CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

03h Verordening Precariobelasting 2026 met wijzigingen in rood (2)

Raad 18 december 2025, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen van de belastingverordeningen 20262.094 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verordening precariobelasting 2026 De raad van de gemeente Sluis

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025; gelet op de artikelen 228 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Samenleving/Middelen van 02 december 2025; besluit: vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en invordering van precariobelasting 2026 (Verordening precariobelasting 2026)

Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: 1.

jaar: kalenderjaar;

3.

week: een periode van zeven achtereenvolgende dagen;

2. 4. 5.

maand: een kalendermaand;

dag: een periode van 24 uren, aanvangende te 00.00 uur, of een gedeelte daarvan;

vergunning: een door het gemeentebestuur verleende en in een gemeentelijke registratie opgenomen toestemming op grond waarvan een persoon een of meer voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond mag hebben.

Artikel 2 Belastbaar feit Onder de naam precariobelasting wordt een directe belasting geheven ter zake van het hebben van

voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, bedoeld of genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 Belastingplicht 1.

De precariobelasting wordt geheven van degene die het voorwerp of de voorwerpen onder, op of

boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, dan wel van degene ten behoeve van wie dat voorwerp of die voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde

2.

gemeentegrond aanwezig zijn.

In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt, indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, degene aan wie de vergunning is verleend of diens rechtsopvolger aangemerkt als degene bedoeld in het eerste lid, tenzij blijkt dat hij niet het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft.

Artikel 4 Vrijstellingen De precariobelasting wordt niet geheven ter zake van het hebben van: a.

voorwerpen, indien de gemeente ter zake van het gebruik van de voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond waarop het voorwerp of de voorwerpen zich bevinden een recht heft op grond van

artikel 229, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet, dan wel een privaatrechtelijke vergoeding is overeengekomen;

b.

voorwerpen, waarvan de gemeente genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is, met

c.

voorwerpen bij kleine en middelgrote evenementen, zoals bedoeld in de nota evenementenbeleid.

d.

uitzondering van voorwerpen die in gebruik zijn bij een derde;

Uithangborden die in het kader van het ROMA-project zijn aangebracht in de Weststraat, Marktstraat, Oude Kerkstraat en Tuimelsteenstraat te Aardenburg en die voldoen aan de door de gemeente gestelde eisen van uiterlijk en mogelijke voorstellingen.

Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De precariobelasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze

verordening behorende tarieventabel, met inachtneming van het overigens in deze verordening bepaalde.

Artikel 6 Berekening van de precariobelasting 1.

Voor de berekening van de precariobelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel

2.

Indien een tarief per oppervlakte is vastgesteld, wordt de precariobelasting berekend naar de

3. 4.

genoemde lengte- of oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als een volle eenheid aangemerkt. oppervlakte van de horizontale projectie van de voorwerpen, tenzij anders is bepaald.

De oppervlakte van andere dan rechthoekige voorwerpen wordt gesteld op het product van de twee aangrenzende zijden van een om het voorwerp geplaatste denkbeeldige rechthoek.

Indien de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de

voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, wordt voor de

berekening van de precariobelasting aangesloten bij de geldigheidsduur van die vergunning, tenzij

blijkt dat het belastbaar feit zich gedurende een kortere periode heeft voorgedaan. In dat geval bestaat 5.

6.

7.

aanspraak op ontheffing, waarbij het vijfde lid van overeenkomstige toepassing is.

Indien in de tarieventabel voor een voorwerp tarieven voor verschillende tijdseenheden zijn

opgenomen, wordt de precariobelasting berekend op de voor de belastingplichtige meest voordelige wijze.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1 wordt voor de berekening van de precariobelasting: a.

indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een weektarief, maar geen dagtarief is

b.

indien in de tarieventabel voor een voorwerp wel een maandtarief, maar geen dag- of

opgenomen, een gedeelte van een week gelijkgesteld met een week;

weektarief is opgenomen, een gedeelte van een maand gelijkgesteld met een maand.

Indien in de tarieventabel voor een voorwerp een dagtarief, weektarief of maandtarief is opgenomen en het belastingtijdvak een langere periode dan een dag, onderscheidenlijk een week of een maand

omvat, gelden deze tarieven per dag, onderscheidenlijk week of maand van het belastingtijdvak.

Artikel 7 Belastingtijdvak 1.

In de gevallen waarin de gemeente een vergunning heeft verleend voor het hebben van het voorwerp of de voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond, is het

belastingtijdvak de periode waarvoor de vergunning is verleend, met dien verstande dat bij een

kalenderjaar overschrijdende geldigheidsduur van de vergunning het belastingtijdvak gelijk is aan het 2.

kalenderjaar.

In andere dan de in het eerste lid bedoelde gevallen, is het belastingtijdvak de in het kalenderjaar gelegen aaneengesloten periode gedurende welke het belastbaar feit zich voordoet of heeft voorgedaan.

Artikel 8 Wijze van heffing 1. 2.

De precariobelasting wordt geheven bij wege van aanslag.

In afwijking van het eerste lid wordt de voor een dag verschuldigde precariobelasting geheven door

middel van een mondelinge kennisgeving, dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

In de gevallen bedoeld in artikel 7, eerste lid, is de precariobelasting verschuldigd bij de aanvang van

2.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak aanvangt is de naar de jaartarieven

het belastingtijdvak of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

geheven precariobelasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat tijdvak verschuldigde belasting als er in dat tijdvak, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle

3.

kalendermaanden overblijven.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingtijdvak eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor de naar jaartarieven geheven precariobelasting voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat

tijdvak verschuldigde precariobelasting als er in dat tijdvak, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 10 Termijn van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in

twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn twee maanden

2.

later.

