwikkelingen in de omgeving, het risico op zware ongevallen en/of rampen en er dient nu ook ingegaan te worden op maatregelen die genomen worden om de effecten doeltreffend te verminderen. Waar mogelijk dienen deze maatregelen in het bestemmingsplan geborgd te worden. Het initiatief omvat de realisatie van een woning. Op 21 juni 2018 heeft de gemeenteraad van Sluis besloten dat een ontwikkeling kleiner dan 12 woningen niet valt onder de term ‘stedelijke ontwikkeling’ zoals genoemd in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, zodat voor de ontwikkeling van de Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat geen besluit in het kader van de aanmeldnotitie m.e.r. genomen hoeft te worden.
Omliggende functies Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies, dient rekening te worden gehouden met eventuele hinder veroorzakende (bedrijfs-)activiteiten in de omgeving. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van hindergevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Afstemming van bestaande en nieuwe functies is mogelijk door het aanhouden van zogenaamde richtafstanden. Hierbij kan gebruik worden gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de VNG (versie, 2009). Bij deze richtafstanden wordt rekening gehouden met milieuaspecten als geur-, stof en geluidhinder. De richtafstanden gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. Uit jurisprudentie en de genoemde VNG-publicatie, blijkt dat in het geval van een gemengd gebied verkleinde richtafstanden gelden. Rondom het plangebied zijn zowel aan de overzijde als aangrenzend burgerwoningen gelegen. In de directe omgeving is van bedrijvigheid geen sprake. Aan de richtafstanden wordt voldaan.
3.12
Watertabel
Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Aangaande de aspecten omtrent water zal een watertoets worden opgesteld en worden toegezonden aan Waterschap Scheldestromen.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en
Het plan heeft geen relatie met de primaire of
rekening houden met de daarvoor benodigde
secundaire waterkeringen.
ruimte.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
14
maatgevende situaties te voorkomen.
huidige
na
Rekening houden met de gevolgen van
situatie
realis
klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
atie dakopper vlak
0
1
0
2
0
3
0
4
dichte bodemve rharding doorlate nde bodemve rharding waterop pervlak
Het plan bestaat uit het omzetten van de bestemming Kantoor naar Wonen. Het bestaande pand blijft behouden en wordt niet vergroot. Extra waterberging is niet noodzakelijk. Door de omzetting van Kantoor naar Wonen ontstaat een planologische verruiming van het bebouwbaar oppervlak. Er is een voorwaardelijke verplichting in de bestemmingsregels opgenomen ter compensatie bij uitbreiding.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken
De huidige situatie blijft voor hemelwater en vuilwater ongewijzigd.
in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Thema en water(beheer)doelstelling Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Uitwerking De locatie is niet gelegen in een bufferzone rondom een natuurgebied. Er wordt geen grondwater onttrokken en er is geen sprake van grondwateroverlast. Het plangebied wordt gekenmerkt door geringe infiltratiemogelijkheden.
Grondwaterkwaliteit
Externe bouwwerkzaamheden zijn niet aan de
Behoud of realisatie van een goede
orde, mocht dit alsnog noodzakelijk zijn dan
grondwaterkwaliteit. Denk aan
worden hierbij geen uitlogende materialen
grondwaterbeschermingsgebieden.
gebruikt.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
15
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede
Externe bouwwerkzaamheden zijn niet aan de
oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de
orde, mocht dit alsnog noodzakelijk zijn dan
veerkracht van het watersysteem. Toepassing
worden hierbij geen uitlogende materialen
van de trits schoonhouden, scheiden,
gebruikt.
zuiveren.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten
Een extra voorziening voor waterberging is niet
en plagen. Voorkomen van
noodzakelijk. Verdrinkingsgevaar/risico’s zijn dan
verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de
ook niet aan de orde.
daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra)
Het plangebied is aangeduid als weinig
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige
zettingsgevoelig gebied.
gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke
In de directe omgeving is geen bestemming met de
gevarieerde en natuurlijk karakteristieke
functie natte natuur.
aquatische natuur.
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
Er zijn geen sloten gelegen aan of rondom het
worden. Rekening houden met obstakelvrije
plangebied.
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
De locatie is niet gelegen in de directe omgeving van objecten van de waterbeheerder.
van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) 1. in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? 2 na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? 3 na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? 4 na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? 5 na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
1. Nee 2.Nee, door wijziging van de bestemming neemt het aantal verkeersbewegingen af. 3.De bereikbaarheid blijft ongewijzigd.
4. Ja 5.Nee er wordt niet binnen 20 meter een bouwwerk gerealiseerd van een waterschapsweg.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
16
4.
