02 Welstandsnota.pdf
Tekst van het document
Pagina 24
6.3.3 Kozijnwijzigingen Van een kozijnwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn. Met name kozijnwijzigingen in de voorgevel of zijgevel als deze gekeerd is naar de openbare weg of het openbaar toegankelijk groen vragen om een zorgvuldige vormgeving. De volgende criteria zijn ook richtinggevend in het geval van een beschermd monument of beschermd dorpsgezicht. Voor deze kozijnwijzigingen vraagt de gemeente altijd advies aan de welstands- en/of monumentencommissie. Doelstellingen: respecteren en in stand houden van het straatbeeld; respecteren en instandhouden van de aanwezige samenhang en ritmiek van de gevel. Algemeen: kozijnwijzigingen voldoen aan de aanvullende richtlijnen van hoofdstuk 5; het plaatsen van een extra kozijn in de voorgevel of een zijgevel die is gekeerd naar de openbare weg of het openbaar toegankelijk groen legt het college voor advies voor aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Plaatsing en aantal: het toevoegen van een extra kozijn beoordeelt de Commissie ruimtelijke kwaliteit, tenzij het een extra kozijn in een achtergevel op begane grondniveau betreft. Maatvoering: de oorspronkelijke maatvoering van het kozijn en de ramen blijft behouden; de diepte van de negge is gelijk aan die van de bestaande situatie; de oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout blijven behouden.
Vormgeving: de hoofdindeling komt overeen met de oorspronkelijke indeling; blinderen met panelen of schilderwerk is niet toegestaan; bestaande lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen en/of rollagen blijven in originele staat behouden. Materiaal en kleur: het materiaal- en kleurgebruik komen overeen met het materiaal- en kleurgebruik van de andere kozijnen in de beschouwde gevel; materiaalwijzigingen var hout naar kunststof of aluminium zijn toegestaan als de oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en/of het raamhout behouden blijven; geen opvallend en/of contrasterend materiaalgebruik toepassen.
Pagina 25
6.4
Objectcriteria
6.4.1 Antennemasten Antennemasten hebben een vrij grote invloed op het aanzien van gebouwen of op de omgeving. Dit heeft te maken met hun forse afmetingen en afwijkende vormgeving ten opzichte van bijvoorbeeld woningen in een woonomgeving. Vooral de keuze voor de locatie van de antenne speelt hierbij een belangrijke rol. Algemeen »
binnen de bebouwde kom, gebieden met welstandsniveau 'historisch', in woongebieden, nabij begraafpiaasten, in of nabij landschappelijk gevoelige gebieden, beschermde dorpsgezichten, nabij kleinschalige dorpskernen of langs waardevolle dorpsrandzones dient een grote mate van terughoudendheid te worden betracht bij de plaatsing van nieuwe installaties.
Specifiek Binnen de bebouwde kom *
de antennemast binnen de bebouwde kom wordt geplaatst op een bedrijventerrein of sportpark. Buiten de bebouwde kom Onder het buitengebied worden de gebieden buiten de bebouwde kom verstaan, ook wel aangeduid als landelijk gebied. Hieronder vallen gebieden met een agrarisch karakter, maar ook natuur- en recreatiegebieden. De gemeente streeft naar een zo gunstig mogelijke landschappelijke inpassing waarbij geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke waarden of natuurwaarden in de directe omgeving. Antenne-installaties dienen op zo'n manier en op zo'n locatie gerealiseerd te worden, dat ze de minste verstoring van de horizon opleveren. Voorwaarden voor plaatsing in het buitengebied zijn:
«
* *
zoveel mogelijk bij reeds gebouwde of gerealiseerde elementen in het gebied. Denk aan bedrijventerreinen, wegen, viaducten, hoogspanningsmasten en verkeersportalen maar ook aan agrarische bedrijfscentra en de daar aanwezige hogere bouwwerken, zoals silo's een locatie in of aan een bos heeft de voorkeur boven een locatie midden in een open weidegebied in beschermd natuurgebied dient een grote mate van terughoudendheid te worden betracht bij de plaatsing van nieuwe installaties.
Afwijkingsbevoegdheid Het college van burgemeester en wethouders krijgt ingevolge artikel 2.10 lid ld Wabo de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met de redelijke eisen van welstand, toch de vergunning te verlenen indien het college van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn. Indien de maatschappelijke behoefte een bepaalde locatie rechtvaardigt, er geen reële alternatieven zijn en de wezenlijke kenmerken en waarden niet in grote mate onevenredig worden aangetast, kan gemotiveerd afgeweken worden van het gestelde in de algemene en specifieke criteria.
Pagina 26
6.4.2 Cataloguswoning Sommige bouwbedrijven hebben catalogussen waaruit een opdrachtgever een woning kan kiezen. Het spreekt voor zich dat de meeste van die woningen niet zonder meer passen in elke omgeving. Dit geldt sterker in de omgeving met welstandsniveau "historisch" dan in welstandsniveau "nieuwbouw".
6.4.3 Dakopbouwen Een dakopbouw is een toevceging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of de dakrand van het dak, waardoor het silhouet van het oorspronkelijke dak wijzigt. De woonruimtebehoefte is n de afgelopen járen sterk toegenomen. Dit betekent dat de nieuwe woningen steeds groter worden, maar het betekent ook dat de druk om de bestaande woningen te vergroten toeneemt. Sommige woningtypen lenen zich minder goed voor de meest voor de hand liggende uitbreiding. Een dakkapel is niet voor ieder woning geschikt. Voor dergelijke woningen is het creëren van extra woningoppervlak binnen het bestaande vloeroppervlak soms wel mogelijk door het bouwen van een dakopbouw. Een dakopbouw is veel groter van schaal en heeft veel meer invloed op het profiel, beeld en aanzicht van de bebouwing. Een dakopbouw is daarom alleen geschikt voor een eenvoudige kapvorm en uitsluitend acceptabel op het dakvlak gekeerd naar het achtererf. Een dakopbouw is een vergunningplichtig bouwwerk. Over deze bouwplannen vraagt het college altijd advies aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Doelstellingen: respecteren en in stand houden van het straatbeeld; voorkomen van een rommelig straatbeeld; in gebieden met een grote seriematigheid streven naar gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat.
