a (Killetje Breskens) Tam-omgevingsplan motivering
Tekst van het document
Deze bebouwingscontour is opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. 4.9.2
Toetsing Voorliggend initiatief voorziet niet in bouwactiviteiten. De omzetting van reguliere woning naar recreatiewoning is slechts planologisch van aard. Er vinden geen fysieke aanpassingen aan de buitenzijde van de woning plaats. De extra woning zal in een later stadium als woonkavel worden uitgegeven. Dit betekent dat er niet gebouwd of gesloopt wordt en geen beschermde plant- of diersoorten als gevolg van voorliggend initiatief kunnen worden aangetast. Wel zal door de functieverandering de verkeersgeneratie naar het gebied veranderen in de gebruiksfase. Hiervoor dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd met de AEURIUS-calculator. In het kader van de vergunningplicht ‘Natura 2000-activiteit’ is een berekening uitgevoerd met de AERIUS-calculator2. Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. In het onderzoek is geconcludeerd dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd.
2 .
SAB (2025) Onderzoek stikstofdepositie ’t Killetje, Breskens. 12 juni 2025.
33
4.9.3
Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend
4.10
Cultuurhistorie
4.10.1
Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid) zijn instructieregels opgenomen die zich richten op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, (voorbeschermde) Rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van Rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
4.10.2
Toetsing Het besluitgebied is gelegen in het PIP Waterdunen en wordt gekenmerkt door de aanwezige lintbebouwing aan ‘t Killetje en het achterliggende natuurgebied. De locatie bevindt zich binnen het Zuidwestelijk Kleigebied van Zeeuws-Vlaanderen. Hoewel Het Killetje een dijk betreft, is deze niet aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol. De omgeving van het besluitgebied wordt gekenmerkt door woningen en het besluitgebied zelf is niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol of als Rijksmonument. In de omgeving zijn eveneens geen cultuurhistorisch waardevolle objecten gelegen. De ontwikkeling heeft geen invloed op beide landschappelijke waardevolle elementen
4.10.3
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.11
Archeologie
4.11.1
Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de
34
grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het besluitgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden. De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden. 4.11.2
Toetsing Het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie maakt onderdeel uit van het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Sluis. Onderhavig besluitgebied heeft op basis van dit parapluplan geen archeologische waarde en hoeft daarom niet nader onderzocht te worden. Bovendien zijn in het kader voorliggende ontwikkeling geen bodemroerende activiteiten voorzien.
4.11.3
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend project.
4.12
Mobiliteit en parkeren
4.12.1
Algemeen Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient gekeken te worden naar de toename van de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte als gevolg van de ontwikkeling. In de parkeerverordening van gemeente Sluis is geen indeling opgenomen voor de parkeernormgebieden. Gelet op de kenmerken en omgeving van het besluitgebied wordt daarom uitgegaan van de categorie ‘niet stedelijk’ en is het gelegen in een ‘buitengebied’. Er zijn geen parkeernormen voor recreatiewoningen. Naar verwachting sluit de recreatiewoning het beste aan bij de categorie ‘Bungalowpark (huisjescomplex)’. In de ‘Parkeerverordening gemeente Sluis 2024’ zijn de regels vastgesteld voor een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte in gemeente Sluis.
4.12.1.1
Mobiliteit In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot mobiliteit en parkeren. De verkeersveiligheid is primair geborgd in de weg- en verkeerswetgeving, waaronder de Wegenverkeerswet. Daarnaast zijn richtlijnen opgenomen in het ASVV (Aanbevelingen voor Verkeersvoorzieningen Binnen de Bebouwde Kom). 35
Deze richtlijnen worden als uitgangspunt gebruikt bij de vormgeving van de infrastructuur in de wijk. 4.12.1.2
Parkeren Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving dient aangetoond te worden dat voorzien wordt in de aanleg en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid. Bij de normering heeft de gemeente de door de CROW opgestelde parkeerkencijfers als vertrekpunt opgenomen. Door de parkeernormen en de bijbehorende systematiek vast te leggen, is voor initiatiefnemers en omwonenden vooraf duidelijk op welke wijze parkeren deel uitmaakt van een ruimtelijke ontwikkeling of bouwplan.
