02 - 10e wijziging APV - bijlage 2 - Was- wordt lijst
Tekst van het document
Was-wordt-tabel wijziging 10e wijziging APV gemeente Sluis In de ‘bestaande tekst’ zijn de woorden en leestekens waaraan iets verandert, cursief gezet en. In de ‘nieuwe tekst’ zijn de nieuwe woorden en leestekens vet gedrukt. A Artikel 1:1 (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 1:1 Definities Bestaande tekst
Artikel 1:1 Definities Nieuwe tekst
- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
- gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
B Artikel 2:10 (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden zonder vergunning een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan en/of zonder inachtneming van de veiligheid. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; d. het maken en hebben van geveltuinen voor zover deze zijn uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften als bedoeld in de 'Beleidsregels geveltuinen Sluis'; e.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; f. door het bevoegd bestuursorgaan aan te wijzen categorieën van voorwerpen waarvoor met een melding kan worden volstaan. 3.Het plaatsen van een voorwerp als bedoeld onder lid 2 sub e. kan geschieden indien het bevoegd bestuursorgaan niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste plaatsing wordt verboden. 4.Van deze melding wordt kennis gegeven in een huis- aan huisblad. 5.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels vaststellen. 6.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in dit artikel bedoelde gebruik,
Nieuwe tekst Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan 1.Het is verboden zonder vergunning een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan en/of zonder inachtneming van de veiligheid. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vijfde lid; c. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; d. het maken en hebben van geveltuinen voor zover deze zijn uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften als bedoeld in de 'Beleidsregels geveltuinen Sluis'; e.overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend; f. door het bevoegd bestuursorgaan aan te wijzen categorieën van voorwerpen waarvoor met een melding kan worden volstaan. 3.Het plaatsen van een voorwerp als bedoeld onder lid 2 sub f. kan geschieden indien het bevoegd bestuursorgaan niet binnen vier weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste plaatsing wordt verboden. 4.Van deze melding wordt kennis gegeven in een huis- aan huisblad. 5.Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels vaststellen. 6.Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in dit artikel bedoelde gebruik,
voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 7.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 7.Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 8.Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing.
C Artikel 2:24a (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:24a Categorieën evenementen 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a.klein evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat maximaal één dag duurt èn geen versterkte muziek heeft na 21.00 uur èn een lokale uitstraling heeft en waarbij geen doorgaande wegen worden afgesloten èn dat uit milieu- of natuurbeschermingsoogpunt geen bezwaar zal vormen; b.een middelgroot evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat een bovenlokale uitstraling heeft òf versterkte muziek in de avonden nachtperiode (na 23.00 uur) òf nadere verkeersmaatregelen vergt òf (naar het oordeel van de burgemeester) enige hinder of overlast voor de omgeving veroorzaakt of nadere aandacht vergt van politie of brandweer; c.een groot evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat een (boven-) regionale uitstraling heeft òf (naar het oordeel van de burgemeester) extra hinder of overlast zal opleveren voor de omgeving òf risico inhoudt op aantasting van de openbare orde en waarbij inzetbaarheid van politie, brandweer of Geneeskundige Hulpverlening Organisatie in de Regio (GHOR) noodzakelijk is. d.organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een evenement in de zin van dit artikel organiseert, dan wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding geeft. 2.
De organisator van een klein evenement, stelt de burgemeester hiervan tenminste 4 weken voorafgaand aan het evenement middels een daartoe door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier in kennis. De burgemeester kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de
Nieuwe tekst Artikel 2:24a Categorieën evenementen 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a.klein evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24, niet zijnde een vechtsportevenement, dat maximaal één dag duurt èn geen versterkte muziek heeft na 21.00 uur èn een lokale uitstraling heeft en waarbij geen doorgaande wegen worden afgesloten èn dat uit milieu- of natuurbeschermingsoogpunt geen bezwaar zal vormen; b.een middelgroot evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat een bovenlokale uitstraling heeft òf versterkte muziek in de avonden nachtperiode (na 23.00 uur) òf nadere verkeersmaatregelen vergt òf (naar het oordeel van de burgemeester) enige hinder of overlast voor de omgeving veroorzaakt of nadere aandacht vergt van politie of brandweer; c.een groot evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 dat een (boven-) regionale uitstraling heeft òf (naar het oordeel van de burgemeester) extra hinder of overlast zal opleveren voor de omgeving òf risico inhoudt op aantasting van de openbare orde en waarbij inzetbaarheid van politie, brandweer of Geneeskundige Hulpverlening Organisatie in de Regio (GHOR) noodzakelijk is. d.organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een evenement in de zin van dit artikel organiseert, dan wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding geeft. 2.
