01 Stichting Duurzaam Groede Eindverslag van het WUR project Schetsen aan de toekomst van West-Zeeuws-Vlaanderen.pdf
Tekst van het document
From: Sent: To: Cc: Subject: Attachments:
Bart Groot <bmgrootgroede@planet.nl> woensdag 12 oktober 2022 13:25:30 Griffiersbureau Gemeente Sluis Schetsen aan de toekomst West-Zeeuws-Vlaanderen 09 10 2022 Kopie begeleidende brief op briefpapier .docx; mailversie DEF rapport West Zeeuws Vlaanderen 2.pdf
Goedemiddag, Zou u zo vriendelijk willen zijn bijgevoegde documenten door te sturen naar de fracties in de Gemeenteraad. Bij voorbaat dank Namens de stichting Duurzaam groede Bart Groot
Groede, 10 september 2022 Aan: College van B&W Gemeente Sluis Cc: College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland t.a.v. de heer Jo-Annes de Bat Cc. De heer Marcel Pleijte -WURDe heer Joost Schrijnen Geacht college, Bijgevoegd treft u het eindverslag van het WUR project “Schetsen aan de toekomst van West-Zeeuws-Vlaanderen” In 2018 heeft de Stichting Duurzaam Groede contact opgenomen met de wetenschapswinkel van de Universiteit van Wageningen. Wij hebben hen de vraag voorgelegd of zij, in consultatieve zin, in beeld zouden kunnen brengen wat de opgave uit de VN akkoorden 2030 (biodiversiteit) en 2050 (klimaat) voor de regio West Zeeuws-Vlaanderen betekent. Wij hebben hen verzocht alle stakeholders hierbij te betrekken. Op basis van vele individuele interviews met de belangrijkste stakeholders (ZLTO, Recron, Natuurorganisaties en geïnteresseerden) werd al snel duidelijk dat vrijwel geen enkele stakeholder, individueel of collectief, zich met deze vraag bezig hield. Dat heeft ons doen besluiten de stakeholders gezamenlijk uit te nodigen om deze vraagstelling integraal, sectoroverschrijdend te bespreken. De eerste bijeenkomst, onder leiding van deskundige landschapsarchitecten, vond plaats op 28 februari 2020 (Het rapport hiervan hebben we u eerder toegezonden https://edepot.wur.nl/549961).
Daarna kon er tot het voorjaar 2022 door corona maatregelen geen verdere actie worden ondernomen. Tijdens de tweede sessie die op 1 april 2022 plaatsvond, met een combinatie van “nieuwe” en “bestaande deelnemers”, werd ook aandacht geschonken aan de uitvoeringsaspecten van de beoogde ontwikkelingen. In tegenstelling tot 2019/2020 konden wij hierbij gelukkig ook gebruik maken van de Nederlandse en Zeeuwse omgevingsvisie. Tijdens deze multi stakeholder bijeenkomsten werd al snel duidelijk dat we drie deelgebieden moeten onderscheiden voor wat betreft gebiedsontwikkeling: a) de kuststrook b) het middengebied c) de grensstreek Een synthese van de vele voorstellen die een ontwikkeling schetst ten aanzien van een duurzame ontwikkeling, die economisch perspectief biedt, kan als volgt worden samengevat: ad a) De kuststrook Het verdienmodel van de agrarische sector in de kuststrook komt steeds verder onder druk te staan vanwege de verzilting en het gebrek aan zoet water. Omschakeling naar een extensieve, natuur inclusieve, multifunctionele bedrijfsvoering zal nieuwe economische perspectieven bieden. Door de reeds aanwezige natuurgebieden robuuster te maken zal de toegankelijkheid voor bewoners en recreanten toenemen en de druk op de kust enigszins verminderen.
Wanneer de productie in de agrarische sector meer specifiek op de recreatiesector gericht kan worden zal dat niet alleen de ketens verkorten, maar tevens een werkgelegenheidsimpuls geven.
1
ad b) Het middengebied In het middengebied blijft de agrarische productie hoofdzaak, met als bijzonder kenmerk de potentie voor plantaardige eiwitproductie. Terwijl de agrarische sector zich conformeert aan de richtlijnen zoals vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie, dient absolute prioriteit gegeven te worden aan de zoetwaterproblematiek. De oplossing moet gezocht worden in het gebruik van het bestaande, gerevitaliseerde krekensysteem, in plaats van oplossingen per ondernemer. ad c) De grensstreek De beleving van de natuurhistorische waarde kan worden vergroot door het revitaliseren van het krekengebied en de ontwikkeling van (voedsel-)bos percelen. Voor dit gebied wordt samenwerking met het initiatief Landschapspark Zwinstreek aanbevolen. Wij willen graag een aantal suggesties met u delen die er wellicht toe kunnen bijdragen dat voortgebouwd kan worden op de dynamiek en betrokkenheid die is ontstaan tijdens de twee bijeenkomsten. Zo zouden de aanbevelingen zoals die in de genoemde rapporten worden genoemd opgenomen kunnen worden in de omgevingsvisie van de gemeente Sluis en wellicht is er een mogelijkheid om een kwartiermaker aan te stellen die de opvattingen van de verschillende stakeholders en hun rol in het proces vastlegt.
En misschien is het een gedachte om per deelgebied een gebiedscommissie aan te stellen waarbij relevante stakeholders worden uitgenodigd om deel te nemen, eventueel aangevuld met de nodige externe expertise. Zoals we hebben gezien, nadat de plannen voor ons gebied uit de jaren 90 werden omarmd, kosten ontwikkelingen tijd. We hebben ook geleerd dat plannen en inspiratie nodig zijn om de benodigde middelen te verkrijgen. Nu veel van de plannen van destijds gerealiseerd zijn is een nieuw, gedragen en inspirerend plan meer dan nodig. Tot slot We zijn de Universiteit van Wageningen erkentelijk voor de aanzienlijke financiële bijdrage en de wetenschappelijke begeleiding. Daarnaast danken wij uw colleges voor de cofinanciering die dit toekomst wijzende project mogelijk gemaakt heeft. En tot besluit, maar zeker niet in de laatste plaats dank ik de deelnemers aan dit proces namens de Stichting Duurzaam Groede hartelijk voor hun constructieve bijdrage. Bart J. Groot Stichting Duurzaam Groede
2
Duurzaam West-Zeeuws-Vlaanderen Verslag schetsatelier 1 april 2022
11 juli 2022
Colofon Wageningen, 11 juli 2022 https://edepot.wur.nl/576876 Workshop over de uitwerking van 3 scenario’s voor de lange termijn voor een duurzame toekomst voor WestZeeuws-Vlaanderen, vrijdag 1 april 2022 in de Grote Kerk te Groede
Opdrachtgever Stichting Duurzaam Groede
Projectleider Marcel Pleijte Ontwerpteam landschapsarchitecten Pieter Boone Martine van Moûrik Bianca de Vlieger Thamar Zeinstra Verslag Martine van Moûrik Marcel Pleijte
Dit onderzoek naar “ het instrument ontwerpatelier” in West-Zeeuws-Vlaanderen is voor 50% betaald door het TKI (Topconsortium Kennis en Innovatie) Agri & Food binnen de missie Klimaatbestendig landelijk en stedelijk gebied. Dit onderzoek maakt deel uit van een groter driejarig onderzoek van 2020 tot en met 2022 naar instrumenten voor de borging van groen waar Wageningen Environmental Research met een consortium van partijen bij is betrokken. De andere 50% van het onderzoek is via de provincie Zeeland aan de Stichting Duurzaam Groede beschikbaar gesteld voor het ontwerpatelier.
