CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

04subsidiekader2026-bijlageRVS-AVS2026

Commissie Samenleving/Middelen 9 september 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van het subsidiekader ‘leefbare kernen en brede welvaart’ gemeente Sluis 20266.858 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Algemene Subsidieverordening gemeente Sluis 2026 De raad van de gemeente Sluis, • • •

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 augustus 2025; gelet op artikel 149 Gemeentewet; gelet op titel 4.2 Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen de: Algemene Subsidieverordening gemeente Sluis 2026 HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a. bijzondere subsidieverordening: verordening waarin voor de activiteiten die daarin worden vermeld geheel of ten dele van deze verordening afwijkende of aanvullende regels zijn opgenomen. b. budgetsubsidie: een bijdrage in de exploitatie van een rechtspersoon gericht op de uitvoering van gemeentelijk beleid, waarbij de subsidieontvanger deze uitvoering oppakt. c. college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis. d. Europees steunkader: een verordening, mededeling, richtsnoer, kaderregeling of besluit op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie heeft vastgesteld; e. gemeente: de gemeente Sluis f. projectsubsidie: een bijdrage bedoeld voor de verwezenlijking van een bepaald project, waarbij de realisatie bijdraagt aan het behalen van een gemeentelijke doelstelling en waarbij een derde door dat resultaat primair wordt begunstigd. g. raad: de gemeenteraad van Sluis. h. stimuleringssubsidie: een subsidie die bijdraagt aan de uitvoering van gemeentelijk beleid en voornamelijk ondersteunend daaraan is bedoeld, ter blijk van waardering of ter stimulering van de subsidieontvanger en die per tijdvak of activiteit wordt verleend. i.

subsidie: een budgetsubsidie, projectsubsidie of stimuleringssubsidie. j. Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. k. wet: Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2 Reikwijdte 1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college. 2. Het college kan subsidie verstrekken voor de volgende subsidieprogramma’s: a. Duurzame woon- en leefomgeving b. Economische groei c. Toekomstbestendige, duurzame voorzieningen d. Vitale inwoners en sociale kernen. 3. Van de bepalingen in deze verordening kan worden afgeweken in een bijzondere subsidieverordening. Artikel 3 Bevoegdheid college 1. Onverminderd het elders in deze verordening bepaalde kan het college in subsidieregelingen nadere regels vaststellen die deze verordening aanvullen met betrekking tot: a. de uitwerking van de onder artikel 2 lid 2 genoemde subsidieprogramma’s; b. de onderverdeling van subsidies in budgetsubsidies, stimuleringssubsidies en projectsubsidies; c. te subsidiëren projecten of activiteiten; d. degenen die voor subsidie in aanmerking komen; e. de criteria voor subsidieverlening; f. de weigeringsgronden; g. de verdelingssystematiek; h. het bedrag van de subsidie en de maatstaven van berekening.

2. Voor zover dat noodzakelijk is om aan een Europees steunkader te voldoen kan het college bij subsidieregeling van deze verordening afwijken en deze aanvullen. HOOFDSTUK 2: SUBSIDIEPLAFOND Artikel 4 Subsidieplafonds 1. De raad stelt per subsidieprogramma het subsidieplafond vast. 2. Het college kan slechts subsidie verlenen binnen de kaders van de door de raad vastgestelde subsidieplafonds. 3. Het college kan binnen de subsidieprogramma’s het door de raad vastgestelde subsidieplafond onderverdelen in subsidieregelingen. 4. Het college regelt de wijze van verdeling van de subsidieplafonds HOOFDSTUK 3: SUBSIDIEVERLENING Artikel 5 De subsidieaanvraag 1. De aanvraag om subsidie wordt schriftelijk of digitaal ingediend op de door het college bepaalde wijze. 2. Bij de aanvraag legt de aanvrager in elk geval de volgende gegevens over: a. een omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd; b. de doelen en resultaten die met te subsidiëren activiteiten worden nagestreefd; c. de mate waarin de subsidie bijdraagt aan de bij subsidieregeling vastgestelde doelen of beleidsterreinen. d. een begroting inclusief dekkingsplan van de kosten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; e. door het college bij subsidieregeling te bepalen nadere gegevens. 3.

Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt voegt tevens een exemplaar van de meest recente statuten bij, alsmede het jaarverslag en balans van het voorgaande jaar. 4. Bij subsidies lager dan € 10.000 kan het college afwijken van het bepaalde in het tweede lid onder a tot en met d en bij subsidieregeling lagere eisen vaststellen. Artikel 6 Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag om een budgetsubsidie wordt ingediend uiterlijk op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor een bijdrage in de exploitatie wordt gevraagd. 2. Een aanvraag om een stimuleringssubsidie of projectsubsidie wordt ingediend uiterlijk 3 maanden voor de start van de activiteit of het project. 3. Indien sprake is van een doorlopende activiteit wordt de aanvraag, in afwijking van het tweede lid, ingediend uiterlijk op 1 oktober voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Artikel 7 Beslistermijn. 1. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, eerste en derde lid, uiterlijk op 1 december van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor een bijdrage in de exploitatie wordt gevraagd. 2. Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 7, tweede lid, uiterlijk 4 weken voorafgaand aan de start van de activiteit of het project; Artikel 8 Subsidieverlening 1.

