CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

02 (Bijlage 2 ruimtelijke onderbouwing.pdf

Commissie Ruimte/AB 6 december 2022, gemeente SluisBij agendapunt: Voorstel tot het afgeven van een ontwerp- verklaring van geen bedenkingen voor het realiseren van een overdekte uitloop op het perceel Margarethaweg 1 te Oostburg.4.420 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Ruimtelijke Onderbouwing Margarethaweg 1 Oostburg

Ruimtelijke onderbouwing Margarethaweg 1 Oostburg

Opsteller Contactgegevens: A.B. (Bram) Verhage Rondweg 1 4524 JL Sluis T: 0117-760160 E bram@verhage-lemahieu.nl

Versie: 5 augustus 2022

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

1

INHOUD 1. Inleiding ................................................................................................................ 3 1.1 Aanleiding............................................................................................................. 3 1.2 Huidige situatie ..................................................................................................... 4 1.3 Het plan ............................................................................................................... 5 1.4. Leeswijzer ............................................................................................................ 6 2. 2.1 2.2 2.3

Planologisch beleidskader ...................................................................................... 6 Rijksbeleid ............................................................................................................ 6 Provinciaal beleid ................................................................................................... 7 Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 8

3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Ruimtelijke aspecten .............................................................................................. 9 Natuur ................................................................................................................. 9 Cultuurhistorie ..................................................................................................... 10 Archeologie .......................................................................................................... 11 Mobiliteit en parkeren............................................................................................ 12 Technische infrastructuur ....................................................................................... 12

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Milieuaspecten ..................................................................................................... 12 Bodem ................................................................................................................ 12 Geluid ................................................................................................................. 12 Geur ................................................................................................................... 12 Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 13 Externe veiligheid ................................................................................................. 13 Omliggende functies ............................................................................................. 13

5. 5.1

Waterparagraaf .................................................................................................... 15 Watertabel ........................................................................................................... 15

6.

Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 17

7.

Maatschappelijke haalbaarheid ............................................................................ 17

Bijlage 1. Plan Landschappelijke Inpassing

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

2

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding

Op de locatie aan de Margarethaweg 1 is het landbouwbedrijf van initiatiefnemer gevestigd. Het bedrijf heeft een bedrijfstak akkerbouw en een bedrijfstak pluimveehouderij voor het houden van vleeskuikens. Het bedrijf beschikt over de mogelijkheid om in totaal 45.000 vleeskuikens in een traditionele stal met grondhuisvesting te huisvesten. Het doel van het bedrijf is de opfok van vleeskuikens t.b.v. vleesproductie. Gezien de ontwikkelingen in deze sector wil initiatiefnemer het bedrijf met een wintergarden uitbreiden. Het Beter Leven Keurmerk is vanuit de markt met de Dierenbescherming gezamenlijk ontwikkeld. Dit concept is gericht op het bieden van meer ruimte per dier en een verplichte overdekte uitloop. Het is geen wettelijke regeling, maar sluit aan op een maatschappelijk gewenste ontwikkeling. De Zuidelijke Land- en tuinbouworganisatie (ZLTO) en de Dierenbescherming hebben verzocht de pluimveehouderij daarvoor fysieke ruimte te bieden. De Provincie heeft geconstateerd dat deze maatschappelijke ontwikkeling gericht op het verbeteren van dierenwelzijn in de pluimveehouderij aansluit op het beleid tot verduurzaming van de sector. Het beleid biedt daarvoor al de nodige ruimte tot 5000 m2. Dit geldt echter niet voor alle hoofdtakken. De bestaande grotere bedrijven zouden indien zij het Beter Leven Keurmerk gaan toepassen noodgedwongen het aantal dieren moeten verkleinen.