Inhoud Inleiding
5
Ochtendprogramma
7
Middagprogramma
11
Groep 1 De Kust - resultaten
13
Groep 2 Middengebied - resultaten
21
Groep 3 Grensstreek - resultaten
25
Groep 4 Governance - resultaten
27
Plenaire terugkoppeling
33
Vervolg
35
Deelnemers
37
4
Inleiding De Stichting Duurzaam Groede wil bijdragen aan het verduurzamen van West-Zeeuws-Vlaanderen. In 2018 is de Stichting Duurzaam Groede naar de Wetenschapswinkel van Wageningen Universiteit en Research gegaan met de onderzoeksvraag hoe de landbouw en het toerisme kunnen verduurzamen rekening houdend met natuur en groene energie. Bij de onderzoeksvraag moet leidend zijn de opdracht zoals vastgelegd in de VN-akkoord 2030 (biodiversiteit) en VN-akkoord 2050 (klimaat). Uit onderzoek kwam naar voren dat veel ondernemers nog gericht zijn op de korte termijn, op bedrijfsniveau en op de eigen sector. Voor verduurzaming is het nodig dat ook de middellange en lange termijn in acht worden genomen, het gebiedsniveau wordt betrokken en sectoren in een integrale gebiedsgerichte aanpak worden afgestemd. In februari 2020 organiseerde Stichting Duurzaam Groede samen met Wageningen Environmental Research (Wenr) een eerste ontwerpatelier met vooral bewoners uit West-Zeeuws-Vlaanderen. De uitkomsten van dit atelier zijn verwerkt in een rapport van de Wetenschapswinkel van Wageningen Universiteit & Research: https://edepot.wur.nl/549961. Na een lang intermezzo vanwege Corona organiseerde de Stichting Duurzaam Groede op 1 april 2022 een tweede ontwerp atelier. Dit is een verslag van het tweede ontwerpatelier.
Het doel van het tweede ontwerpatelier voor de Stichting Duurzaam Groede was om de drie thema’s van het eerste atelier verder uit te werken en om meer regionale en lokale partners te ‘binden’, de betrokkenheid te vergroten bij reeds aangesloten partners en actoren/stakeholders die er de vorige keer niet bij waren, te enthousiasmeren op deelname. Op verzoek van de Stichting Duurzaam Groede zijn de regionale overheden niet uitgenodigd om deel te nemen aan het ontwerpatelier. De Stichting Duurzaam Groede gaf er de voorkeur aan om geheel bottom-up te werken. De Stichting zal de overheden een aantal aanbevelingen doen op basis van de resultaten van de schetsateliers. Voor de betrokken landschapsarchitecten wijkt deze manier van werken af van
wat gebruikelijk is. Zij nodigen “gewoonlijk” de regionale en lokale overheden meteen uit bij de ontwerpateliers. Overigens gebeurt het vaker dat er eerst bottom-up plannen worden gemaakt voordat overheden worden betrokken. Veelal is dit wel voor plannen op kleinere ruimtelijke schaal en binnen een kleiner tijdsbestek. In die zin is het vrij uniek dat de Stichting Duurzaam Groede met regionale partners voor geheel West-Zeeuws-Vlaanderen en voor een langere termijn ideeën voor verduurzaming inbrengt. Een tweede doel is om visies en plannen concreter te maken voor West-Zeeuws Vlaanderen. Het gaat dan om de drie gebieden uit het eerste atelier en daarbinnen zoveel mogelijk ook in overlappende thema’s: 1. De kustzone met het accent op toerisme 2. Het middengebied met het accent op de zoetwatervoorziening 3. de grensstreek met het accent op bosontwikkeling. De wens is hieromheen netwerken te laten ontstaan die er mee aan de slag gaan. De ontwikkelingsgeschiedenis van West-Zeeuws-Vlaanderen laat zien dat ruimtelijke visies en plannen van dragende stakeholders tot concrete resultaten hebben geleid als lokale, regionale of nationale overheden deze vraagstukken herkennen en erkennen en agenderen in hun beleid en de opgaven ook (mee) financieren. Een groot aantal van de plannen uit de jaren ’90 nu zijn uitgevoerd of bijna voltooid zijn (20 jaar na dato).
Stakeholders en overheden dienen opnieuw plannen voor verduurzaming gereed te hebben om mee te dingen naar financieringsmogelijkheden. Het tweede ontwerpatelier is hiertoe een aanzet en de resultaten hiervan een inspiratiebron voor het vervolg.
5
6
Ochtendprogramma Onder leiding van dagvoorzitter Joost Schrijnen, onder andere voormalig Programmadirecteur Zuidwestelijke Delta en hoogleraar Stedebouwkundig Ontwerpen Stad en Regio (Chair Metropolitan and Region Design) aan de faculteit der Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft, is in de ochtend allereerst door Martine van Mourik, landschapsarchitect van WENR, gepresenteerd wat de uitkomsten waren van het eerste ontwerp atelier. [p.m. laten invullen door Martine; link maken naar haar ppt presentatie?!] Na de presentatie van Martine van Mourik zijn vier presentaties gehouden, die aangeven wat er al gaande is in Zeeland en daarmee context voor de opgaven verschaffen en die ter inspiratie dienden voor de verdere ontwerpinvullingen door vier parallelle ontwerpgroepen in het middagprogramma. De presentaties waren overigens geen monologen maar dialogen met de dagvoorzitter, wat het voor het luisterend publiek actiever en interessanter maakte, omdat voortdurend werd gevraagd naar de relatie met de Omgevingsvisie van Zeeland en met de verduuzamingsopgaven voor west-Zeeuws-Vlaanderen.
Vincent Klap, beleidsmedewerker bij de provincie Zeeland, heeft de zoetwaterstrategie van de provincie Zeeland toegelicht. Hij ging daarbij allereerst in op knelpunten in de zoetwatersituatie van de provincie Zeeland: een toenemende autonome watervraag, verziltingsdruk, een mismatch tussen neerslag en watervraag (seizoenen), een wankeler balans wateroverlast en droogte (extremer weer), een bescheiden alternatief aanbod als het gaat om het landelijk zoet hoofdwatersysteem, grondwaterreserves en ontzilting van zeewater. Goedkope eenvoudige oplossingen zijn er (helaas) niet. Met de tijd zijn het aantal onttrekkingen toegenomen! De generieke strategie is om water zolang mogelijk vast te houden. Het is daarbij niet gemakkelijk om in de winter alles vast te houden. Dan heb je functiewijziging nodig met inundatiegebieden: waar wel lokaal water opslaan in de ondergrond? De een heeft op en ander moment water nodig dan de ander. Er zijn verschillen tussen een akkerbouwer of veeteler. Je kunt goedkoper water beschikbaar hebben maar kleine individuele voorzieningen zijn aantrekkelijker dan op gebiedsniveau, want complex en moeilijk vanwege benodigde samenwerking. Voor een boer in Kruiningen was de maat vol en hij ging zijn voorraad zoetwater op eigen perceel vergroten door drainwater op te vangen. Als het te veel is, wordt het 20 meter naar beneden opgeslagen.
