04 Erfgoed Zeeland Erfgoedvereniging Heemschut - Bestuurlijke handhaving instandhoudingsplicht Het Hoompje Sluis
Tekst van het document
Gemeente Sluis Ingekomen
3 1 JAN. 2Ŭ2A
24.0013511
eftFGoe&veftentG! ne
HEEMSCHUT
Inkomende documenten Gemeente Sluis
NR
Gemeente Sluis Gemeenteraad van de gemeente Sluis (via Raadsgriffier) i.a.a. het College van Burgemeester en Wethouders Postbus 27 4500 AA Oostburg Middelburg, 30 januari 2024
Betreft: Bestuursrechtelijke handhaving instandhoudingsplicht Het Hoompje Sluis Behandeld door: Dhr. A. (Arjen) Drijgers
Geachte gemeenteraadsleden, Naar aanleiding van een uitspraak van het Hof van Justitie in Den Bosch (zie bijlage) over een strafrechtelijke aanpak van de eigenaar van het Hoompje verzoekt Heemschut u om thans voortvárend en adequaat over te gaan tot daadwerkelijke Bestuursrechtelijke handhaving van de instandhoudingsplicht. Ter toelichting het volgende: Erfgoedvereniging Heemschut heeft, na decennia van verwaarlozing van het Hoompje, medio 2021 Strafrechtelijk aangifte gedaan. Een delict aan te merken als strafbaar gesteld bij art. 1a van de Wet op de economische delicten. Op grond van goed overleg hierover met de portefeuillehouder van de Gemeente Sluis mocht Heemschut een parallel Bestuursrechtelijk traject van handhaving verwachten, bij een impasse in voortgangsgesprekken met- of namens de eigenaar. Ook de voorbereiding daarvan was, na herhaalde stagnatie in contact met de eigenaar, ambtelijk in gang gezet. Met de behandelend ambtenaar onderhield Heemschut daarover contact. Het Hof van Justitie onderkent dat, naast ontvankelijkheid, naast het onderkennen van het niet van toepassing zijn van het “una via” beginsel, er aanwijzingen zijn “die mogelijk kunnen leiden tot succesvolle vervolging”. Maar dat het thans niet opportuun is het Openbaar Ministerie daartoe te brengen. De reden daarvan is gelegen in het niet handhavend optreden door de Gemeente Sluis.
Heemschut is voornemens andermaal Strafrechtelijk aangifte te doen nadat de Gemeente Sluis tot Bestuursrechtelijke handhaving is overgegaan. Een succesvolle handhaving b.v. door het opleggen van last onder dwangsom kan, zo leert de ervaring, ook in Zeeuws-Vlaanderen zeker tot succes leiden (Steenstraat 30 Hulst). Wij verzoeken u nu eindelijk, na decennia van moedwillige verwaarlozing en vruchteloze contacten met de eigenaar, daadwerkelijk de voorwaarde te scheppen voor Strafrechtelijk optreden. Vriendelijke groet, ■O
Erfgoedvereniging Heemschut, afdeling Zeeland Dhr. A. (Arjen) Drijgers, voorzitter
Erfgoedvereniging Heemschut, Vereniging tot Bescherming van Cultuurmonumenten in Nederland Opgericht in 1911. Beschermvrouwe: H.K.H. Prinses Beatrix Provinciale Commissie Heemschut Zeeland, Postbus 49, 4330 AA Middelburg
Voor eensluidend afschrift De griffier van het gerechtshof ’s-Hertoqer tv-s' w
beschikking GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Klachtnummer: K.23/200120
Beschikking van het gerechtshof’s-Hertogenbosch van 9 januari 2024 inzake het beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), ingediend door K. Loeff, directeur van na te noemen vereniging en met hem daartoe door het bestuur van die vereniging verleende machtiging, namens: de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging Erfgoedvereniging Bond Heemschut, vereniging tot bescherming en instandhouding van cultureel erfgoed in Nederland, statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam, hierna te noemen: klaagster, in deze zaak vertegenwoordigd door A. Dríjgers, wonende te Middelburg, in zijn hoedanigheid van voorzitter van de commissie Zeeland van klaagster, bijgestaan door mr. M.G. Hop, advocaat te Dreischor. Het beklag van klaagster is gericht tegen de beslissing van de officier van justitie bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant d.d. 7 februari 2023 om niet over te gaan tot vervolging van: de besloten vennootschap Resort St. Anna B.V., statutair gevestigd en kantoorhoudende te Sluis, hierna te noemen: beklaagde.
