CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

18 17-149 BP Roode Wielingen -toelichting - bijlage 5 passende beoordeling 220522.pdf (toegevoegd n.a.v. behandeling in de commissie)

Raad 23 juni 2022, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot gewijzigd vaststellen bestemmingsplan 'De Roode Wielingen Cadzand-Bad'19.153 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Passende beoordeling Wet natuurbescherming in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan De Roode Wielingen in Cadzand-Bad 1. Inleiding

Ter plaatse van Boulevard de Wielingen 60-65 in het centrum van Cadzand-Bad stonden verouderde woningen die planologisch bestemd zijn als woning en detailhandel, maar inmiddels hetzij gesloopt zijn, hetzij gebruikt worden als recreatiewoning. Het voornemen bestaat om de rest van de bebouwing te slopen, een transformatorhuisje te verplaatsen en een complex te realiseren, bestaande uit maximaal 34 woningen/appartementen en een multifunctionele ruimte van maximaal 700 m² bedrijfsvloeroppervlak op de begane grond. De gemeente Sluis is bereid medewerking te verlenen aan de plannen. Er is een procedure opgestart, waarin een nieuw bestemmingsplan voor het gehele plangebied op grond van artikel 3.30 Wro wordt gecoördineerd met de omgevingsvergunning voor het bouwen. Nagegaan dient te worden of het project vergunbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor het bestemmingsplan wordt onderstaande Passende beoordeling uitgevoerd, een ecologisch onderzoek. De vraag wordt erin beantwoord of op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.

Of er sprake is van significant negatieve effecten hangt onder andere af van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden en de vraag welke gevolgen het plan heeft voor het bereiken van de instandhoudingsdoelen. Daartoe wordt in deze Passende beoordeling nagegaan welke storingsfactoren relevant zouden kunnen zijn, zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase. Specifiek wordt getoetst op de externe werking als gevolg van stikstofdepositie. Een Passende beoordeling met dezelfde uitgangspunten wordt ook gemaakt in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Achtergrond stikstofdepositie Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) beslist dat de Programmatische Aanpak Stikstof niet ten grondslag mag worden gelegd aan de toestemmingverlening voor activiteiten die leiden tot een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een Natura 2000-gebied. Voor nieuwe bestemmingsplannen geldt de verplichting voor de gemeenteraad om te beoordelen of als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen relevante stikstofdeposities kunnen optreden ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daarbij speelt de huidige staat van stikstofbelasting een belangrijke rol.

Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is nodig op grond van artikel 2.7 lid 2 van deze Wet: “Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.” Achtereenvolgens komen in deze Passende beoordeling de volgende onderdelen aan bod: • Mogelijke storingsfactoren en de relevante Natura 2000-gebieden; • Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder; • Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe; • Referentiesituatie;

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 1

De Roode Wielingen

N Figuur 1. Ligging plangebied (Pdok, 2019)

Vlakte van de Raan Westerschelde&Saeftinghe

Verdronken Zwarte Polder

ZeebruggeHeist

Zwin & Kievittepolder Duingebieden Groote Gat Polders

Figuur 2. Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (EEA, Natura 2000 Network Viewer, 2020)

• • • •

N

Uitgangspunten voor de toekomstige gebruikssituatie; Uitgangspunten voor de realisatiefase; Resultaten van de Aeriusberekeningen; Conclusies.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 2

2. Mogelijke storingsfactoren en Natura 2000

Voordat de effectbepaling van het voornemen plaats kan vinden, is het eerst van belang om de verwachte storingsfactoren in beeld te brengen die de realisatie van de Roode Wielingen met zich meebrengt. In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven. In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende Natura 2000 gebieden (figuur 2 waarbij de rode ster het plangebied aangeeft): • Zwin & Kievittepolder, op circa 300 meter; • Westerschelde & Saeftinghe op circa 300 meter met de Verdronken Zwarte Polder op circa 3,7 kilometer; • de Vlakte van de Raan op circa 1 kilometer; • Duingebieden (B) op circa 1,35 kilometer met als dichtstbijzijnde onderdeel het Zwin; • Polders (B) op circa 8,2 kilometer; • Groote Gat op circa 9,4 kilometer. Uit te sluiten storingsfactoren De selectie van de storingsfactoren is gebaseerd op de effectenindicator van het Ministerie van EZ. Deze effectenindicator onderscheidt 19 storingsfactoren. De volgende storingsfactoren zijn op voorhand uitgesloten in het plangebied van de Roode Wielingen: • Oppervlakteverlies en versnippering: de ontwikkeling vindt niet plaats in Natura 2000-gebied; • Verzilting, verzoeting, verdroging en/of vernatting: de voorgenomen werkzaamheden hebben hier geen enkele relatie mee. • Verontreiniging: uitgangspunt is dat verontreiniging via reguliere milieuwetgeving en handhaving in het gebied wordt voorkomen.

• Effecten als gevolg van een verandering van stroomsnelheid, een verandering van overstromingsfrequentie of een verandering in dynamiek substraat: niet aan de orde bij de voorgenomen activiteiten. • Trilling: niet aan de orde bij de voorgenomen activiteiten. • Verandering in populatiedynamiek of een bewuste verandering in soortensamenstelling: niet aan de orde bij de voorgenomen activiteiten. • Verstoring door mechanische effecten (betreding): de nieuwe gebruikers van de appartementen zullen gebruik maken van het strand en daar komen via trappen nabij het Strandhotel. Het strand en de branding van de zee (bij eb) liggen buiten het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, zodat vanuit die optiek geen verstoring plaats kan vinden. • Verstoring door licht, geluid en/of optische verstoring: door de afstand tot Natura 2000-gebieden van minimaal 300 meter in relatie tot de beperkte omvang van de ontwikkeling en de ligging in stedelijk gebied, waardoor er tussen het plangebied en de Natura 2000-gebied bebouwing staat kan verstoring door licht of geluid of een optische verstoring niet aan de orde zijn. De enige mogelijke storingsfactor met een verderreikend effect is dan ook verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht. De Vlakte van de Raan heeft geen stikstofgevoelige habitats en valt derhalve verder buiten beschouwing van deze Passende beoordeling.

De betekenis van stikstofdepositie voor Vlaamse Natura 2000-gebieden De Vlaamse Natura 2000-gebieden Duingebieden en Polders liggen al op enige afstand, maar een effect vanuit stikstofdepositie is op voorhand niet uit te sluiten. De Aerius-berekeningen houden geen rekening met de Vlaamse Natura 2000-gebieden. Tegelijkertijd geldt ook de uitspraak van de Raad van State niet voor Vlaamse Natura 2000-gebieden. Onderstaand wordt derhalve een kwalitatieve beoordeling weergegeven.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 3

De specifieke natuurdoelen voor het gebied ‘Duingebieden‘ hebben logischerwijs betrekking op gelijksoortige habitattypen en kwalificerende soorten als in de Natura 2000-gebieden Zwin & Kievittepolder en Westerschelde & Saeftinghe. In veel gevallen is er sprake van een doelstelling om de oppervlakte te vergroten (bijlage 1). Deze doelstellingen gelden evenwel voor het gehele Natura 2000-gebied Duingebieden dat zich als een lang lint langs de 67 kilometer lange Belgische kust uitstrekt. Het Vlaamse beleid gaat uit van een aanpak van de stikstofneerslag die bestaat uit enerzijds brongerichte maatregelen en een herstelbeleid voor speciale beschermingszones. Bij de bronmaatregelen wordt verschil gemaakt naar type uitstoot. Wanneer de stikstof op grote hoogte wordt uitgestoten, zoals bij een industriële schoorsteen, dan zal de stikstof vaak verdund en op grote afstand van de bron neerslaan. Wanneer de stikstofbron laag is, zoals bij een stal of de uitlaat van een voertuig, dan zal de stikstof niet verdund en vaak kort bij de bron neerslaan. Het beleid is dan ook vooral gericht op herstructurering of verplaatsing van activiteiten met impact op landbouwbedrijven dicht bij speciale beschermingszones. Daarvoor is een impactscoretool ontwikkeld.