Via een eigen drainsysteem heeft hij zoet water nu permanent beschikbaar.
7
Jeroen Matthijssen, werkzaam bij Landschapsarchitectenbureau Bosch en Slabbers in Middelburg, kwam met suggesties voor zowel het middengebied als de grensstreek door terug te grijpen op de Zeeuwse bossenstrategie en eerder geboden opties voor waterbassins. Er zijn momenteel 18 boerenbedrijven die al interesse hebben getoond voor de aanleg van een zoetwaterbassin. Hierover zijn contacten met het ministerie van LNV. Bosch en Slabber heeft van de provincie Zeeland de vraag gekregen om een bossenstrategie op te stellen. Dat begint met een kansenkaart voor bos en houtige landschapselementen in Zeeland. Uitgangspunt hierbij was: hoe is met bos meerwaarde te creëren voor landschap en biodiversiteit? Jeroen licht toe dat er veel meer opgaven in het landelijk gebied spelen zoals de landbouw transitie of leefbaarheid van Zeeuwse kernen. Er zijn zogenaamde Zeeuwse bosoverleggen gehouden met gemeenten, ZLTO en andere terreinbeheerders. De Zeeuwse bosvisie ging ook in op het vraagstuk waar bos en wonen een meerwaarde kunnen vormen. Ook de Linies kunnen met beplanting nog worden versterkt. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een Totaalkaart omtrent de versterking van het Zeeuwse landschap met bos.
Martin Knuijt, directeur OKRA, presenteerde zijn Actuele visie op toerisme. Martin wijst ons er op dat we naar het Zeeuwse landschap nog te veel als een statisch landschap kijken, maar het was een dynamisch landschap. De kustlijn is teruggedrongen, er zijn hardere grenzen. Martin pleit voor een meer dynamische kustzone door: a) kustzone verbreden, rond de zwarte polder ook bij Cadzand; b) kustverdediging, recreatieve druk, geïsoleerde natuurgebieden langs de kust (zonder buffers), c) onderverdeling in drukke en rustige zones naar de kust (slagen) d) maak nieuwe goede gebieden (landzijde van de kust), e) thematisering: mondain, familiair, cultureel, maritiem culinair en natuurlijk, f) hoe ziet het er over 50 jaar uit en kan je het dan nog steeds transformeren? Volgens Martin kan het landschap als drager worden benut: a) verscheidenheid van voormalige eilanden benutten. Versterk voormalige eilanden. b) de kil, c) alle kreken krijgen zo betekenis. Er zijn zoveel kaarten gemaakt van goede kwaliteit. Op een kaart van 1850 zie je de polders nog van 1300 (zie ook de dissertatie van Maria Schotshoog: hoe is het landschap ontstaan?). Zeeland was een waterlandschap: van zout naar zoet naar brak ten dienste van landbouw en benutten voor recreatie en natuur.
Martin houdt een pleidooi om het watersyteem van vroeger en de hoogtekaart weer meer als uitgangspunt te nemen voor het nemen van duurzame maatregelen. Hoe zat watersysteem vroeger in elkaar? Waar hebben we onlogische stappen gezet? Hoe ziet de hoogtekaart er uit? Nieuwe polders liggen wat hoger.... Kreken sterker maken, buffers voor boeren? Met kil of gemaal dat weggehaald is bij zwarte polder moet weer wat kunnen..... waarom is er ooit een kanaal gegraven op het hoogste punt van het eiland? Het natuurlijk systeem zat in Biervliet/Zwarte Polder. Tip: dorpen weer meer positioneren in landschappelijke context plus koppeling van routes: via dorp naar kust via groene corridor. Kreken verlengen dan kan Groede bijvoorbeeld aan de kreek liggen. Je kunt een connectie maken met aantrekkelijke routes.
8
Jitske van Popperingen, Post doc onderzoeker bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, heeft aangegeven hoe op Schouwen-Duiveland tot een gezamenlijke aanpak is gekomen voor governance rond de zoetwaterstrategie. De hamvraag was: hoe krijg je het voor elkaar? Jitske begon met het verschil tussen government en governance uiteen te zetten. Bij government regelen overheden het probleem. Governance betekent dat er problemen zijn die de overheid niet alleen kan oplossen. Om tot een duurzaam West-ZeeuwsVlaanderen te komen is governance nodig. In Schouwen-Duiveland is het uiteindelijk gelukt om 3,5 miljoen euro te regelen voor een zoetwaterstrategie. Voor een zoetwaterstrategie van West-Zeeuws-Vlaanderen geeft Jitske de tip om zelf tot opstellen over te gaan: “de provincie gaat het niet opstellen. Dat moeten de stakeholders doen.” Overigens past dit volgens haar in een trend die we op meer plaatsen zien, bijvoorbeeld bij de provincie Utrecht rond ‘smart gezond en groen en in de provincie Noord-Holland rond Seed Valley, voorbeelden waar de stakeholders het zelf hebben gedaan. Het is volgens Jitske vooral zoeken naar plekken waar kansen samen komen. In de discussie die hierna volgde werden interacties tussen thema’s benoemd, ook als opmaat voor de ontwerpgroepen in het middagprogramma.
9
10
Middagprogramma Tijdens het middagprogramma zijn de thema’s en doelen uit de ochtend verder uitgewerkt in vier parallelle groepen onder leiding van vier landschapsarchitecten. De groepen werkten in het middagdeel aan 2 vragen: 1. Wat willen we waar: wat zijn de samenbindende sturende concepten voor de verschillende deelgebieden? 2. Hoe bereiken we dat: wat zijn de processtappen op weg naar het concept en wie moet wat doen en wat is er nodig? Voor het middagprogramma werden vier werkgroepen onderscheiden: Drie groepen richtten zich op drie deelgebieden binnen West-Zeeuws-Vlaanderen: 1. De kuststreek (o.l.v. Bianca de Vlieger). Thema’s: toerisme, compartimentering, differentiatie parken, kwaliteitsaanbod, kustnatuur, kreekmondingen, achterlandverbindingen; 2. Het middengebied (o.l.v. Martine van Moûrik). Thema’s: duurzame landbouw, zoetwatersysteem, kringlopen, kreken en kreekruggen, recreatieve routing; 3. De dorpen en de grensstreek (o.l.v. Thamar Zeinstra). Thema’s: cultuurhistorie, dorpsbeplanting, Straats-Spaanse linies, woonmarkt, groen netwerk, kavelruil, waterhouderij, nieuwe bossen. 4. De laatste groep hield zich met de overall beleidsstrategie of governance bezig; Overall (beleids)strategie of governance (o.l.v. Pieter Boone). Mogelijke strategieën om de doelen te realiseren. Met wie en wat heb je nodig…
11
12
Groep 1 De Kust Liefde voor het gebied Bij het voorstelrondje blijkt het al: de liefde voor het gebied is groot. West-Zeeuws-Vlaanderen is een prachtig gebied. Jacqueline verzucht: “Laten we vooral bewaren wat goed is! Het gaat te vaak over ontwikkelingen.” René vult aan dat het in de inleidingen vanmorgen nog veel te weinig over natuur is gegaan. Het is een waardevol gebied qua landschap, landbouw, recreatie én natuur.
