01. (Ontwerp Welstandsnota 2022).docx
Tekst van het document
Welstandsnota gemeente Sluis 2022
Vastgesteld in de raadsvergadering van 23 maart 2023
Inhoud Inhoud .....................................................................................................................................................1 1. Inleiding en leeswijzer .....................................................................................................................2 1.1 Inleiding ...................................................................................................................................2 1.2 Leeswijzer.................................................................................................................................2 2. Wettelijk kader ................................................................................................................................4 3.
Werkwijze Commissie ruimtelijke kwaliteit en procedures ............................................................5 3.1 Samenstelling Commissie ruimtelijke kwaliteit ....................................................................5 3.2 Werkwijze van de commissie ...................................................................................................5 3.3 Aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan 3.4 Aanvraag om omgevingsvergunning voor het voeren van reclame.........................................5 3.5 Monumenten en beschermd dorpsgezicht..............................................................................5 4. Doelstellingen en uitgangspunten van het welstandsbeleid...........................................................7 5. Gebiedsbeschrijving ........................................................................................................................8 6.
Welstandscriteria ..........................................................................................................................15 6.1 Algemene welstandscriteria...................................................................................................16 6.2 Gebiedsgerichte criteria en welstandsniveaus ......................................................................17 6.3 Sneltoetscriteria.....................................................................................................................20 6.3.1 Bijbehorende bouwwerken....................................................................................................21 6.3.2 Dakkapellen............................................................................................................................23 6.3.3 Kozijnwijzigingen....................................................................................................................25 6.4 Objectcriteria .........................................................................................................................26 6.4.1 Antennemasten .....................................................................................................................26 6.4.2 Cataloguswoning....................................................................................................................27 6.4.3
Dakopbouwen........................................................................................................................27 6.4.4 Installaties ..............................................................................................................................28 6.4.5 Reclame-uitingen ...................................................................................................................28 6.4.6 Prefab units............................................................................................................................30 6.4.7 Zeecontainers.........................................................................................................................30 6.4.8 Nissenhutten..........................................................................................................................30 6.5 Materiaalcriteria ....................................................................................................................32 6.5.1 Dakpanprofielplaten ..............................................................................................................32 6.5.2 Damwandprofielplaat ............................................................................................................32 6.5.3 Geglazuurde dakpannen
........................................................................................................32 6.5.4 Prefab beton ..........................................................................................................................32 7 Excessenregeling ...........................................................................................................................33 8 Slotopmerkingen ...........................................................................................................................34 Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Begrippen Kaarten historisch welstandsniveau Uitwerking algemene welstandscriteria leidraad van Rijksdienst voor cultureel erfgoed
Pagina 1
1.
Inleiding en leeswijzer
1.1
Inleiding
De Gemeente Sluis is trots op haar steden, dorpen en buitengebied en neemt de verantwoordelijkheid voor behoud en verbetering van de omgevingskwaliteit. Het is een publiek belang om zorgvuldig met die omgeving om te gaan. Ons woon- en leefklimaat wordt namelijk voor een belangrijk deel bepaald door de kwaliteit van de bebouwde omgeving. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Tegelijkertijd wil de gemeente burgers niet onnodig beperken in de mogelijkheid gebouwen aan te passen aan hun wensen. Het beoordelen van bouwplannen op redelijke eisen van welstand is een manier om deze twee uitgangspunten in de praktijk te brengen. Op 27 oktober 2011 heeft de gemeenteraad hiervoor de Welstandsnota gemeente Sluis 2012 vastgesteld als sturingselement. In de afgelopen 10 jaar zijn er vele ontwikkelingen geweest op het gebied van onder meer duurzaamheid en materialen. Daarnaast zal de omgevingswet in werking treden. Deze wet moet het omgevingsrecht, het geheel aan wet- en regelgeving voor de fysieke leefomgeving, vergemakkelijken. Deze wetgeving zal regels omvatten over het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving en zal meerdere wetten bundelen tot één wet.
De ervaring met de huidige nota, het veranderende inzicht, de nieuwe materialen en de op stapel staande nieuwe wetgeving hebben ertoe geleid dat er een nieuw beleidskader moet komen. Deze welstandsnota vormt het nieuwe beleidskader voor planindieners en zal de basis vormen voor advisering over schetsplannen en vergunningaanvragen door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aan het college van burgemeester en wethouders. In de nota is getracht om onnodige regeldruk te vermijden en een verduidelijkingsslag te maken. Met het opstellen van deze welstandsnota is rekening gehouden met de intenties van de Omgevingswet en kan inhoud en context worden geboden voor het omgevingsplan ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Uitgangspunten Deze herziene welstandsnota is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • actualisering (op basis van continuering) van het bestaande welstandsbeleid en verwerken van recente wet- en regelgeving • een compacte, toegankelijke en werkbare beleidsnota door de inhoud terug te brengen tot de essentie die nodig is voor planbeoordeling; • flexibeler beleid door ruimte te geven aan initiatiefnemers met een bouwplan; • versoepeling waar mogelijk; • verduidelijking.
De welstandsnota moet hanteerbaar, stimulerend, duidelijk en goed te handhaven beleid inrichten en opdrachtgevers, burgers en ontwerpers in een vroeg stadium informeren welke ambities de gemeente heeft en welke criteria van toepassing zijn. Dialoog Aanvragers en plantoetsers hebben elk hun eigen verantwoordelijkheid. Daarom verwoorden de gestelde criteria in deze nota niet hoe iets letterlijk moet worden ontworpen, maar waarop bij de beoordeling gelet wordt. In een vooroverleg kan een gesprek ontstaan tussen de aanvrager en de commissie Ruimtelijke Kwaliteit over de essentie van een opgave op een bepaalde plek, wat de betekenis is voor de openbare ruimte. Ook in een reguliere vergadering van de commissie Ruimtelijke Kwaliteit is er voor de aanvrager mogelijkheid om in gesprek te treden met de commissie.