Algemeen: een dakopbouw is alleen toegestaan op het hoofdgebouw; dakopbouwen zijn alleen toegestaan in seriematig opgezette woonwijken en dus niet in de gebieden met welstandsniveau "historisch"; op een dakvlak van een woning(blok) waar al dakkapellen aanwezig zijn is het niet meer mogelijk een dakopbouw te plaatsen; het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op wat betreft situering en afmetingen. In veel gevallen zal de nieuwe goothoogte de toegestane goothoogte overschrijden. Medewerking is dan alleen mogelijk door middel van een vrijstelling van het bestemmingsplan; op een dakvlak van een woning(blok) waar al een dakopbouw aanwezig is, gebouwd volgens deze nota, geldt die dakopbouw als te volgen precedent (andere dakopbouwen moeten dus in dezelfde stijl worden uitgevoerd); Plaatsing: alleen toegestaan op zadeldaken; alleen toegestaan op het achterdakvlak; alleen toegestaan op kappen waarvan de helling minder dan 30o bedraagt en de inwendige vrije hoogte onder de nokbalk minimaal 2 meter bedraagt; de nokverhoging vindt plaats door het verlengen van het voordakvlak, waardoor de nok naar achteren verschuift (dakopbouw gericht op achtererf).
Pagina 27
Maatvoering: de kozijnhoogte, gemeten tussen de snijpunten van het kozijn en het dak, bedraagt niet meer dan 0,8 meter; de breedte van de dakopbouw bedraagt minimaal 8096 en maximaal 10096 van de breedte van de woning; bij eindwoningen blijft de dakopbouw minimaal 1 meter vrij ten opzichte van eindgevel. Vormgeving: de hellingshoek van het dakvlak van de dakopbouw is gelijk aan die van het dakvlak van het hoofdgebouw; de bovenkant van het kozijn blijft onder de oorspronkelijke nokhoogte van het dak van het hoofdgebouw; maatverhoudingen van de ramen zijn gerelateerd aan die van het hoofdgebouw. Materiaal en kleur: de materialen en kleuren zijn gelijk aan die van het hoofdgebouw; de zijwangen echter zijn van plaatmateriaal in een donkere kleurstelling.
6.4.4 Installaties Utiliteitsgebouwen zoals horecabedrijven (waaronder strandpaviljoens), kantoren, winkels, bakkerijen etc. beschikken vaak over installaties. Het gaat hierbij om airco's en rookgasafvoeren die men veelal op een plat dak plaats. De Commissie ruimtelijke kwaliteit beoordeelt deze installaties positief als deze visueel zijn weggewerkt (ver van de dakrand, onopvallend kleurgebruik) of bouwkundig zijn geïntegreerd in het gebouw. De situering van het gebouw ten opzichte van de gebouwen in de omgeving en de locatie speelt hierbij ook een rol. Bij voorkeur wordt voor de plaatsing van een warmtepomp gekozen voor plaatsing op de begane grond, in het achtererfgebied en tegen de woning.
6.4.5 Reclame-uitingen Bedrijven maken reclame om de naamsbekendheid te vergroten. Aandacht trekken van de consument en de herkenbaarheid van het bedrijf spelen hierbij een grote rol. In het straatbeeld heeft reclame ook een oriënterende functie voor het publiek. Naast deze functionele aspecten kan reclame, mits goed ontworpen, ook een positieve bijdrage leveren aan het straatbeeld. Bedrijven hebben de neiging tegen elkaar op te bieden. Het risico bestaat dat bedrijven de reclames steeds groter en meer schreeuwend uitvoeren. Het doel van de criteria voor reclame-uitingen is het bieden van spelregels met duidelijke grenzen. Reclamezuilen zijn vergunningplichtig op grond van de Woningwet, gevelreclame is vergunningplichtig op grond van de Woningwet of vergunningplichtig op grond van de APV. Een plan dat voldoet aan de criteria voor reclame-uitingen voldoet aan redelijke eisen van welstand. De gemeente vraagt in dat geval geen advies meer aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Een bouwplan dat niet voldoet aan de criteria legt de gemeente voor advies voor aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. De commissie toetst het bouwplan verder aan de criteria van hoofdstuk 6.1. Welstandscriteria voor reclame-uitingen
Pagina 28
Bij het onderdeel plaatsing, aantal en afmeting is een splitsing gemaakt tussen drie veel voorkomende reclames. Andere vormen zoals zuilen op de grond, reclames op zonneschermen of terrasschotten beoordeelt de Commissie ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de algemene Commissie ruimtelijke kwaliteit (hoofdstuk 6.1) Doelstelling: respecteren en in stand houden van het straatbeeld; voorkomen van een rommelig straatbeeld; bij bedrijfsverzamelgebouwen en winkelstraten met een verbindend element zoals een luifel streven naar gelijkvormigheid wat betreft situering en afmetingen. Algemeen: reclame is plaatsgebonden (direct verbonden aan het pand); geen gevaar of hinder voor publiek; de verlichtingssterkte levert geen hinder op voor mens en dier. De verlichting gaat uit wanneer de winkel sluit, maar in ieder geval om 0.00 uur; reclame mag de gevelarchitectuur niet domineren, maar vormt een ondergeschikte toevoeging aan de gevel en is zoveel mogelijk geïntegreerd in de architectuur van het pand; geen reclame voor diensten of producten die niet in het pand plaatsvinden c.q. verkrijgbaar zijn; niet groter dan voor een goede leesbaarheid van die locatie noodzakelijk is; reclame mag het uitzicht op de openbare ruimte niet ernstig belemmeren; voor reclame-uitingen in een beschermd dorps- of stadsgezicht vraagt het college altijd advies aan de monumentencommissie.