Kwaliteiten Unieke kwaliteiten die worden genoemd, aanvullend op de presentaties van de ochtend, zijn bijvoorbeeld het open zicht vanaf de kust op het landbouwgebied. De directe aansluiting van landbouwgebied tot aan de duinen komt niet zo vaak meer voor in Nederland. Verder blijkt het gebied tussen Nieuwvliet en Groede een topgebied voor de Patrijs te zijn. Er zijn wel 15 tot 20 patrijzen geteld, vroeger waren dat er natuurlijk nog veel meer. Patrijzen houden van plekken waar ze kunnen schuilen, waar afwisseling is in de begroeiing. Ze eten als jonge vogel kleine insecten en worden later vegetarisch. Het fietspad direct langs de kust wordt zeer hoog gewaardeerd. En tenslotte: de natuurgebieden ’t Zwin en de Verdronken Zwarte Polder zijn Natura 2000 gebieden, net als de Westerschelde zelf natuurlijk. Waterdunen is een ruim 300 hectare groot nieuw natuurgebied. En ook het Erasmusbos heeft bijzondere kwaliteiten (bijvoorbeeld de Boomkikker).
Bedreigingen Verzilting De belangrijkste bedreiging voor de landbouw is verzilting. De verziltingsdruk is voelbaar tot aan de provinciale weg (Groede-Nieuwvliet-Cadzand). Dat is tevens ongeveer de grens van ons deelgebied. Ten oosten van Breskens gaat de verzilting minder ver landinwaarts, omdat de grond daar iets zandiger is en ondergronds zoetwaterbellen heeft. Om de verzilting niet verder te laten toenemen, moet men stoppen met het onttrekken van grondwater voor beregening. Verstedelijking door verblijfsrecreatie Het oprukken van de vakantieparken en hotels hebben we maar geschaard onder “verstedelijking”. De dreiging van het verder verdichten met vakantiewoningen wordt nog steeds gevoeld, ondanks de Zeeuwse Kustvisie. De Kustvisie is voor dit gebied niet zo beperkend geweest, omdat er bij de vaststelling van de visie al heel veel bouwplannen in de pijplijn zaten, dat wil zeggen: in een bestemmingsplanprocedure. Deze bouwplannen mochten doorgang vinden. Verder zijn de aandachtsgebieden omschreven als gebieden waar recreatie mag komen, als er maar voldoende kwaliteit wordt toegevoegd, maar anders dan in bijvoorbeeld Schouwen-Duiveland is de beoogde groene kwaliteit niet gekwantificeerd. Bovendien geldt de Kustvisie niet voor het achterland en daar wordt ook gevreesd voor verdergaande verdichting voor verblijfsrecreatie.
Wegtrekken van eigen bewoners Enigszins paradoxaal is, dat voor de bewoners van het gebied juist wel hoognodig woningen moeten worden gebouwd. Geen mega-aantallen, maar elk dorp zou iets moeten groeien om voor iedereen een passende woning te hebben. Levensloopbestendige woningen in het dorp zorgen ervoor dat er weer doorstroming in de woningmarkt komt en dat jongeren hier blijven vanwege het uitzonderlijke woonklimaat. Daarvoor zijn overigens niet alleen
13
Schets Kansen voor de kust
14
15
16
woningen nodig. Het behoud van het Zwincollege met minimaal 800 leerlingen is een randvoorwaarde. En het openbaar vervoer zou beter moeten zijn. Bereikbaarheid, school en werk en een goede woonomgeving zijn de pijlers voor het beleid om de krimp te lijf te gaan. Westerschelde blijven verdiepen? Komen er nog nieuwe verdiepingen van de vaargeul? Volgens de groep is dat zeer waarschijnlijk, zo lang Antwerpen zeeschepen moet blijven ontvangen. Overigens is het een vrij zinloze bezigheid, want hoe meer je verdiept, hoe sneller de stroomsnelheid en hoe sneller de vaargeul ook weer zal dichtslibben. Maar hoe dan ook is het bedreigend voor de vooroevers, onder meer tussen Breskens en Hoofdplaat. Er is daar wel een strook met vrije smalle inlagen. De tussenpolder (wisselpolders) uit de ochtendpresentatie van Martine zijn even aan de orde geweest, maar die worden hier absoluut niet kansrijk gevonden. Hier liggen geweldige landbouwgronden! Alles is kleinschalig De maat en schaal van het gebied hebben veel charme, maar dat het om een relatief dunbevolkt gebied gaat (eigen inwoners: 22.000), betekent ook iets voor de ondernemers. Goede ideeën stranden soms of worden na een paar jaar exploiteren uit nood gestopt, omdat er geen brood mee te verdienen is. Dat geldt bijvoorbeeld voor vervoerssystemen (zonnetrein, bus) en voor slechtweervoorzieningen (speelboerderij, knutselatelier).
In de zomermaanden is er misschien wel voldoende markt voor, maar het jaar is 12 maanden lang.
Kansen Maar dan de kansen! Die zijn er nog veel meer. Aan het einde van de workshop waren wij nog niet door onze ideeën heen, maar wat op tafel is gekomen, staat op onderstaande kaart: Strand en duin: rustgebieden, geen slaaphuisjes meer, autoluwer en met kusttrein Voor de natuur zou het goed zijn als er ook stukken strand ontoegankelijk worden. Bij ’t Zwin, de Verdronken Zwarte Polder en Waterdunen worden
17
er steeds kleine stukjes strand niet betreedbaar, ten behoeve van de rust voor vogels. Vanzelfsprekend, maar toch nog maar even genoemd: geen strand-slaaphuisjes meer! En de fietsroute langs de kust zou veiliger en beter worden als het autoverkeer drastisch vermindert. Er is gesproken over het leggen van een knip in de kustweg. We weten dat het een gevoelig punt is in de gemeenteraad. Als het onmogelijk blijkt, laat het dan een 30-kilometerweg worden: toeristen hebben geen haast! Een absolute kans is om de kusttrein door te trekken tot aan Breskens. Voor de toerist wordt het dan ook veel interessanter, omdat direct op de veerboot naar Walcheren kan worden overgestapt. Landbouwgebied: kleinschalig en natuurlijk Akkerbouw voor optimale productie, is onhaalbaar geworden door de verzilting. Nu al zijn boeren gestopt met het verbouwen van aardappels, vanwege het zout in het grondwater. Vergeleken het gebied ten zuiden van de kernen Cadzand – Nieuwvliet – Groede is de landbouw aan de kust in deze vorm niet kansrijk meer. Wat wél kan, is het transformeren naar een landschap met kleinschalige landbouw en natuur. Als referentie wordt het gebiedje De Blikken genoemd. Je kunt ook refereren aan de landbouw anno 1900: kleine percelen, veel afwisseling, veel biodiversiteit, klein materieel.
(Overigens is gezegd dat de tijd van de grote landbouwmachines toch een beetje voorbij is, omdat je met robotten precisielandbouw kan plegen). Deze kleinschalige landbouw heeft natuurlijk wel een ander verdienmodel nodig, want de productie is veel lager dan in de huidige situatie. Voor de groene diensten die de boer levert, zou een vergoeding moeten worden gegeven. Mogelijk kan de gemeente vanuit de toeristenbelasting, die volgens deze groep kan worden verhoogd, een vergoeding voor groene en blauwe diensten van de boer financieren. Het landschap wordt immers veel aantrekkelijker voor de toerist. Het gebied moet binnen het oude eiland van Cadzand en het Oudland van Groede wel open blijven, dus bosaanleg is hier slechts aan de orde bij de kernen. Op de kaart zijn 3 bossen getekend die volgens de groep kansrijk zijn: bij Breskens de Steenenpolder, ten oosten van het Groede Podium en aan de rand van Nieuwvliet-Bad.