De feítelijke gang van zaken. Op 22 juli 2021 heeft voornoemde vertegenwoordiger van klaagster tegen (de bestuurder(s) van) beklaagde (en haar rechtsopvolger(s)) aangifte gedaan van opzettelijke verwaarlozing van het in het rijksmonumentenregister onder nummer 509260 ingeschreven rijksmonument, in de volksmond genaamd ‘Het Hoompje’, staande en gelegen aan de Sint Annastraat 151155 te Sluis. Nadat namens klaagster bij de officier van justitie bij het arrondissementsparket ZeelandWest-Brabant bezwaar was gemaakt tegen de mededeling van de politie in de brief van 1 september 2022 dat de zaak niet verder zal worden onderzocht, is bij beslissing op bezwaar d.d. 7 februari 2023 aan klaagster medegedeeld dat het openbaar ministerie zich kan verenigen met de beslissing van de politie en dat er geen aanleiding is het opsporings onderzoek te heropenen. Ter toelichting is vermeld dat de inschakeling van strafrechtelijke vervolging dient te worden beschouwd als ultimum remedium. Dat wil zeggen dat alleen als is gebleken dat geen enkel ander middel geschikt is, gekozen dient te worden voor de inzet van het strafrechter. Aangezien het in deze zaak van oorsprong een bestuursrechtelijke procedure betreft, geniet die weg dan ook de voorkeur, aldus de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie.
Klaehtnummer: K23/200120
blad 2 Hierop is namens klaagster bij brief van 13 maart 2023 met bijlagen bij het hof beklag gedaan als bedoeld in artikel 12 Sv, met het verzoek de zaak te heropenen en de vervolging van beklaagde te bevelen. Onder toezending van het namens de hoofdofficicr van justitie opgestelde ambtsbericht van 11 september 2023, met bijlagen, en met overneming van het daarin neergelegde standpunt, heeft de advocaat-generaal in het schríftelijk verslag d.d. 3 november 2023 het hof geadviseerd het beklag van klaagster af te wijzen. Op 5 december 2023 is het beklag in raadkamer van het hof behandeld aan de zijde van klaagster.
Het onderzoek in raadkamer Klaagster is in raadkamer verschenen in de persoon van voornoemde vertegenwoordiger, die werd bijgestaan door mr. Hop voornoemd. De advocaat van klaagster heeft het beklag toegelicht aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota met bijlagen, waarna ook de vertegenwoordiger van klaagster het woord heeft gevoerd. Hij is namens klaagster gebleven bij het verzoek de vervolging van beklaagde te bevelen. Indien en voor zover is voldaan aan de voorwaarde dat klaagster krachtens haar doelstellingen en blijkens haar feítelijke werkzaamheden een belang behartigt dat door de beslissing om niet tot vervolging over te gaan rechtstreeks wordt getroffen, bij gebreke waarvan klaagster in het beklag niet ontvankelijk dient te worden verklaard, heeft de advocaat-generaal zich aangesloten bij het in het schríftelijk verslag van zijn ambtgenoot neergelegde advies het beklag af te wijzen. Het hof heeft de behandeling van het beklag aan de zijde van klaagster gesloten en bepaald dat de beschikking zal volgen op heden, 9 januari 2024.