Stikstofneerslag als gevolg van het bestemmingsplan de Roode Wielingen is alleen afkomstig van lage bronnen (uitlaat van voertuigen), nu de verwarming van gebouwen gasloos gebeurt. De impact van deze plannen op Vlaamse Natura 2000-gebieden zal dan ook beperkt zijn. De conclusies voor het Nederlandse Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder zijn doorslaggevend.

3. Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder Ecologische beschrijving Het Zwin is een sluftergebied op de grens van Nederland en België. Ongeveer een derde deel van het gebied ligt in Nederland, het grootste deel in België. Het gebied is uniek in zijn landschappelijke en geomorfologische waarden die worden vertegenwoordigd door strand, schor en slikgebied dat doorloopt van duinen tot in de achterliggende polders. Het areaal schorren is sterk toegenomen door de toenemende verzanding. Het directe contact met de zee is vrij groot. Met uitzondering van de hogere helmduinen wordt het gebied gemiddeld 20 tot 30 keer per jaar door het zeewater overspoeld. In totaal heeft het gebied een oppervlakte van 213 hectare en is recent uitgebreid met 123 hectare, waarvan 10 hectare in Nederland. De uitbreiding heeft als doel om de verzanding en het verlies van belangrijke natuurwaarden tegen te gaan. Het gebied bestaat grotendeels uit duinen, strand, strandvlakten, schorren, slikken en geulen. Het Zwin bevat dynamische duinen en is één van de weinige gebieden in Zeeland met een zandig schor en bijbehorende vegetatie. De aangrenzende poldergebieden die in de begrenzing zijn opgenomen, bestaan uit reliëfrijke vochtige graslanden, gekenmerkt door zoet-zout-gradiënten. De bodem varieert van zandig (Zwinweide) tot kleiig (Oudelandse Polder).

De Kievittepolder heeft het karakter van een zandige inlaag en is deels met struweel begroeid. Het gebied wordt gekarakteriseerd door zoute kwel en een mozaïek van verschillende vegetatietypen. Naast de botanische waarden staat het gebied bekend om de grote verscheidenheid aan vogels. De aanwezige flora en fauna is rechtstreeks afhankelijk van de verscheidenheid aan open water, diepe en ondiepe geulen, slikken en schorren. Op de schorren in het Zwin groeien zout- en brakwater(getijde)planten. De laagdynamische slibrijke platen, slikken, schorren en brak/zoute binnenmeertjes zijn een foerageerplaats voor vogels (met name tureluur, kluut en scholekster). De Passende beoordeling de Roode Wielingen - 4

zeereep, de strandvlakte en de hogere schorren vormden in het verleden een broedplaats voor kolonievogels (kokmeeuw, incidenteel zwartkopmeeuw). Ook in de struwelen en moerasvegetaties in het duingebied broeden veel bijzondere vogelsoorten (nachtegaal, Cetti’s zanger en graszanger). De schorkreken en de Zwingeul zelf zijn een kinderkamer en verblijfplaats voor jonge vissen en garnaal. Het gebied is van belang als pleistergebied voor een aantal niet-broedvogels: kolgans, smient, wulp, regenwulp, goudplevier, kemphaan en kluut. In de trektijd komen regelmatig lepelaars in het gebied voor. De natuur- en landschapswaarden in de Kievitte- en Oudelandse Polder worden grotendeels bepaald door het Zwin. Een fijnmazig patroon van zoete en zoute kwel, een zandige of meer kleiige bodem, en afwisselingen tussen struwelen en schraalgraslanden met drinkputten vormen de basis voor hoge botanische waarden en een optimaal leefgebied voor diverse amfibiesoorten. De graslandvegetatie wordt plaatselijk gekenmerkt door soorten als zeekraal, lamsoor, zilte rus, zilt torkruid, en, overgaand naar het zoete milieu, heemst, addertong, echte koekoeksbloem en rietorchis. Voorkomende amfibieën zijn boomkikker, kamsalamander, kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en incidenteel groene kikker.

Daarnaast is in 2015 voor het eerst de alpenwatersalamander waargenomen in een van de poelen in de Oudelandse polder. Vanaf 2010 zijn de natuurwaarden van beide polders versterkt door onder meer maaiveldverlagingen, aanpassing van het waterpeil en een jaarronde begrazing met Schotse hooglanders. Instandhoudingsdoelstellingen De instandhoudingsdoelstellingen hebben in dit Natura 2000-gebied betrekking op de habitattypen en leefgebieden van soorten die zijn opgenomen in figuur 3. Het relatief belang vanuit Nederlands perspectief is weergegeven met kleuren: groen is matig groot, lichtblauw is gering, donkerblauw is zeer gering. Type/soort

Doel

H1140A Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1320 Slijkgrasvelden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) H2120 Witte duinen

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit H2130 Grijze duinen Behoud oppervlakte en kwaliteit H2160 Duindoornstruwelen Behoud oppervlakte en kwaliteit Nauwe korfslak (leefgebied) Behoud omvang en kwaliteit leefgebied Kamsalamander (leefgebied) Uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied kleine zilverreiger Behoud omvang en kwaliteit leefgebied (leefgebied) voor een populatie van gemiddeld 9 vogels (seizoensmaximum) Figuur 3. Instandhoudingsdoelstellingen Zwin & Kievittepolder

Huidige situatie Bijdrage Staat van (opp) instandhouding 9,5 ha Matig ongunstig 2,9 ha

Matig ongunstig

1,4 ha 19,4 ha

Ongunstig Matig ongunstig

0,7 ha

Matig ongunstig

6,0 ha

Matig ongunstig

0,2 ha 13,9 ha < 13,8 ha Ca 25 ha

Ongunstig Gunstig Matig ongunstig Matig ongunstig

Ca 12,5 ha

Gunstig

Bron: Beheerplan Natura 2000-gebied Zwin en Kievittepolder 2017-2023

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 5

Kritische depositiewaarden De kritische depositiewaarden voor de habitattypen aangewezen voor Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder zijn opgenomen in figuur 4. Habitattype

Volledige omschrijving

KDW (mol/ha/jaar)

H1140A H1310A

Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende planten H1320 Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) H1330A Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) buitendijks (subtype A) H1330B Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) binnendijks subtype B) H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen“) H2130 Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen“) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides Figuur 4. Kritische depositiewaarden van aangewezen habitattypen in Zwin & Kievittepolder

>2.400 1.643 1.643 1.571 1.571 1.429 1.071 2.000

Bron: Gebiedsanalyse Natura 2000-gebied Zwin en Kievittepolder 2017, Provincie Zeeland, 13-1-2017

De Nauwe korfslak lijkt een voorkeur voor vochtige kalkrijke zandbodems te hebben. De habitattypen duindoornstruwelen en niet te sterk beschaduwde duinbossen zijn relevante omgevingen voor de Nauwe korfslak. Deze habitattypen zijn gevoelig voor verzuring. De Kamsalamander maakt gebruik van het habitattype ‘Geïsoleerd meander en petgat’ en is daarmee gevoelig voor vermesting. De kritische depositiewaarden van deze soorten zijn in 2012 gedefinieerd door Van Dobben et al. (figuur 5). De kleine zilverreiger is niet gevoelig voor verzuring of vermesting. Nummer