Pagina 2
Met deze nota is de gemeente ervan overtuigd dat de kwaliteit van de gebouwde omgeving goed kan worden besproken en beoordeeld. Met vaststelling van deze nota wordt de Welstandsnota gemeente Sluis 2012 vervangen. Omgevingswet Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet maakt deze nota van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan tijdelijk deel. Dit wordt mede het kader/beleid voor de dan aangestelde gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Deze gemeentelijke adviescommissie neemt onder meer de taken en werkzaamheden van de commissie ruimtelijk kwaliteit zoals aangegeven in deze nota over (onder voorbehoud van besluitvorming door de raad).
1.2
Leeswijzer
Voor een doelmatig en efficiënt gebruik van deze welstandsnota is het van belang dat de nota aan de hand van de volgende leeswijzer gehanteerd wordt: 1. Doelstelling en uitgangspunten van het welstandsbeleid (Hoofdstuk 4). 2. Gebiedsbeschrijvingen (Hoofdstuk 5). Hier staan de kern, de straatnaam en het bijbehorende welstandsniveau beschreven. 3. Gebiedsgerichte criteria en welstandsniveaus (Hoofdstuk 6.2). In dit hoofdstuk zijn de richtlijnen die horen bij het welstandsniveau opgenomen. 4. Sneltoetscriteria (Hoofdstuk 6.3). Hierin zijn concrete criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken zoals bijvoorbeeld een dakkapel of een bijbehorend bouwwerk opgenomen. Het is gewenst eerst de toelichting op de sneltoetscriteria aan het begin van dit hoofdstuk te lezen. 5. Objectcriteria (Hoofdstuk 6.4). Hierin zijn de criteria die zich richten op een object zoals een dakopbouw of een reclame-uiting beschreven. 6. Materiaalcriteria (Hoofdstuk 6.5) Hierin worden de criteria die zich richten op bijzondere materialen zoals dakpanprofielplaten genoemd. 7. Algemene welstandscriteria (Hoofdstuk 6). Tot slot is het van belang van de algemene welstandscriteria kennis te nemen omdat deze, naast de meer concrete criteria en richtlijnen, ten grondslag liggen aan de beoordeling van ieder plan.
Pagina 3
2.
Wettelijk kader
De Woningwet regelt dat iedere gemeente een eigen welstandsbeleid moet formuleren wanneer ze plannen wil laten toetsen aan redelijke eisen van welstand. De Woningwet regelt verder dat de gemeente daarvoor een welstandsnota vaststelt en dat: - de gemeente gebiedsgerichte criteria kan opstellen en aan die gebiedscriteria een norm kan koppelen: zo kunnen voor een beeldbepalend gebied strengere eisen gelden dan voor een reguliere woonwijk; - het college repressief (achteraf) kan optreden tegen excessen; - de welstandsvergaderingen openbaar moeten zijn; - het college één maal per jaar verantwoording aflegt aan de gemeenteraad over de uitvoering van het welstandbeleid; - de Commissie ruimtelijke kwaliteit de welstandsnota hanteert voor de beoordeling van bouwplannen.
Pagina 4
3.
Werkwijze Commissie ruimtelijke kwaliteit en procedures
3.1
Samenstelling Commissie ruimtelijke kwaliteit
De Commissie ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Sluis bestaat uit tenmiste drie deskundige leden en een burgerlid. De deskundige leden hebben een architectenopleiding gevolgd. Het burgerlid is een geïnteresseerde inwoner van de gemeente Sluis zonder architectuurachtergrond.
3.2
Werkwijze van de Commissie ruimtelijke kwaliteit
Eens in de twee weken vergaderen een gemandateerd Commissielid en het burgerlid in Oostburg. Tijdens deze vergaderingen behandelen deze twee personen vooroverlegplannen en aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Voor bouwplannen waarvan het college verwacht dat deze een grote invloed zullen hebben op de ruimtelijke ordening vraagt het college advies aan de voltallige Commissie ruimtelijke kwaliteit. De commissie adviseert schriftelijk. Een negatief advies voorziet de commissie van een motivering. Op verzoek van de gemeente motiveert de commissie ook een positief advies. De welstandsvergaderingen zijn openbaar. Dat wil zeggen dat iedereen de behandeling van de aanvragen kan bijwonen. De behandeling van vooroverlegplannen is niet openbaar. Aanwezigen hebben geen spreekrecht. De aanvrager van een omgevingsvergunning kan een verzoek indienen om zijn of haar plan toe te lichten.
3.3 Aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen en handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening Het college vraagt voor alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” advies aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast kan indien nodig advies ingewonnen worden voor de activiteit handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening (afwijken van het bestemmingsplan).
3.4
Aanvraag om omgevingsvergunning voor het voeren van reclame
Het college vraagt voor alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit “voeren van handelsreclame” advies aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit.
3.5
Monumenten en beschermd dorpsgezicht
Een monument is een object, gebouw, complex of terrein dat van algemeen belang is door schoonheid of geschiedenis, belangrijk is voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde heeft. Het kan symbool staan voor een bepaalde periode of gezien worden als eerste of meest belangrijke verbeelding van een kunststroom. De gemeente Sluis heeft meer dan 200 rijksmonumenten en meer dan 100 gemeentelijke monumenten. St. Anna ter Muiden is een beschermd stadsgezicht. De monumenten zijn divers van karakter en hebben elk bepaalde bijzonderheden in cultuurhistorische, architectonische en/of stedenbouwkundige zin. Zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten zijn in principe volledig beschermd. Wanneer een bouwplan een rijksmonument betreft of wanneer het bouwwerk ligt binnen de grenzen van het rijksbeschermd dorpsgezicht vraagt het college in eerste instantie advies aan zowel de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als de Erfgoedcommissie en dan pas aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Wanneer een bouwplan een gemeentelijk monument betreft vraagt het college in eerste instantie advies aan de Erfgoedcommissie en dan pas aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit.