Dit gaat ten koste van het verdienmodel van deze bedrijven. Daarmee belemmert de maximale bovenmaat ook een verdere verduurzaming van deze bedrijven. De Provincie acht dit niet wenselijk. Voor bedrijven die noodgedwongen het aantal te houden dieren zouden moeten verkleinen, stelt de Omgevingsverordening Zeeland 2018 in artikel 2.19 lid 10: 10. Indien het toepassen van het Beter Leven Keurmerk (1 ster) ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak vergt, is het bepaalde omtrent bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing. Deze regel is uitsluitend van toepassing indien en voorzover een bedrijf bij toepassing van genoemd keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie. Het initiatief gaat uit van behoud van het vergund aantal kippen, geen toename. Het huidige toegestane aantal kippen is het uitgangspunt (geborgd via omgevingsvergunning). Op basis van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 6e herziening dienen gebouwen voor agrarische activiteiten binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden. Voor het bedrijf is echter in het bestemmingsplan landelijk gebied geen bouwvlak opgenomen en is er sprake van strijdigheid met het geldende bestemmingsplan.

De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verbiedt in artikel 2.1 lid 1 sub c een project zonder omgevingsvergunning uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een zowel het bouwen als het opheffen van de strijdigheid met het bestemmingsplan. Volgens artikel 2.12 lid 1 sub 3 van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor het bouwen worden verleend, indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Voorliggend document vormt de ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat de ontwikkeling niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Deze

ruimtelijke

onderbouwing

maakt

deel

uit

van

de

aanvraag

voor

een

omgevingsvergunning.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

3

1.2

Huidige situatie

Het plangebied aan de Margarethaweg is gelegen in het buitengebied van de gemeente Sluis. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Oostburg, sectie T, nummers 1685 (ged), 1687 en 1688. De locatie is gelegen in het buitengebied, op een afstand van circa 1,5 kilometer van de bebouwde kom van Draaibrug en 3 kilometer van de bebouwde kom van Oostburg. De meest nabijgelegen woning (Margarethaweg 4) ligt op een afstand van 137 meter van de bestaande stal. Dit is eveneens het meest nabij gelegen geurgevoelige object.

Figuur 1: Luchtfoto Margarethaweg 1 (Google Maps 2021)

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

4

Figuur 2: Locatie plangebied (Google Maps 2021)

1.3

Het plan

Initiatiefnemer wil voor de bestaande stal een overdekte uitloop realiseren, een zogenaamde wintergarden. Om te voldoen aan het Beter Leven Keurmerk dient een stal uit minimaal 20% wintergarden te bestaan. Met voorliggend plan wordt invulling gegeven aan het Beter Leven Keurmerk. De noodzakelijke oppervlakte wintergarden bedraagt 651 m2. Het plangebied wordt landschappelijk ingepast. Hiervoor is een plan opgesteld welke is bijgevoegd als bijlage 3. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing is voorwaardelijk opgenomen in een overeenkomst.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

5

Figuur 3: Uitsnede plattegrond met landschappelijke inpassing (OMNA 22 december 2021)

1.4.

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden eerst de beleidskaders van het Rijk, de provincie Zeeland en de gemeente Sluis uiteengezet. In hoofdstuk 3 worden de sectorale aspecten zoals flora en fauna, cultuurhistorie, archeologie, Wetgeluidhinder, luchtkwaliteit en geur toegelicht. In hoofdstuk 4 wordt de waterparagraaf omschreven met de bijbehorende watertabel. Hoofdstuk 5 geeft vervolgens de juridische componenten van het bestemmingsplan weer. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 de procedure nader weergegeven. 2.

Planologisch beleidskader

2.1

Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie De NOVI bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren beleid. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving wordt opgenomen in de NOVI. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro) en heeft als ondertitel Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

6

(NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat.