Habitatsoort

Habitattype/leefgebied

KDW (mol/ha/jaar) H1014 Nauwe korfslak H2160 Duindoornstruwelen 2.000 Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen 1.643 H1166 Kamsalamander Lg02 Geïsoleerde meander en petgat 1.643 Figuur 5. Kritische depositiewaarden van aangewezen habitatsoorten in Zwin & Kievittepolder Bron: Gebiedsanalyse Natura 2000-gebied Zwin en Kievittepolder 2017, Provincie Zeeland, 13-1-2017

Overbelaste hexagonen Aerius geeft voor elk hexagoon, een zeshoekig gebied van 1 hectare, een gemiddelde achtergronddepositie, zoals die in 2021 is berekend. In 5 hexagonen is volgens Aerius sprake van een achtergronddepositie die hoger ligt dat de kritische depositiewaarden van een van de in dat hexagoon voorkomende habitats. In bijlage 2 is het overzicht van hexagonen opgenomen. Een nadere beschouwing van deze vijf hexagonen leert dat er ter plaatse van de relevante habitats geen sprake is van een relevante overschrijding bij vier van de vijf hexagonen (bijlage 3). Daarbij is gebruik gemaakt van interpolatie met de aangrenzende hexagonen. Op die posities is in Aerius een rekenpunt geplaatst. Eén hexagoon (nummer 2296621) geeft ook na interpolatie op de rekenpunten een achtergronddepositie die hoger ligt dat de kritische depositiewaarde van het kwalificerende habitat ‘schorren en zilte graslanden (binnendijks)’. Het hexagoon ligt voor veruit het grootste deel over de bebouwing van Zomerdorp het Zwin. Alleen de uiterste punt van het kwalificerende habitat ‘schorren en zilte graslanden (binnendijks)’ ligt volgens Aerius in het hexagoon.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 6

Opname ter plaatse (figuur 6) leert dat in de bewuste hoek het kwalificerende habitat ‘schorren en zilte graslanden (binnendijks)’ in het geheel niet aanwezig is. Daar waar de overschrijding gemeten wordt, is struweel aanwezig. Ter controle is ook het natuurbeheerplan 2022 van de provincie Zeeland geraadpleegd (figuur 7). Daaruit blijkt dat daar waar de overschrijding gemeten wordt geen sprake is van ‘vochtig schraalland’ maar van een bloemdijk. Bloemdijken worden niet beschouwd als stikstofgevoelig habitat. Derhalve is er ook in dit hexagoon geen sprake van een achtergronddepositie die hoger ligt dat de kritische depositiewaarde van een ter plaatse aanwezig habitat.

Figuur 6. Situatie ter plaatse (bovenste foto Google, onderste foto’s Van Kerkhoff Maatwerk 19-04-2022)

Conclusie is dat er in het Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder geen sprake is van overschrijdingen van kritische depositiewaarden. De depositieruimte bedraagt in het Natura 2000gebied Zwin & Kievittepolder minimaal 3,59 mol/ha/jaar (zie bijlage 2, hexagoon 2275214) en 10,97 mol/ha/jaar (zie bijlage 3, hexagoon 2278272).

4. Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe Ecologische beschrijving De Westerschelde is de zuidelijke tak in het oorspronkelijke mondingsgebied van de rivier de Schelde. Het is de enige zeetak in de Delta waar nu nog sprake is van een estuarium met open verbinding naar zee. De Westerschelde is tevens één van de drukste vaarwegen van de wereld en wordt gebruikt door zeescheepvaart, binnenscheepvaart, veerdiensten, recreatievaart en dienst- en werkvaartuigen. De Westerschelde is een doorvaartroute naar de havens van Antwerpen, Gent, Vlissingen en Terneuzen. Met een oppervlakte van zo'n 35.000 ha, waarvan zo'n 7.000 ha in België, is het één van de grootste estuaria van Europa. Het Nederlandse deel van het estuarium valt onder de Westerschelde. Het Belgische deel staat bekend als de Zeeschelde en is eveneens onder Natura 2000 aangemeld.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 7

Figuur 7. Vergelijking uitsnede Aerius (met hexagonen) en Natuurbeheerplan

Het betreft een zeer dynamisch gebied, met een getijslag rond springtij van ongeveer 4,5 meter bij Vlissingen, oplopend tot meer dan 6 meter voorbij Antwerpen en dan weer afnemend tot 2,3 meter bij Gent. Binnendijks wordt langs de oever een klein aantal inlagen en kreekrestanten tot het gebied gerekend. Deze gebieden bestaan voornamelijk uit vochtige zilte graslanden en (brak/zout) open water. Hiertoe behoort ook de Herdijkte Zwarte Polder op circa 3,2 kilometer van het plangebied. De sterke dynamiek met getijdenwerking en morfologische processen en een gradiënt van zoet naar zout zorgt buitendijks voor een schakering aan dynamische natuur met slikken en schorren, zilte pionierbegroeiingen, permanent overstroomde zandbanken en droogvallende platen. Onder de schorren langs de Westerschelde bevindt zich het Verdronken Land van Saeftinghe, een voor WestEuropa ongekende, uitgestrekte brakwater-wildernis van 36 vierkante kilometer. Dit ligt op meer dan 50 kilometer van het plangebied. Langs de randen van het gebied liggen op enkele locaties duinen in verschillende successiestadia. Van ‘embryonale duinen’ tot ‘duindoornstruwelen’. De schorren, hoge zandplaten, (schelpen) strandjes, dijkvakken en schaars begroeide gronden zijn zeer belangrijk broedgebied voor kustbroedvogels.

Diverse trekvogels zijn afhankelijk van Westerschelde & Saeftinghe als overwinteringsgebied, als ruigebied of als tussenstop. Daarnaast is het intergetijdengebied belangrijk voor (vooral) steltlopers, waarbij de Hooge Platen bij Breskens op meer dan 15 kilometer van het plangebied een belangrijke hoogwatervluchtplaats is. Westerschelde & Saeftinghe bevat belangrijke rustgebieden voor gewone

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 8

zeehonden. Het is voor zeeprik, rivierprik en fint vooral belangrijk als doortrekgebied, zodat een gezonde populatie in het Belgische deel kan bestaan. Een populatie van de nauwe korfslak is aangetroffen in Cadzand en de Verdronken Zwarte Polder, een verzande slufter op circa 3,7 kilometer van het plangebied. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen en stikstofgevoelige soorten Op 26 oktober 2009 zijn in het aanwijzingsbesluit van Westerschelde & Saeftinghe negen habitattypen, 6 habitatsoorten en 14 vogelsoorten beschermd op grond van artikel 4, eerste lid en 23 vogelsoorten beschermd op grond van artikel 4, tweede lid van Richtlijn 79/409/EEG. Uit de gebiedsanalyse ‘Westerschelde en het Verdronken Land van Saeftinghe’(januari 2017) blijkt dat zich in het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe 9 aangewezen stikstofgevoelige habitattypen bevinden. Uit de Leefgebiedenanalyse voor de Westerschelde blijkt dat er 2 habitatsoorten en 7 vogelrichtlijnsoorten zijn die mogelijk een relatie hebben met een stikstofgevoelig leefgebied. In figuur 8 zijn de instandhoudingsdoelstellingen van de habitattypen en stikstofgevoelige soorten opgenomen. Habitattype

Doel

H1110B Permanent overstroomde zandbanken H1130 Estuaria

Behoud oppervlakte en kwaliteit Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit Behoud oppervlakte en kwaliteit

Huidige situatie Minimale afstand Staat van tot plangebied instandhouding Niet stikstofgevoelig