Pagina 5
Bij voorkeur behandelen de Erfgoedcommissie- en Commissie ruimtelijke kwaliteit het bouwplan gezamenlijk. Wanneer een bouwplan onder historisch welstandsniveau valt, vraagt het college in eerste instantie advies aan de Erfgoedcommissie en dan pas aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij voorkeur behandelen de Erfgoedcommissie- en Commissie ruimtelijke kwaliteit het bouwplan gezamenlijk. De erfgoedcommissie beoordeeld bouwplannen bij, op en aan monumenten en zal de beoordeling altijd richten op het handhaven, herstellen en versterken van de cultuurhistorische karakteristieken en de samenhang van het gebouw met zijn omgeving. Bij de beoordeling worden de 'Technische criteria Planbeoordeling Monumenten' (Dorp, Stad & Land, 2013) en de ’10 uitgangspunten voor het omgaan met monumenten’ (Federatie Ruimtelijke Kwaliteit, 2009) gehanteerd.
Pagina 6
4.
Doelstellingen en uitgangspunten van het welstandsbeleid
De doelstellingen en uitgangspunten van het welstandsbeleid zijn: - behoud en verbetering van de leefomgeving. Bouwwerken hebben een lange levensduur en beïnvloeden het straatbeeld en het welzijn van de inwoners vaak gedurende een mensenleven; - sneltoetscriteria en richtlijnen zijn richtinggevend. Maatgevend is of een bouwplan past in de omgeving waarbij de commissie rekening moet houden met toekomstige ontwikkelingen; - gemeenschappelijk belang gaat voor individueel belang; - onpartijdig toetsingskader bieden ter bescherming van het algemeen belang; - dorpscentra, historische gebieden en doorgaande wegen zijn belangrijker dan woonwijken; - straatbeeld (openbare ruimte) is belangrijker dan achterkantsituatie. Bij de toepassing van de welstandscriteria betrekt de Commissie ruimtelijke kwaliteit in haar advies deze doelstellingen en uitgangspunten. Hetzelfde geldt voor de uiteindelijke besluitvorming van het college van burgemeester en wethouders.
Pagina 7
5.
Gebiedsbeschrijving
Inleiding West Zeeuws-Vlaanderen heeft een interessante geschiedenis. Een geschiedenis die vaak gaat over de strijd tegen de zee en de strijd om indringers buiten de deur te houden. De vele polders met omringende dijken en de vestingwerken van Sluis en Retranchement getuigen nog van die geschiedenis. Uit de aanwezigheid van bouwwerken, plaats- en straatnamen blijkt dat veel plaatsen die nu kilometers van de zee verwijderd liggen in het verleden een directe relatie hadden met de zee. De historie gaat terug tot ca. 50 jr. v Chr. (komst van de Romeinen in ons gebied). Daarnaast zijn er ook bewoningssporen uit de pre-historie teruggevonden. Geschiedenis staat in Nederland tegenwoordig weer in de belangstelling. Ook in de gemeente Sluis is dat merkbaar. Voorbeelden hiervan zijn het restaureren van delen van de Staats-Spaanse linies en de grote publieke belangstelling die ontstaat bij de voorgenomen sloop van historische gebouwen. De wederopbouwplannen na de Tweede Wereldoorlog hebben ook in belangrijke mate bijgedragen aan de identiteit van het gebied. Het verder blootleggen van de cultuurhistorie vormt een onderdeel van het gemeentelijke cultuurbeleid. Een groot deel van de beroepsbevolking (ca 40%) van de gemeente Sluis ontvangt direct of indirect inkomsten uit het toerisme. Naast zon, zee en strand heeft de gemeente een aantal interessante historische plaatsen.
Het spreekt voor zich, dat deze historische plaatsen een belangrijk aandeel hebben in de aantrekkingskracht van de gemeente Sluis op de recreanten. Deze welstandsnota zoekt aansluiting bij het historisch verleden, het cultuurbeleid en de economie. Wederopbouw * In november 1944 was in West Zeeuws-Vlaanderen 35% van het woningbestand geheel verwoest en was 15% zwaar beschadigd. Bijna alle boerderijen waren verwoest. Voor het ontwerp van stedenbouwkundige plannen voor de diverse kernen werden de volgende stedenbouwkundigen aangesteld: - Ir. A. Rothuizen voor Breskens en Schoondijke; - Ir. P.J. ’t Hooft voor Biervliet, Groede, Hoofdplaat, Nieuwvliet en IJzendijke; - Ir. F.H. Klokke voor Aardenburg, Cadzand, Oostburg, Retranchement, Sluis, Waterlandkerkje en Zuidzande. Ir. Klokke werd bovendien aangewezen als supervisor voor geheel Zeeland. Hij was een aanhanger van de zogenaamde Delftse school, te karakteriseren als traditioneel. Deze bouwstijl streefde naar architectuur die nederig was en niet te veel opviel. De functie van een gebouw moest tot uitdrukking komen in de vorm. Men maakte een groot onderscheid tussen woningen (eenvoudig en ingetogen) en publieke gebouwen als stadhuizen en kerken die juist monumentaal moesten zijn om uitdrukking te geven aan hun functie.
Kenmerkend voor de Delftse School zijn het vrijwel uitsluitend gebruik van baksteen, zadeldaken afgedekt met dakpannen en het gebruik van natuursteen op constructief belangrijke punten. Een voorbeeld van deze stijl is bijvoorbeeld het rijkskantorengebouw aan het Ledelplein in Oostburg waarvan de hoofdbouw nog aanwezig is. Het is wel duidelijk dat de keuze van de stedenbouwkundige een enorme rol speelde bij het uiteindelijke resultaat van de wederopbouw van de afzonderlijke kernen, zeker als zo’n kern voor het grootste gedeelte verwoest was. De Delftse school is een eigentijdse bouwstijl, op een traditionele manier en met traditionele materialen vormgegeven. * Bron:”Andermaal herrezen” aspecten van de wederopbouw van West Zeeuws-Vlaanderen (auteur Pauline van Roosmalen).