De betreffende onderdelen en/of artikelen in het Barro, Bro, en straks Bkl, blijven ook onder de NOVI gelden. Bij nadere invulling van de uitvoeringsinstrumenten van de NOVI kan blijken dat het nodig is de uitvoeringsregels aan te passen. In relatie tot de gewenste ontwikkeling, zijnde de uitbreiding de realisatie van de uitloop bij de bestaande stal dienen de onderstaande onderdelen uit het Barro te worden beoordeeld. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Rijk heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) nationaal ruimtelijk beleid geborgd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Barro omvat 14 onderwerpen. De vergroting van het agrarisch bouwvlak is niet in strijd met een van deze 14 onderwerpen welke zijn opgenomen in het Barro

2.2

Provinciaal beleid

Zeeuwse Omgevingsvisie 2021 Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten de Zeeuwse omgevingsvisie vastgesteld. In de Zeeuwse omgevingsvisie zijn de hoofdlijnen voor het provinciaal ruimtelijk beleid uiteengezet Aangaande het beleid inzake intensieve veehouderijen is in de Zeeuwse Omgevingsvisie opgenomen dat nieuwvestiging en omschakeling naar intensieve veehouderijen is uitgesloten. Bestaande intensieve veehouderijbedrijven verduurzamen en krijgen onder voorwaarden daarvoor gelimiteerde ontwikkelingsruimte waarbij aandacht is voor milieu en omgeving. Er blijft ruimte voor uitbreiding in verband met het toepassen van wettelijke regelgeving voor dierenwelzijn en het Beter Leven Keurmerk (zonder uitbreiding van het aantal dieren). Het initiatief voldoet aan deze uitgangspunten. Omgevingsverordening Zeeland 2018 De Omgevingsverordening van de provincie Zeeland biedt een drietal mogelijkheden om de bedrijfsvloeroppervlakte van een intensieve veehouderij te vergroten. Dit is mogelijk op basis van

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

7

een verduurzamingsplan bij de uitbreiding van het aantal dieren of in het geval het dierenaantal niet toeneemt op basis van een wettelijke regeling in het kader van dierenwelzijn of het toepassen van het Beter Leven Keurmerk. In dit initiatief wordt de bestaande stal omgezet naar een Beter Leven stal en word teen wintergarden gerealiseerd. De Omgevingsverordening Zeeland 2018 benoemd deze mogelijkheid in artikel 2.19 lid 10: 10. Indien het toepassen van het Beter Leven Keurmerk (1 ster) ten aanzien van dierenwelzijn een groter bedrijfsvloeroppervlak vergt, is het bepaalde omtrent bedrijfsvloeroppervlak in het vijfde tot en met het zevende lid niet van toepassing. Deze regel is uitsluitend van toepassing indien en voorzover een bedrijf bij toepassing van genoemd keurmerk minder dieren zou mogen houden dan in de huidige planologisch vergunde situatie. Het initiatief voldoet aan deze voorwaarden aangezien het aanbrengen van een wintergarden binnen het bestaand bebouwd volume ten koste gaat van het aantal te houden dieren. Een uitbreiding aan de stal is dan ook noodzakelijk.

2.3

Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Landelijk Gebied Op de gronden is het bestemmingsplan Landelijk Gebied en landelijk gebied 6e Herziening van de gemeente Sluis van kracht. In dit bestemmingsplan is de locatie gelegen binnen de bestemming ‘Agrarische doeleinden met landschappelijke waarden’. Tevens is voor het gehele bedrijf de dubbelbestemming intensieve veehouderij opgenomen. De agrarische activiteiten zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestaan zie figuur 4.

Figuur 4: Uitsnede bestemmingsplan Landelijk Gebied

Om de gewenste uitbreiding met een wintergarden te bewerkstelligen is vanwege het ontbreken van het bouwvlak een ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk. Overige en genoemde aspecten zoals bodem, flora en fauna, archeologie, cultuurhistorie, watertoets, milieu en externe veiligheid zullen in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de volgende hoofdstukken nader worden behandeld.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

8

3.