H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1310B Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) H1320 Slijkgrasvelden Behoud oppervlakte en kwaliteit H1330A Schorren en zilte Uitbreiding oppervlakte en graslanden (buitendijks) verbetering kwaliteit H1330B Schorren en zilte Behoud oppervlakte en kwaliteit graslanden (binnendijks) H2110 Embryonale duinen Behoud oppervlakte en kwaliteit H2120 Witte duinen Behoud oppervlakte en kwaliteit H2160 Duindoornstruwelen Behoud oppervlakte en kwaliteit H2190B Vochtige Behoud oppervlakte en kwaliteit duinvalleien (kalkrijk) Leefgebieden van stikstofgevoelige soorten H1014-Nauwe korfslak Behoud omvang en kwaliteit leefgebied H1903-Groenknolorchis Behoud omvang en kwaliteit leefgebied A081-Bruine kiekendief Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

Niet stikstofgevoelig 3,65 km

Matig ongunstig

3,90 km

Gunstig

3,85 km 3,80 km

Ongunstig Matig ongunstig

3,40 km

Matig ongunstig

3,90 km 3,75 km 3,80 km 14,60 km

Gunstig Matig ongunstig Gunstig Matig ongunstig

3,9 km Matig ongunstig 14,60 km Ongunstig >15 Gunstig km A137-Bontbekplevier Behoud omvang en kwaliteit leefgebied >15 km Matig ongunstig A138-Strandplevier Behoud omvang en kwaliteit leefgebied >15 km Ongunstig A193-Visdief Behoud omvang en kwaliteit leefgebied >15 km Matig ongunstig A130-Scholekster Behoud omvang en kwaliteit leefgebied >15 km Ongunstig A142-Kievit Behoud omvang en kwaliteit leefgebied >15 km Matig ongunstig A162-Tureluur Behoud omvang en kwaliteit leefgebied >15 km Matig ongunstig Figuur 8. Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen en stikstofgevoelige soorten Westerschelde & Saeftinghe Bron: Beheerplan 2016-2022, Natura 2000 Deltawateren, Westerschelde & Saeftinghe, juni 2016

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 9

Kritische depositiewaarden De kritische depositiewaarden voor de habitattypen aangewezen voor Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe zijn opgenomen in figuur 9. Habitattype

Volledige omschrijving

KDW (mol/ha/jaar)

H1310A

Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende planten (zeekraal) H1310B Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp. en andere zoutminnende planten (zeevetmuur) H1320 Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) H1330A Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) buitendijks (subtype A) H1330B Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) binnendijks subtype B) H2110 Embryonale wandelende duinen H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen“) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) Figuur 9. Kritische depositiewaarden van aangewezen habitattypen in Westerschelde & Saeftinghe

1.643 1.500 1.643 1.571 1.571 1.429 1.429 2.000 1.429

Bron: PAS-gebiedsanalyse Westerschelde & het Verdronken Land van Saeftinghe, december 2017

Overbelaste hexagonen Aerius geeft voor elk hexagoon, een zeshoekig gebied van 1 hectare, een gemiddelde achtergronddepositie, zoals die in 2021 is berekend. Alle hexagonen die geheel of gedeeltelijk in het Natura 2000gebied Westerschelde & Saeftinghe tussen Cadzand en de Herdijkte Zwarte Polder liggen, hebben een gemiddelde stikstofdepositie van 706 mol/ha/jaar. Er komen in die zone geen aangewezen habitats voor. Alle hexagonen die geheel of gedeeltelijk in de Herdijkte Zwarte Polder liggen, hebben een gemiddelde stikstofdepositie van 963 mol/ha/jaar. In bijlage 2 is het overzicht van hexagonen opgenomen. In alle gevallen is er nog ruimte tussen de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarde van minimaal 285 mol/ha/jaar. Geconcludeerd kan worden dat er depositieruimte is in het relevante deel van het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe van minimaal 285 mol/ha/jaar.

5. Referentiesituatie Planspoor en projectspoor In de Wet natuurbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen plannen en projecten, het planspoor en het projectspoor. Volgens vaste jurisprudentie geldt in het planspoor de ‘feitelijk bestaande planologisch legale situatie’ ten tijde van vaststelling van het desbetreffende bestemmingsplan als referentiesituatie. Al dan niet verleende natuurvergunningen of milieutoestemmingen zijn voor de beoordeling van de referentiesituatie niet relevant. Deze zijn wel relevant in het projectspoor, in casu de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Feitelijk bestaande planologisch legale situatie In figuur 10 is het bestemmingsplangebied in de bestaande situatie weergegeven. In het bestemmingsplangebied staat nog een dubbel woonhuis en een transformatorhuisje. Het dubbele woonhuis is niet meer in gebruik.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 10

N Figuur 10.Bestemmingsplangebied (Pdok, 2019)

N

Figuur 11. Uitsnede bestemmingsplan De Wielingen, onderlegger voor de Beheersverordening (Gemeente Sluis, 1993)

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 11

In figuur 11 is de vigerende planologische situatie weergegeven. Op de bestaande bebouwing is de Beheersverordening Cadzand-Bad, die op 8 november 2013 in werking is getreden, van toepassing. Het bestemmingsplan ter plaatse, waarop de beheersverordening is gebaseerd, is het bestemmingsplan ‘Boulevard de Wielingen’, vastgesteld door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Oostburg op 13 mei 1993 en (gedeeltelijk) goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 11 januari 1994. Ter plaatse gelden de bestemmingen Woondoeleinden, Detailhandel, Tuin en Erf. Er zijn bouwvlakken aangewezen, waarop bebouwing is toegestaan met een maximale goothoogte van 6 meter en op het erf een maximale goothoogte van 3 meter. Het bestemmingsplangebied omvat ook de spievormige groene ruimte, eigendom van de gemeente, waar de bestemming Groen geldt. In de beheersverordening zijn op het plangebied de besluitvlakken “Boulevard de Wielingen” en op het grootste deel van het plangebied “Waterstaat-Waterkering” (vrijwaringszone-dijk) van toepassing. Aan het besluitvlak “Waterstaat-Waterkering” is gekoppeld dat alleen mag worden gebouwd als de waterstaatkundige belangen niet onevenredig worden geschaad en als daarover, de beheerder van de waterkering schriftelijk advies heeft gegeven.

Omdat in de feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geen sprake is van een noemenswaardig gebruik van de woningen en het transformatorhuisje in het kader van de planvorming wordt verplaatst over korte afstand, wordt in de referentiesituatie geen rekening gehouden met stikstofuitstoot. Er is immers geen sprake van ruimteverwarming of van verkeer van en naar het plangebied.

6. Uitgangspunten voor de toekomstige gebruikssituatie Toekomstig gebruik In de nieuwe situatie is sprake van maximaal 34 woningen/appartementen en een multifunctionele ruimte van maximaal 700 m² bedrijfsvloeroppervlak op de begane grond. Ruimteverwarming Het complex met appartementen en commerciële ruimte wordt gasloos gebouwd. Er vindt geen uitstoot van stikstof plaats als gevolg van ruimteverwarming. Verkeersbewegingen Er vinden verkeersbewegingen van en naar het plangebied plaats. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruik gemaakt van kentallen die zijn afgeleid van kencijfers uit publicatie 381 van het CROW. Er is sprake van een niet stedelijke gemeente en een locatie die kan worden getypeerd als ‘rest bebouwde kom’. Zoals gebruikelijk in de gemeente Sluis, zijn de gemiddelden van het minimum en maximum in de kencijfers van het CROW aangehouden. De te realiseren recreatieappartementen staan in de uitgave van het CROW niet genoemd. De twee meest gelijkende functies zijn bungalows in een recreatiepark (gemiddeld 2,2 bewegingen per bungalow) en koopappartementen voor permanente bewoning. Koopappartementen lijken qua type het meest op het beoogde aanbod, maar er is sprake van een recreatieve bestemming, waarbij Cadzand-Bad inspeelt op de behoefte van mensen om even weg te zijn.