De beoordeling. I
Het beklag van klaagster
Klaagster kan zich niet verenigen met de beslissing om niet over te gaan tot strafrechtelijke vervolging van beklaagde omdat de bestuursrechtelijke weg volgens het openbaar ministerie prevaleert. Klaagster stelt dat de verwaarlozing van ‘Het Hoompje’ duidelijk zichtbaar is en dat door de eigenaar (hof: beklaagde] al jarenlang geen stappen worden ondernomen om het verval te stoppen. Daarmee is volgens klaagster sprake van opzettelijke (stelselmatige) verwaarlozing van een rijksmonument waardoor de cultuurhistorische waarden zijn aangetast. Daarnaast is volgens klaagster ‘Het Hoompje’ al járen onderwerp van gesprek tussen beklaagde en de gemeente Sluis. Omdat een oplossing echter uitblijft, is de inzet van het strafrecht noodzakelijk, aldus klaagster.
Klachtnummer: K23/200120
blad 3
li
De stukken in het dossier
Het hof heeft kennis genomen van de ínhoud van alle stukken in het dossier en baseert zijn beslissing in het bijzonder op de stukken die de feiten en omstandigheden bevatten die van belang zijn voor de beoordeling van het beklag.
III
Ontvankelijkheid
Van de zijde van klaagster is in raadkamer een door haar voorzitter en secretaris op 18 januari 2019 ondertekende machtiging overgelegd, waarbij het bestuur van klaagster haar directeur drs. K. Loeff machtigt om namens haar alle juridische procedures aan te spannen welke noodzakelijk mogen worden geacht om te voldoen aan haar statutaire doelstelling, alsmede om klaagster in rechte te vertegenwoordigen. Voorts heeft de vertegenwoordiger van klaagster in raadkamer een op 30 november 2023 door drs. K. Loeff voomoemd ondertekende machtiging overgelegd, waarbij hij werd gemachtigd om klaagster te vertegenwoordigen in de onderhavige beklagprocedure. Ten slotte heeft het hof via de website van klaagster kennis genomen van haar statuten zoals die zijn neergelegd in de akte van statutenwijziging vereniging van mr. J.G.MĽ Ruijgrok, notaris te Hilversum, d.d. 21 september 2018. Ingevolge artikel 2 , eerste lid, van haar statuten stelt klaagster zich ten doel de schoonheid en het historisch-ruimtelijk karakter van Nederland in het algemeen en van cultuurmonumenten in het bijzonder te behouden, beschermen en in stand te houden.
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat klaagster op de voet van het bepaalde in het tweede lid van artikel 12 Sv kan worden aangemerkt als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in het eerste lid van dat artikel en dat ook overigens is voldaan aan de voorwaarden om klaagster in het beklag te kunnen ontvangen. Klaagster is daarom ontvankelijk in het namens haar ingediende beklag.
IV
Het oordeel van het hof
in het kader van deze beklagprocedure ex artikel 12 Sv ligt ter beoordeling de vraag voor of de beslissing van de officier van justitie om niet over te gaan tot vervolging van beklaagde op goede gronden is genomen. Daarbij is het volgende van belang. Om te kunnen komen tot de gegrondverklaríng van een beklag ais bedoeld in artikel 12 Sv moet het hof allereerst van oordeel zijn dat er op grond van de voorhanden stukken voldoende aanwijzingen zijn - of dat door middel van nader onderzoek alsnog voldoende aanwijzingen kunnen worden vergaard - op basis waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat de strafrechter tot een veroordeling van beklaagde zal kunnen komen. Uitsluitend indíén er, zoals hierboven bedoeld, voldoende aanwijzingen lijken te zijn of zouden kunnen worden vergaard, dient zich vervolgens de vraag aan of een bevel tot strafrechtelijke vervolging van beklaagde ook opportuun is. Bij de beantwoording van die vraag moeten, behalve de belangen van klaagster, ook andere belangen, waaronder het algemeen belang en het belang van beklaagde, worden meegewogen. Deze weging van
Kdachtnummer: K23/200120
blad 4
belangen kan ertoe leiden dat niet in alle gevallen waarin er voldoende aanwijzingen lijken te zijn of zouden kunnen worden vergaard besloten wordt om de zaak aan de strafrechter voor te leggen. Het hof hanteert voormeld toetsingskader als leidraad bij de beoordeling van het beklag en overweegt aan de hand daarvan als volgt. Gelet op de in het beklag van klaagster geponeerde stellingen, de daarbij en in raadkamer overgelegde producties en de namens klaagster in raadkamer verstrekte toelichting, is het hof van oordeel dat er in beginsel voldoende concrete aanwijzingen beschikbaar zijn op basis waarvan kan worden aangenomen dat beklaagde in strijd met de op haar, als eigenaar van een als rijksmonument geregistreerd object, al gedurende (zeer) lange tijd heeft nagelaten reparaties en/of onderhoud uit te voeren of te doen uitvoeren aan ‘Met Hoompje’. Aan hetgeen vanwege klaagster naar voren is gebracht kunnen voorts voldoende aanwijzingen worden ontleend dat als gevolg van het nalaten de noodzakelijke werkzaamheden te (doen) verrichten - onder meer gericht op het herstellen van gebreken aan het dak en de vensters van het pand - wind en regen al jarenlang vrijelijk toegang hebben tot het pand, waardoor het voortbestaan daarvan gevaar loopt.