Het college verleent een projectsubsidie voor de gehele voorziene periode van het project. 2. Het college verleent een stimuleringssubsidie per tijdvak of activiteit, met dien verstande dat de subsidie niet langer dan per begrotingsjaar wordt verleend. 3. Het college verleent een budgetsubsidie per begrotingsjaar met dien verstande dat de subsidie voor maximaal 4 jaren ineens kan worden verleend. Artikel 9 Weigerings- en intrekkingsgronden. 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de wet weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de verlening de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 107 van het Verdrag;

b. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; c. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard; d. als de subsidieverstrekking in strijd is met een Europees steunkader omdat: i. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of; ii. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. e. als subsidieverstrekking in strijd is met een wettelijk voorschrift; 2. Onverminderd het eerste lid kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. als de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet overeenkomen met of bijdragen aan door de raad of het college vastgesteld beleid; b. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen; c. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd; d.

als de aanvrager doelen nastreeft, activiteiten ontplooit of handelingen verricht die in strijd zijn met het recht, het algemeen belang of de openbare orde; e. als de aangevraagde stimuleringssubsidie hoger is dan 50% van de totale subsidiabele kosten voor de activiteit. f. als de aanvraag niet uiterlijk is ingediend op het tijdstip genoemd in artikel 7 van deze verordening; g. als de subsidieverlening niet past binnen een subsidieplafond zoals genoemd in artikel 4 van deze verordening; h. als de financiële continuïteit of continuïteit van de bedrijfsvoering van de aanvrager onzeker is. i. indien de subsidie lager is dan een door het college bij subsidieregeling bepaald drempelbedrag; j. in de bij de betrokken subsidieregeling overige bepaalde gevallen. 3. Het college kan de subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren of intrekken in gevallen en onder de voorwaarden genoemd in paragraaf 1.2 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. HOOFDSTUK 4 VERPLICHTINGEN Artikel 10. Verantwoording Voor zover dit niet is bepaald in deze verordening of bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden. Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 1.

Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat zo spoedig mogelijk schriftelijk aan het college. 2. Een subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over: a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen; d. wijziging van de statuten of inschrijving voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon. Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

1. Bij de beschikking tot het verlenen van budgetsubsidies voor een periode langer dan 1 jaar, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Het college kan in dat geval afdeling 4.2.8 van de wet van toepassing verklaren. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd. 2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 3. Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalenderof boekjaar verstrekte subsidie die meer dan € 50.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de wet vormt. 4. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het derde lid het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de wet van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK 5: SUBSIDIEVASTSTELLING Artikel 13. Eindverantwoording subsidies tot en met € 10.000 1. Subsidies tot en met € 10.000 worden direct door het college vastgesteld.

Bij subsidieregeling kan hiervan worden afgeweken. 2. In geval van een directe vaststelling is de subsidieontvanger verplicht in het kader van een steekproef aan te tonen dat de activiteiten overeenkomstig de verleningsbeschikking zijn uitgevoerd. Indien de activiteiten niet of niet geheel zijn uitgevoerd kan het college de vaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen. 3. In geval van een melding of vermoeden dat activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan kan het college, in afwijking van het eerste lid, een eindverantwoording van de verleende subsidie vragen. Indien daartoe aanleiding bestaat kan het college de vaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen. Artikel 14. Eindverantwoording subsidies tussen € 10.000 en € 50.000 1. Bij subsidies van meer dan € 10.000 en ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger uiterlijk 16 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht of nadat het subsidietijdvak is verstreken, een aanvraag tot vaststelling in. 2. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 3.

Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 4. Artikel 13 lid 3 is van overeenkomstige toepassing. Artikel 15. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000 1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: uiterlijk 16 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht of nadat het subsidietijdvak is verstreken, een aanvraag tot vaststelling in. 2. De aanvraag bevat: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening); c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop. 3. Het college kan bij subsidieregeling bepalen dat een samenstellings- of controleverklaring nodig is, opgesteld door een onafhankelijk accountant. Artikel 16. Subsidievaststelling 1. Het college stelt een subsidie als bedoeld in artikel 14 of 15 vast binnen 12 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling of beschikking anders is bepaald. 2. Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 6 weken worden verdaagd.

3. Onverminderd artikel 13 kunnen bij subsidieregeling categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. 4. Het college kan bij subsidieregeling voorschriften stellen voor het berekenen van uurtarieven of overheadkosten. 5. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 14, eerste lid en 15, eerste lid, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 17. Betaling en verrekening 1. In geval van verlening van stimuleringssubsidie of een budgetsubsidie van ten hoogste € 50.000 per jaar wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie. 2. In geval van verlening van een budgetsubsidie hoger dan € 50.000 per jaar wordt een voorschot verstrekt in 4 gelijke delen per kwartaal; 3. In geval van een projectsubsidie bepaalt het college bij collegeregeling de wijze van bevoorschotting. 4. Indien subsidie is verleend met toepassing van artikel 9 lid 3 wordt de subsidie jaarlijks verhoogd met de door de raad vastgestelde verhoging. 5.

Het college kan een geldschuld, ontstaan doordat de subsidie lager is vastgesteld dan de uitbetaalde bevoorschotting verrekenen met een vordering van de subsidieontvanger op de gemeente dan wel terugvorderen. HOOFDSTUK 6: SLOTBEPALINGEN Artikel 18. Hardheidsclausule 1. Als een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling voor een subsidieaanvrager of ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de te dienen belangen, kan het college deze verordening in dat specifieke geval buiten toepassing laten. 2. In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door het college van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen. 3. Toepassing van de vorige leden wordt gemotiveerd in het besluit en hiervan wordt periodiek verslag gedaan aan de raad. Artikel 19. Slotbepalingen 1. De Subsidieverordening gemeente Sluis 2015 wordt ingetrokken. 2. De verordening Molens en Kerken wordt uiterlijk 1 januari 2027 ingetrokken. 3. Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2025. 4.