Een regulier autogebruik vanuit permanente bewoning past daar niet bij, omdat mensen veel meer geneigd zijn gebruik te maken van de horeca en de omgeving van de badplaats. Gelet op de mix van type appartementen is uitgegaan van het middensegment (gemiddeld 6 bewegingen per appartement). Een gemiddelde tussen de twee kencijfers van 4,1 verkeersbeweging per appartement ((2,2+6)/2) geeft daarmee een realistisch beeld van de verkeersgeneratie.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 12

De ruimte op de begane grond zal verkeersbewegingen vanuit personeel met zich mee brengen. Klanten van commerciële ruimtes komen niet speciaal voor deze ruimtes naar Cadzand-Bad gereden; Cadzand-Bad is immers een eindbestemming. Het aantal verkeersbewegingen van personeel is af te leiden van de verkeersgeneratie in een stadsdeelcentrum. Kentallen van het CROW geven aan dat per 100 m² bvo tussen 51,2 en 68,5 verkeersbewegingen plaatsvinden, waarvan 94% bezoekers. Dat betekent dat rekening gehouden moet worden met 6% van het gemiddeld aantal van 59,85 verkeersbewegingen ofwel 3,6 bewegingen per 100 m² voor personeel. In totaal zijn er in de gebruiksfase derhalve 165 verkeersbewegingen per etmaal (figuur 12). Er wordt vanuit gegaan dat deze verkeersbewegingen gedurende 200 dagen per jaar plaatsvinden, gelet op het karakter van de badplaats. Type Appartementen Commerciële ruimte De Roode Wielingen

Aantal

kental

34 700

4,1 3,6

eenheid Per appartement Per 100 m² bvo

Bewegingen per etmaal 139,4 25,1 164,5

Bewegingen per jaar 27.880 5.020 32.900

Figuur 12. Berekening verkeersgeneratie Roode Wielingen in de beoogde situatie (Van Kerkhoff Maatwerk, 2021)

Routering De verkeersbewegingen voeren in de huidige situatie over twee routes de badplaats in en uit. Verkeer vanuit Nederland komt via de Westerscheldetunnel en Oostburg en vervolgens via Zuidzande en Cadzand over de Ringdijk Noord naar Cadzand-Bad en tenslotte over de Boulevard de Wielingen naar het plangebied. Verkeer vanuit België komt hetzij via Oostburg (vanuit omgeving Antwerpen-Gent), hetzij via de Hazegrasstraat en de Retranchementstraat (vanuit omgeving Brugge). Vervolgens voert deze laatste route via de Knokkeweg en de Kanaalweg de badplaats binnen. Verkeer binnen de badplaats met de auto vindt nauwelijks plaats, in een badplaats komen mensen juist voor ontspanning en beweging in de vorm van wandelen of fietsen (zie boven). In Cadzand-Bad is de hamvraag wanneer het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2001:AB2320) wijst uit dat “dit het geval is op het moment dat het aanen afrijdende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag nog niet, dan wel niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer worden niet meer aan het in werking zijn van de inrichting toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld”.

Algemeen wordt aanvaard dat dit het geval is op het moment dat een provinciale of rijksweg wordt bereikt. Vanuit Cadzand-Bad richting Oostburg is dit in ieder geval bij de rotonde ‘de Potjes’, de kruising van de N674 en de N675. Deze wordt vanuit het plangebied bereikt via de Boulevard de Wielingen, de Ringdijk Noord en de Zuidzandseweg. Vanuit Cadzand-Bad richting België is dat in ieder geval bij de grens. De grens wordt vanuit het plangebied bereikt via de Kanaalweg en de Knokkeweg. De vanuit de wegbeheerders met borden aangegeven routes lopen vanuit België niet via de Hazegrasstraat-Retranchementstraat (route X). Met borden aangewezen routes lopen via Maldegem, Aardenburg, Oostburg en Zuidzande (route 1) of via Kaprijke, IJzendijke, Oostburg en Zuidzande (route 2). Vanuit de kant van Brugge is ook de route via Sluis en de rotonde ‘de Potjes’ mogelijk (route 3). De routes zijn aangegeven in figuur 13. Omdat Cadzand-Bad een eindbestemming is zonder doorgaand verkeer, zou de stelling ook verdedigbaar kunnen zijn dat er sprake is van ‘opgaan in een heersend verkeersbeeld’ bij het verlaten van de badplaats. De rotonde op de Ringdijk-Noord die toegang geeft tot het grote

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 13

parkeerterrein, is dan de aangewezen locatie aan de oostzijde van de badplaats. De kruising op de Kanaalweg die toegang geeft tot de Zwinparking is dan de aangewezen locatie aan de westzijde van de badplaats.

Figuur 13. Aanrijdroutes (Van Kerkhoff Maatwerk, 2021)

In de Aeriusberekening wordt er worst case van uitgegaan dat het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld ter plaatse van de Potjes en ter plaatse van de grens. Op grond van ervaringen zijn de aangehouden verdelingen over de twee routes opgenomen in figuur 14. Appartementen Personeel/bezoek winkels Belevering

Route naar ‘de Potjes’ 25% 100% 100%

Figuur 14. Routeverdeling in de referentiesituatie (Van Kerkhoff Maatwerk, 2020)

Route naar grens 75% 0% 0%

Het plan voor de Roode Wielingen gaat uit van een parkeergarage die wordt bereikt via de Blommaert. Het licht verkeer richting ‘de Potjes’ voert via de Blommaert, Egelantierlaan en Kievitenlaan naar de Boulevard de Wielingen en richting de grens via de Blommaert, Egelantierlaan en Scheldestraat naar de Kanaalweg. De belevering van de commerciële ruimte vindt aan de voorzijde plaats op de Boulevard de Wielingen. Er is uitgegaan van twee bewegingen met middelzwaar verkeer per dag die afgewikkeld worden via de Ringdijk-Noord.

7. Uitgangspunten voor de realisatiefase Vrijstelling Op 1 juli 2021 is de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) in werking getreden. Onder meer artikel 2.9a is aan de Wet

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 14

natuurbescherming toegevoegd. De tekst luidt: “De gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die wordt veroorzaakt door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten van de bouwsector, worden buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van artikel 2.7, tweede lid. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld.” In de Memorie van Toelichting wordt duidelijk gemaakt dat gekozen wordt voor een lijn waarin enerzijds afspraken worden gemaakt om landelijk stikstofemissies tijdens de bouwfase terug te dringen (door in te zetten op inzet van schoner materieel) en anderzijds stikstofdepositie uit de realisatiefase buiten beschouwing te laten in het vergunningverleningsproces. Stikstofuitstoot tijdens de realisatiefase komt voort uit mobiele werktuigen op de bouwplaats (in het plangebied), aanvoer van bouwmaterialen (zwaar vrachtverkeer) en bouwverkeer/ bestelwagens (licht verkeer). De wijze van bouwen, de inzet van elektrisch materieel en de logistiek van de bouwplaats leiden ertoe dat er een grote variatie is in de met de realisatie gepaard gaande stikstofuitstoot. Deze variatie wordt op korte termijn beperkt door een beperking in beschikbaar materieel, maar er is inmiddels een beweging ingezet, waardoor de gemiddelde uitstoot van de bouwplaats in de toekomst afneemt.