De organisator van een klein evenement, stelt de burgemeester hiervan tenminste 4 weken voorafgaand aan het evenement middels een daartoe door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier in kennis. De burgemeester
melding besluiten het houden van het evenement te verbieden op grond van de belangen genoemd in artikel 2:25 lid 2. 3.Onverminderd het in artikel 2:25 bepaalde is de organisator van een middelgroot of groot evenement in enig jaar verplicht voor 1 november van het daaraan voorafgaande jaar het evenement aan te melden bij de burgemeester. 4.Voor middelgrote en grote evenementen dient de vergunning tenminste twaalf weken voor de datum waarop het evenement zal plaatsvinden te worden aangevraagd. De burgemeester kan nadere regels stellen in verband met het organiseren van evenementen en nadere voorschriften verbinden aan de vergunning voor het evenement.
kan binnen 10 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het houden van het evenement te verbieden op grond van de belangen genoemd in artikel 2:25 lid 2. 3.Onverminderd het in artikel 2:25 bepaalde is de organisator van een middelgroot of groot evenement in enig jaar verplicht voor 1 november van het daaraan voorafgaande jaar het evenement aan te melden bij de burgemeester. 4.Voor middelgrote en grote evenementen dient de vergunning tenminste twaalf weken voor de datum waarop het evenement zal plaatsvinden te worden aangevraagd. De burgemeester kan nadere regels stellen in verband met het organiseren van evenementen en nadere voorschriften verbinden aan de vergunning voor het evenement.
D Artikel 2:25 (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.de openbare orde; b.het voorkomen of beperken van overlast; c.de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d.de zedelijkheid of gezondheid; e.milieu. 4.De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor de vergunningplicht, onder lid 1, niet geldt. 5.De vergunningsplicht onder lid 1, geldt niet voor een klein evenement. 6.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Nieuwe tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2.Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: a.de openbare orde; b.het voorkomen of beperken van overlast; c.de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; d.de zedelijkheid of gezondheid; e.milieu. 4.De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarvoor de vergunningplicht, onder lid 1, niet geldt. 5.De vergunningsplicht onder lid 1, geldt niet voor een klein evenement. 6.Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement weigeren als de organisator of de aanvrager van de
vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
E Artikel 2:28 (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit, wordt als volgt gewijzigd)
Bestaande tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3.De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren: a.indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting. b.indien uit de hem ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid, dat in de openbare inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn. c.de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
4.Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting, het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. 5.In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 6.Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren:
Nieuwe tekst Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan. 3.De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of gedeeltelijk weigeren: a.indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting. b.indien uit de hem ter beschikking staande gegevens kan worden afgeleid, dat in de openbare inrichting middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet zullen worden bereid, bewerkt, verwerkt, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervaardigd of aanwezig zullen zijn. c.de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
4.Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting, het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de openbare inrichting. 5.In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. 6.Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren:
a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg danwel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b.indien het gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer van de weg. 7.Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de provinciale wegenverordening van toepassing is. 8.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
a.indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg danwel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b.indien het gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer van de weg. 7.Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de provinciale wegenverordening van toepassing is. 8.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
F Artikel 2:54 (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit, wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:54 (Vervallen)
Artikel 2:54 Verbod gebruik openbare plaats als slaapplaats 1. Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: a. tussen zonsondergang en zonsopgang in door het college aan te wijzen gebieden. b. in andere gevallen dan bedoeld onder a voor zover: 1. sprake is van overlast of hinder voor de omgeving; 2. er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of 3. het woon- of leefklimaat wordt aangetast. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet: a. voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van artikel 5:25 is toegestaan; b. voor woonwagens met een woonbestemming; c. op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd; d. op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.