Ruimtelijke aspecten

3.1

Natuur

De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming. Deze staan los van elkaar en hebben ieder hun eigen werking. In

de

omgeving

van

het

plangebied

bevinden

zich

geen

aangewezen

Vogel-

en

Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Deze beschermde gebieden zijn op grote afstand gelegen van het plangebied. Het meest nabij gelegen beschermde Natura2000 gebied is het Groote Gat op een afstand van circa 7 kilometer. Gezien deze afstand en de aard van de functieverandering, zijn er voor de beschermde gebieden geen significante negatieve effecten te verwachten als gevolg van het plan. Het plangebied is gelegen in de omgeving van gebieden die zijn aangeduid als Natuurnetwerk Zeeland, zijnde Dijken van Zeeuws-Vlaanderen (rode peil) en de Sofiapolder (blauwe peil), figuur 4. Beide gebieden zijn gelegen op een afstand van meer dan 100 meter. De gewenste uitbreiding heeft geen nadelige gevolgen voor beide gebieden.

Figuur 5: Uitsnede Natuurnetwerk (Geoweb 2021)

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

9

Soortenbescherming De locatie is gelegen in het agrarische gebied. Het plangebied betreft agrarisch bestemde gronden die reeds in gebruik. Op de bedrijfslocatie staan momenteel een landbouwschuur, een bedrijfswoning en een stal voor het pluimvee. Alle vogelsoorten zijn beschermd volgens de Europese Vogelrichtlijn en de Wnb. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Daarbij kan het naast broedende vogels, ook gaan om vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken en ook jaarrond beschermd zijn. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Ten aanzien van vogelsoorten geldt dat indien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden (april tot half juli), geen overtreding plaats zal vinden van de wetgeving ten opzichte van vogels. Het aanvragen van een ontheffing is dan niet aan de orde. Het gaat er om of er een broedgeval is. De periode april tot half juli kan wel globaal aangehouden worden voor het niet uitvoeren van werkzaamheden. Gezien de aard van het plan en met name aangaande het huidige gebruik van de locatie zijn er geen invloeden op de aanwezige vogelsoorten te verwachten. Compenserende of mitigerende maatregelen worden dan ook niet noodzakelijk geacht.

Hoewel de gronden intensief worden gebruikt zal voor aanvang van de werkzaamheden het terrein worden gecontroleerd op eventueel aanwezige broedvogels.

3.2

Cultuurhistorie

Op 1 januari 2012 is door middel van aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening bepaald dat cultuurhistorische belangen moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van ruimtelijke plannen. Het waarborgen van cultuurhistorische belangen en het meewegen van deze belangen is belangrijk. Hiervoor is een omschrijving van het plangebied noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Sluis. De omgeving wordt gekenmerkt door het agrarische landschap. De gewenste agrarische bebouwing past in het uitgestrekte gebied. Binnen het plangebied zijn geen Rijksmonumenten aanwezig. Tevens heeft de boerderij geen cultuurhistorische waarden. In de omgeving, Margarethaweg 2 en 4, betreffen twee aanwezige burgerwoningen en bijbehorende bijgebouwen door de provincie Zeeland ingedeeld als cultuurhistorisch waardevol (B-categorie).

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

10

Figuur 6. Cultuurhistorische Waardenkaart (Geoweb, 2021)

Het voorliggende plan leidt niet tot aantasting van het cultuurhistorische karakter van de omgeving. De tweede stal betreft een uitbreiding van het aanwezige agrarische bedrijf en heeft geen directe invloed op de waarden van de omliggende objecten. Tevens zorgt de te realiseren landschappelijke inpassing voor een juiste inpassing van de bebouwing in het landschap en zal daarmee een toevoeging zijn voor het gebied. De landschappelijke inpassing geeft de boerderij door de soortenkeuze een streekeigen karakter.

3.3

Archeologie

In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat ernaar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden ex situ worden bewaard. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988 en sinds 1 juli 2016 in de Erfgoedwet. De gemeente Sluis heeft haar archeologiebeleid vastgelegd, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 28 september 2017. Dit archeologiebeleid is vervolgens verwerkt in het bestemmingsplan Parapluplan archeologie. In dit bestemmingsplan is het plangebied niet aangeduid als archeologisch waardevol. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

11

In het geval tijdens de graafwerkzaamheden archeologische sporen of vondsten in de bodem worden aangetroffen zal, conform de wettelijke meldingsplicht paragraaf 5.10 van de Erfgoedwet (2016), melding dienen te worden gemaakt bij de bevoegde overheid (gemeente Sluis).