Plaatsing, aantal en afmetingen: wat betreft afmetingen en plaatsing is de reclame in harmonie met de bestaande gevelopzet; maximaal één reclame-uiting tegen de gevel en één reclame-uiting loodrecht op de gevel; reclame laat de aanwezige ritmiek ongemoeid; afstand tot de belending of de zijkant van de gevel maximaal 0,5 meter; geen reclames op het dak of uitstekend boven de gootlijn van een gebouw; plaatmaterialen: De breedte van een reclame-uiting evenwijdig aan de gevel is niet groter dan 7096 van de breedte van de gevel, de hoogte bedraagt niet meer dan 0,5 meter, de reclameuiting bevindt zich tussen de ramen van de begane-grond en die van de verdieping, of tegen de luifel; lichtbak: Een reclame-uiting tegen de gevel heeft een oppervlakte van maximaal 0,5 m2 (0.6 x 0.8 meter); de reclame-uiting bevindt zich tussen de ramen van de begane-grond en die van de eerste verdieping; banier: Een reclame-uiting tegen de gevel heeft een oppervlakte van maximaal 1 m2 (0,5 x 2 meter); de reclame-uiting bevindt zich tussen de ramen van de eerste verdieping maar niet hoger dan de bovendorpel van de kozijnen.
Vormgeving, kleuren materiaalgebruik: knipperende, bewegende en reflecterende reclames zijn niet toegestaan; losse letters en geschilderde letters op de gevel of op de luifel genieten de voorkeur; het aanlichten van reclame teksten geniet de voorkeur boven neonletters of lichtbakken; een donker fond met lichte letters geniet de voorkeur boven een licht fond met zwarte letters (lichtbakken). Aanvullende criteria of opmerkingen voor reclame per gebied:
Pagina 29
Winkelgebieden: de bovengenoemde criteria zijn toepasbaar in de winkelgebieden van Breskens, Oostburg en Sluis. Voor Aardenburg (Weststraat) en alle overige gebieden waar een vermenging aanwezig is van winkels en wonen is altijd een advies van de Commissie ruimtelijke kwaliteit nodig; het is mogelijk en het heeft de voorkeur dat ondememingsverenigingen in samenspraak een op de situatie gerichte afspraak maken die zowel privaatrechterlijk als publiekrechterlijk handhaafbaar is. Sport- en recreatieterreinen: de reclame op sportterreinen moet naar binnen gericht zijn op een hoogte lager dan 2 meter (rondom de sportvelden plaatsen); de reclame op campings e.d. moet naar binnen gericht zijn. Voor de afmetingen op de terreinen zijn de bovengenoemde criteria toepasbaar. Voor de reclame-uitingen gericht naar de openbare weg (aan de ingang van het terrein) is overleg met de Commissie ruimtelijke kwaliteit noodzakelijk. Bedrijventerreinen: een bedrijventerreinen is grootschaliger dan een winkelgebied. Hier zijn in overleg met de Commissie ruimtelijke kwaliteit grotere reclame-uitingen mogelijk. Het verdient aanbeveling te streven naar eenduidigheid bij verzamelgebouwen en naar een centrale bewegwijzering aan de ingang van een terrein.
6.4.6 Prefab units Prefab units gebruikt men veelal om in een tijdelijke behoefte te voorzien bijvoorbeeld als tijdelijke uitbreiding aan een school- of kantoorgebouw. Zogenaamde tijdelijke bouwwerken (maximaal voor een periode van 5 jaar) zijn op grond van de Woningwet uitgesloten van een welstandstoets. Voor het plaatsen van permanente prefab units vraagt het college advies aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Prefab units zijn vaak vormgegeven als rechthoekige doosvorm met wanden van kunststof in een lichte kleur. Prefab units passen daarom vaak niet in de omgeving wat betreft vorm, materiaal- en kleurgebruik en detaillering. De Commissie ruimtelijke kwaliteit beoordeelt deze units in de meeste gevallen negatief.
6.4.7 Zeecontainers Zeecontainers zijn bedoeld als opslagmogelijkheid tijdens het transport van goederen. Een zeecontainer is erg goedkoop en in functioneel opzicht bruikbaar als bijvoorbeeld bergruimte bij openbare gebouwen, agrarische bedrijven, bedrijventerreinen, sport- en recreatieparken. De zeecontainers passen wat betreft vorm, materiaal en detaillering niet in de bebouwde kom of het landelijk gebiedbij de bestaande bebouwing. De gemeente Sluis staat afwijzend tegenover de plaatsing van zeecontainers voor alle gebieden en in alle situaties.
6.4.8 Nissenhutten Nissenhutten en Romneyloodsen zijn loodsen met een halfcirkelvormige doorsnede, opgebouwd uit stalen spanten en dunne staalplaten. De bouwwerken zijn relatief goedkoop. De bouwwerken zijn snel op te bouwen en weer af te breken. Ze zijn bedoeld als tijdelijk bouwwerk. De bouwwerken worden veelal toegepast op bouwterreinen of fabrieksterreinen waarbij ze een tijdelijke functie van opslag of werkplaats vervullen. Nissenhutten en Romneyloodsen zijn niet geschikt voor een permanente plaatsing. Ze zijn samengesteld uit minder duurzame materialen waardoor ze al snel
Pagina 30
een armoedige uitstraling hebben. De nissenhutten passen wat betreft vorm, materiaal en detaillering meestal niet goed in gebouwde omgeving. De gemeente Sluis staat in principe afwijzend tegenover nissenhutten en Romneyloodsen.
Pagina 31
6.5
Materiaalcriteria
6.5.1 Dakpanproflelplaten Een dakpanprofielplaat is een plaatmateriaal dat meestal is gemaakt van metaal waarin een dakpanmotief aanwezig is. De platen zijn verkrijgbaar in diverse uitvoeringen. Vooral in de detaillering en uitstraling is duidelijk waarneembaar dat het om imitatie gaat. Dakpanprofielplaten zijn daarom alleen toegestaan als het gebouw waarop het wordt toegepast op grote afstand van de openbare weg is gelegen, bijvoorbeeld bij de vervanging van asbestgolfplaten van een landbouwschuur. In de bebouwde kom zijn dakpanprofielplaten alleen toegestaan als zij worden toegepast op dakvlakken van bestaande woningen met een helling van maximaal 150. Deze daken zijn in de oorspronkelijke situatie vaak afgedekt met bitumen. De vervanging van bitumen door dakpanprofielplaten is dan een verbetering. Bovendien zijn de daken nauwelijks zichtbaar vanaf straatniveau. Een andere toepassing is op lage bijgebouwen op het achtererf. In alle andere gevallen staat de gemeente Sluis afwijzend tegenover de toepassing van dakpanprofielplaten.