De subsidieverordening gemeente Sluis 2015 blijft van toepassing op aanvragen die zijn ingediend vóór tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening. 5. In afwijking van het vierde lid worden aanvragen om budgetsubsidie of stimuleringssubsidie die betrekking hebben op het jaar 2026 en die zijn ingediend vóór 1 november 2025 geacht te zijn ingediend op 1 oktober 2025. 6. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening gemeente Sluis 2026. Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van 18 september 2025. De griffier,

De voorzitter,

mr. P.T.G. Claeijs

mr. M.M.D. Vermue

TOELICHTING Inleiding De Algemene subsidieverordening gemeente Sluis 2026 is de uitwerking van het door de gemeente Sluis vanaf 1 januari 2026 nieuw te hanteren subsidiekader. Anders dan voorheen ziet het gemeentebestuur subsidieverlening niet als zelfstandig beleidsveld maar als instrument om gemeentelijke doelstellingen op allerlei beleidsvelden waar te maken. Om die reden spreken we van een subsidiekader en niet van subsidiebeleid. Het subsidiekader ziet op het subsidieproces, de algemene uitgangspunten, de wijze waarop het college subsidies verleent, vaststelt, betaalt en niet op de inhoudelijke keuzes die het gemeentebestuur maakt. Die inhoudelijke keuzes worden gemaakt in (sectorale) beleidsplannen, bijvoorbeeld op het gebied van cultuur, sport, wonen of duurzaamheid. De uitwerking van deze inhoudelijke keuzes stelt het college jaarlijks vast in subsidieregelingen rondom de vier thema’s als genoemd in artikel 2 lid 2 onder a tot en met d van deze verordening. De directe aanleiding voor dit voorstel is het coalitieakkoord en het addendum. Daaruit volgt de behoefte om het instrument subsidies te koppelen aan gemeentelijke opgaven en de wens om voldoende budget beschikbaar te hebben voor mooie initiatieven vanuit onze kernen en de mogelijkheid te hebben om waar nodig subsidiebedragen te indexeren.

Naast het uitwerken van de bestuurlijke afspraken is er behoefte aan een actualisatie van het huidige beleid en de subsidieverordening. Op dit moment wordt nog een groot deel van de subsidies verleend op basis van historische afspraken. Slechts een klein deel (ongeveer 5%) is gekoppeld aan een apart budget ‘bevorderen van de leefbaarheid’. Deze methodiek wordt in het algemeen als complex en onvoldoende objectief ervaren. Ook duurt het procesmatig gemiddeld lang voordat aanvragen afgehandeld en subsidies definitief zijn vastgesteld. Tot slot zijn de subsidies onvoldoende vindbaar. Dat geldt zowel voor de gemeenteraad in verantwoordingsdocumenten als voor belanghebbenden die willen onderzoeken of het verkrijgen van subsidie mogelijk is. Structuur Uitgangspunt is dat alle subsidies gezamenlijk bijdragen aan leefbare kernen binnen de gemeente Sluis, waarbij de brede welvaart van onze inwoners een prioriteit is. Subsidies moeten bijdragen aan een prettig leefklimaat, geschikte woningen en voldoende voorzieningen. We kiezen ervoor om subsidies te koppelen aan vier belangrijke beleidsopgaven. Dit zijn Ruimte, Economie, Voorzieningen en Mensen. Die vier beleidsopgaven worden uitgewerkt in vier subsidieprogramma’s: 1. Het beleidsthema Ruimte in het programma Duurzame woon- en leefomgeving; 2. Het beleidsthema Economie in het programma Economische groei; 3.

Het beleidsthema Voorzieningen in het programma Toekomstbestendige, voorzieningen; 4. Het beleidsthema Mensen in het programma Vitale inwoners en sociale kernen

duurzame

Deze subsidieprogramma’s zijn door de gemeenteraad benoemd in artikel 2 lid 2 van deze verordening. De gemeenteraad stelt jaarlijks in de Kadernota per subsidieprogramma een subsidieplafond vast. Het is aan het college om binnen die plafonds tot subsidieverlening over te gaan. Dat gebeurt uiteraard volgens een transparant proces. Vanuit de vastgestelde plafonds stelt het college ieder jaar 4 subsidieboeken vast om die plafonds te verdelen in subsidieregelingen. De verschillende subsidieregelingen zijn te herleiden tot gemeentelijke doelstellingen in vastgestelde beleidsdocumenten. Schematisch ziet dat er als volgt uit.

De oranje blokken zijn de programma’s die door de gemeenteraad zijn vastgesteld en uitgangspunt zijn voor subsidieverlening. Per “oranje blok” stelt de gemeenteraad jaarlijks een subsidieplafond vast. Vanuit deze blokken en de bijbehorende plafonds worden de 4 subsidieboeken geschreven waarbij het college de subsidieregelingen openstelt. De groene blokken zijn de (sectorale) beleidsvelden die als basis dienen voor het opstellen van de subsidieboeken. Deze kunnen tussentijds veranderen, afhankelijk van de vastgestelde en/of nog vast te stellen beleidsplannen en prioritering en uitwerking daarvan. De uit de beleidsvelden voortvloeiende beleidsplannen zijn leidend voor inhoudelijke keuzes over subsidieverlening. Met deze structuur beogen we tegemoet te komen aan de uitgangspunten die we met dit subsidiekader nastreven. We willen een betere koppeling tussen de beleidsdoelstellingen die de gemeente nastreeft enerzijds en subsidieverlening anderzijds. Het tweede uitgangspunt is een transparant, financieel kader met plafonds per programma en periodieke verantwoording over budget en uitgaven. Als derde streven we naar heldere, uniforme ‘spelregels’ voor alle subsidies. Deze spelregels dragen bij aan gelijke behandeling, doelmatige uitvoering, betere dienstverlening en minder verantwoording.