4.12.2
Toetsing
4.12.2.1
Mobiliteit Om de verkeersgeneratie van het project inzichtelijk te maken is gebruik gemaakt van de kerncijfers van het CROW. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan: de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. De totale toename van de verkeersgeneratie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling betreft gemiddeld 2,7 verkeersbewegingen. Deze beperkte toename kan eenvoudig worden opgevangen in het huidig stratenpatroon.
4.12.2.2
Parkeren Zoals gezegd wordt voor de recreatiewoning uitgegaan voor de parkeernormering die hoort bij ‘Bungalowpark (huisjescomplex)’. De maximale parkeernorm hierbij betreft 2.2 parkeerplaats per woning. Parkeren wordt opgelost op eigen terrein, waardoor parkeeroverlast in de openbare ruimte als gevolg van deze ontwikkeling niet van toepassing is.
4.12.3
Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend initiatief.
36
5 Juridische planopzet Deze wijzing van het omgevingsplan zal na hoofdstuk 22 van het tijdelijke omgevingsplan een plek krijgen. Hierna volgt omschrijving van de regeling zoals opgenomen in het toe te voegen hoofdstuk.
5.1
Hoofstuk 1 inleidende bepalingen In dit hoofdstuk worden de onderdelen van het omgevingsplan (motivering, regels, verbeelding) nader beschreven. Ook wordt ingegaan op de verschillende artikelen.
5.2
Hoofstuk 2 Specifieke regels over functies Toedelen van functies aan locaties Deze wijziging van het omgevingsplan betreft een TAM-Omgevingsplan (Tijdelijk alternatieve maatregel). TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplan wijzigen. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-Omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit TAM-Omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.
Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-Omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1 Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2 Functieregels (voorheen: Bestemmingsregels); 3 Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); 4 Overgangs- en slotregels.
37
Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor de locatie waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in de bij het TAM-omgevingsplan behorende GML-bestand. De regels in dit hoofdstuk bevatten: − Toepassingsbereik (artikel 1); − Begripsbepalingen (artikel 2 en 3); − Meet- en rekenbepalingen (artikel 4). In artikel 1 is het toepassingsbereik opgenomen. In het toepassingsbereik is aangegeven welke besluiten niet van toepassing zijn op dit deel van het omgevingsplan en op welke locatie de regels van dit deel van het omgevingsplan van toepassing zijn. Functieregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het besluitgebied voorkomende functies en gebiedsaanwijzingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: − Functieomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; − Beoordelingsregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); − Specifieke functieregels: omschrijving van activiteiten die niet zijn toegestaan; De volgende functies maken onderdeel uit van het plan: − Recreatie – Verblijfsrecreatie − Wonen − Wonen -1 − Waterstaat - Waterkering Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze regels gelden voor het gehele besluitgebied.
Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: − Anti-dubbeltelregel; − Algemene gebruiksregels; − Algemene bouwregels; − Overige regels.
38
6 Uitvoerbaarheid van het plan 6.1
Economische uitvoerbaarheid De kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit komen voor rekening van de initiatiefnemer. Er zijn geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overlegpartners Burgemeester en wethouders dienen bij de voorbereiding van een wijzigingsbesluit overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het wijzigingsbesluit voor advies toegezonden aan betrokken instanties.
6.2.2
Zienswijzen Het ontwerp-omgevingsplan zal te zijner tijd voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage liggen. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit omgevingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.
6.2.3
Participatie en maatschappelijke draagvlak Het plan wordt overlegd met de wettelijke vooroverlegpartners, zijnde de Provincie Zeeland en Waterschap Schelstromen. De stukken behorende bij de aanvraag worden ter inzage gelegd, zodat eenieder hierop kan reageren.
39
40