6.5.2 Damwandprofielplaat Damwandprofielplaat is een geprofileerde stalen plaat die loodsenbouwers veel toepassen voor wand- en dakbeplating van loodsen op bedrijventerreinen en bij agrarische bedrijven. Dit materiaal heeft een industriële uitstraling. De gemeente Sluis staat in principe afwijzend tegenover het gebruik van deze platen in een woonomgeving (bebouwde kom), tenzij het een architectuur ondersteunende functie heeft.
6.5.3 Geglazuurde dakpannen Een nadeel van geglazuurde pannen is dat ze wat betreft textuur sterk afwijken van de veel toegepaste dakpannen. Geglazuurde pannen hebben een erg glad oppervlak in tegenstelling tot gewone gebakken pannen. De reflectie van zonlicht wordt door omwonenden bovendien vaak als hinderlijk ervaren. De gemeente Sluis staat in principe afwijzend tegenover het gebruik van geglazuurde dakpannen.
6.5.4 Prefab beton Prefab beton is een materiaal dat loodsenbouwers veel toepassen als wandbekleding van loodsen op bedrijventerreinen en bij agrarische bedrijven. Dit materiaal heeft een industriële uitstraling. Deze uitstraling past in principe niet in een woonomgeving (bebouwde kom), tenzij het een architectuur ondersteunende functie heeft. Naast prefab beton wandelementen bestaan er ook prefab betonnen bouwwerken zoals garages, bergingen en dierenverblijven. De gemeente Sluis staat in principe afwijzend tegenover het gebruik van prefab beton. In de volgende gevallen is prefab beton welstandshalve voorstelbaar: als wandbekleding van de gevels van bedrijfspanden op bedrijventerreinen en bij agrarische bedrijven, mits dit aansluit bij het karakter van de bestaande omgeving; prefab beton bijgebouwen op het achtererf bij woningen, mits dit aansluit bij het karakter van de bestaande omgeving.
Pagina 32
7
Excessenregeling
Ook bestaande (omgevingsvergunningvrije) bouwwerken moeten aan minimale welstandseisen voldoen. Volgens artikel 19 van de Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar van een bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Volgens datzelfde wetsartikel kan het college alleen aanschrijven als de gemeenteraad hiervoor criteria heeft vastgesteld. Een exces betreft altijd een bouwwerk of een aspect daarvan dat omgevingsvergunningvrij is. Voor omgevingsvergunningplichtige bouwwerken zijn in de welstandsnota al welstandscriteria opgenomen die de gemeente op de reguliere wijze kan handhaven. De gemeente Sluis hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Het uiterlijk van een bouwwerk is in ernstige mate in strijd met redelijke eisen van welstand als: het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, zoals bijvoorbeeld het afdichten van gevelopen ngen of het plaatsen van een ondoorzichtige erfafscheiding op locaties die juist om openheid vragen; het beplakken I dichtplakken van ruiten met folie, reclames met plakletters, etsglas etc.
bij bedrijven en winkels, die zich juist naar de openbare ruimte dienen te presenteren met een optimale transparantie; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk. Waaronder ook aantasting van de kenmerkende hoofdvorm van karakteristieke bebouwing. armoedig materiaalgebruik bij erfafscheidingen, bijgebouwen en overkappingen die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaal zijn rietmatten, beddenspiralen, oude deuren, golfplaten, zeildoek; armoedig materiaalgebruik bij gevelbekleding die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
Voorbeelden van armoedig materiaal zijn kunststof schroten en industriële beplating; een overdaad aan overbodige (technische) installaties die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte; toepassing van felle of contrasterende kleuren op gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte; te opdringerige reclames die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, zoals te dominant aanwezige bewegende en/of lichtgevende reclames; verloedering en verwaarlozing door achterstallig onderhoud door; o gedeeltelijke afbraak, instorting of verwaarlozing van een gebouw of bouwwerk; o een gebouw dat aan de buitenzijde geheel of voor een groot deel is beschadigd (bijvoorbeeld kapotte ruiten, scheurvorming in muren, instortende dakdelen/ontbrekende pannen, ontbrekende of rottende kozijnen en dakgoten, afbladdering van verflagen etc.) een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria)
Pagina 33
8
Slotopmerkingen
Deze nota vervangt de Welstandsnota gemeente Sluis 2012 die de raad heeft vastgesteld op 27 oktober 2011. Wanneer de raad nieuwe bestemmingsplannen vaststelt, gelden de bijbehorende beeldkwaliteitseisen voor het betreffende ontwikkelingsgebied in plaats van de welstandsnota. Indien de raad expliciet vaststelt dat een ontwikkelingsgebied welstandsvrij is dan gelden er in dat gebied geen welstandseisen.
Pagina 34
Bijlage 1 Begrippen A Aanbouw een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht). Achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen (Definitie Besluit omgevingsrecht) Afdak dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen. Antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. B Band horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen of baksteen. Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde. Bedrijfsbebouwing gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter. Beschermd monument Rijks-, gemeentelijk of provinciaal monument, aangewezen en beschermd op grond van resp.
de Monumentenwet 1988, gemeentelijke Erfgoedverordening of de Provinciale monumentenverordening. Bestemmingsplan bestemmingsplan, provinciaal inpassingsplan of rijksinpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening dat van toepassing is op de plaats waar de activiteit wordt of zal worden verricht en de krachtens dat plan gestelde nadere eisen. Bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning often aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Bijbehorend bouwwerk functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak. (Definitie Besluit omgevingsrecht) Bijgebouw een op zichzelf staand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en door ligging, constructie en/of afmetingen daaraan ondergeschikt is. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht). Blinde muur of gevel gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. Boeiboord opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Boerderij gebouw of gebouv/en op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis waaronder de hallehuisboerderijen en andere typen.
Bouwblok een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt. Bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten. Bouwlaag verdieping van een gebouw. Een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balken is begrensd. Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Buitengebied buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd. Bungalow meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.