Tot slot lijkt het ons wenselijk en efficiënt om partijen die bijdragen aan onze doelstellingen in het kader van leefbaarheid en brede welvaart meer te faciliteren in plaats van de subsidiëren. We denken dan bijvoorbeeld aan het vrijstellen van gemeentelijke heffingen zoals leges en in overleg ‘om niet’ gebruik maken van onze gebouwen, materialen en diensten. Deze subsidie in natura wordt niet geregeld in de subsidieverordening maar vindt zijn weg in de legesverordening en de jaarlijks vast te stellen lijsten met privaatrechtelijke heffingen. We streven na dat er op die manier minder geldstromen worden rondgepompt en beperken de administratieve lasten voor organisaties die bijdragen aan het realiseren van gemeentelijke (beleids-)doelstellingen. Subsidieprogramma’s In de hiervoor genoemde subsidieboeken worden per programma subsidieregelingen uitgewerkt. Dat gebeurt vanuit de volgende programma’s. Programma Duurzame woon- en leefomgeving Binnen dit subsidieprogramma ontwikkelen we regelingen die bijdragen aan een toekomstbestendige woningvoorraad, een zorgvuldig en klimaatbestendig ruimtegebruik, energiearmoede, een circulaire economie en duurzame mobiliteit. Deze doelstellingen vloeien voort uit het reeds vastgestelde woonen duurzaamheidsbeleid. Afhankelijk van beleidswijzigingen in de nabije toekomst kunnen prioriteiten in subsidieverlening (jaarlijks) wijzigen.

Programma Economische groei Binnen dit programma zetten we in op versterking van de economische structuur van onze dragende sectoren en de arbeidsmarkt. Kwaliteit, diversiteit, innovatie en duurzaamheid zijn sleutelbegrippen bij het opstellen van regelingen. Waardevol toerisme als belangrijke economische pijler krijgt specifieke aandacht.

Op basis van de scenariokeuze Economische agenda werken we de regelingen in 2026 nader uit. De bestaande subsidies voor het bevorderen van toerisme, koop lokaal, ondernemersverenigingen, versterking van de arbeidsmarkt en het enthousiasmeren van jongeren om terug te keren naar ZeeuwsVlaanderen en hier te wonen en te werken zijn onderdeel van de op te stellen regelingen. Programma toekomstbestendige, duurzame Voorzieningen Via dit programma maken we ons sterk voor voldoende, gemeentelijke (basis)voorzieningen op het gebied van Onderwijs, Cultuur- en Erfgoed en Sport. Kansengelijkheid, Inclusiviteit, Stimulering, Participatie, Samenwerking en Eigenaarschap zijn kaders waarop we toetsen. De vast te stellen beleidsvisies Sport(accommodatiebeleid), Cultuur- en Erfgoed en het brede onderwijsbeleid leveren de bouwstenen voor de op te stellen regelingen. Behoud van een minimaal basisniveau is een uitgangspunt. Programma vitale inwoners in sociale kernen. Via dit programma wordt ingezet op meedoen in de samenleving via brede, maatschappelijke dienstverlening. Bereikbare- en toegankelijke zorg en samenwerking over de domeinen heen zijn hierbij uitgangspunten. Enerzijds gebruiken we subsidies voor versterken van de sociale basis in onze kernen. Daarnaast is het voorkomen of normaliseren van zorg een doelstelling binnen dit programma.

Subsidies en algemene voorzieningen zijn onder andere gericht op zelfredzaamheid, bestaanszekerheid en de mentale- en fysieke gezondheid van inwoners. Sturing en evaluatie De (eerste) subsidieplafonds op basis van de nieuwe systematiek zijn samengesteld op basis van de huidige structurele subsidie-uitgaven. Het huidige vastgestelde beleid is het uitgangspunt. Vanaf de Kadernota 2026, uitgangspunt voor de subsidieverlening 2027, kunnen plafonds jaarlijks bijgesteld worden. Voor de structurele subsidies hanteren we het vastgestelde meerjarenperspectief. Voor de incidentele middelen opteren we voor het principe van overheveling naar het volgende jaar totdat de pot leeg is. Het ontwikkelen van een passend dashboard is een uitdrukkelijke wens. Subsidievormen In de verordening regelen we drie vormen van subsidie. De wet omschrijft een subsidie als de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Deze definitie is opgenomen in artikel 4:21 Awb.

Als we deze definitie nader uitwerken dan spreken we over een subsidie als sprake is van: • een bijdrage van de gemeente (= een aanspraak); • ten behoeve van het starten of het in stand houden van een bepaalde activiteit; • waarbij geen directe tegenprestatie bestaat ten gunste van de gemeente; • waarvan het economische belang niet direct voor de hand ligt (immers: ware dat anders, dan is geen subsidie nodig maar houdt een activiteit/organisatie zichzelf in stand); • gericht op het bereiken van gemeentelijke beleidsdoelstellingen en/of een positieve bijdrage aan het algemeen belang levert (die vooraf bepaald kunnen worden in verordening of subsidieregeling); • waarbij richtinggevend uitspraken gedaan kunnen worden over de bestedingsrichting; • waarbij de gemeente geen zeggenschap heeft over de concrete uitvoering van de activiteiten, maar slechts een kader schept met voorwaarden waaraan de activiteiten dienen te voldoen; • waarbij de subsidieontvanger in beginsel vrij is in de manier waarop hij invulling geeft aan de activiteit; • bedoeld als positieve en stimulerende invloed op het gedrag van de gebruiker. Daarmee kan het helpen bij het bereiken van beleidsdoelen. Een bijdrage waarbij geen gemeentelijke doelstelling is betrokken en/of geen activiteiten vooraf zijn bepaald is geen subsidie. In dat geval spreken we over een gift.