G
Artikel 2:78 (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven om zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal verbod als in het eerste lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven om zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als de strafbare feiten of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van het eerdere bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven om zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd bevel. 5.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
H Artikel 2:58 (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden
Nieuwe tekst Artikel 2:58 Verontreiniging door honden en paarden of andere hoefdieren
1.De eigenaar of houder van een hond of paard die zich begeeft op een openbare plaats is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat paard onmiddellijk worden verwijderd. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. 3.De eigenaar of houder van een hond dient daartoe een deugdelijke voorziening bij zich te hebben waarin of waarmee hij/zij de uitwerpselen kan meenemen en dient deze voorziening op eerste vordering te tonen aan de met het toezicht belaste ambtenaar. 4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "deugdelijke voorziening" verstaan een voorwerp waarmee uitwerpselen op een hygiënisch verantwoorde wijze opgeraapt kunnen worden, alsmede een voorwerp waarin de uitwerpselen op een hygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden meegenomen, zoals een hondenpoepzakje of een hondenpoepschepje.
1.De eigenaar of houder van een hond of paard of ander hoefdier, die zich begeeft op een openbare plaats is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond of dat paard of ander hoefdier onmiddellijk worden verwijderd. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleide- of hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. 3.De eigenaar of houder van een hond dient daartoe een deugdelijke voorziening bij zich te hebben waarin of waarmee hij/zij de uitwerpselen kan meenemen en dient deze voorziening op eerste vordering te tonen aan de met het toezicht belaste ambtenaar. 4.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "deugdelijke voorziening" verstaan een voorwerp waarmee uitwerpselen op een hygiënisch verantwoorde wijze opgeraapt kunnen worden, alsmede een voorwerp waarin de uitwerpselen op een hygiënisch verantwoorde wijze kunnen worden meegenomen, zoals een hondenpoepzakje of een hondenpoepschepje.
I Artikel 4:6 (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 4.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Nieuwe tekst Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. 3.Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing verlenen. 4.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 Awb (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
J Artikel 5:38 (artikel !, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 5:38 Activiteiten en voorwerpen op het strand 1.In aanvulling op het in deze verordening ten aanzien van het publiek terrein gestelde, is het verboden: a.op het strand tenten, tafels, banken, kisten, palen, vlaggen(masten), speeltoestellen, sporttoestellen of andere objecten of voorwerpen te plaatsen, te laten liggen of te laten staan; b.op het strand fun- en beachsporten te beoefenen waarbij grote hinder wordt veroorzaakt voor de strandbezoekers; c.op het strand met motorvoertuigen en (brom)fietsen te rijden; d.zich in een wagentje of dergelijke te laten voorttrekken door een vlieger, zeil of soortgelijk voorwerp; e.op het strand een surfplank te hebben ten behoeve van golf- en/of windsurfen of daarmee zee te kiezen; f.op het strand een kitesurfboard te hebben of daarmee zee te kiezen of een voor kitesurfing te gebruiken kite op te laten; 2.Het college kan van de in het eerste lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Het college kan eveneens gebieden aanwijzen waar (enkele van) die verboden niet van toepassing zijn en hieraan nadere regels verbinden. 3.Het in het eerste lid onder a. gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van niet-commerciële vlaggen, zoals bijvoorbeeld de Blauwe Vlaggen en de vlagsignalisatie in het kader van een gebiedsafbakening (bv.
aanduiding bewaakte zwemgebieden, kitesurfgebieden,..) 4.Het in het eerste lid onder c gestelde verbod geldt niet voor voertuigen ten dienste van gemeente, politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en reddingsdiensten.