Pagina 35
Buurtschap een kleine bewoonde plaats met een soms een eigen naam en vaak zonder duidelijk middelpunt zoals een kerk of marktplein in het buitengebied. C Carport een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of ander bouwwerk en een van boven afgesloten c.q. afgedekte ruimte van een open constructie met maximaal één wand, bedoeld voor de stalling van motorvoertuigen. D Dak afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht. Dakhelling de hoek van het dak ten opzichte van een horizontale vlak. Dakkapel uitbouw op een hellend dakvlak. Daknok hoogste punt van een schuin dak. Dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Dakraam raam in een hellend dak. Dakvoet laagste punt van een schuin dak. Detail ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam. Dijklintbebouwing aaneengesloten bebouwing langs een dijk. E Ensemble architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden. Erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
Erker een al dan niet tot de vloer uitgebouwde toevoeging aan de gevel van een gebouw . F Flat groot kantoor- of woongebouw met meerdere verdiepingen. G Galerij gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Geleding verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen. Gepotdekseld gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering tegen te gaan. Gevel buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel). H Hoekkeper de snijlijn van twee aangrenzende dakschilden die elkaar onder een uitspringende hoek snijden, hetgeen onder andere het geval is bij bv. schildaken en stolpdaken. Hoofdgebouw een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Hoogbouw gebouwen van meer dan vier lagen. I Individueel gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw. K Kavel grondstuk, kadastrale eenheid. Karakteristiek pand pand dat van waarde is op grond van de uitwendige hoofdvorm, bepaald door
Pagina 36
dakvorm, goothoogte, nokhoogte, nokrichting, dakhelling, gevelindeling en karakteristieke elementen. Karakteristieke elementen elementen aan een pand zoals windveren, makelaars, raamluiken, pannenspiegel (stolpboerderij), schoorsteen, dakkapel, kroonlijst, dakgoot, typerende detaillering van hout-en metselwerk. Keper zie hoekkeper Kern centrum van een dorp of stad. Klossen uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. Kop in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw. L Laag zie bouwlaag. Laagbouw gebouwen van één tot drie lagen. Landelijk gebied zie buitengebied. Latei draagbalk boven gevelopening. Lessenaarsdak dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. Lichtkoepel raamconstructie in een plat dak, in de vorm van een koepel. Lijst een al dan niet versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Lint langgerekte weg met daarlangs bebouwing. Luifel een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur. M Maaiveld bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht Mansardekap dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat. Massa volume van een gebouw of bouwdeel.
Metselverband het zichtbare patroon van metselwerk. N Nok horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak. O Omgevingsvergunning vergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onderbouw het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een gebouw. Ondergeschikt voert niet de boventoon. Ontsluiting de toegang tot een terrein of een gebouw. Oorspronkelijk gebouw het noofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. Als aan de hand van een originele vergunning niet meer is vast te stellen wat als oorspronkelijk hoofdgebouw kan worden aangemerkt, zal in de praktijk veelal aan de hand van de historische kenmerken van het hoofdgebouw (bijvoorbeeld steenkleur, voegwerk of andere detailleringen) bepaald kunnen worden wat de oorspronkelijke omvang was van het gebouw en welke gevels 'oorspronkelijk zijn. Als dat ook verder geen uitkomst biedt zal het gehele hoofdgebouw (met uitzondering van de bouwkundig en functioneel ondergeschikte aangebouwde onderdelen) aangemerkt moeten worden als oorspronkelijk hoofdgebouw.
Openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
Pagina 37
Oriëntatie de richting van een gebouw. Overkapping een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven. Overstek bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel. P Paneel rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting Plaatmateriaal bouwmateriaal dat in plaatvorm. geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (onder andere trespa) of staal (vlak of met profiel). Planmatige bebouwing groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld plan. Plint een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw. Portiek gemeenschappelijk trappenhuis. Piramidedak dak bestaande uit vier gelijk hellende vlakken die elkaar bovenaan in een punt ontmoeten. R Rabatdelen planken met duidelijk duidelijke groeven. Renovatie vernieuwing van een gebouw. Rijtjeshuis huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende woningen. Rollaag horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. Rooilijn de lijn/grens waarachter bebouwing is toegestaan S Serre voornamelijk uit glas (gevat in ijzer, hout of kunststof) bestaande uitbouw aan een woonhuis, die via deuren in directe verbinding met de tuin staat. Schilddak dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken. Schuur bijgebouw ten behoeve van opslag.
Situering de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving. Solitair gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw (kan geschakeld). T Textuur de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk). U Uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht). V Voorgevel lijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk. Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening. Voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. (Definitie Besluit omgevingsrecht) W Windveer plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen. Woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
Pagina 38
z Zadeldak dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen. Zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk.
Bijlage 2 kaarten historisch welstandsniveau Aardenburg
7 f: 7;
Mli
JU Aarden
Breskens V»oüa Fss?
F@frv BfeefeöR*
y.ŗ
BCľS
ā JáM
itìļļM \ .^tľľįL,;
, rr n
Pagina 40
Cadzand
\\V‘
y\ V
'isíiweg
Draaibrug
•■sįįp-vţ:
'T „gosîöţrřfgsswey
Dfoaŵíug
Pagina 41
Eede ------------- 1 1 í î I | L.i-
i
êíísï'Sîŗi»sŵa»1
SSš22-^--
rļI J 5 1 "líļ ļ j 1 ; | ļ‘
SM J«
_^
II.. 11 í
,0ofsfr
Groede CsteíïoşïB',
,Ķ--;Ç
k.
i
sVMtm?íįp-—ġŗ
Os StiJ®WÜ3*fļg
Pagina 42
Hoofdplaat
IJzendijke
\
r\ --s-
. «
2
įJJįl
Tĩiįďtñwĉį.., ^•’tfŵėnwVg ^í'iatinŵHg
Pagina 43
Nieuwvliet
şg^SäŝSÇ
'Msaèmìiŵì
Amifnnj
iel
: -
- -
»
m p:
.kì-ž-jĻLĴžŗįj
ŞUŵíiįįk
•mįjm *į?ý i:ļ: H; H
lüîlüit
íŗļP !ŗ-.