Pagina 8
Toelichting gebiedsbeschrijvingen Hierna volgt per kern en per gebied een korte gebiedsbeschrijving en een opsomming per kern van de straten die vallen binnen het welstandsniveau “historisch”. Daarnaast zijn ter verduidelijking kaarten in bijlage 2 bij deze nota gevoegd waarop de gebieden zijn weergegeven binnen de kernen die vallen binnen het welstandsniveau “historisch’’. Enkele straten zijn niet opgenomen op deze kaarten, namelijk Ringdijk Noord en Zuid te Cadzand en de Sint Annastraat in Sluis. Deze vallen onder lintbebouwing en behoren tevens tot het historisch welstandsniveau. Niet genoemde straten vallen automatisch binnen het welstandsniveau “nieuwbouw” (zie hoofdstuk 6.2 voor een toelichting op de welstandsniveaus). De plaatsnamen en straatnamen staan op alfabetische volgorde. Omdat ook het dialect behoort tot het cultureel erfgoed staat achter de plaatsnaam de West Zeeuws-Vlaamse uitspraak vermeld. Aardenburg. [Aerenburg] De kern Aardenburg kent een lange geschiedenis die teruggaat tot de Romeinse tijd. In de Romeinse tijd bevond zich hier een Castellum met de naam Rodanum. De naam Aardenburg verwijst mogelijk naar een riviertje met de naam Rudanna of Rodana. Aardenburg heeft (restanten van) vestingwerken zoals de Kaaipoort op de kop van de Weststraat en het wallengebied. Daarnaast heeft Aardenburg een aantal waardevolle monumenten zoals bijvoorbeeld de St.
Baafskerk. De meeste monumenten en andere bezienswaardige panden bevinden zich aan de Weststraat. Aardenburg profileert zich als cultuurstad. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Brouwerijstraat, Busschieterstraat (gedeelte aan de Weststraat) Haven (gedeelte aan de Kaai), Herendreef (van Kaai tot ingang Gaaiperswei), Kaai, Kalverstraat (gedeelte aan de Weststraat) Korte Dreefje, Markt, Marktstraat, Ruiterskwartier, Sint-Bavostraat (gedeelte van de Marktstraat tot Het Ruiterskwartier), Tuimelsteenstraat, Westmolenstraat (gedeelte dat aansluit aan de Kaaipoort) en de Weststraat. Breskens [Bresjes] De kern Breskens is van oudsher een vissersdorp. In augustus vieren de Bressiaanders de visserijfeesten. De naam Breskens verwijst naar een uitgestrekt schorrengebied, genaamd Breskinzand. Naast de inkomsten uit de visserij en bedrijven heeft Breskens veel inkomsten uit het toerisme. Breskens is een militair strategische plaats geweest vanwege de ligging aan de monding van de Schelde. Het voormalig fort Frederik Hendrik aan de oostzijde van de plaats herinnert hieraan. Op het huidige Oranjeplein bevond zich het voormalige havenfort. Breskens is in de Tweede Wereldoorlog voor 80% verwoest of zwaar beschadigd. De wederopbouwplannen hebben het huidige karakter van de hoofdstraten en het centrum sterk bepaald.
Na de wederopbouw is Breskens sterk in omvang toegenomen door de aanleg van grote planmatige uitbreidingen. Aan de oostzijde van Breskens bevindt zich een groot bedrijventerrein. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: 1e Zandstraat, 2e Zandstraat, 3e Zandstraat, Boulevard, Dorpsstraat, Haven Westzijde, Oesterput, Scheldestraat, Spuiplein, Strandstraat. De wijk Roode Polder is welstandsvrij. Cadzand [Kezand] Cadzand is een middeleeuws kerkringdorp in het centrum van het voormalige eiland van Cadzand. De polders op het eiland van Cadzand behoren tot de oudste van Noordwest-Europa. De eerste inpolderingen vonden plaats omstreeks 1100. De naam Cadzand verwijst naar die inpolderingen door het aanleggen van lage dijkjes (kades van zand). Cadzand heeft diverse monumenten waaronder de Mariakerk in het midden van de kerkring en de korenmolen “Nooitgedacht”. De kern van Cadzand is kleinschalig van opzet en de bebouwing is in hoofdzaak vooroorlogs.
Pagina 9
Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Lambertusstraat, Keuvelstraat, Mariastraat, Prinsestraat, Ringdijk Noord en Ringdijk Zuid vallen onder lintbebouwing en vallen tevens binnen het historisch welstandsniveau. Cadzand-Bad Cadzand-Bad is een toeristische badplaats. De gemeente Sluis bereidt een nieuw bestemmingsplan met beeldkwaliteitseisen voor. Cadzand-Bad kent geen historische bebouwing. Draaibrug Draaibrug is een buurtschap op een kruispunt van wegen. Draaibrug ontleent zijn naam aan de aanwezigheid van een draaibrug over het kanaaltje dat Aardenburg verbond met het Zwin. In Draaibrug staan diverse rijksmonumenten waaronder de voormalige woningen voor het trampersoneel. Geheel Draaibrug ,voor zover de bebouwing deel uitmaakt van de lintbebouwing, valt binnen welstandsniveau “historisch”. Eede [Dji] De naam van het grensdorp Eede (842 inwoners) verwijst naar het riviertje de Ee en het dorp dankt zijn ontstaan aan de aanwezigheid van een brug over deze rivier. De loop van dit riviertje is nog herkenbaar in de noord-zuidontwikkeling van het Dorpsplein. De eerste naam voor het dorp was Coensdike. De Eedenaren hebben een sterke binding met het aangrenzende België. Dit uit zich niet alleen in het taalgebruik maar ook in de wijze van bebouwen.