De keuze in de wet komt mede voort uit de constatering dat de depositie veroorzaakt in de bouwfase bij de meeste bouwactiviteiten niet structureel stijgt (er is sprake van een zich verplaatsend patroon van bouwactiviteiten) en dat de bouwsector slechts in geringe mate bijdraagt aan de totale stikstofdepositie van binnenlandse bronnen (aandeel van minder dan 0,6 procent van de totale depositie). De stikstofuitstoot in de realisatiefase mag derhalve bij de vergunningverlening buiten beschouwing gelaten worden bij de beoordeling van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, tenzij er sprake is van een langdurig bouwproces met een structurele invloed. Structurele invloed? De ontwikkelaar-bouwer heeft berekeningen gemaakt van de stikstofuitstoot van het project De Roode Wielingen op basis van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Er is zowel een worst case berekend (zonder rekening te houden met maatregelen die de uitstoot beperken) als een best case (alle maatregelen die de uitstoot zouden kunnen beperken, zijn meegenomen). Uit die berekeningen blijkt de maximale variatie in uitstoot. Deze blijkt een factor 6 tot 9 te zijn. Fase Sloop Heiwerk Grondwerk/fundering Ruwbouw Afbouw Totaal

Best case Kg NOx 0,6 9,2 6,9 6,4 4,2 27,2

Worst case Kg NOx 0,6 38,5 54,8 76,7 40,8 211,4

Figuur 15. Totale emissie per bouwfase Roode Wielingen (Cordeel, 2020)

Licht verkeer # bewegingen 100 400 400 1.800 1.300 4.000

Zwaar verkeer #bewegingen 80 80 200 400 40 800

In figuur 15 is voor vijf fasen in de bouw, te weten sloop, heiwerk, grondwerk en fundering, ruwbouw en afbouw de totale emissie van stikstofdioxide in worst case en best case weergegeven. Het verkeer van en naar de bouw is verdeeld in licht verkeer en zwaar verkeer. Het lichte verkeer is naar rato van bouwtijd per fase verdeeld over de fasen, het zwaar verkeer naar verhouding van de leveringen en afvoeren van zware materialen. Er is geen verschil gemaakt tussen de worst case en best case situatie, dat zou een schijnnauwkeurigheid zijn. Het bouwverkeer wordt volledig afgewikkeld via de voorzijde aan de Boulevard de Wielingen en voert vervolgens richting de Potjes.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 15

Fasering De fasen sloop, heiwerk en grondwerk/fundering zijn aan 2022 toegerekend en de fasen ruwbouw en afbouw aan 2023. Dat betekent dat binnen een tijdsbestek van twee jaar de realisatiefase is afgerond. Er is derhalve geen sprake van een langdurig bouwproces, nu twee jaar als een normale termijn voor een bouwproces wordt beschouwd. Conclusie Op grond van de Wet tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering) mag de stikstofuitstoot in de realisatiefase van het project Roode Wielingen buiten beschouwing gelaten worden in het projectspoor (vergunning). In het kader van het bestemmingsplan (planspoor) wordt de realisatiefase wel meegewogen. In Aerius wordt daarbij uitgegaan van de worst case berekening met fasering van de werkzaamheden over 2022 en 2023. De gebruiksfase is daarmee toegerekend aan 2024.

8. Cumulatie Volgens de wet moet nagegaan worden of projecten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. In Cadzand-Bad is meer dan een decennium sprake van een opwaardering van de badplaats. Dit heeft inmiddels geleid tot de aanleg van een vakantiepark aan de andere zijde van de Noorddijk, de aanleg van twee ontvangstparkings aan de entrees van badplaats, de substantiële vernieuwing en uitbreiding van twee familiehotels (en een derde in uitvoering), de herontwikkeling van verouderde vakantiewoningen langs de Boulevard de Wielingen tot moderne appartementencomplexen met inpandige parkeervoorzieningen, de kustversterking met een verbreding van de duinen inclusief de aanleg van een zeejachthaven in de badplaats, de vestiging van restaurants met een culinair topniveau, de aanwijzing als heilzaam kuuroord, de ontwikkeling van een dienstenaanbod dat past bij de moderne badplaats en een sterke verbetering van de openbare ruimte. De opwaardering van de badplaats is nog steeds in volle gang met de bijbehorende bouwactiviteiten. Binnen een afstand van 100 meter vinden er gelijktijdig met de Roode Wielingen geen bouwactiviteiten plaats. De bouw van hotel De Schelde en van Lichthuys zijn afgerond voor de bouw van de Roode Wielingen start. Cumulatie in verband met bouwactiviteiten is niet in te schatten.

Cumulatie in verband met verkeer van en naar de badplaats is enigszins af te leiden uit de vergelijking tussen verkeerstellingen in 2009 (voor aanvang van de vernieuwing van de badplaats) en 2021. Uit die vergelijking (bijlage 4) komt naar voren dat de verkeersstroom van en naar de badplaats niet rechtevenredig is gegroeid met de toename van het aantal hotelkamers en recreatieappartementen, maar veel beperkter is geweest. In bijlage 4 zijn de daadwerkelijke verkeerstellingen die in 2009 en 2021 zijn uitgevoerd op dezelfde telpunten met elkaar vergeleken. Telpunten lagen op de twee belangrijkste toegangswegen naar Cadzand-Bad, de Ringdijk-Noord en de Kanaalweg en daarnaast op de Scheldestraat. Gemiddeld genomen (over een weekdag) is de verkeersintensiteit gegroeid op de Ringdijk-Noord met 13,7% en op de Kanaalweg met 20,4%, maar gedaald op de Scheldestraat met 15,8%. Het verkeer is wel veel evenwichtiger over de dagen in de week verdeeld, waarbij de piekbelasting in het weekend tot het verleden behoort. Over de twee belangrijkste invalswegen rijden 721 voertuigen meer in 2021 dan in 2009. Dat is een hele kleine toename als dat vergeleken wordt met alle projecten die in de periode tussen 2009 en 2021 tot stand zijn gekomen en daadwerkelijk in gebruik zijn genomen.

Op basis van de kentallen voor verkeersgeneratie zou een stijging van 4.122 voertuigen zijn verwacht, alleen al vanwege deze projecten. Daarbij zijn specifieke projecten zoals de gerealiseerde jachthaven en de verandering van Passende beoordeling de Roode Wielingen - 16

het vloeroppervlak aan commerciële ruimte niet meegenomen. De transformatie van Cadzand-Bad heeft derhalve niet geleid tot de verwachte explosieve groei aan verkeersbewegingen van en naar Cadzand-Bad. Uit de gegevens van de verkeerstellingen uit 2021 blijkt verder dat er nu sprake is van een evenwichtiger verdeling van verkeer over de dag (minder piekmomenten) en een bovengemiddeld aandeel van elektrische voertuigen. Dat betekent dat de uitstoot vanuit verkeer minder is dan volgens de nationale prognoses mag worden verwacht. De aannames voor de verkeersbewegingen die in dit document zijn gedaan, zijn dan ook als worst case te beschouwen.