į
Ij t -4"rr - j-. ■-v ::l
. -
'
:~i
T'MsP1
feą \ J ,,
Oostburg
„Aŭ-ëi*
SÉ8İS
ĢrooSŵ öaî-i '-.ègdiíįveflSe.'üe-ài
SÄ^Sţçwăart
Pagina 44
Retranchement
HicV.maiŵi
itranchamom
■'Ŵèiaÿa*Ŵŭ- ‘
Schoondijke
Technopiufc'
\ ' - \ ’
-
ĚV^A
A' sV
'•vN*
Pagina 45
Sint anna ter muiden
ĒSJ
;
Mg
Sint Kruis
W*sh».w:
Pagina 46
RrnenoanJ
ăřiŕ-Ļfí
Nieuwe Vsa
WŽìsMž,
Waterlandkerkje
^«65 frlandkerkjè
1^‘í//
Pagina 47
Zuidzande
mŝ
K A
Pagina 48
Bijlage 3 Uitwerking algemene welstandscriteria Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen.
Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaalculturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit.
Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties in het ontwerp zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat die passen in de huidige tijd en context. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als bepaalde vormen regelmatig voorkomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en reopen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante
Pagina 49
gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl.
Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie.
Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen.
Pagina 50
De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compo-sitie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleuren licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en passen in de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan. Door middel van materialen, kleuren en iichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar.
De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.
Pagina 51
Bijlage 4 leidraad van Rijksdienst voor cultureel erfgoed RĪļksdienst voor het Cultureel Erfgoed
H
Ministers ran Owtowfs, Cultuur ei Weimthaņ
Meer mogelijkheden voor zonnepanelen op erfgoed Gemeenten hebben de mogelijkheíd een vergunning te verlenen voor het plaatsen van zonnepanelen op erfgoed In het richt als plaatsing uit het zicht niet msgetiįk is. Oe criteria voor het verlenen van een vergunning zijn voortaan de mate van visuele verstoríng van het erfgoed en of er sprake is van een zorgvuldig afgewogen ontwerp. Dat staat in het nieuwe advies beleid van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) Zo kunnen gemeenten bijdragen aan het landelijke beleid dat past binnen het Kiimaatakkoard.
Dit blijft hetzelfde: uit het zicht
ì^ēfŵvŵgunnmg;
Industrieel erfgoed
Hei ís f»ef műgeJjjk om zonnepanels?! uit teei zichue plaatsen
HĩS ÎSéïìtÄïċ dŴŴïlí Sff ăñ vöôîíżēíŵl K
äŵŵaarvsmiìí ŵ^rŵare mmźt
||f Elders ©pwekken voor «gen gebruik sš n*el fnogelijfcoî eí-i'kîŵ*I
Ääüŗew îtKä^ijk ms* p,írî •?í!fp«Ãiijļ ■ořŵMisepŖftîŵ-
f|| Cr wordt m geen euftuurtì«foís«ĩse
groēiw^rdeg gekapt
'ţį fr is een zorgvuldig ontworpen pfcm opgeheld en visuele versiűtisng wordt vooefe^rast
Lan d h u is/buitenplaats
C&èpġńífeřş dakvorm. cSąfe-
Soms ft bet nTíĩgčŭjk öřtt de
fegáěfŵíng m CíátäAutŵiïöibċhe wŵsŵo mśm žoflfiepaneteft mtm.śůň met wřnsí&įfc
ZôtVTtîţįâíhiìėît
hžĩpSřösS
tt píaatsen zonder waardevefts
jjj
grûe?u,BňäsĖ.Åŝ!ï îė mxm
Pandeigenareri: ver;gunning aanvragen bij gemei 1 voo? hei
Grachtenpanden
Járen 30-wönifigen
De maGWŴtC pdi'äŵíi 81 dřl vOOŴ«*íl
MŴ ws3®feeeki:íîpt. ĩsŵ pŵn op
í«jr. zorçputög uft hei ZKhţ geptaate*
det@éř.4Ŵ» ğêjsäŵŵS vö^sm ee«
zpfirwţKįfwHtert iş ateîd een wstgpifi&g nodig 1 Met å&eieśd vso de gemeente ts altrui ie*dend tn km afweken van liet; beferd van de RCE 1 Bij íąu-õiŵïť- panden lan ŵ* fiCf gevíaagd morden oïTt advies
Ga voor alle voorwaarden en categorieën naarde publicatiereeks zonne-energie en erfgoed: «nsav.cuttureelerfgoed.nl/duurzaam
Pagina 52
*n r.i J»
Welstandsnota gemeente Sluis 2012
Yastgesteld in de raadsvergadering van 27 oktober 2011
ínhoud ínhoud...................................................................................................................................... 1 1. Inleiding en leeswijzer........................................................................................................ 2 1.1 Inleiding.... ......... 2 1.2 Leeswijzer................................... 2 2. Wettelijk kader...................................................................................................................3 3. Werkwijze welstandscommissieen procedures................................................................. 4 3.1 Samenstelling welstandscommissie........................................................................... 4 3.2 Werkwijze van de commissie..... ............................................................................... 4 3.3 Aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen.............................................. 4 3.4 Aanvraag om omgevingsvergunningvoor het voeren van reclame............................ 4 3.5 Monumenten en beschermd dorpsgezicht................................................................. 4 4. Doelstellingen en uitgangspunten vanhet welstandsbeleid............................................... 5 5. Gebiedsbeschrijving .............................. 6 6. Welstandscriteria....... .........................
13 6.1 Algemene welstandscriteria.................... 14 6.2 Gebiedsgerichte criteria en welstandsniveaus......................................................... 17 6.3 Sneltoetscriteria............................... 19 6.3.1 Bijbehorende bouwwerken................................................................................... 20 6.3.2 Dakkapellen..........................................................................................................22 6.3.3 Erf- of perceelafscheidingen........ .................... 24 6.3.4 Kozijnwijzigingen.......................... 25 6.4 Objectcriteria........................................ .................................................................. 26 6.4.1 Antennemasten.................................................................................................... 26 6.4.2 Cataloguswoning.......................... 26 6.4.3 Dakopbouwen....................................................................................................... 26 6.4.4 Installaties op het dak.............................................. 27 6.4.5 Reclame-uitingen..................................................................................................28 6.4.6 Prefab units.................................. 29 6.4.7 Zeecontainers...........................................