18
De kernen: woningbouw om aan de vraag van inwoners te voldoen Woningbouw is nodig, daar is iedereen het over eens. Voor een gewone prijs is er geen woning meer te krijgen in dit gebied. Wellicht is het mogelijk om de dorpsbewoners zelf, onder leiding van de dorpsraad, het initiatief te laten nemen voor het bepalen van de woningbouwlocaties. Er is wel een ander beleid nodig ten aanzien van het wonen: een zelfbewoningsplicht zou een rem zetten op het bouwen van woningen voor mensen die hier slechts een paar maanden per jaar zijn. De boerenerven: duurzaam en met wateropvang Van de ideeën die deze morgen zijn genoemd om water vast te houden (in de ondergrond; door opvang uit de drains en later weer terugvloeien in drains; met bassins), spreken de waterbassins ons erg aan, omdat ze gemakkelijk en individueel te realiseren zijn. Ze kunnen ook mooi zijn, als je ze uitvoert als een vijver (dus onder maaiveldniveau). Om nog wat natuurwaarde te geven aan de bassins, is het noodzakelijk dat ze niet helemaal worden drooggelegd in de zomer. Mogelijk kan er aan de randen een plas-drasberm worden gemaakt, die beschikbaar blijft voor amfibieën, waterplanten en insecten. Het water in de bassins kan gebruikt worden als bluswater en mogelijk kan er zelfs thermische energie uit het water gehaald worden.
En als het een boerderij is met een theehuis of een kaasverkoop, kan zo’n vijver ook een mooie verblijfsplek zijn. Padennetwerk Hoe beter een gebied dooraderd is met allerlei verschillende wandel- en fietspaden, hoe interessanter het wordt voor bezoekers en bewoners. Bovendien ontlast je met een dicht padennetwerk de (donkergroene) natuurgebieden, die dan iets rustiger kunnen blijven. Helaas is de VVV weg uit deze streek. Maar ook bewoners kunnen – naar het voorbeeld van Walcheren - een voetpadennetwerk uitzetten in overleg met de boeren (grondeigenaren). Misschien kan het wel een leuke stageopdracht zijn. Ook aan kanoroutes over de kreken is behoefte.
Landgoederen Uit de Zeeuwse bosvisie blijkt dat er in de geulpolders (dus om de oude eilanden heen) houtige gewassen of bossen kunnen worden geplant. Dat zou de landschapsstructuur alleen maar versterken. Dit geldt ook voor de Staat-Spaanse linies. Mogelijk kunnen hier ook landgoederen worden toegestaan. Maar de regeling zoals die nu in de Zeeuwse Omgevingsverordening (2021) is opgenomen, is erg ruim. De gemeente zou dit beleid verder kunnen uitwerken, waarbij niet alleen de beoogde groene kwaliteiten nader worden uitgewerkt, maar ook ingegaan wordt op hoeveel en voor welke doelgroepen bebouwing in de nieuwe landgoederen is toegestaan. Landgoederen in de buurt van een kern kunnen misschien ook verschillende woongemeenschappen of woon-zorg-combinaties huisvesten.
Wat is hiervoor nodig? Uit de discussie blijkt dat er nood is aan een goede (nieuwe) structuurvisie (deel-omgevingsvisie) van het gebied. De Kustvisie gaat alleen in op verblijfsrecreatie, er is behoefte aan een visie op alle aspecten van het landschap en de profilering van de dorpen. Daarnaast moet worden nagedacht over verdienmodellen en financieringsstromen om de ideeën uit deze workshop gestalte te geven. Daarin zou ook een analyse van de toeristenbelasting kunnen worden betrokken, om te kijken welk deel van de belasting naar welke doelen toe gaat en of verhoging van de belasting nog een mogelijkheid is. Tenslotte – en vooral – hebben we de bewoners zelf nodig. Bewoners geven aan mee te willen denken over woningbouwplannen. Dat is een unieke kans om samen met de gemeente locaties, fasering en doelgroepen te bepalen.
19
Schets Middengebied
20
Groep 2 Middengebied Robuuste groenblauwe kreken en bloemrijke dijken met boombeplanting geven structuur aan het open Zeeuwse polderlandschap. Ze fungeren daarnaast als recreatief netwerk en als ecologische verbindingen. De landbouw, met name te noemen de productie van voedsel voor mensen, blijft het hoofdgebruik in het gebied. Dus geen akkers met zonnepanelen op deze vruchtbare landbouwgronden en ook geen productie van voedsel (biobrandstof/ autofood) voor auto’s. De landbouw houdt rekening met: • het milieu (ook mens en dier); • het klimaat en de verandering daarvan; • bodem weer vitaal en gezond; toename organische stof voor vochtvasthoudend vermogen; • biodiversiteit: meer biodiversiteit, ruimte voor natuur is ook plaag verminderend. Er worden op Zeeuws-Vlaanderen veel agrarische gronden opgekocht door buitenlandse investeerders. Gevaar is dat steeds meer landbouwgrond hier in buitenlandse handen valt. Hoe dit tij te keren. Denk na over welke schaal in de landbouw wenselijk is. Voor welke markt wil je produceren? Kies voor grondgebonden, circulair op regionaal niveau, investeer in een duurzame bodem, dus geen chemische bestrijdingsmiddelen, gebruik zoveel mogelijk regionale meststoffen of ga een duurzame samenwerking aan met elders. Meer gemengde bedrijven of samenwerkingen tussen landbouwbedrijven zou een oplossing kunnen bieden.
Landbouw met menselijke schaal: streekgebonden, biologisch, circulair. Specialistisch en/ of juist brede landbouw naast reguliere akkerbouwbedrijven die gaan voor grote productie en high tech toepassingen. De agrariërs geven aan te worstelen met de regeldruk door het landbouw- en natuurbeleid en de regels vanuit de EU. Ze hebben daarnaast moeite met het genereren van voldoende inkomen uit de landbouw,
Natuurlijk systeem en zoet water We gaan voor genoeg zoet water en op de juiste plaatsen en het gaat rond genoeg zoet water!! Het natuurlijk systeem (water, bodem en hoogteligging) is de basis voor de inrichting en het grondgebruik. Het zoete water wordt optimaal benut. Laten infiltreren in de bodem, vasthouden in reservoirs en in de ondergrond. Eventueel tijdelijk opslaan in de ondergrond om later op te pompen (zie pilotproject Kruiningen). Opties om zoet water te bewaren: 1. Een optie is het zoete water per agrariër zelf te laten regelen op eigen bedrijf en land. Een voorbeeld daarvan is de Watermachine van een ecoboer uit Kruiningen (https://www.omroepzeeland.nl/nieuws/11606790/ zoet-water-opslaan-in-kruiningen-is-dit-voor-boeren-de-oplossing-bijdroogte) 2. Of collectief als watercoöperatie door een aantal agrariërs samen. (Dan wel van te voren afspreken hoeveel water je inbrengt en nodig hebt en wanneer).