De ruimtelijke structuur van de kern Eede wordt bepaald door het Dorpsplein en een aantal haaks op elkaar staande linten. Aan de noordzijde van het dorp ligt een groot bedrijventerrein. Door de verwoestingen van de Tweede wereldoorlog kent Eede geen historische bebouwing. Het Dorpsplein is herkenbaar als het oudste gedeelte van het dorp. Aan dit plein liggen de openbare gebouwen. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Dorpsplein. Groede [De Groe] Groede is een historisch kerkringdorp ( 1070 inwoners). De oudste vermelding van de naam dateert uit het begin van de 12e eeuw. De naam van het dorp verwijst naar het werkwoord groeien. Het dorp bleef in de Tweede Wereldoorlog gespaard vanwege de functie die het had als Rode Kruisdorp. Groede heeft dertien beschermde monumenten. In het museumstraatje “ Slijkstraat” bevindt zich het “ Vlaemsch Erfgoed”: een verzameling van ouderwetse winkeltjes. In het midden van de Markt staan de protestantse kerk en de dorpspomp. De tuin rondom de kerk is onlangs heringericht. Groede is verbonden met Jacob Cats. De volksdichter en bestuurder zorgde tijdens het Twaalfjarig Bestand van de Tachtigjarige Oorlog voor de herdijkingen van de polders rondom Groede. Groede is een aantrekkelijke plaats voor toeristen vanwege de zichtbaarheid van het verleden.
Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Blekestraat, Brouwerijstraat, Ellenstraat , Markt, Molenstraat, Nieuwstraat, Noordstraat, Schuitvlotstraat, Slijkstraat, Traverse, Voorstraat, Walenstraat. Groenevelt Groenevelt is een woonwijk aan de oostzijde van Sluis. Het is de eerste woonwijk buiten de wallen van Sluis. De woonwijk, die bestaat uit villa-achtige woningen, is nog in ontwikkeling. De gemeenteraad heeft naast het bestemmingsplan ook een beeldkwaliteitsplan vastgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan vormt het welstandsbeleid. Heille Heille kent een sterke verweving met het buitengebied. De bebouwingsstructuur bestaat uit een drietal linten. Heille valt voor het welstandsbeleid onder het buitengebied (buurtschap=welstandsniveau historisch). Pagina 10
Hoofdplaat [Ôofdplaot] Hoofdplaat bestaat uit twee elkaar kruisende linten en een planmatige uitbreiding. Belangrijkste punt is het centrale kruispunt. Naast het dorp ligt een recreatiepark. De oudste bebouwing bevindt zich aan de Dorpstraat en de Schoolstraat. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Dorpsstraat en Schoolstraat. Nieuwvliet [Sinte Pier] Nieuwvliet bestaat uit overwegend lintbebouwing en een kleine planmatige uitbreiding. Nieuwvliet heeft een klein inwoneraantal maar in de zomerperiode neemt vanwege de aanwezigheid van campings in de omgeving het “ inwoneraantal” explosief toe. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: de St. Bavodijk, de Mettenijedijk en de verbindende Dorpsstraat daartussen. Oostburg [Wòstburg] Oostburg ligt centraal in de gemeente Sluis. De meeste regionale functies van de gemeente zijn hier gevestigd. De naam Oostburg is ontleend aan de ringwalburg (omstreeks 10e eeuw) waarvan de verhoging nog zichtbaar is in het gebied rondom de straat Molenberg. Oostburg kreeg stadsrechten in 1237. Oostburg heeft vestingwerken gehad waarvan een klein gedeelte is hersteld ter plaatse van de Kroonwijksingel. Het meest opvallende bouwwerk is de watertoren aan het begin van de Bredestraat. Voor het centrum van Oostburg heeft de gemeente recentelijk een herstructureringsplan opgesteld.
Oostburg is in de Tweede Wereldoorlog voor 70% verwoest of zwaar beschadigd. De wederopbouwplannen hebben het huidige karakter van het centrum en de hoofdstraten sterk bepaald. Het gebied Oude Stad is grotendeels gespaard gebleven. Na de wederopbouw is Oostburg sterk in omvang toegenomen door de aanleg van grote planmatige uitbreidingen. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Achternieuwstraat, Bredestraat (vanaf de Trageldam/Zandstraat), Brouwerijstraat, Burchtstraat, Burgemeester Gratamastraat, Molenberg Nieuwstraat, Noordwal, Oude Stad, Prins Mauritsstraat, Raadhuisstraat, Schoolstraat, Sint Michielstraat, ‘t, pompje Volderstraat, Walstraat en Weststraat. Retranchement [Truzement] Retranchement is een verschansing tussen twee forten (“Oranje” en “Nassau”) langs het voormalige Zwin. Het dorpspleintje is de voormalige excecitieplaats van de militairen. Het dorp is ontstaan in de Tachtigjarige Oorlog. Terhofstede is een buurtschap die door de Braamdijk en Killedijk ruimtelijk is verbonden met Retranchement. Beide plaatsjes kennen een structuur van overwegend lintbebouwing. In Retranchement is een kleine planmatige uitbreiding aanwezig. Op de kop van de Noordstraat heeft eind jaren negentig nieuwbouw plaatsgevonden. De vestingwerken van Retranchement zijn nog grotendeels intact.