Nieuwe tekst Artikel 5:38 Activiteiten en voorwerpen op het strand 1.In aanvulling op het in deze verordening ten aanzien van het publiek terrein gestelde, is het verboden: a.op het strand tenten, tafels, banken, kisten, palen, vlaggen(masten), speeltoestellen, sporttoestellen of andere objecten of voorwerpen te plaatsen, te laten liggen of te laten staan; b.op het strand fun- en beachsporten te beoefenen waarbij grote hinder wordt veroorzaakt voor de strandbezoekers; c.op het strand met motorvoertuigen en (brom)fietsen te rijden; d.zich in een wagentje of dergelijke te laten voorttrekken door een vlieger, zeil of soortgelijk voorwerp; e.op het strand een surfplank te hebben ten behoeve van golf- en/of windsurfen of daarmee zee te kiezen; f.op het strand een kitesurfboard te hebben of daarmee zee te kiezen of een voor kitesurfing te gebruiken kite op te laten; 2.Het college kan van de in het eerste lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Het college kan eveneens gebieden aanwijzen waar (enkele van) die verboden niet van toepassing zijn en hieraan nadere regels verbinden. 3.Het in het eerste lid onder a. gestelde verbod geldt niet voor het plaatsen van niet-commerciële vlaggen, zoals bijvoorbeeld de Blauwe Vlaggen en de vlagsignalisatie in het kader van een gebiedsafbakening (bv.
aanduiding bewaakte zwemgebieden, kitesurfgebieden,..) 4.Het in het eerste lid onder c gestelde verbod geldt niet voor voertuigen ten dienste van gemeente, politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening en reddingsdiensten en voor voertuigen ten behoeve van het strand- en kustbeheer.
K Artikel 5:40 (artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 5:40 Vliegeren, voortbewegen met vliegers, hanggliders e.d.
Nieuwe tekst Artikel 5:40 Vliegeren, voortbewegen met vliegers, hanggliders e.d.
Het is in de periode van 1 mei tot 1 oktober van 10.00 uur tot 18.00 uur op het strand ter hoogte van de bewaakte zwemgebieden verboden te vliegeren met een vlieger die door twee of meer lijnen wordt bestuurd. Het college kan ontheffing verlenen ten behoeve van vliegerevenementen.
Het is in de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur op het strand ter hoogte van de bewaakte zwemgebieden verboden te vliegeren met een vlieger die door twee of meer lijnen wordt bestuurd of zich voort te bewegen met vliegers, hanggliders en dergelijke. Het college kan ontheffing verlenen ten behoeve van vliegerevenementen
L Artikel 5:41 (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 5:41 Verlichten van het stand en de zee 1.Het is verboden om het strand en de zee te verlichten. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien het functionele verlichting betreft in het kader van de fysieke en sociale veiligheid voor de toegang tot een strandpaviljoen en kan hieraan nadere (kwaliteits)eisen verbinden.
Nieuwe tekst Artikel 5:41 Verlichten van het stand en de zee 1.Het is verboden om het strand en de zee te verlichten. 2.Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien het functionele verlichting betreft in het kader van de fysieke en sociale veiligheid voor de toegang tot een strandpaviljoen of een strandslaaphuisje en kan hieraan nadere (kwaliteits)eisen verbinden.
M Artikel 5:44 (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst Artikel 5:44 Dieren op het strand 1.Het is een eigenaar of houder van een hond verboden die hond los te laten lopen op het strand in de periode van 1 mei tot 1 oktober van 10.00 uur tot 18.00 uur. 2.In de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur is het verboden op het strand een paard te berijden of te begeleiden. Buiten deze periode is het alleen toegestaan om een paard te berijden of te begeleiden op het strand direct langs de vloedlijn. 3.Artikel 2:58 is onverminderd van toepassing.
Nieuwe tekst Artikel 5:44 Dieren op het strand 1.Het is een eigenaar of houder van een hond verboden die hond los te laten lopen op het strand in de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur. 2.In de periode van 1 mei tot 1 september van 10.00 uur tot 18.00 uur is het verboden op het strand een paard of ander hoefdier te berijden of te begeleiden. Buiten deze periode is het alleen toegestaan om een paard of ander hoefdier te berijden of te begeleiden op het strand direct langs de vloedlijn. 3.Artikel 2:58 is onverminderd van toepassing.