21
22
3. Collectief. Maak de kreken robuuster en sla daar zoet water op. De overheid regelt de inrichting en de verstrekking van het zoete water. Er kunnen ook hele polders worden ingezet (of de lage delen daarvan) als zoetwaterbekken. Robuuste kreken De kreken worden robuuster uitgevoerd zodat ze meer zoet water kunnen bufferen voor de droge periodes in het jaar. Waar nodig wordt er een zoutwaterbuffer aangelegd nabij de kust (zoals bij Slijkplaat) om de kwaliteit van het zoete water in de kreken veilig te stellen. De kreken krijgen een stevige, groene rand die kan bestaan uit afwisselend: rietvelden, grazige wetlands, bomen en struweel en bosranden. Welke teelten? Welke teelten hebben (wanneer) water nodig? Bijvoorbeeld granen hebben alleen een watergift nodig rond het kiemen van de zaden, daarna zorgen ze voor zichzelf. De vraag is: welke teelten zijn geschikt op welke gronden? Maak daar gebruik van. Er zijn voor teelten die beter geschikt zijn voor water met meer zout. Hierbij kan het gaan om aardappels, diverse groentesoorten, maar ook om granen zoals gerst en haver. Daarnaast zijn er ook zilte teelten. Dit zou een optie kunnen zijn langs de kust bij de inlagen en daar waar voor een duurzame kustverdediging tussenpolders kunnen worden aangelegd. Herinrichting en Hoofdpolder als zoetwaterbuffer In de Oranjepolder is in het voorjaar een zoetwatertekort.
In het najaar is er een zoetwaterverschot. Idee is om het overtollig water in de herfst te stallen in een laaggelegen, naastgelegen polder zoals de Oude IJvenpolder/Groote Corneliapolder/ Magdalenapolder. In het voorjaar wordt het zoete water teruggepompt en via een stelsel van watergangen naar de akkers geleidt. Bloemrijke dijken worden weer ecologische linten in het landschap Stop de uitverkoop van het landschap! (En de afbraak van het ecosysteem). De dijken waren en kunnen weer belangrijke ecologische linten in het landschap worden. Samen met de kreken kunnen ze zorgen voor een groenblauwe dooradering van het landschap. Het is een Quick win (laaghangend fruit) in dit gebied: Beheer de bermen van de dijken ecologisch en ontwikkeld ze tot kruidenrijke gras. Er is tevens onderzoek gedaan dat dit een sterkere dijk oplevert.
De grote vraag is: wie pakt dit op? Wie voelt zich verantwoordelijk? Waar ligt het eigenaarschap: Provincie of waterschap? Is er een rol voor de gemeenten? Voor het ecologische beheer zouden schapen ingezet kunnen worden. Dubbeldoel schapen een ziekte resistent ras voor vlees en wolproductie. In Spanje wordt ook zout water geïrrigeerd, door het osmoseprincipe wordt het zoute water naar de randen geduwd. Het werkt als een filter. Is het een idee om een proef te doen om te kijk of dit op de langere termijn een optie zou kunnen zijn in Zeeland? Recreatie middengebied en grensstreek De toeristen van de kust verleiden om eens een dagje middengebied en grensstreek te doen. Vragen zijn: hoeveel toeristen zijn wenselijk in het middengebied? Wat is de recreatieve draagkracht? Bepaal dat samen met de bewoners van de streek. Rust en ruimte zijn een groot goed voor de inwoners. Het gaat over dagjesmensen maar ook verblijfsrecreatie. Het is onwenselijk om hier ook grote recreatiehuisjesterreinen te krijgen. Kleinschalige ontwikkelingen bijvoorbeeld op een boerenerf is wel wenselijk. Het fietsnetwerk upgraden: alles met elkaar verbinden, de missing links wegwerken. En zorg dat het een veilig fietspadennetwerk wordt. Daar kunnen scholieren en andere streekbewoners ook voordeel mee behalen.
Overige Economy of scale!!! Kies voor grotere eenheden 300/ 400 ha voor ingrepen zoals het creëren van robuuste groenblauwe kreken en herinrichting van gebieden.
23
Schets Grensstreek
24
Groep 3 Grensstreek De cultuurhistorie in de grensstreek kan gezien worden als de verbindende factor in dit gebied en kan ingezet worden als drager voor een multifunctioneel landschap. Het wordt een zogenoemde kapstok waaraan de volgende functies/ elementen opgehangen kunnen worden: • De Staats Spaanse Linie komt grotendeels overeen met de krekenstructuur in de grensstreek. Door deze kreken aan te zetten, komt de Staats Spaanse Linie in een groenblauwe ader structuur te liggen die gebruikt kan worden voor natuur, recreatie en agro-forestry (een nieuwe vorm van landbouw gecombineerd met houtige gewassen). Met agroforestry wordt gedoeld op het ontwikkelen percelen in de brede groene zone rondom de kreken met verschillende soorten die geoogst kunnen worden, zoals riet- of bospercelen. • Er wordt aangegeven dat een samenwerking met België gewenst is, maar dit in veel gevallen nog moeizaam gaat. Mede door verschil in overheidsstructuur. In België worden gebiedsplannen vanaf de top aangestuurd, terwijl in Nederland wordt gericht op bottom up. Doordat dit van elkaar verschilt, is het maken van regelingen lastig.
voor toerisme op boerderijen (boerderijwinkel, horeca,…). De authentieke kleinschaligheid wordt zo teruggebracht en er ontstaat ruimte voor lokale producten. • Een bezoekerscentrum of cultuurhistorisch museum (zoals bij ’t Zwin) bij de aangesterkte kreken en Staats Spaanse Linie, zou een goede trekker kunnen zijn voor toerisme in het beschreven gebied. • Het dekzandgebied in het zuidelijke gedeelte van de grensstreek wordt voor de huidige manier van boeren steeds minder optimaal. In de toekomst zal dit geen logische plek meer zijn voor landbouw en kunnen hier meer bospercelen of boscoulissen aangeplant worden met een gemengd boommengsel, om zoetwater op te vangen en CO2 vast te leggen. Daarnaast sluit het landschap op deze manier beter aan bij de noordelijke grensstreek van België, waar momenteel meer bos aanwezig is dan in de Nederlandse grensstreek.
• De Staats Spaanse Linie loopt door in België. Deze zou ook in België aangezet kunnen worden met groen-blauwe structuren en grensoverschrijdende fietsen wandelpad aan te leggen in deze gebieden. Dit zou voor een samenwerking zorgen met België met gedeelde belangen en/of gemeenschappelijk doel bij deze gebieden en het onderhoud daarvan. • Dorpen in de grensstreek, zoals Aardenburg IJzendijke, krimpen en vergrijzen. Door de kreken in dit gebied aan te sterken, komen deze dorpen met historisch waardevolle punten in een aantrekkelijker landschap te liggen en kunnen deze dorpen een boost krijgen. Om de dorpen kan een ‘schil’ aan boomlanen en bospercelen toegevoegd worden, om het dorpsgezicht te vergroenen, de leefbaarheid te verhogen en zo ook voedselbossen te creëeren. Deze vorm van biologische landbouw kan zo bijdragen aan de verduurzaming van de landbouw in dit gebied en kan gebruikt worden
25
26
Groep 4 Governance Bij de groep governance stonden de volgende opdrachten centraal: • Geef aan HOE de in de andere groepen uitgewerkte inhoudelijke doelstellingen voor bepaalde gebiedsdelen bereikt kunnen worden; • Geef de noodzakelijke vervolgstappen aan waarin actoren, onderwerpen en financiering betrokken zijn. De gevolgde werkwijze was als volgt. De groep heeft een redeneerlijn of werklijn opgesteld waarin (per deelgebied) betrokken actoren worden geïdentificeerd op basis van urgentie en draagkracht. Deze werklijn zien wij als ‘motor’ in het gebied. Die motor houdt ons inziens een mechanisme draaiende zonder welke geen voortgang en resultaat worden geboekt. Getracht is te identificeren waar en bij wie ‘de vonk’ zit om de motor te starten. Dit levert allereerst inzicht in een werklijn waarlangs volgende stappen gezet kunnen worden (de motor) en waaraan tal van initiatieven, projecten, onderwerpen en geld meegekoppeld kunnen worden (als extra brandstof). In het tijdsbestek van de tweede workshop bleek het niet mogelijk om de werklijnen in volledigheid uit te werken. De eerstvolgende stap zou moeten zijn dit wel te doen en – naast het bepalen van de meekoppelende actoren en onderwerpen/projecten – financieringskansen op gelijke wijze in beeld te brengen.