Retranchement heeft drie beschermde monumenten: de kerk, de molen en de voormalige school. Naast monumenten kent Retranchement nog veel historische bebouwing, vooral langs de Dorpsstraat. In het hart van het dorp bevinden zich de horecavoorzieningen. Vooral in de zomer vormt Retranchement een stopplaats voor fietsrecreanten. In november is Retranchement de laatste stopplaats van de Canadese bevrijdingsmars. Rondom Retranchement zijn recentelijk gronden aangekocht en ingericht als natuurgebied. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Achterweg, Braamdijk, Contre Escarpe Dorpsstraat, Killedijk, Markt, Molenstraat, Noordstraat, Oranjehoeve, Terhofstede en Zwinstraat. Schoondijke [Schwòndieke] Het huidige Schoondijke is ontstaan na herdijking omstreeks 1650 van een van de grootste polders van Zeeland: Generale Prins Willempolder. Schoondijke is in de Tweede Wereldoorlog voor 54% verwoest of zwaar beschadigd. De wederopbouwplannen hebben het huidige karakter van de hoofdstraten sterk bepaald. Twee elkaar kruisende wegen vormen de bebouwingsstructuur van Schoondijke. Planmatige Pagina 11
uitbreidingen vormen de inwendige hoeken van het assenstelsel. Aan de rand van Schoondijke bevindt zich het Technopark (bedrijventerrein). De molen aan de zuidzijde van het dorp is een monument. Gebied dat valt binnen welstandsniveau “historisch” is: de Dorpsstraat en Dorpsplein. Sasput, Nummer Een en Slijkplaat Zie buitengebied. St. Anna ter Muiden St. Anna ter Muiden is een klein plaatsje met ca. 50 inwoners in de meest westelijke punt van Nederland. Het naamdeel Muiden is afgeleid van Mude dat verwijst naar de vroegere monding van het Zwin. De heilige St. Anna is de patrones van de zeelieden. Mude was in de 13e eeuw een welvarende Vlaamse Hanzestad gelegen aan de monding van het Zwin. In 1242 kreeg Mude stadsrechten. Het enige bouwwerk dat nog aan die bloeitijd herinnert is de vieringtoren van de 14e eeuwse kerk. Deze toren deed ooit dienst als vuurtoren. Het huidige uiterlijk dateert grotendeels uit de 18e en 19e eeuw. Het plaatsje valt in zijn geheel onder de Monumentenwet als beschermd dorpsgezicht. Aan het bestemmingsplan is een beeldkwaliteitsplan gekoppeld. Dit beeldkwaliteitsplan vormt ook het welstandsbeleid. Voor ieder bouwplan in St. Anna ter Muiden vraagt de gemeente advies aan de Rijksdienst en monumentencommissie. St. Kruis [Sint-Kruus] Het dorp St. Kruis ligt op een pleistocene zandrug evenals Heille en Aardenburg.
Op een aantal plaatsen van deze zandrug nabij St. Kruis hebben archeologen grote aantallen vuurstenen gevonden uit de midden-steentijd. Kenmerkend voor St. Kruis is de toren, bijgenaamd de Peperbus. Deze toren deed in vroeger tijd dienst als vuurbaken voor de scheepvaart. St. Kruis ligt op de grens tussen het open polderlandschap en het meer gesloten dekzandlandschap. De St. Pietersdijk accentueert deze grens. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: het gebied direct rondom de kerk (Dorpsstraat, Roeselaerestraat en Schoolpad) Sluis [Sluus] Sluis kreeg stadsrechten in 1290. Sluis kwam in de 14e en 15e eeuw tot grote economische bloei als voorhaven van Brugge. De bebouwingsstructuur is nog steeds gebaseerd op het Middeleeuwse stratenpatroon. Een belangrijk deel van de vestingwerken is nog intact. In het centrum staat het enige Belfort van Nederland. Sluis lag vroeger aan het Zwin. Aan de rand van het centrum ligt nog de oude haven. Sluis is in de Tweede Wereldoorlog voor 58% verwoest of zwaar beschadigd. De wederopbouwplannen hebben het huidige karakter van de hoofdstraten en het centrum sterk bepaald. Sluis is nu vooral bekend als gezellige winkelstad. Sluis’ meest bekende inwoner was Johan Hendrik van Dale, naamgever van het Groot woordenboek der Nederlandse taal.
Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Beestenmarkt, Dinsdagstraat, Garenmarkt, Geldelozestraat (aan de Nieuwstraat), Geweldigerstraat, Groote Markt, Hoogstraat, J.H. van Dalestraat, Julianastraat, Kaai, Kalkboei, Kapellestraat, Korte Wolstraat, Lange Wolstraat, Meerminnestraat, Nieuwe weg, Nieuwstraat (tot Ridderstraat), 1 novemberstraat, 11 octoberstraat, Oude Kerkstraat, Plompe toren, Smeestraat, St. Annastraat valt onder lintbebouwing en valt tevens binnen het historisch welstandsniveau, St. Jacobstraat, Vrijstraat, Walplein, Zuiddijkstraat (aan de Grote Markt en oneven zijde), Het Rondeel, Schaliestraat, Rentjes, s’Heerenboudewijnstraat Voor villapark Groenevelt zie Groenevelt Terhofstede Zie Retranchement.
Pagina 12
Waterlandkerkje [‘t Kerkje] Het dorp Waterlandkerkje bleef in de Tweede Wereldoorlog gespaard. Landelijk bekendheid kreeg Waterlandkerkje door als tweede te eindigen in de wedstrijd bij de verkiezing van ’de mooiste plaatsnaam van Nederland’. In het wapen van Waterlandkerkje staat een zeemeermin afgebeeld, naar een aan het dorp verbonden legende. Het dorp viert elk jaar de Meerminnefeesten. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Cathalijnestraat, Molenstraat, Redouteplein en P.C. Boutenstraat; IJzendijke [Iezendieke] Het historische stadje IJzendijke kent een lange geschiedenis. In de 13e eeuw was het een welvarend handelsstadje dat was aangesloten bij de Londense Hanze. In 1127 kreeg het stadsrechten. Het middeleeuwse IJzendijke is in de 14e en 15e eeuw als gevolg van diverse stormvloeden verzwolgen door de zee. Ongeveer twee kilometer ten zuidwesten van het oude IJzendijke bouwde de hertog van Parma in 1587 een nieuw fort dat ook IJzendijke werd genoemd. In 1604 werd fort IJzendijke door Prins Maurits veroverd en ingrijpend verbouwd. Hoewel de vestingwerken in de 19e eeuw zijn ontmanteld is de vestingbouwkundige grondvorm van IJzendijke nog goed herkenbaar. Ter plaatse van de boulevard is een ravelijn hersteld. De molen staat op een restant van de omwalling. In het oude stadhuis aan de Markt is het museum ‘Het Bolwerk’ gevestigd.