Juridisch
4.1
Algemeen
Het bestemmingsplan kan, afhankelijk van het gevoerde beleid van de gemeente een meer of minder globaal karakter dragen. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een planologisch-juridische regeling gegeven voor te ontwikkelen gronden binnen het plangebied. Voor de gronden van de planlocatie is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan Kleine Kernen Sluis. De regels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.
4.2
Verbeelding
De bestemming Wonen met bouwaanduiding vrijstaand, bouwvlak, goothoogte 6,5 meter en aanduiding erf wordt op de verbeelding opgenomen.
4.3
Regels
De regels beschrijven de bestaande regeling voor woondoeleinden. De regels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met deze standaardregels wordt aangesloten op het vigerende bestemmingsplan 1e herziening Kleine Kernen Sluis van de gemeente Sluis. 5. Economische uitvoerbaarheid Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Grondexploitatie Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publieksrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1. Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buiten toepassingsverklaring van een beheersverordening zijn. Voor onderhavige situatie is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waardoor het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Hierdoor hoeft voor het planvoornemen geen exploitatieplan opgesteld te worden.
Maatschappelijke haalbaarheid Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De bestemmingswijziging betekent, na afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
17
Conclusie Er is sprake van een uitvoerbaar plan omwille van de volgende redenen: -
de kosten voor uitvoering van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer;
-
er is geen sprake van financiële, planologische of maatschappelijke belemmeringen;
6.
Maatschappelijke haalbaarheid
Procedure In het kader van het vooroverleg wordt het ontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Zeeland en waterschap Scheldestromen. De opmerkingen uit het vooroverleg worden verwerkt in het
definitieve
ontwerpbestemmingsplan
Het
ontwerpbestemmingsplan,
overeenkomstig
de
wettelijke procedure in de Wet ruimtelijke ordening, zal vervolgens gedurende zes weken ter visie worden gelegd.
Conclusie Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De bestemmingswijziging betekent, na afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
Toelichting Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat
18
Regels
bestemmingsplan “Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat”
Planstatus:
ontwerp
Versiedatum:
03-08-2022
Vaststellingsdatum: Plan identificatie:
NL.IMRO.1714.bppstrmuijsbstr93-ON01
Auteur:
Adromi
Adromi B.V.
Pagina 1 van 20
Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ............................................................................................................................. 3 Artikel 1 Begrippen .............................................................................................................................. 3 Artikel 2 Wijze van meten .................................................................................................................. 11 2 Bestemmingsregels ........................................................................................................................12 Artikel 3 Wonen ................................................................................................................................. 12 3 Algemene regels.............................................................................................................................16 Artikel 4 Anti-dubbeltelregel.............................................................................................................. 16 Artikel 5 Algemene bouwregels ......................................................................................................... 16 Artikel 6 Algemene gebruiksregels ....................................................................................................
17 Artikel 7 Algemene afwijkingsregels .................................................................................................. 17 Artikel 8 Algemene wijzigingsregels ................................................................................................... 18 Artikel 9 Overige regels ...................................................................................................................... 18 4 Overgangs- en slotregels ................................................................................................................20 Artikel 10 Overgangsrecht ................................................................................................................. 20 Artikel 11 Slotregel ............................................................................................................................ 20
Adromi B.V.
Pagina 2 van 20
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 Plan Het bestemmingsplan 'Pastoor J.A.M. van den Muijsenbergstraat 93, Hoofdplaat' van de gemeente Sluis. 1.2 Bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1714.bppstrmuijsbstr93-ON01 met de bijbehorende regels. 1.3 Verbeelding De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1714.bppstrmuijsbstr93-ON01. 1.4 Aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.5 Aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.6 Aaneengebouwd Blok van meer dan twee aaneengebouwde hoofdgebouwen. 1.7 Aankapping Een aanbouw waarbij de kap van het hoofdgebouw ononderbroken doorloopt; de hellingshoek van een aankapping kan afwijken van de hoofdkap. 1.8 Aan- of uitbouw Een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een hoofdgebouw dat door de indeling en inrichting is bestemd hoofdzakelijk te worden gebruikt overeenkomstig de functie van het hoofdgebouw. 1.9 Achtergevel De meest van de wegzijde afgekeerde gevel van een gebouw.
1.10 Achterste perceelsgrens De kadastrale grens aan de achterzijde -de van de wegzijde afgekeerde grens- bij een bouwperceel die de zijkanten van een bouwperceel verbindt. Indien meerdere zijden van het bouwperceel van de weg zijn afgekeerd, wijst het bevoegd gezag een achterste perceelsgrens aan. 1.11 Afgewerkt bouwterrein De gemiddelde hoogte van de grond die gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde omringt.
Adromi B.V.