3.4

Mobiliteit en parkeren

De ontsluiting van de locatie verloopt via de Margarethaweg. Dit is een lokale ontsluitingsweg voor bestemmingsverkeer. Er is geen fysieke scheiding tussen fiets- en autoverkeer. Het profiel van de wegen bestaat uit asfalt en grasbermen. De weg kent een geringe verkeersintensiteit. Het plan leidt niet tot een toename van verkeer. De toename van verkeersbewegingen zal enkel incidenteel toenemen bij de bouw van de wintergarden. Het aantal dieren niet toe, waardoor ook het aantal vrachtbewegingen niet toeneemt voor aan- en afvoer dieren, mest en voedsel. Op de locatie zelf zijn voldoende parkeervoorzieningen aanwezig en er is er zodoende geen overlast te verwachten voor parkeren op de openbare weg.

3.5

Technische infrastructuur

De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur en andere nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ten behoeve van het plan hoeven hiervoor geen structurele aanpassingen plaats te vinden. 4.

Milieuaspecten

4.1

Bodem

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. De oppervlakte van het plangebied en de conclusie van het vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn bepalend voor het uitvoeren van eventueel veld- en laboratoriumonderzoek. Bodemgebruiksfuncties nemen af naarmate bodemverontreinigingen en gerelateerde risico's toenemen. Sanerende maatregelen kunnen daardoor nodig zijn. In het onderliggende geval betreft dit de bouw van een stal. In de wintergarden zijn dan ook niet permanent personen aanwezig waardoor een bodemonderzoek niet noodzakelijk is.

4.2

Geluid

De geluidproductie van het bedrijf zelf (bedrijfsactiviteiten en verkeersbewegingen) is in de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu verbonden aan de gangbare voorschriften en geldende

voorschriften van

de

vergunning.

De

wintergarden heeft

geen invloed

op

de

geluidsproductie van het bedrijf.

4.3

Geur

De wintergarden heeft geen invloed op de geuruitstoot van het bedrijf. Emissiepunten blijven ongewijzigd en het dierenaantal neemt niet toe.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

12

4.4

Luchtkwaliteit

De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak

zorgt

voor

een

flexibele

koppeling

tussen

ruimtelijke

activiteiten

en

milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld dat bij één ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen niet in betekenende mate van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijn stof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: 

jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3;

daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3;

aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.

De realisatie van de wintergarden resulteert niet in een gewijzigde situatie in het kader van fijn stof.

4.5

Externe veiligheid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient zorg gedragen te worden dat er een scheiding in acht genomen wordt tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicoveroorzakende bedrijven en/of transportassen. De locatie is niet gelegen binnen de invloedsfeer van objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt (zoals industrie vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen BEVI) volgens de Risicokaart van de Provincie Zeeland. Ook is er geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen in de omgeving of buisleidingen met een toetsingszone. Geconcludeerd kan worden dat de uitbreiding met een wintergarden niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk.

4.6

Omliggende functies

Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te borgen, wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient er voor te zorgen dat door het in acht nemen van voldoende afstand tussen bedrijven en milieugevoelige objecten (zoals woningen), geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het in acht nemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. De vermelde afstanden zijn richtlijnen. Deze richtlijnen zijn opgenomen in de handreiking

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

13

‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. Ten aanzien van agrarische bedrijven zijn hierin de volgende richtafstanden opgenomen: 200 meter voor het aspect geur, 30 meter voor het aspect stof en 50 meter voor het aspect geluid. Binnen deze richtafstanden zijn geen bedrijven gelegen. Wel zijn er binnen 200 meter burgerwoningen gelegen. De aspecten geluid, geur en luchtkwaliteit wijzigen niet naar aanleiding van de toevoeging van de wintergarden.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

14

5.