Het doen van giften is niet gereguleerd in dit subsidiekader. Eveneens buiten dit subsidiekader vallen bijdragen waarbij het recht wordt bepaald rechtstreeks op een wet (bijvoorbeeld het verstrekken van persoonsgebonden budgetten in de zin van de Wmo of uitkeringen levensonderhoud in het kader van de Participatiewet).

Als sprake is van een directe tegenprestatie voor de gemeente in de zin van goederen, diensten of werken is evenmin sprake van een subsidierelatie. In dat geval spreken we van een inkooprelatie waarop de aanbestedingsregelgeving van toepassing is. In de praktijk kan sprake zijn van ‘grijs gebied’ tussen subsidie en inkooprelatie. Het is aan het college om in een dergelijk geval in een besluit te kiezen tussen subsidiëring of inkoop. In elk geval voor wat betreft de exploitatiebijdragen aan natuurlijke personen of winstbeogende rechtspersonen voor instandhouding en exploitatie van multifunctionele centra en sporthallen maken we expliciet de keuze om deze bijdragen niet in de vorm van subsidieverlening maar in de vorm van dienstverleningsovereenkomsten na aanbesteding vorm te geven. Wanneer een financiële relatie alle kenmerken van een subsidie heeft, dan betreft het een subsidie en is het subsidiekader van toepassing. Het maakt dus niet uit hoe een financiële bijdrage wordt aangevraagd. Budgetsubsidie Onder een budgetsubsidie wordt verstaan een bijdrage in de exploitatie van een rechtspersoon gericht op de uitvoering van gemeentelijk beleid, waarbij de subsidieontvanger deze uitvoering oppakt.

Kenmerkend voor een budgetsubsidie: • kan enkel aan een rechtspersoon worden toegekend; • in beginsel bedoeld voor langjarige subsidierelaties; • gekoppeld aan het boekjaar/kalenderjaar; • kan voor 1 jaar tot ten hoogste 4 jaren worden verleend, waarna een heroverwegingsmoment ontstaat; • bij stopzetting subsidierelatie heeft de subsidie-ontvanger recht op een redelijke overgangstermijn; • op basis van prestatie-afspraken al dan niet in de vorm van een onderliggende overeenkomst. Voorbeelden van budgetsubsidies zijn instandhoudingsubsidies (zoals voor ontmoetingsruimten of sportverenigingen), subsidie voor bibliotheekwerk, voedselbank, musea of theater. Stimuleringssubsidie Onder een stimuleringssubsidie wordt verstaan de subsidie die bijdraagt aan de uitvoering van gemeentelijk beleid en voornamelijk ondersteunend daaraan is bedoeld, ter blijk van waardering of ter stimulering van de subsidieontvanger en die per tijdvak of activiteit wordt verleend. Kenmerkend: • kan aan rechtspersoon of natuurlijk persoon; • gelet op de woordkeuze “bijdraagt aan de uitvoering van gemeentelijk beleid” almede “ondersteunend”, “waardering” en “stimulering” kan vrij breed subsidie worden toegekend voor activiteiten die een gemeentelijk belang dienen.

Met deze nieuwe definitie wordt de mogelijkheid om te anticiperen bij politiek-bestuurlijke wensen groter; • de subsidieverlening per beschikking gebeurt per tijdvak (bijvoorbeeld jaar) of activiteit. Een nieuwe bijdrage moet per tijdvak/activiteit opnieuw worden aangevraagd. • bij de beoordeling van de subsidierelatie staat een activiteit centraal en niet de exploitatie of instandhouding; • in principe kunnen langjarige relaties ontstaan echter zonder dat het vertrouwen ontstaat dat een structurele relatie wordt aangegaan; • niet persé gebonden aan een kalenderjaar/boekjaar maar in de regel zal dit wel zo zijn. Als voorbeeld kan worden genoemd: leefbaarheidssubsidies, evenementensubsidies, dorpsraden, oranjeverenigingen, muziekverenigingen, of sportsubsidies gericht op het organiseren van activiteiten. Projectsubsidie Een bijdrage bedoeld voor de verwezenlijking van een bepaald project, waarbij de realisatie bijdraagt aan het behalen van een gemeentelijke doelstelling en waarbij een derde door dat resultaat primair wordt begunstigd. Kenmerkend: • kan aan rechtspersoon of natuurlijk persoon; • een project is een in de tijd en middelen begrensde activiteit waarin iets wordt gecreëerd;

• de meerwaarde van het gerealiseerde project komt in de regel ten gunste van een derde. Wel kunnen hier voorwaarden aan worden verbonden. • eenmalige bijdrage voor een specifiek project. Bij herhaling van een project dient opnieuw te worden aangevraagd; • per definitie niet gebonden aan een kalenderjaar/boekjaar maar aan de voorziene einddatum van het project. • kan in de vorm van geld of een lening. Voorbeelden: duurzaamheidssubsidies, regeling Volkshuisvestingsfonds. Vormen van subsidie De meest voorkomende vorm van subsidiëring is een bijdrage in geld. Daarnaast kan een subsidie worden verleend in de vorm van een renteloze of laagrentende geldlening of garantstelling. Bij een garantstelling leent de gemeente zelf geen geld uit maar staat de gemeente garant jegens een derde indien diegene die geld leende niet aan de rente en/of terugbetalingsverplichting kan voldoen. Ook bij het verstrekken van een lening of het afgeven van een garantstelling geldt dat deze alleen dan een subsidie is als deze wordt verstrekt met het oog op het behalen van gemeentelijke beleidsdoelstellingen. Een bijdrage in natura, daaronder mede verstaan het verkrijgen van goederen of diensten om niet of een prijs onder de marktwaarde valt niet onder het subsidiebegrip en daarmee niet onder de werking van dit subsidiekader.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1 Definities In artikel 1 is een aantal definities opgeschreven. De subsidievormen, stimuleringssubsidie en projectsubsidie zijn in de algemene toelichting toegelicht.