Op basis van de naar het landschap van West Zeeuws Vlaanderen vertaalde knelpunten, kansen en kwaliteiten in de andere 3 groepen is het duidelijk dat het aanwijzen van één overkoepelende werklijn niet adequaat is. Daarom is een werklijn beschreven voor: 1) het kustgebied, 2) het middengebied en 3) de grensstreek.
27
28
1. De kuststreek Voor de kuststreek is de urgentie dat het maximale draagvermogen in acuut gevaar is. De druk op de kuststreek is groot: sociaal-economische druk, grondposities, de grond langs de kust is op. De functies gaan zich naar binnen verplaatsen. De dragers voor de ontwikkelingen zijn vooral de bewoners en de regionale overheden. De ontwikkelingen in West-Zeeuws Vlaanderen doen de eigen bevolking momenteel wat vervreemden. Ga terug naar “meet the people aan de kust in West-Zeeuws-Vlaanderen”. Wie is de spreekbuis? Dat is de gemeenteraad en het college van B&W. In realiteit kunnen zij bepalingen opnemen in bestemmingsplannen. De kuststroken worden nu opgekocht. Het is moeilijk om daar grip op te krijgen. Een omgevingsplan zonering gebruik kan de motor zijn om alle ontwikkelingen in goede banen te leiden. Vanuit de recreatiesector en vanuit gewenste ontwikkelingen voor natuur kunnen gewenste ontwikkelingen worden gefinancierd. Daarbij kan gedacht worden aan verschillende koppelingspotenties. Allereerst kan gedacht worden aan nieuwe natuur bij kreekmondingen. Verder kan de kwaliteit en differentiatie binnen de huidige contouren van de recreatieparken worden vergroot. Andere koppelingspotenties liggen op het gebied van vervoer (overigens niet alleen openbaar vervoer), landbouw en regelgeving voor bewoning en opkoopstrategieën. Dit kan als volgt worden toegelicht.
Omtrent vervoer zijn er al diverse plannen geopperd voor een kusttram (er ligt een plan om die van Brugge naar Sluis of naar Groede te laten rijden), een kusthopper ( een watertaxi op de Westerschelde als commerciële vorm van vervoer), het ontsluiten van parkeerplaatsen als transferia (waarbij de laatste kilometer optimaal moet zijn...). De groene gebieden zorgen ook voor extra toerismedruk: Zwin, Zwarte polder en Waterdunen (groene gebieden). Daar moet de infrastructuur op zijn aangepast: veel fietsers. Voor de landbouw komen er meer kansen voor korte ketens in het kustgebied. Er is een ondernemer die bijvoorbeeld appelsap maakt als regioproduct met appels afkomstig van 20 tot 30 boeren. Verder wordt er vlees verkocht van specifieke koeien zogenaamde witterikken, die mooi vlees opleveren. Kringlooplandbouw heeft draagvlak. Ook verbrede landbouw ofwel landbouw in combinatie met recreatie (bijvoorbeeld met minicampings), natuur, kustverdediging. Voor bewoning en opkoopstrategieën zou de gemeente Sluis regels kunnen opstellen: zoals bijvoorbeeld de verplichting om in aangekocht vastgoed te wonen (en niet speculatief te verhuren) en bij aankoop van grond gebruik te maken van bijvoorbeeld de Wet voorkeursrecht gemeenten.
29
2. Het middengebied De landbouw in het midden gebied heeft drie erg droge jaren gekend. Er vond transport van water plaats. Er was letterlijk sprake van verschraling in het landschap. In het middengebied zit nog veel landbouw met toekomst: rechte percelen, schone, goede grond. Groede heeft goede zavelachtige grond. Bioboeren zitten rond Schoondijke en IJzendijke. Het is grond met capillaire werking: water naar boven duwen, opstijgend water, maar geen kwel. Groede, Schoondijke en IJzendijke zijn topgebieden voor biologische landbouw. Het middengebied wordt vanuit de landbouw afgeschilderd als champignons league gebied voor de landbouw ten opzichte van het kustgebied en het grensgebied. (Betekent dat ook voor andere functies: afblijven?!). Voor het middengebied is de zoetwaterhuishouding de motor. De drager van het gebied is de landbouwsector. Niet alles kan worden betaald vanuit de landbouw. Zoetwater laat zich combineren met recreatieve routing. Als het gaat om verbrede landbouw leent het kustgebied zich hier meer voor. De landbouwsector kan de dragende kracht vormen. Er zijn momenteel landbouwsubsidies gericht op zoetwater. Die zijn vooral gericht op individuele agrariërs. Er is nog geen collectieven subsidie gericht op zoetwater vanuit LNV. Op kreekruggen wil je gezamenlijke afgestemde acties van agrariërs. Bij poelgronden kunnen acties wel individueel zijn.
Er zou ingezet kunnen worden op een voucherregeling waar de overheid de helft betaald. Gedacht wordt aan 3 miljoen POP subsidie: gemeenten als trekker voor subsidies en agrariërs schrijven mee... Dit vergt het mogelijk maken van multi-level governance. Ook EU gelden voor Green Deal kunnen worden ingezet. In het middengebied kan bij koppelingspotenties gedacht worden aan individueel peilbeheer sloten, infiltratie op de kreekruggen, vergroting areaal oppervlaktewater, zoet/brak/zout scheiding. Een zoetwaterstrategie biedt daarmee een goede koppelingspotenties voor het middengebied.
30
3. De grensstreek De grensstreek heeft te maken met grenseconomie, ondanks cultuurverschillen en institutionele verschillen. De dragers voor die grenseconomie zijn bedrijven, overheid en grensbewoners. Voor de grensstreek is samenwerking over de grens heen de motor. EU financiering kan helpen. Er zijn verschillende koppelingspotenties genoemd: bij het Leopold kanaal loopt relatief schoon water nu zo de Westerschelde in; dat is zonde. De dorpskernen kunnen worden versterkt, bijvoorbeeld door de forten af te maken met bebouwing bij Sluis. Agroforestry kan kansen bieden ook in samenhang met wonen in het groen. Veel is hier ook afhankelijk van hoe het gebied zich tot de haven van Antwerpen gaat verhouden als aantrekkelijk woongebied. Aan weerszijden van de grens is sprake van ondernemerschap die inspeelt op de institutionele verschillen, waarmee een lumineus economisch model is ontstaan. Gewezen is op benzineprijzen, verkrijgbaarheid van paracetamol tijdens verschillende winkeltijden etc. De leesbaarheid van het landschap is slecht. De drager is cultuurhistorie en landschap. Het Groote Gat was vroeger een kreek, nu een zilt natuurgebied, waar resten van oude forten uit de Tachtigjarige Oorlog nog zichtbaar zijn. Boeren en natuur: maak de kreek het Groote Gat groter waar boeren medegebruik van kunnen maken.