Waterparagraaf

5.1

Watertabel

Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Aangaande de aspecten omtrent water is een watertoets opgesteld welke is toegezonden aan Waterschap Scheldestromen.

Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en

Het plan heeft geen relatie met de primaire of

rekening houden met de daarvoor benodigde

secundaire waterkeringen.

ruimte. huidige

na

situatie

realis atie

dakopper vlak

0

651

1

0

0

2

0

0

3

0

0

4

dichte bodemve rharding

Voorkomen overlast door oppervlaktewater

doorlate

Het plan biedt voldoende ruimte voor het

nde

vasthouden, bergen en afvoeren van water.

bodemve

Waarborgen van voldoende bouwpeil om

rharding

overstroming vanuit oppervlaktewater in

waterop

maatgevende situaties te voorkomen.

pervlak

Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme

De uitbreiding omvat de wintergarden. Bij elkaar is

weersituaties.

dit een uitbreiding van verhard oppervlak met circa 651 m². Waterberging dient dan voor 651x0,075= 48,83 m³ te worden gecompenseerd. De berging wordt

gerealiseerd

aansluitend

aan

de

waterberging op de achterzijde van het perceel. Waterberging is ingetekend bij het plan van de landschappelijke inpassing.

Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken

Er is geen sprake van afvalwater. Hemelwater wordt geloosd op de waterberging.

in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.

Thema en water(beheer)doelstelling

Uitwerking

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

15

Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.

De locatie is niet gelegen in een bufferzone rondom een natuurgebied. Er wordt geen grondwater onttrokken en er is geen sprake van grondwateroverlast. Het plangebied wordt gekenmerkt door ruime infiltratiemogelijkheden.

Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.

Bij de bouw worden geen uitlogende materialen gebruikt.

Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden,

Bij de bouw worden geen uitlogende materialen gebruikt.

zuiveren.

Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.

Een extra voorziening voor waterberging is noodzakelijk en sluit aan op de bestaande waterberging. De waterberging zal grote gedeelten(zomerperiode) droog staan. .

Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra)

Het plangebied is aangeduid als weinig

maaiveldsdalingen in zettinggevoelige

zettingsgevoelig gebied.

gebieden kunnen veroorzaken.

Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke

In de directe omgeving is geen bestemming met de

gevarieerde en natuurlijk karakteristieke

functie natte natuur.

aquatische natuur.

Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden

Er zijn geen sloten gelegen aan of rondom het

worden. Rekening houden met obstakelvrije

plangebied.

onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.

Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering)

De locatie is niet gelegen in de directe omgeving van objecten van de waterbeheerder.

van de waterbeheerder niet belemmeren. Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) 1. in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?

1. Ja

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

16

2 na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? 3 na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken. Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? 4 na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? 5 na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).

6.

2.Nee. 3.De bereikbaarheid blijft ongewijzigd.

4. Ja 5.Nee er wordt niet binnen 20 meter een bouwwerk gerealiseerd van een waterschapsweg.

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Grondexploitatie Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publieksrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1. Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan met vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buiten toepassingsverklaring van een beheersverordening zijn. Omdat er geen sprake is van een aangewezen bouwplan worden de leges in rekening en borgen we het kostenverhaal niet via een overeenkomst. Het risico op planschade zal de gemeente afwentelen op de initiatiefnemer door middel van een planschadeovereenkomst.

7.

Maatschappelijke haalbaarheid

Op basis van artikel 6.18 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt de ruimtelijke onderbouwing in vooroverleg gezonden naar de provincie Zeeland en Waterschap Scheldestromen. Na het toetsen van de complete aanvraag (inclusief alle benodigde vergunningen) wordt het ontwerpbesluit gedurende 6 weken ter visie gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen.

Toelichting Margarethaweg 1 te Oostburg

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=077e361c-2888-419d-b817-6ca510d1e982