budgetsubsidie,

In de subsidieregelingen, uitgewerkt in de vier subsidieprogramma’s, worden dezelfde begrippen gehanteerd. Het subsidiebegrip zelf is niet uitgewerkt. Aangesloten wordt bij artikel 4:21 van de wet. Onder een financiële aanspraak worden ook leningen en garantstellingen maar geen verstrekkingen in natura verstaan. Deze stellingname is in de rechtspraak zo bevestigd. Artikel 2 Reikwijdte De bepalingen in deze verordening zijn in beginsel van toepassing op alle subsidierelaties, tenzij hiervan in een bijzondere subsidieverordening wordt afgeweken. In het derde lid is de mogelijkheid genoemd om een bijzondere subsidieverordening vast te stellen. Met het vaststellen hiervan moet terughoudend worden omgegaan. Eén van de doelstellingen van het nieuwe subsidiekader is om de vindbaarheid en leesbaarheid van subsidieregelingen te bevorderen. Dat willen we bereiken door alle regelingen te bundelen in 4 subsidieprogramma’s per thema. Een bijzondere subsidieverordening kan worden vastgesteld bij technisch lastigere materie (bijvoorbeeld bij het verstrekken van leningen of garantstellingen waarbij nadere voorwaarden worden gesteld en waarbij geldt dat deze worde uitgevoerd door externe partijen) of voor besteding van een specifieke uitkering van Rijkswege. In de toelichting op de bijzondere subsidieverordening wordt omschreven om welke reden van deze subsidieverordening wordt afgeweken.

Als gekozen wordt voor een bijzondere subsidieverordening dan gaat het daar in bepaalde voor op deze subsidieverordening. Artikel 3 Bevoegdheid college Artikel 3 regelt de bevoegdheid van het college om de verordeing aan te vullen en uit te werken. Deze nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften en kwalificeren als wettelijk voorschrift in de zin van artikel 4:23 van de wet. Nadrukkelijk geeft de verordening procedurevoorschriften in hoofdlijnen. Subsidies dienen gebaseerd te zijn op wettelijk voorschrift. Deze inhoudelijke voorschriften worden door het college gegeven. De

bevoegdheid van het college is uiteraard wel begrensd. Zo dient de uitwerking gebaseerd te zijn op de door de gemeenteraad benoemde programma’s, binnen het geldende gemeentelijk beleid, en plaats te vinden binnen de door de gemeenteraad hierbij vastgestelde subsidieplafonds. De nadere regels betreffen de inhoudelijke (materiële) overwegingen die zijn gebaseerd op het gemeentelijke beleid en biedt de mogelijkheid om (formele) procedurevoorschriften aan te vullen. Specifiek voor wat betreft de verdelingssystematiek geldt dat het college een keuze moet maken om te voldoen aan artikel 4:26 van de wet. De meest voor de hand liggende verdelingssystematieken betreft het behandelen van aanvragen in volgorde van binnenkomst, loting, verdeling naar rato over alle aanvragers of verdeling aan de hand van kwalitatieve criteria. De verdelingssystematiek is met name van belang vanwege de voorgestane weigering bij het bereiken van een subsidieplafond. Simpel gezegd: op=op. Artikel 4 Subsidieplafonds In artikel 4 komt de rolverdeling tussen gemeenteraad en college tot uiting. De raad besluit, op voorstel van het college, om vier subsidieplafonds per subsidieprogramma vast te stellen. Het college werkt binnen deze plafonds jaarlijks de verschillende subsidieregelingen met deelplafonds uit waarbij de som van de deelplafonds het door de raad vastgestelde plafond niet kan overschrijden.

Bij het (jaarlijks) bijstellen van deze plafonds kan het college deze voorstellen motiveren. De verschillende deelplafonds worden (schaarse) subsidiegelden verdeeld. Dat vraagt transparante, kenbare regelingen waarin, behalve de plafonds, wordt vastgelegd op welke wijze, onder welke voorwaarden subsidie beschikbaar is voor potentiële aanvragers. De subsidieprogramma’s met daarin de verschillende subsidieregelingen worden jaarlijks in het vierde kwartaal voorafgaand aan het subsidiejaar gepubliceerd. Het bereiken van een subsidieplafond is een weigeringsgrond in de zin van artikel 9. Artikel 5 De subsidieaanvraag Artikel 5 omschrijft de wijze waarop een aanvraag wordt ingediend en waar een aanvraag moet voldoen. Deze regels worden door het college aangevuld ingevolge artikel 3. Een aanvraag die niet voldoet aan de gestelde eisen kan, overeenkomstig het bepaalde in de wet, buiten behandeling worden gesteld. Uiteraard mogen alleen die gegevens worden gevragd die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag. Aan de persoon van de aanvrager kan het college nadere eisen stellen ingevolge artikel 3. Het is wenselijk dat bepaalde subsidies enkel aan rechtspersonen wordt verstrekt. Governance speelt hierbij een rol. Het vierde lid is opgenomen vanuit de doelstelling tot deregulering en het verminderen van administratieve lasten.