9. Resultaten van de Aeriusberekeningen Invoer in Aerius Op grond van de verwachte perioden van realisatie en de verkeersbewegingen tijdens en na realisatie kan de emissie over de jaren verdeeld worden. In bijlage 5 is de berekening opgenomen waaruit de invoer van de emissies per jaar blijkt. De waarden zijn ingevoerd in AERIUS Calculator als vlakbron (mobiele werktuigen) of als lijnbron (verkeer). Er zijn berekeningen gemaakt voor elk jaar. In de lijnbronnen is onderscheid gemaakt in wegvakken binnen en buiten de bebouwde kom. Ter controle zijn eigen rekenpunten gezet op de grenzen van kritische habitats in de volgens Aerius nu al overbelaste hexagonen. Rekenresultaten Aerius Uit de Aeriusberekening (bijlage 6) blijkt geen enkel negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. De Aeriusberekening toont voor het Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder aan dat de ontwikkeling in de gebruikssituatie (2024) maximaal 0,06 mol/ha/jaar bedraagt. Voor de jaren 2022 en 2023 zijn de gegevens ingevoerd in Aerius als tijdelijke situaties. Helaas wordt er dan door Aerius geen rapportage van gemaakt. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 7 waar per relevant hexagoon de projectbijdrage is weergegeven voor de periode 2022 tot en met 2024.

In het Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder blijkt in de tussenliggende jaren tijdelijk sprake te zijn van hogere deposities, te weten maximaal 0,28 mol/ha/jaar in 2023 en 0,06 mol/ha/jaar in 2022, uitgaande van de worstcase. Deze hogere deposities vinden plaats in de hexagonen waar veel ruimte is tussen de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarde, zodat er geen sprake is van zelfs een tijdelijke overschrijding. Daar waar de ruimte tussen de achtergronddepositie en de kritische depositiewaarde het kleinste is, te weten 3,59 mol/ha/jaar bedraagt de tijdelijke projectbijdrage als gevolg van de realisatie niet meer dan 0,01 mol/ha/jaar en de bijdrage in de gebruikssituatie niet meer dan 0,02 mol/ha/jaar. Ook in het Natura 2000-gebied Zwin & Kievittepolder is er derhalve in geen enkel jaar sprake van een mogelijk significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen.

10. Conclusies Deze Passende beoordeling laat zien dat het project uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming voor wat betreft het onderdeel gebiedsgescherming. De gevolgen voor flora en fauna in het plangebied zijn in het bestemmingsplan zelf onderzocht en beoordeeld. Uit het voorgaande blijkt dat zelfs in het worst case scenario geen sprake is van significant negatieve gevolgen voor enig Natura 2000-gebied. Passende beoordeling de Roode Wielingen - 17

Op grond van artikel 7.2a lid 1 van de Wet milieubeheer zou deze Passende beoordeling vergezeld moeten gaan van een milieueffectrapport. Het artikel stelt: “Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming.” In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche) is uitvoering gegeven aan de mogelijkheid die de Wet milieubeheer in artikel 7.2a lid 2 biedt. Dit artikel stelt: “Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen, waarin sprake is van kleine gebieden en kleine wijzigingen die geen aanzienlijke milieueffecten hebben, waarop de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport, als bedoeld in het eerste lid, niet van toepassing is.” In het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (twintigste tranche) worden als categorieën van gevallen aangewezen de vaststelling of wijziging van een plan: a. dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden indien: 1. voor dat plan een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; 2. de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is; en 3.

het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling of wijziging van dat plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft; of b. waarbij sprake is van kleine wijzigingen van een plan en het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat die wijzigingen geen aanzienlijke milieueffecten hebben. Omdat de Passende beoordeling heeft uitgewezen dat er geen sprake kan zijn van significant negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, omdat het gaat om vaststelling van een bestemmingsplan door een gemeenteraad en omdat het gaat om relatief kleine gebieden waar herontwikkelingen plaatsvinden, betekent het verrichten van een passende beoordeling in dit geval dat er geen milieueffectrapport bij het bestemmingsplan hoeft te worden gemaakt.

Van Kerkhoff Maatwerk in RO Tilburg, 22 mei 2022

Bijlagen: 1. Specifieke natuurdoelen voor het Vlaamse Natura 2000-gebied ‘Duingebieden’ 2. Lijst van hexagonen met achtergronddepositie. 3. Nadere beschouwing van 5 hexagonen in Zwin & Kievittepolder. 4. Vergelijking verkeersstromen van en naar Cadzand-Bad 2009-2021. 5. Vertaling van de uitgangspunten naar invoergegevens voor Aerius. 6. Resultaat Aeriusberekening. 7. Overzicht van de projectbijdrage per hexagoon voor 2022, 2023 en 2024.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 18

Bijlage 1. Specifieke natuurdoelen Natura 2000-gebied Duingebieden Specifieke natuurdoelen Er zijn slechts heel weinig slikken en schorren aan de Belgische kust. De Belgische duinen zijn op veel plaatsen gefixeerd vanwege bebouwing, wegen... Nochtans is een verstuivingsdynamiek nodig voor het ontstaan van duinpannen en waardevolle stuifduinen. Verruiging, verdroging, verstruweling en verbossing zijn de belangrijkste knelpunten. Ook invasieve exoten vormen een ernstige bedreiging voor het gebied. Dit zijn de specifieke natuurdoelen voor gebied 'Duingebieden' Bron: www.natura2000.vlaanderen.be/gebied/duingebieden/specifieke-natuurdoelen 1130 - Estuaria Oppervlaktedoelstelling = Actuele oppervlakte: 41,9 ha. Behoud van de actuele habitatvlekken. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Voorzien van goede basiscondities voor het ontwikkelen van slikken en schorren met natuurlijke dynamiek: voorzien van zones met ondiep water en een goede waterkwaliteit. Ontwikkeling van een rijke benthische fauna toelaten door een aangepaste sluiswerking, waarbij minimaal haalbare saliniteitsschommelingen worden beoogd. Voor vis moeten de mogelijkheden voor het realiseren van een ecologische toegankelijkheid worden onderzocht. 1140 - Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 370,5 ha.

Toename van de actuele oppervlakte met 60 ha in het Zwin, zodat de totale oppervlakte in SBZ 431 ha bedraagt. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Toelaten van een natuurlijke dynamiek met erosie en sedimentatie. Zonering en/of het creëren van rustgebieden voor de fauna (zeehond en broedende, foeragerende of rustende avifauna). 1310 - Eénjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia-soorten en andere zoutminnende planten Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 36,8 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 24-36 ha via uitbreiding van het Zwin, waarvan 5 ha in SBZ-H, overige 19-31 ha in SBZ-V ‘Het Zwin’. Toename met 5 ha hoofdzakelijk te realiseren in deelgebied 13 Zwin-duinen en polders (BE2500001-25-). Totaal: toename met 29-41 ha. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek met natuurlijke successie van slik naar schor en omgekeerd. Zonering en/of het creëren van rustgebieden voor de fauna (foeragerende of rustende avifauna).

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 19

1320 - Schorren met slijkgrasvegetatie (Spartinion maritimae) Oppervlaktedoelstelling =/+ Actuele oppervlakte: 1,5 ha. Behoud van de actuele habitatvlekken. Lokale toename is mogelijk bij uitbreiding van het Zwin. Kwaliteitsdoelstelling =/↑ Het habitattype wordt gedomineerd door een invasieve exotische soort (Spartina townsendii). Herstel van vegetaties van het inheemse klein slijkgras (Spartina maritimae) wordt niet nagestreefd omdat deze soort uitgestorven is in België en omgeving, waardoor het enkel mogelijk is vegetaties van Engels slijkgras te ontwikkelen. 1330 - Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 97,7 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 36-54 ha via uitbreiding van het Zwin, waarvan 5 ha in SBZ-H, overige 31-49 ha in SBZ-V ‘Het Zwin’. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Behouden of creëren van ruimte voor natuurlijke dynamiek van erosie en sedimentatie met natuurlijke successie van slik naar schor of het terugdringen van de successie naar soortenarme vegetatie door aanpassing van het beheer wat vooral begrazing inhoudt. 2110 - Embryonale wandelende duinen Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 6,9 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 7 ha naar 14 ha, met richtwaarde voor uitbreiding 3 ha.