30 6.4.8 Nissenhutten.........................................................................................................30 6.5 Materiaalcriteria...................... 31 6.5.1 Dakpanprofielplaten.............................................................................................. 31 6.5.2 Damwandprofielplaat............................................................................................ 31 6.5.3 Geglazuurde dakpannen....................................................................... 31 6.5.4 Prefab beton ............................... 31 7 Excessenregeling.................................. 32 8 Slotopmerkingen............................................................................................................. 33
Pagina 1
ï.
Inleiding en leeswijzer
1.1
inleiding
De gemeenteraad heeft op 24 apri! 2008 een gewijzigde Welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota uit 2004 heeft daarmee (op basis van de opgedane ervaring in de voorafgaande járen) plaatsgemaakt voor een beknopt, leesbaar stuk met meer algemene uitgangspunten en richtlijnen. De nadruk van het welstandstoezicht ligt op het behoud van het beeld van de karakteristieke kernen. De aanleiding om opnieuw een gewijzigde Welstandsnota vast te stellen is nu de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze wet is per 1 oktober 2010 in werking getreden. De Welstandsnota moet worden aangepast aan de terminologie van de nieuwe wet (bijv. de aanduiding bouwvergunning komt te vervallen en het onderscheid lichte en reguliere bouwvergunningen komt geheel te vervallen). Daarnaast is een bestuurlijke afweging noodzakelijk van de te stellen welstandseisen in relatie tot de werking van het Besluit omgevingsrecht. Voor bepaalde bouwactiviteiten is geen omgevingsvergunning vereist, mits geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Een bewuste afweging van de consequenties van die bepaling is gewenst en heeft plaatsgevonden bij de vaststelling van deze nota.
1.2
Leeswijzer
Voor een doelmatig en efficiënt gebruik van deze welstandsnota is het van belang dat de nota aan de hand van de volgende leeswijzer gehanteerd wordt: 1. 2.
Doelstelling en uitgangspunten van het welstandsbeleid (Hoofdstuk 4). Gebiedsbeschrijvingen (Hoofdstuk 5). Hier staan de kern, de straatnaam en het bijbehorende welstandsniveau beschreven. 3. Gebiedsgerichte criteria en welstandsniveaus (Hoofdstuk 6.2). In dit hoofdstuk zijn de richtlijnen die horen bij het welstandsniveau opgenomen. 4. Sneltoetscriteria (Hoofdstuk 6.3). Hierin zijn concrete criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken zoals bijvoorbeeld een dakkapel of een bijbehorend bouwwerk opgenomen. Het is gewenst eerst de toelichting op de sneltoetscriteria aan het begin van dit hoofdstuk te lezen. 5. Objectcriteria (Hoofdstuk 6.4). Hierin zijn de criteria die zich richten op een object zoals een dakopbouw of een reclame-uiting beschreven. 6. Materiaalcriteria (Hoofdstuk 6.5) Hierin worden de criteria die zich richten op bijzondere materialen zoals dakpanprofielplaten genoemd. 7. Algemene welstandscriteria (Hoofdstuk 6). Tot slot is het van belang van de algemene welstandscriteria kennis te nemen omdat deze, naast de meer concrete criteria en richtlijnen, ten grondslag liggen aan de beoordeling van ieder plan.
Pagina 2
2.
Wettelijk kade r
De Woningwet regelt dat iedere gemeente een eigen welstandsbeleid moet formuleren wanneer ze plannen wil laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De Woningwet regelt verder dat de gemeente daarvoor een welstandsnota vaststelt en dat: de gemeente gebiedsgerichte criteria kan opstellen en aan die gebiedscriteria een norm kan koppelen: zo kunnen voor een beeldbepalend gebied strengere eisen gelden dan voor een reguliere woonwijk; het college repressief (achteraf) kan optreden tegen excessen; de welstandsvergaderingen openbaar moeten zijn; het college één maal per jaar verantwoording aflegt aan de gemeenteraad over de uitvoering van het welstandbeleid; de welstandscommissie de welstandsnota hanteert voor de beoordeling van bouwplannen.
Pagina 3
3.
Werkwijze welstandscommissie en procedures
3.1
Samenstelling welstandscommissie
De welstandscommissie van de gemeente Sluis bestaat uit drie deskundige leden en een burgerlid. De deskundige leden hebben een architectenopleiding gevolgd. Het burgerlid is een geïnteresseerde inwoner van de gemeente Sluis zonder architectuurachtergrond.
3.2
Werkwijze van de commissie
Eens in de twee weken vergaderen een gemandateerde architect en het burgerlid in Oostburg. Tijdens deze vergaderingen behandelen deze twee personen vooroverlegplannen en aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Voor bouwplannen waarvan het college verwacht dat deze een grote invloed zullen hebben op de ruimtelijke ordening vraagt het college advies aan de voltallige welstandscommissie. De commissie adviseert schríftelijk. Een negatief advies voorziet de commissie van een motivering. Op verzoek van de gemeente motiveert de commissie ook een positief advies. De welstandsvergaderingen zijn openbaar. Dat wil zeggen dat iedereen de behandeling van de aanvragen kan bijwonen. De behandeling van vooroverlegplannen is niet openbaar. Aanwezigen hebben geen spreekrecht. De aanvrager van een omgevingsvergunning kan een verzoek indienen om zijn of haar plan toe te lichten.
3.3
Aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
Het college vraagt voor alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" advies aan de welstandscommissie.
3.4
Aanvraag om omgevingsvergunning voor het voeren van reclame
Het college vraagt voor alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit "voeren van handelsreclame" advies aan de welstandscommissie.
3.5
Monumenten en beschermd dorpsgezicht
De gemeente Sluis heeft meer dan 100 rijksmonumenten. St. Anna ter Muiden is een beschermd dorpsgezicht. Wanneer een bouwplan een rijksmonument betreft of wanneer het bouwwerk ligt
binnen de grenzen van het beschermd dorpsgezicht vraagt het college in eerste instantie advies aan de monumentencommissie en dan pas aan de welstandscommissie. Bij voorkeur behandelen de monumenten- en welstandscommissie het bouwplan gezamenlijk.
Pagina 4
4.