Bij aanvragen beneden de € 10.000 kan het college in een subsidieregeling bepalen dat minder gegevens worden opgevraagd. De hier genoemde grens houdt verband met de verantwoordingsgrens uit artikel 13. Artikel 6 Aanvraagtermijn De aanvraagtermijnen houden voornamelijk verband met de wijze van verdeling van subsidieplafonds. Zeker bij loting, toetsing aan de hand van kwalitatieve criteria of verdeling naar rato is een sluitingstermijn van belang. Daarnaast is de aanvraagtermijn van belang om te kunnen toetsen of de gevraagde subsidie noodzakelijk is en om voorafgaand aan een activiteit of exploitatie doelen of subsidievoorwaarden te kunnen meegeven. Indien sprake is van een onvolledige aanvraag kan het college een redelijke termijn voor aanvulling geven (hersteltermijn). Deze termijn dient zodanig kort te zijn dat het andere aanvragers die een beroep op dezelfde subsidieregeling doen niet in hun belangen worden geschaad en langer op een besluit moeten wachten. Het niet voldoen aan een aanvraagtermijn, daaronder begrepen een hersteltermijn, kan leiden tot weigering van de gevraagde subsidie. Dit is echter geen dwingende weigeringsgrond. Weigering ligt niet voor de hand indien het plafond nog niet is bereikt, aan de overige voorwaarden kan worden voldaan en het college voldoende beoordelingstijd heeft.

Artikel 7 Beslistermijn In dit artikel worden de beslistermijnen genoemd. In de Awb staan geen dwingende beslistermijnen. Beslistermijnen gelden indien tijdig een volledige aanvraag is ingediend. De opschortingsgronden van artikel 4:15 van de wet zijn van toepassing. Artikel 8 Subsidieverlening Artikel 8 geeft een regeling omtrent het tijdvak van subsidieregeling. In lijn met de algemene toelichting over de verschillende vormen geldt in hoofdregel dat: • projectsubsidies worden verleend voor de voorziene doorlooptijd van het project en dat deze dus jaaroverstijgend kunnen zijn; • stimuleringssubsidies worden verleend voor de voorziene doorlooptijd van de activiteit en dat bij doorlopende of herhalende activiteiten jaarlijks een nieuwe aanvraag moet worden gedaan en jaarlijks een heroverweging plaatsvindt; • budgetsubsidies voor maximaal 4 jaar kunnen worden verleend. Daarbij geldt overeenkomstig artikel 12 dat bij meerjarige subsidies afdeling 4.2.8 van de wet van toepassing kan worden verklaard. Artikel 9 Weigerings- en intrekkingsgronden De algemene weigeringsgronden uit de wet worden hier aangevuld. Het eerste lid bevat imperatieve (dwingende) weigeringsgronden, voornamelijk om aan Europese regelgeving te voldoen. Het tweede lid bevat faculatieve weigeringsgronden waarbij het college beoordelingsruimte heeft. Een weigering vraagt een motivering in de weigeringsbeschikking.

Het college kan per subsidieregeling specifieke grondslagen voor weigering toevoegen die deze verordening aanvullen. Terugvordering is in de verordening als zodanig niet geregeld. Hierbij wordt verwezen naar artikel 4:57 van de wet. Bij besluiten tot terugvordering is de wet, en daaruit voortkomende rechtspraak, leidend. Artikel 10 Verantwoording Artikel 10 laat de mogelijkheid open specifieke voorwaarden te stellen in een beschikking. Uiteraard moet er een duidelijke relatie bestaan tussen de subsidieverlening en de daaraan te stellen voorwaarden. Voorwaarden dienen verband te houden met het doel van de subsidie. Zeker bij budgetsubsidies wordt nadrukkelijk de mogelijkheid opengelaten om prestatie-afspraken in de vorm van een overeenkomst te koppelen aan de subsidieverlening. Artikel 11 Algemene verplichtingen van subsidieontvanger Het artikel bevat zowel een meldingsplicht als een informatieplicht die voor iedere subsidieontvanger geldt. Met de term “zo spoedig mogelijk” wordt bedoeld dat nodeloos tijdsverloop wordt voorkomen. De verkregen informatie (melding) kan aanleiding zijn om nadere afspraken te maken over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het meer tijd geven voor de uitvoering van de activiteiten. Met toepassing van artikel 4:48 van de wet kan de subsidieverlening worden gewijzigd.

Indien niet wordt voldaan aan de meldings- of informatieplicht kan lagere vaststelling en/of later terugvordering aan de orde zijn. Terugvordering zal eerder proportioneel worden geacht indien de subsidieontvanger willens en wetens voor subsidieverlening relevante feiten en omstandigheden niet heeft gedeeld. Artikel 12 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen Optioneel kan het college kiezen om aan meerjarige subsidies de verplichting tot tussentijdse verantwoording opleggen. Deze mogelijkheid wordt niet generiek verplicht gesteld maar komt ter beoordeling van het college en aldus als voorwaarde in de beschikking tot subsidieverlening. Uiteraard kan een tussentijdse verantwoording reden zijn voor bijstelling van de subsidieverlening. De egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de wet. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. De reserve wordt gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen. De mogelijkheid staat enkel open voor ontvangers van (structuele) budgetsubsidie.