In het museum is onder meer veel aandacht voor de Staats-Spaanse linies. IJzendijke werd in de Tweede Wereldoorlog zwaar beschadigd. IJzendijke kent, dankzij een historisch verantwoorde wederopbouw, een historische sfeer en een sterke identiteit. IJzendijke heeft 17 monumenten waarvan het merendeel ligt rondom de Markt. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Barakkenstraat, Beursstraat, Biestraat, Blindehoek, Blindewijk, Bolwerk, Boulevard, Doel Bastion, Gouverneurstraat, Hoogstraat, Karnemelkstraat, Kazernestraat, Kerkstraat, Koninginnestraat, Lakenstraat, Landbouwstraat, Landpoortstraat, Markt, Minnepoortstraat, Molenstraat, Nassaustraat, Noordstraat, Oranjestraat (gedeelte vanaf Vestingweg), 17 Oktoberplein, Prinsessenstraat, Ravelijnstraat, Rozemarijnstraat, Slachthuisstraat, Slijpstraat, Tivoli, Trapstraat, Varkensmarkt, Verlengde Molenstraat, Walplein, Walstraat en Waterpoortstraat. Zuidzande [Susande] Zuidzande ontstond, net als Cadzand, op een eiland. Het dorp is net als Cadzand maar heel beperkt gegroeid in de laatste eeuw. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: Dorpsplein, Dorpsstraat, Mariastraat, Molenweg, Oostburgsestraat, Sluissestraat en Smidsweg. Buitengebied Het buitengebied van de gemeente Sluis kenmerkt zich door de grote openheid.
Boerenbedrijven (met name akkerbouw), dijken, dijklintbebouwing, kreken, buurtschappen en vestingwerken bepalen het karakter van het buitengebied. De gemeente biedt steeds meer mogelijkheden om het buitengebied te ontsluiten voor de toeristische sector. Hierbij kan aan de combinatie van landbouw en minicamping of logiesverblijven gedacht worden. Het is dus zaak de waardevolle elementen te behouden en te versterken. Daarnaast is het duidelijk dat de schaal van agrarische bedrijven toeneemt vanwege de internationale concurrentie. Dit resulteert in de bouw van extra opslagloodsen, werktuigbergingen, mestopslag en sleufsilo’s etc. Hierbij staat functionaliteit voorop. In overleg met agrariërs zal de Commissie ruimtelijke kwaliteit bespreken welke mogelijkheden er zijn voor een logische situering, het aanplanten van erfbeplanting, het afstemmen van dakvorm en materiaal- en kleurgebruik. Belangrijk is dat de onderlinge samenhang behouden blijft. Opvallend aan de inrichting van een (voormalig) agrarisch complex is de onderlinge situering van gebouwen. De bedrijfswoning ligt veelal dichter naar de weg dan de bedrijfsgebouwen. Opvallend aan de richting van dijkwoningen is dat de nok veelal evenwijdig loopt met de richting van de dijk.
Pagina 13
Bij agrarische bedrijven die vallen binnen het welstandsniveau “nieuwbouw” zal het welstandstoezicht zich slechts richten op het handhaven van de samenhang en het voorkomen van excessen. Bij agrarische bedrijven staat de functionele kwaliteit voorop. Gebieden die vallen binnen welstandsniveau “historisch” zijn: landschapscampings, historische boerderijen, bedrijfswoningen van een agrarisch bedrijf, buurtschappen en dijklintbebouwing. Bedrijventerreinen De gemeente Sluis heeft tien bedrijventerreinen. Op bedrijventerreinen gaat de functionele kwaliteit boven de belevingswaarde. Daarom zal het welstandstoezicht zich hier slechts richten op het handhaven van de samenhang van de bebouwing en op het voorkomen van excessen. Middelen hiervoor zijn afstemming van materiaal- en kleurgebruik en het streven naar enige uniformiteit in hoofdvormen. De Commissie stimuleert en helpt opdrachtgevers die een hogere kwaliteit nastreven. Bedrijven gelegen langs de openbare wegen (zichtlocaties) moeten een representatieve uitstraling hebben. Een representatieve uitstraling houdt in dat er sprake is van een goede afstemming tussen de gebouwen wat betreft kleur- en materiaalgebruik en hoofdvorm. De beelden moeten prikkelen en de nieuwsgierigheid opwekken. De gemeente adviseert voor de vormgeving van de gebouwen op zichtlocaties een deskundig ontwerper in te schakelen.
Recreatiegebieden Hieronder vallen de campings en bungalowparken. De gemeente Sluis kent veel recreatiegebieden. Per jaar vinden er ca. 3 miljoen overnachtingen plaats. De grote recreatiegebieden liggen gesitueerd langs de kust. De bebouwing op de bungalowparken is veelal seriematig en daardoor vergelijkbaar met de planmatige uitbreidingen in de kernen. Uitbreidingsterreinen dienen integraal onderdeel uit te maken van het betreffende landschap. Sommige bungalowparken hebben een combinatie van zomerwoningen en kampeerterrein. Bij de beoordeling van bouwplannen is het bestaande karakter en totaalbeeld van het gebied het uitgangspunt. Het welstandsniveau van deze gebieden is “nieuwbouw”.
Pagina 14
6.
Welstandscriteria
De gemeenteraad kan op grond van artikel 12, lid 2 van de Woningwet gebieden of categorieën bouwwerken uitsluiten van welstandstoezicht. Volgens artikel 12a van de Woningwet stelt de gemeenteraad een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het college van burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling: a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan in strijd zijn met redelijke eisen van welstand; b. of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Onderdeel a. is van toepassing bij de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning. Zie hiervoor hoofdstuk 6 van de welstandsnota. Onderdeel b. is van toepassing op bestaande bouw (dus ook vergunningsvrij gebouwde bouwwerken of werken). Zie hiervoor hoofdstuk 7 van de welstandsnota.
Pagina 15
6.1
Algemene welstandscriteria
De beoordeling van een bouwwerk vindt plaats aan de hand van een aantal te beoordelen aspecten: het gebouw in zijn omgeving, het gebouw op zichzelf, de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. De algemene kwaliteitsprincipes geven inzicht in de inhoudelijke kant van deze aspecten en vormen een belangrijke basis voor de kwaliteitsbeoordeling van bouwplannen. De principes richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp. In bijzondere situaties wanneer de in deze nota gestelde criteria ontoereikend zijn, kan worden teruggegrepen op deze algemene principes. Dit kan het geval zijn als een bouwplan past binnen de criteria voor objecten of gebieden en toch duidelijk onder de maat blijft of als het afwijkt van de omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De algemene kwaliteitsprincipes zijn gebaseerd op de notitie 'Architectonische kwaliteit: een notitie over architectuurbeleid' van de voormalig Rijksbouwmeester ir. Tjeerd Dijkstra. In bijlage 3 is een volledige uitwerking opgenomen. Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat: Een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand als: • De verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.