Doelstellingen en uitgangspunten van het welstandsbeleid
De doelstellingen en uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn: behoud en verbetering van de leefomgeving. Bouwwerken hebben een lange levensduur en beïnvloeden het straatbeeld en het welzijn van de inwoners vaak gedurende een mensenleven; sneltoetscriteria en richtlijnen zijn richtinggevend. Maatgevend is of een bouwplan past in de omgeving waarbij de commissie rekening moet houden met toekomstige ontwikkelingen; gemeenschappelijk belang gaat voor individueel belang; onpartijdig toetsingskader bieden ter bescherming van het algemeen belang; dorpscentra, historische gebieden en doorgaande wegen zijn belangrijker dan woonwijken; straatbeeld (openbare ruimte) is belangrijker dan achterkantsituatie. Bij de toepassing van de welstandscriteria betrekt de welstandscommissie in haar advies deze doelstellingen en uitgangspunten. Hetzelfde geldt voor de uiteindelijke besluitvorming van het college van burgemeester en wethouders.
Pagina 5
5.
Gebiedsbeschrijving
Inleiding West Zeeuws-Vlaanderen heeft een interessante geschiedenis. Een geschiedenis die vaak gaat over de strijd tegen de zee en de strijd om indringers buiten de deur te houden. De vele polders met omringende dijken en de vestingwerken van Sluis en Retranchement getuigen nog van die geschiedenis. Uit de aanwezigheid van bouwwerken, plaats- en straatnamen blijkt dat veel plaatsen die nu kilometers van de zee verwijderd liggen in het verleden een directe relatie hadden met de zee. De historie gaat terug tot ca. 50 jr. v Chr. (komst van de Romeinen in ons gebied). Daarnaast zijn er ook bewoningssporen uit de pre-historie teruggevonden. Geschiedenis staat in Nederland tegenwoordig weer in de belangstelling. Ook in de gemeente Sluis is dat merkbaar. Voorbeelden hiervan zijn het restaureren van delen van de Staats-Spaanse linies en de grote publieke belangstelling die ontstaat bij de voorgenomen sloop van historische gebouwen. De wederopbouwplannen na de Tweede Wereldoorlog hebben ook in belangrijke mate bijgedragen aan de identiteit van het gebied. Het verder blootleggen van de cultuurhistorie vormt een onderdeel van het gemeentelijke cultuurbeleid. Een groot deel van de beroepsbevolking (ca 4096) van de gemeente Sluis ontvangt direct of indirect inkomsten uit het toerisme. Naast zon, zee en strand heeft de gemeente een aantal interessante historische plaatsen.
Het spreekt voor zich, dat deze historische plaatsen een belangrijk aandeel hebben in de aantrekkingskracht van de gemeente Sluis op de recreanten. Deze welstandsnota zoekt aansluiting bij het historisch verleden, het cultuurbeleid en de economie. Wederopbouw * In november 1944 was in West Zeeuws-Vlaanderen 3596 van het woningbestand geheel verwoest en was 1596 zwaar beschadigd. Bijna alle boerderijen waren verwoest. Voor het ontwerp van stedenbouwkundige plannen voor de diverse kernen werden de volgende stedenbouwkundigen aangesteld: - Ir. A. Rothuizen voor Breskens en Schoondijke; - Ir. PJ. 't Hooft voor Biervliet, Groede, Hoofdplaat, Nieuwvliet en IJzendijke; - Ir. F.H. Klokke voor Aardenburg, Cadzand, Oostburg, Retranchement, Sluis, Waterlandkerkje en Zuidzande. Ir. Klokke werd bovendien aangewezen als supervisor voor geheel Zeeland. Hij was een aanhanger van de zogenaamde Delftse school, te karakteriseren als traditioneel. Deze bouwstijl streefde naar architectuur die nederig was en niet te veel opviel. De functie van een gebouw moest tot uitdrukking komen in de vorm. Men maakte een groot onderscheid tussen woningen (eenvoudig en ingetogen) en publieke gebouwen als stadhuizen en kerken die juist monumentaal moesten zijn om uitdrukking te geven aan hun functie.
Kenmerkend voor de Delftse School zijn het vrijwel uitsluitend gebruik van baksteen, zadeldaken afgedekt met dakpannen en het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten. Een voorbeeld van deze stijl is bijvoorbeeld het rijkskantorengebouw aan het Ledelplein in Oostburg waarvan de hoofdbouw nog aanwezig is. Het is wel duidelijk dat de keuze van de stedenbouwkundige een enorme rol speelde bij het uiteindelijke resultaat van de wederopbouw van de afzonderlijke kernen, zeker als zo'n kern voor het grootste gedeelte verwoest was. De Delftse school is een eigentijdse bouwstijl, op een traditionele manier en met traditionele materialen vormgegeven.
* Bron:"Andermaal herrezen" aspecten van de wederopbouw van West Zeeuws-Vlaanderen (auteur Pauline van Roosmalen).
Pagina 6
Toelichting gebiedsbeschrijvingen Hierna volgt per kern en per gebied een korte gebiedsbeschrijving en een opsomming per kern van de straten die vallen binnen het welstandsniveau "historisch". Niet genoemde straten vallen automatisch binnen het welstandsniveau "nieuwbouw" (zie hoofdstuk 6.2 voor een toelichting op de welstandsniveaus). De plaatsnamen en straatnamen staan op alfabetische volgorde. Omdat ook het dialect behoort tot het cultureel erfgoed staat achter de plaatsnaam de West Zeeuws-Vlaamse uitspraak vermeld. Aardenburg. [Aerenburg] De kern Aardenburg kent een lange geschiedenis die teruggaat tot de Romeinse tijd. In de Romeinse tijd bevond zich hier een Castellum met de naam Rodanum. De naam Aardenburg verwijst mogelijk naar een riviertje met de naam Rudanna of Rodana. Aardenburg heeft (restanten van) vestingwerken zoals de Kaaipoort op de kop van de Weststraat en het wallengebied. Daarnaast heeft Aardenburg een aantal waardevolle monumenten zoals bijvoorbeeld de St. Baafskerk. De meeste monumenten en andere bezienswaardige panden bevinden zich aan de Weststraat. Aardenburg profileert zich als cultuurstad.