Naar het oordeel van het hof zouden deze aanwijzingen mogelijk kunnen leiden tot een succesvolle vervolging van beklaagde ter zake van schending van het verbod op het beschadigen en vernielen van een beschermd monument als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet 1998, in verband met het bepaalde in artikel 9.1 van de Erfgoedwet als economisch delict strafbaar gesteld bij artikel la, onderdeel 2 van de Wet op de Economische Delicten. Voorts lijkt naar het oordeel van het hof op basis van de namens klaagster verstrekte toelichting op het beklag aangenomen te kunnen worden dat beklaagde het noodzakelijke onderhoud bewust niet heeft uitgevoerd, zodat de strafrechter mogelijk tot het oordeel zou kunnen komen dat beklaagde het feit opzettelijk heeft begaan. In zoverre zou toewijzing van het beklag van klaagster in de rede kunnen liggen. Echter, niet iedere ogenschijnlijk bewijsbare strafbare gedraging dient als vanzelfsprekend voor de strafrechter te worden gebracht. Immers, bij de vraag of vervolging wenselijk is, moeten behalve de belangen van klaagster, ook andere belangen, waaronder de belangen van beklaagde, worden meegewogen.
Bij de beantwoording van de vraag of een bevel tot vervolging van beklaagde in de onderhavige zaak opportuun is te achten, heeft het hof in het bijzonder gewicht toegekend aan de omstandigheid dat, zoals van de zijde van klaagster naar voren is gebracht, op dit moment door de gemeente Sluis niet handhavend wordt opgetrederr-íegen beklaagde wegens het nalaten van het (laten) verrichten van noodzakelijk onderhoud aan net pand. Volgens de vertegenwoordiger van klaagster wordt een door de gemeente aan beklaagde aangezegde last onder dwangsom niet uitgevaardigd, althans wordt de tenuitvoerlegging daarvan bij herhaling opgeschort, omdat door beklaagde telkens voorstellen/plannen aan de gemeente worden gepresenteerd die, zo begrijpt het hof, van invloed (kunnen) zijn op het behoud en de restauratie van het pand en de gemeente het beweerdelijk constructieve overleg met beklaagde niet wenst te verstoren.
Klachtnummer: K23/20012Ü
blad 5
Naar het oordeel van het hof kan op grond hiervan niet uitgesloten worden dat beklaagde, indien zij thans voor de strafrechter zou worden gedaagd, met succes een beroep zal kunnen doen op het ontbreken van strafrechtelijke relevante verwijtbaarheid zolang door de gemeente niet handhavend wordt opgetreden hangende het kennelijk constructieve overleg. Dit leidt het hof tot de slotsom dat, hoewel van de zijde van klaagster genoegzaam is aangetoond dat in de onderhavige kwestie het 'tmci via ’-beginsel niet van toepassing is, het beklag van klaagster dient te worden afgewezen omdat een bevel tot vervolging van beklaagde thans niet opportuun is.
De beslissing.
Het hof wijst het beklag van klaagster af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.N. van der Spoel, voorzitter, mr. J.J.J. Wubben en mr, P.J.D.J. Muijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van J.M.A.W. Koningstem, griffier, op 9 januari 2024 en is door de voorzitter en de griffier ondertekend.
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open.