Kwaliteitsdoelstelling ↑ Toelaten van vorming van een vloedmerk om vloedmerksoorten de kans te geven zich te vestigen (selectieve strandreinigingen en zonering recreatie). Zonering en/of het creëren van rustgebieden voor de habitattypische fauna, vnl. voor broedvogels (Strandplevier). Toelaten van een natuurlijke dynamiek met erosie en sedimentatie door het wegnemen van harde constructies zou optimaal zijn. 2120 - Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (witte duinen) Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 453,6 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 30 ha naar 484 ha. Toename is mogelijk door omvorming van (exoten)struweel, omvorming van aanplanten (loof- en naaldhout) en zeewaartse uitbreiding (richtwaarde 10 ha) van de duinreep. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Kwalitatief goed ontwikkelde wandelende duinen waarbij actieve verstuiving aanwezig is en vergrassing beperkt blijft. 2130 - Vastgelegde duinen met kruidvegetatie (grijze duinen) Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 607,2 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 125 ha naar 732 ha, met richtwaarde voor uitbreiding 60 ha. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Kwalitatief goed ontwikkelde duingraslanden waarbij verruiging, verstruweling en verbossing beperkt blijft en met een goede structuurvariatie i.f.v. de habitattypische fauna en flora.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 20

2150 - EU-Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea) Oppervlaktedoelstelling =/+ Actuele oppervlakte: 0,1 ha. Toename van de actuele oppervlakte naar 3 ha. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Kwalitatief goed ontwikkelde duingraslanden waarbij verruiging, verstruweling en verbossing beperkt blijft en met een goede structuurvariatie i.f.v. de habitattypische fauna en flora. 2160 - Duinen met Hippophae rhamnoides Oppervlaktedoelstelling = Actuele oppervlakte: 595,2 ha. Behoud van de huidige oppervlakte. Omvorming ten gunste van andere Europese habitattypes en soorten in een ongunstige lokale staat van instandhouding is toegestaan, maar een behoud van de huidige oppervlakte dient op lange termijn nagestreefd te worden door een compenserende lokale uitbreiding van het habitattype op andere locaties via natuurlijke successie toe te laten. Kwaliteitsdoelstelling =/↑ Structuurrijke duindoornstruwelen met voldoende variatie in leeftijdsklassen die niet onder druk staan van (invasieve) exoten 2170 - Duinen met Salix repens ssp. Argentea (Salicion arenaria) Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 70,9 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 10 ha naar 81 ha. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Kwalitatief goed ontwikkelde kruipwilgstruwelen waarbij verruiging, verstruweling en verbossing beperkt blijft en met een goede structuurvariatie i.f.v.

een toename van de habitattypische fauna en flora, vnl. de grondwaterafhankelijke flora. 2180 - Beboste duinen van het atlantische, Continentale en Boreale kustgebied Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 280,5 ha. Toename met 175 ha naar 456 ha, waarvan een deel kan gerealiseerd worden door omvorming van uitheemse bestanden en 4 ha als richtwaarde voor de uitbreiding. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Verbetering van de kwaliteit door het toepassen van de Criteria Duurzaam Bosbeheer: geleidelijke omvorming naar inheemse loofhoutbestanden, voorrang geven aan spontane processen met toename van het aandeel dood hout en verhoogde structuurdiversiteit. Voldoende dood hout i.f.v. diverse habitattypische vleermuissoorten, Zwarte specht en Middelste bonte specht. Voldoende aandacht voor boszomen en open plekken i.f.v. habitattypische soorten Boomleeuwerik, Boompieper, Kamsalamander, Sleedoornpage, Kleine ijsvogelvlinder, Keizersmantel, ed. 2190 - Vochtige duinvalleien Oppervlaktedoelstelling + Actuele oppervlakte: 46,5 ha. Toename van de actuele oppervlakte met 45 ha, onder de vorm van duinvalleigraslanden, duinvalleirietland en duinplassen. Een extra oppervlakte van 6 ha is nodig als leefgebied van de Boomkikker (zie doelstelling soorten van bijlage II en III). Totale toename met 51 ha naar 98 ha, met als richtwaarde voor uitbreiding 15 ha.

Kwaliteitsdoelstelling ↑ Kwalitatief goed ontwikkelde vochtige duinvalleien waarbij verruiging, verstruweling en verbossing beperkt blijft en met een goede structuurvariatie i.f.v. een toename van de habitattypische fauna en flora.

Passende beoordeling de Roode Wielingen - 21

Blauwborst Actuele populatie: SBZ-V ‘Westkust’: 1 bp. In Koekuithof (deelgebied 1 Fossiele duinen van Adinkerke), 3 bp. In de Ijzermonding en 1 bp. In het Westhoekreservaat. Voor het SBZ-V ‘Westkust’ wordt het behoud van de actuele broedpopulatie voorgesteld, met mogelijks lokale vestiging van nieuwe broedgevallen. Kwaliteitsdoelstelling =/↑ Behoud van rietkragen langs kreken, ruigtes en met riet omzoomde graslanden. Boomkikker Actuele populatie: minder dan 15 roepende mannetjes in de Oude Hazegraspolder (BE250000125). Herstel en de inrichting van de Oude Hazegraspolder als kerngebied. Een tiental geschikte poelen dient voorzien te worden om een kernpopulatie van minimum 200 roepende mannetjes huis te vesten. Een satellietpopulatie van minimum 50 roepende mannetjes wordt vooropgesteld in het VNR Zwinduinen en –polders (BE2500001-25). Bijkomend 10 geschikte kleinere poelen zijn noodzakelijk om deze satellietpopulatie onder te brengen. Een aantal kleinere geschikte poelen dient voorzien te worden in de Oude Hazegraspolder als stapsteen en verbinding met de populatie in het VNR Zwinduinen en –polders. Als verbinding tussen de grote poelen en kleine poelen in de Oude Hazegraspolder en de verbinding met de populatie in het VNR moet de kleinschalige landschap van de Oude Hazegraspolder verder uitgebouwd worden door het voorzien van struweel en KLE’s.

Connectiviteit voorzien met de populatie in het Nederlandse Retranchement via bestaande of nog aan te leggen dijken. In totaal gaat het om een extra oppervlakte van 20 ha landen waterhabitat waarvan 6 ha van het habitattype 2190 en de overige 14 ha onder de vorm van poelen (open water), kleine landschapselementen, ruigten en struwelen (RBB). Kwaliteitsdoelstelling ↑ Kwalitatief goed ontwikkeld waterhabitat: voldoende waterhoudend, met rijke ondergedoken of drijvende vegetatie, weinig beschaduwing en afwezigheid van predatie (vissen). Kwalitatief goed ontwikkeld landhabitat in de nabije omgeving van de poel (ruigte en struweel) waarin juveniele en volwassen dieren zich kunnen verschuilen. Goede connectiviteit tussen de leefgebieden voorzien teneinde kolonisatie en uitwisseling van genetische informatie te bevorderen. Boomleeuwerik Actuele populatie: beperkt aantal broedgevallen (0-3 bp.) in het SBZ-V ‘Westkust’. Behoud van de actuele populaties en eventueel vestiging van nieuwe broedkoppels. Kwaliteitsdoelstelling ↑ Voorzien van open plekken en bosranden en zonering van recreatie in de duinbossen om het behoud van de soort mogelijk te maken. Deze soort is als grondbroeder in open vegetaties erg kwetsbaar. Dwergstern Actuele populatie: actueel geen populatie meer aanwezig in het SBZ-H.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=caaf51c9-91d0-441c-9013-23fdddcf4965