Pagina 3 van 20
1.12 Afwijking bij omgevingsvergunning Een afwijking als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 van de Wabo, zoals die luidde ten tijde van inwerkingtreding van dit plan. 1.13 Archeologisch deskundige De beleidsmedewerker archeologie van de gemeente, de gemeentelijk adviseur archeologie of een door het College van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van archeologie. 1.14 Archeologisch onderzoek Onderzoek verricht door een gecertificeerde dienst, bedrijf of instelling zoals bedoeld in de Erfgoedwet 2016 en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) dan wel, na vaststelling ervan door de Minister van OCW, de normen zoals opgesteld door het Centraal College van Deskundigen Archeologie (CCvD). 1.15 Archeologisch rapport Een rapport van een archeologisch onderzoeksbureau of een goed onderbouwd advies van een deskundige op het gebied van archeologie. 1.16 Archeologische waarde Vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context. Zowel grote complexen / structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid.
1.17 Architectonische waarde De in het kader van dit plan aan een gebouw toegekende waarde gekenmerkt door de opbouw en/of indeling van de gevels, de dakopbouw en het materiaal en/of kleurgebruik eventueel in samenhang met de omgeving. 1.18 Awb De Algemene wet bestuursrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.19 Bebouwing Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.20 Bebouwingspercentage Een op de verbeelding of in de regels aangeduid percentage, dat de grootte van het deel van een maatvoeringsvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.21 Bed & breakfast Een kleinschalige overnachtingsaccomodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, ondergeschikt aan de (woon)bestemming. 1.22 Bedrijf aan huis Het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit
Adromi B.V.
Pagina 4 van 20
milieubeheer geldt, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.23 Beroep aan huis Een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.24 Beschermd dorpsgezicht Een dorpsgezicht dat ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 is aangewezen als beschermd dorpsgezicht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.25 Bestaand Ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.26 Bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.27 Bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.28 Bevoegd gezag Het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wabo. 1.29 Bijgebouw Een met het hoofdgebouw verbonden of daarvan vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, functie, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
1.30 Bodemingreep Werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten, waaronder het bouwen van een fundering wordt begrepen. 1.31 Bor Besluit omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.32 Bouwdiepte De afstand tussen de voorgevel en achtergevel van een hoofdgebouw. 1.33 Bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.34 Bouwgrens De grens van een bouwvlak. Adromi B.V.
Pagina 5 van 20
1.35 Bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.36 Bouwperceelsgrens De grens van een bouwperceel. 1.37 Bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangegeven, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.38 Bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.39 Cultureel erfgoed Uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. 1.40 Cultuurhistorische waarde De in het kader van dit plan aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde gekenmerkt in verband met ouderdom en gaafheid. 1.41 Deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg Een door het bevoegd gezag aan te wijzen ambtenaar op het gebied van archeologische monumentenzorg.
1.42 Detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, alsook aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies in de vorm van functie-ondersteunende horeca. 1.43 Erf Al dan niet omheind stuk grond dat in ruimtelijk opzicht direct behoort bij, in functioneel opzicht ten dienste staat van, en in feitelijk opzicht direct aansluit aan een gebouw en dat, blijkens de kadastrale gegevens behoort tot het bouwperceel waarop dat gebouw is geplaatst. 1.44 Erkende partij Een dienst, bedrijf of instelling, erkend door Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en werkend volgens de specificaties van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.
Adromi B.V.
Pagina 6 van 20
1.45 Escortbedrijf De natuurlijke persoon, groep of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of van omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte (van een seksinrichting) wordt uitgeoefend. 1.46 Gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.47 Geschakeld Blok waarbij de hoofdgebouwen door middel van bijgebouwen en/of aan- en uitbouwen met elkaar zijn verbonden. 1.48 Gestapeld Een hoofdgebouw waarin meerdere woningen zijn ondergebracht, zodanig dat deze boven, beneden dan wel naast elkaar zijn gesitueerd, waarbij per woning een zelfstandige toegankelijkheid gewaarborgd is. 1.49 Gevellijn Denkbeeldige dan wel op de verbeelding aangegeven lijn die strak langs de gevel van een gebouw loopt tot aan de bouwperceelsgrenzen. 1.50 Hoofdgebouw Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken. 1.51 Horecabedrijf Een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en / of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf. 1.52 Huishouden Een samenlevingsverband dat wordt gevormd door een persoon of meerdere personen die: • • •
eerstegraads familie van elkaar zijn, aangevuld met ten hoogste twee individuele personen; een woongroep bestaande uit ten hoogste 4 personen die continu een eenheid vormt; ten hoogste vier individuele personen.
1.53 KNA Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (zie www.skib.nl). 1.54 Landschapswaarde De in het kader van dit plan aan een gebied toegekende waarde, wat betreft het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde wordt bepaald door de herkenbaarheid en identiteit van de onderlinge samenhang en beïnvloeding van niet-levende en levende natuur.
Adromi B.V.