Omtrent de Staats Spaanse linies is er nog te weinig mee gedaan als onderdeel van de Nederlandse geschiedenis.
31
32
Plenaire terugkoppeling Bovengenoemde resultaten van de werkgroepen werden plenair teruggekoppeld aan alle deelnemers en werden bovendien gepresenteerd aan Jo-Annes de Bat, gedeputeerde van de provincie Zeeland en Peter Ploegaert, tot 22 maart 2022 12 jaar wethouder voor de gemeente Sluis. Jo-Annes de Bat werd door Joost bevraagd om een aanpak omtrent de zoetwaterstrategie in het middengebied. Joost Schrijnen benadrukt dat het Deltaprogramma een mediator is tussen het nationaal deltaprogramma en regio. Jo-Annes de Bat stelt voor om met ZLTO na te denken wat de sleutel is voor het zoetwater. Het gaat om heel veel individuele verschillende acties. Je moet daarvoor het gebied in. Het moet kortom overgenomen worden in gebiedsgericht werken: het gebied bij elkaar zetten en dan naar een visie toewerken. Het is maatwerk. Je kunt niet overal tegelijk zijn. Joost vraagt of nu dan West-Zeeuws-Vlaanderen na Schouwen-Duiveland aan de beurt is. De Bat reageert hierop met vragen: doet het gebied het ook echt zelf? Heb je het gebied ook echt mee? Hoe creëer je draagvlak? Hoe wil je van plan naar uitvoering? Dan kom je natuurlijk ook weer bij overheden uit, maar het moet niet government worden. De provincie Zeeland geeft aan mee te willen helpen, maar binnen de kaders van gemeenten. De provincie nodigt het gebied en de gemeente Sluis uit: “kom maar op.....”.
wat ontwikkelingen bij Nieuwvliet, bij Breskens is het voornemen om het rustig te houden. Er was veel geld. Er is voor 1 miljard geïnvesteerd in het gebied voor allerlei ontwikkelingen. De ontwikkelingen halen ons in...we krijgen nu weer zo’n ronde, wie gaat dat betalen...? je kunt ze nog financieren...Laat gemeente Sluis dat zien? Peter geeft aan dat het kapitaal deels regeert met de ontwikkelingen aan de kust. Ontwikkelingen waren destijds nodig. Nu is er een balans. Waar liggen er kansen? We onderscheiden daarbij donkergroen en lichtgroen. Kijk ook naar het Masterplan Nieuwvliet (Martin de Knuit als master). Peter wordt gevraagd naar zijn overdracht dossier. Hoe wordt omgegaan met ontwikkelingen van de kust? Peter geeft aan dat stabiliseren de rol is van de gemeente. Er is een kustpact, een Zeeuwse kustvisie. Tegelijkertijd gaat speculatie vanuit de private sector door: hoe publiekelijk hier ruimtelijk weerstand tegen bieden? Dat blijft een opgave. Peter Ploegaert adviseert om “alles wat er nu ligt vanuit de ontwerpateliers mee te laten nemen door de gemeenteraad van Sluis en vervolgens mee te nemen in een gemeentelijke structuurvisie”.
Wat de Bossenstrategie betreft wordt door Jo-Annes de Bat aangegeven dat dit vooral nationaal geld betreft. De kansen liggen op een ander vlak. De wens dat bos belangrijk is voor het vastleggen van stikstof en om water vast te houden. Het is er niet om de voedselproductie teniet te willen doen. Vandaar dat ook voedselbossen vaak worden geopperd. West-Zeeuws-Vlaanderen heeft sinds de jaren negentig van de vorige eeuw een zoektocht achter de rug gericht op de vraag: hoe om te gaan met de balans tussen rood en groen? Het was een zoektocht met de landbouw, recreatie en toerisme en natuur. Sindsdien is er veel gebeurd. De keuze lijkt nu te zijn dat Cadzand Bad verder ontwikkeld mag worden: hoe stijlvol is dat dan? Er zijn nog
33
34
Vervolg Met de twee ontwerpateliers hoopt de Stichting Duurzaam Groede eerste aanzetten te hebben gegeven om de verduurzaming van West-ZeeuwsVlaanderen verder invulling te gaan geven. Voor vervolg zal de focus mogelijk niet alleen dienen te liggen op het doorwerken aan landschappelijke kwaliteiten en kansen, maar primair meer gericht moeten zijn op een vraag als: ‘hoe organiseren we beleid, projecten en samenwerking’? We komen dan op onderwerpen als eigenaarschap, coöperatie, ondernemersruimte, investeringen, governance etc. Dit zijn aspecten die mensen echt bijeenbrengen, eerder dan met elkaar weer verder te schetsen. Naast landschap gaat het dan om sociaal-economische, sociaal-culturele en demografische aspecten. Het gaat dan om inclusie, werkgelegenheid, behouden jonge mensen, bedrijfsopvolging, innovatie, verdiencapaciteit (maar dan duurzaam). Naast landschapsarchitecten vraagt dit voorbeeld om inbreng vanuit een landbouweconoom, een recreatiedeskundige, een organisatiedeskundige etc. Zij kunnen helpen in verdere gesprekken over ‘hoe gaan we dit duurzaam met elkaar doen’, ‘wat heb ik nodig’, ‘wat kost het/wat levert het op’, ‘wie is de eigenaar, projectleider’, ‘welke regelgeving nodig of juist overbodig’ etc.
35
36
Deelnemers 1. Kustgebied (Bianca de Vlieger) Han van Born Ruud van Leeuwen Elly Clyncke René Beijersbergen Jacqueline de Jong Peter Zuurbier Corneel Soeting Johan Provoost Bianca de Vlieger 2. Middengebied (Martine van Moûrik) Suzanne van de Straat Bas Scheurwater Aad Speksnijder Walter Milliano Rico de Koeijer Jaap Boekker Hans Risseeuw Jan van Minnebrugge Rene Beijersberge Therese Polleat Elly de Koeijer Ruud Muusze
4. Governance (Pieter Boone) Jan Joris Midavaine Wigbert Steenbeek Bart Groot Joost Schrijnen Vincent Klap Martin Knuijt Jitske van Popering Leo Dekker Pieter Boone Marcel Pleijte
Deelnemers aan het eerste ontwerpatelier die niet bij het tweede ontwerpatelier aanwezig konden zijn: Luc Buijsse Jan Ducaat Peter Filius Peter Leguit Nick Sinke Erik v. d. Hemel Hanneke Vermue Erik van Damme Thijs Soeting
3. Grensgebied (Thamar Zeinstra) Chris Hermans Jaques le Grand Jo Timmers Jeroen Matthijssen Martin Zonneveld Huub Buysse Jaap Verherbrugge
37