In afwijking van het eerst lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde

aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan minder is dan € 25.000 (oud: € 10.000) en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen

worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening nog maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd overblijven, met dien verstande, dat het aantal termijnen tenminste vier en ten hoogste negen

bedraagt. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de 3.

4.

volgende termijnen telkens een maand later.

In afwijking van de voorgaande leden moet de precariobelasting, geheven door middel van een

kennisgeving als bedoeld in artikel 8, lid 2, worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de precariobelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 12 Overgangsrecht De ‘Verordening precariobelasting 2025’ vastgesteld op 19 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 13 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 14 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Precariobelasting 2026’. Sluis, 18 december 2025

DE RAAD VOORNOEMD,

De griffier,

De voorzitter,

Mr. P.T.G. Claeijs

Mr. M.M.D. Vermue

Bijlage Tarieventabel Hoofdstuk1 Installaties voor het al dan niet automatisch aftappen van motorbrandstoffen, olie, lucht of water 1

Het tarief bedraagt voor het hebben van:

2026

Oud:

1.1

een aftappunt met toebehoren voor motorbrandstof of olie, per aftappunt, per jaar

€

179,90

175,35

1.2

een aftappunt met toebehoren voor lucht of water, per aftappunt, per jaar

€

51,55

50,25

1.3

een tank voor bewaring van vloeistoffen voor elke m3 inhoud van de tank, per jaar

€

20,45

19,95

2025

Hoofdstuk 2 Terrassen 2.1

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen onder op of boven een terras

2.1.1

de bebouwde kom Sluis, per m2 per maand

€

5,45

5,30

2.1.2

Kaai, Spuiplein en Oranjeplein Breskens, per m2 per maand

€

4,70

4,35

voor:

2.1.3

Boul. de Wielingen Cadzand-bad, per m2 per maand

2.1.4

Ledelplein, Markt, Erasmusstraat, Raadhuisplein en Eenhoornplantsoen Oostburg, per m2 per maand

2.1.5

overige locaties, per m2 per maand

2.2

Het tarief bedraagt voor het hebben van een incidenteel terras:

2.2.1

per dag per 10 m2

€

4,70

4,35

€

3,30

3,20

€

2,85

2,80

€

24,85

24,20

€

40,95

39,90

Hoofdstuk 3 Reclameobjecten 3

Het tarief bedraagt voor het hebben van reclameborden, uithangborden,

verkoopautomaten, lichtbakken, lichtreclame, vitrines, lampen of lantaarns met

opschrift of reclame e.d., per stuk per jaar, voor zover deze geen deel uitmaken van een terras, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze tarieventabel. Hoofdstuk 4 Overige voorwerpen 4.1

Het tarief bedraagt voor het hebben van:

4.1.1

zonneschermen en luifels aan niet-woningen, per stuk per jaar

€

34,90

34,00

4.1.2

uitgestalde zaken langs en aan gevels, per m2 per jaar

€

5,25

5,10

4.1.3

steigers, stellingen, bouwketen, schaftwagens, containers, afbraak- en bouw-

€

2,60

2,55

materialen of door afrastering t.b.v. de uitvoering van bouw-, verbouw- of onderhoudswerkzaamheden, per m2 per week

4.1.4

een vetvang put, per stuk per jaar

€

61,70

60,15

4.1.5

hobbelmachines e.d., per stuk per jaar

€

25,75

25,10

4.2

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een vaste standplaats

voor de verkoop van waren op één dag per week gedurende meerdere weken per jaar:

4.2.1

minder dan 5 m2 / per maand

€

43,75

42,65

4.2.2

groter dan 5m2 / per maand

€

87,40

85,20

4.3

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een vaste standplaats voor de verkoop van waren op 2 of meer dagen per week, gedurende meerdere weken per jaar:

4.3.1

minder dan 5 m2 / per maand

€

87,40

85,20

4.3.2

groter dan 5 m2 /per maand

€

174,90

170,45

4.4

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een incidentele

€

11,00

10,70

standplaats voor de verkoop van waren, anders bedoeld dan onder 4.2 en 4.3 per plaats per dag per 4 strekkend meter

4.5

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. een standplaats, anders

€

8,15

7,95

4.6

Het tarief bedraagt voor het hebben van maximaal 10 waterfietsen in het kanaal

€

540,10

526,40

4.7

Het tarief bedraagt voor het hebben van voorwerpen t.b.v. attracties bij

€

22,25

21,70

dan voor de verkoop van waren, per 10m2 per dag

Sluis-Brugge, per jaar

evenementen zoals snoepkraam, draaimolen, schiettent, springkussen , etc., per attractie per dag

4.8

Het tarief bedraagt voor het innemen van een standplaats voor circussen,

stuntgroepen en tenten (zoals stuntcarshows, luchtacrobatiek, bungyjumping, e.d.):

4.8.1

per attractie tot max. 100 m2, per dag

€

98,00

95,50

4.8.2

per attractie > 100 m2, per dag

€

136,30

132,85

4.9

Het tarief bedraagt voor het hebben van een ondergrondse afvalcontainer: per m3

€

149,60

145,80

per jaar

Behorende bij raadsbesluit van 18 december 2025

De griffier van de gemeente Sluis, Mr. P.T.G. Claeijs

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=3bd830d0-2cd8-4c0c-ba43-8d697cd6f0af