Pagina 7 van 20
1.55 Lint Vrijwel aaneengesloten bebouwing waarbij een blok uit maximaal twee aaneengebouwde hoofdgebouwen bestaat. 1.56 Maaiveld De bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw. 1.57 Maatschappelijk Educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen. 1.58 Maatvoeringsvlak Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar een bepaalde maatvoering geldt. 1.59 NAP Normaal Amsterdams Peil. 1.60 Nutsvoorzieningen Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut. 1.61 Omgevingsvergunning Vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wabo. 1.62 Opgraven/opgraving De ontsluiting van een archeologische vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het bepalen van de onderzoeksdoelstellingen.
Opgravingen worden verricht door een erkende partij, beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 45 van de Monumentenwet en uitgevoerd volgens de desbetreffende specificatie in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA). 1.63 Overkapping Een bouwwerk, geen gebouw zijnde voorzien van een gesloten dak en voorzien van maximaal één wand, waaronder begrepen een carport. 1.64 Passend in bebouwingsbeeld • • •
Een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte; een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en; en samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is.
Adromi B.V.
Pagina 8 van 20
1.65 Peil De kruin van de weg indien de afstand tussen het bouwwerk en de kant van de weg minder dan 5 meter bedraagt, en in de andere gevallen de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte bouwterrein. 1.66 Perceelgrens De scheiding tussen bouwpercelen, die niet aan eenzelfde eigenaar behoren dan wel niet door eenzelfde gebruiker worden benut. 1.67 Prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.68 Raamprostitutie Een seksinrichting met één of meer ramen van waarachter de prostitué/prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen met als doel het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.69 Seksautomatenhal Een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door middel van automaten filmvoorstellingen en/of life-shows van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven. 1.70 Seksbioscoop/-theater Een inrichting of daarmee gelijk te stellen gelegenheid waarin door vertoningen van erotische en/of pornografische aard kunnen worden gegeven. 1.71 Seksinrichting De voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotisch-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.72 Straatprostitutie Zich op de openbare weg respectievelijk op openbare ruimten of in een zich op de openbare weg respectievelijk openbare ruimte bevindend voertuig beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.73 Twee-aaneen Blok van twee-aaneengebouwde hoofdgebouwen. 1.74 Uitwendig karakter van een gebouw in bestaande toestand De ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan bestaande totaliteit van: •
Bouwmassa, naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen;
•
Dakvorm, nokrichting en dakhelling;
Adromi B.V.
Pagina 9 van 20
•
De gevelindeling door ramen, deuropeningen en erkers;
•
Onder dat uitwendige karakter kunnen mede worden verstaan:
•
Dakoverstekken, goot- en daklijsten;
•
Stoepen, plinten, pilasters en gevellijsten.
1.75 Verstoring Aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring. 1.76 Voorste perceelsgrens De kadastrale grens aan de wegzijde bij een bouwperceel die de zijkanten van een bouwperceel verbindt. Indien meerdere zijden van het bouwperceel naar de weg gekeerd zijn, wijst het bevoegd gezag een voorste perceelsgrens aan. 1.77 Vrijstaand Een gebouw zonder gemeenschappelijke wand met een andere gebouw. 1.78 Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.79 Wegenverkeerswet De Wegenverkeerswet 1994, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.80 Wgh De Wet geluidhinder, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. 1.81 Wonen Het gehuisvest zijn in een woning. 1.82 Woning Een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.83 Wro Wet ruimtelijke ordening, zoals die luidde ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.84 Zijdelingse perceelsgrens De kadastrale grens van een bouwperceel tussen twee bouwpercelen, die voor- en achterzijde van een bouwperceel verbindt.
1.85 Zorgwonen Zelfstandige vormen van wonen, waar zorg op afroep of 24 uur per dag zorg beschikbaar is vanuit een verpleeg- of verzorgingshuis, een woonzorgcentrum of een dienstcentrum.
Adromi B.V.
Pagina 10 van 20
Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 Afstanden van gebouwen onderling alsmede afstanden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde tot de perceelsgrens worden daar gemeten, waar deze afstanden het kleinst zijn; 2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 Dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 De breedte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken, met dien verstande, dat wanneer de betreffende gevelvlakken niet evenwijdig lopen of verspringen, het gemiddelde wordt genomen van de kleinste en de grootste maat; 2.5 De diepte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voor- en achtergevel; 2.6 De goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q.
de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien zich op een gebouw één of meer dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, wordt de goot of het boeibord van de dakkapel(len) als hoogte aangemerkt; 2.7 De inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.8 De oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.9 Het bebouwde oppervlak optellen van de oppervlakten van alle op een terrein gelegen gebouwen en overkappingen bij elkaar, tenzij in deze regels anders is bepaald;