Artikel 13, 14 en 15 Eindverantwoording In de artikelen 13, 14 en 15 wordt een onderscheid gemaakt tussen de hoogte van de subsidie zoals deze wordt verleend. Bij meerjarige budgetsubsidies gaat het om het bedrag per jaar. De gevraagde eindverantwoording zijn de basis voor de subsidievaststelling. Artikel 13 stelt dat subsidies tot € 10.000 direct bij de subsidieverlening worden vastgesteld. Om de administratieve lasten voor subsidieontvangers te beperken en (arbeidsintensieve) controlelasten aan de zijde van de gemeente te verminderen wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Dit sluit aan bij de wens naar deregulering en eveneens bij de praktijkervaringen: lagere subsidies leiden zelden tot gewijzigde vaststelling achteraf en terugvordering van subsidiegeld. Wel zitten in artikel 13 een drietal instrumenten om misbruik van subsidiegeld te voorkomen. Zo kan het college alsnog verantwoording eisen in specifieke regelingen, wordt steeksproefgewijs controle uitgevoerd en kan het college alsnog rekening en verantwoording eisen bij gemotiveerde meldingen of gegronde vermoedens dat subsidiegelden niet of onrechtmatig zijn besteed. Artikel 14 ziet op de ‘tussencategorie’ van € 10.000 tot € 50.000. Hoofdregel hier is een inhoudelijk verslag. Het college kan bij subsidieregeling een andere manier van verantwoording verlangen.

Van belang is immers dat aangetoond wordt dat de gesubsidieerde activiteit is uitgevoerd. Bij gemotiveerde meldingen of gegronden vermoedens dat subsidiegelden niet of onrechtmatig zijn besteed kan het college eveneens financiële gegevens opvragen. Artikel 15 ziet op de subsidieverlening vanaf € 50.000. Subsidiegelden zijn gemeenschapsgeld hetgeen een inhoudelijke en financiële verantwoording rechtvaardigt. De vraag of een verklaring van een onafhankelijk accountant noodzakelijk is kan het college beantwoorden bij subsidieverlening vooraf. Artikel 16 Subsidievaststelling Artikel 16 regelt de uiterste termijn waarbinnen een verzoek om subsidievaststelling, inclusief de in de artikel 13 tot en met 15 geregelde eindverantwoording, wordt ingediend. Daarnaast regelt dit artikel hoe en binnen welke termijn het college tot vaststelling overgaat. Subsidievaststelling is in de wet gedefinieerd. De wettelijke bepalingen worden hier niet herhaald. Een subsidievaststelling lager dan de subsidieverlening (en uitbetaling) kan leiden tot verrekening of terugvordering (zie artikel 17 lid 5). Artikel 17 Betaling en verrekening In artikel 17 is de betaalwijze geregeld. Artikel 18 Hardheidsclausule De hardheidsclausule geeft het college de mogelijkheid om in die gevallen die onevenredig zijn alsnog ten gunste van subsidieontvangers af te wijken van bepalingen in deze verordening.

Het moet daarbij gaan om uitzonderingen en om die situaties waarbij met de omstandigheden van het geval geen rekening is gehouden bij de totstandkoming van deze verordening en subsidieregelingen. Artikel 19 Slotbepalingen Uitgangspunt is dat alle subsidieverlening transparant inzichtelijk wordt in één subsidieverordening en vier subsidieboeken waarin per programma subsidieregelingen in één oogopslag zichtbaar worden. Om die reden wordt de Algemene subsidieverordening 2015 ingetrokken. De Verordening Molens en Kerken wordt uiterlijk 1 januari 2027 ingetrokken en daarbij ondergebracht in de subsidieregeling. De hierin genoemde regelingen krijgen een plaats in de onder deze subsidieverordening opgenomen subsidieregelingen. Enkel regelingen die zeer specifiek zijn gelet op de verantwoording, bijvoorbeeld op grondslag van specifieke uitkeringen van Rijkswege of laagrentende leningen, zullen in aparte subsidieverordeningen worden geregeld. In de toelichting op deze bijzondere subsidieverordeningen wordt gemotiveerd waarom wordt gekozen voor een aparte verordening. Deze verordening geldt met ingang van 1 oktober 2025. Voor wat betreft projectsubsidies geldt deze verordening onverkort en direct voor alle aanvragen die vanaf die datum worden ingediend.

Voor budgeten stimuleringssubsidies geldt deze verordening met ingang van alle activiteiten die (al dan niet aan het kalenderjaar gebonden) ingaan per 1 januari 2026. Het vaststellen van dit kader is slechts het begin. We zien het als ontwikkel- en groeimodel. De subsidieregelingen in het programma Duurzame woon- en leefomgeving treden eveneens per 1 oktober

2025 in werking. De overige drie subsidieboeken worden in het eerste halfjaar 2026 voorbereid. Dit doen we op basis van de huidige Subsidieregeling gemeente Sluis 2023 en in overleg met alle betrokken stakeholders. De uitwerking vindt plaats met inachtneming van uw besluiten rondom de nieuwe beleidsvisies zoals Economie, Sport, Cultuur en Sociaal Domein. Het streven is dat alle nieuwe regelingen uiterlijk 1 januari 2027 van toepassing zijn. Uiteraard zijn deze subsidieregelingen jaarlijks bij te stellen. Het actualiseren van beleidsdocumenten, prioriteiten en financiële ruimte in de zin van subsidieplafonds vraagt continue aanpassing. In het kader van het overgangsrecht worden de huidige afspraken en rechten, tot er nieuwe regelingen zijn, gecontinueerd en gerespecteerd. De hoogte van de structurele budgetsubsidies aan verenigingen blijven in 2026 minimaal op het niveau van 2025 (met indexatie waar van toepassing) mits ze voor 1 november 2025 zijn aangevraagd op basis van de oude verordening. Concreet betekent bovenstaande dat de hoogte van de toegekende subsidies voor 2025 minimaal op hetzelfde niveau blijven voor het jaar 2026.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=ad9f5339-fd63-4b42-a7a3-63e0cfede675