• Het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. • Verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. • Er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. • Het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. • Materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.
Pagina 16
6.2
Gebiedsgerichte criteria en welstandsniveaus
Het is in het belang van de toeristische sector en dus in het belang van de toekomst van de gemeente Sluis om vooral de historische bebouwing te behouden en waar mogelijk te verbeteren. In nieuwbouwwijken treedt het welstandstoezicht terughoudender op. Het beleid voor de nieuwbouwwijken is erop gericht om de basiskwaliteit te behouden. Verder zal de Commissie ruimtelijke kwaliteit meer een stimulerende dan een dwingende rol dienen te spelen in deze gebieden. De gemeente Sluis onderscheidt twee welstandsniveaus met bijbehorende richtlijnen: 1. Welstandsniveau “historisch” De gebieden die vallen binnen het historisch welstandsniveau kenmerken zich door bebouwing die voornamelijk dateert van voor de Tweede Wereldoorlog. Ook algemeen gewaardeerde architectuur uit de wederopbouwplannen valt binnen dit niveau. Trefwoorden voor de beoordeling en het ontwerpen van bouwplannen zijn: behoud, versterking, traditionele vormen en materialen. Vanwege de hoge cultuurhistorische waarde vallen alle monumenten en het beschermde stadsgezicht Sint Anna ter Muiden onder dit welstandsniveau.
Concrete richtlijnen: - bouwen in de rooilijn, situering volgens de kenmerken van het gebied; - geen schaalvergroting; onderscheid handhaven in vorm en materiaalgebruik indien meerdere panden worden samengevoegd tot één geheel; - éénduidige hoofdvorm, afgestemd op de omgeving, meestal rechthoekige plattegrond afgedekt met een zadeldak van ca. 45°; - kapvorm van aanbouwen en bijgebouwen bij voorkeur afleiden van hoofdgebouw; platte daken alleen toegestaan als tussenlid; - dakkapellen aan de straatzijde ontwerpen in de schaal, architectuur en detaillering van de woning en het straatbeeld; - terughoudendheid met het toepassen van dakramen in en zonnecollectoren op het voorgeveldakvlak.
Voor het plaatsen van zonnecollectoren op erfgoed wordt de leidraad van Rijksdienst voor cultureel erfgoed gevolgd (bijlage 4); - alleen gemetselde of groene erfafscheidingen toepassen; - kapvorm, -helling en -richting van het hoofdgebouw afleiden van het straatbeeld; - voor-, achter en zijgevels ontwerpen in samenhang met totaalbeeld; blinde gevels gericht naar de openbare ruimte zijn niet toegestaan; - traditionele raamvormen zoals bijvoorbeeld T-vensters, worden afgestemd op de omgeving; - geen raamroedes toepassen in het glas, bij voorkeur echte roedes; anders geplakt op het glas; - cataloguswoningen, zeecontainers, prefab units, nissenhutten, dakpanprofielplaten en geglazuurde en geëngobeerde dakpannen zijn niet toegestaan; - traditioneel materiaalgebruik toepassen: gebakken pannen met gegolfd profiel, baksteen en houten kozijnen; gebakken pan met vaak een sterk gegolfd profiel (zogenaamde Hollandse pan) of een klein vlak profiel met gegolfde aansluiting (Tuile du Nord) of een kruispan; in geval van kunststof kozijnen een profiel toepassen dat is afgeleid van een traditioneel houtprofiel ; - detailleren in overeenstemming met de gekozen bouwstijl (stijlzuiver ontwerpen); - toepassen van historisch verantwoorde kleuren voor het schilderwerk. Grote gevelvlakken, zoals garagedeuren, uitvoeren in een gedekte donkere kleur.
Pagina 17
-
bijgebouwen die niet zichtbaar zijn vanaf de weg zullen niet beoordeeld worden aan het historisch welstandsniveau en worden conform hoofdstuk 6.3.1. worden beoordeeld.
Zonnepanelen Ook binnen de gebieden met een historisch welstandsniveau kunnen onder voorwaarden zonnepanelen worden aangebracht. Panelen op achterdakvlakken van niet monumentale panden waarvan het dakvlak niet naar de openbare ruimte is gekeerd, kunnen vergunningsvrij worden aangebracht mits voldaan wordt aan Bijlage II artikel 2 lid 6. Voor alle andere locaties of indien niet aan de voorwaarden wordt voldaan, is een omgevingsvergunning nodig. Algemeen -
-
de plaatsing van panelen is passend binnen de architectuur van het pand en doet geen afbreuk aan eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden van het gebouw. Het beeld blijft zo rustig mogelijk, de panelen overheersen niet en zijn visueel ondergeschikt. geen verschillende typen panelen in één legplan. panelen hebben een egale donkere kleur of een kleur die overeenkomt met het achterliggende dakvlak. panelen hebben bij de kleur passende randen en geen rasterpatroon of accenten. panelen reflecteren zo min mogelijk. bij nieuwbouwprojecten worden panelen geïntegreerd meegenomen in de architectuur. panelen worden op het dak geplaatst (niet aan gevels en wanden). indien het mogelijk is om de panelen te plaatsen op een ondergeschikt plat dak of bijgebouw, dient van deze mogelijkheid gebruik te worden gemaakt.
Criteria bij een schuin dak -
-
panelen op voor- en zijdakvlakken zijn toegestaan, mits deze gezien vanaf het straatniveau niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is kan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit hier gemotiveerd van afwijken. panelen op achterdakvlakken zijn toegestaan, ook zichtbaar vanaf de openbare ruimte. de panelen worden zo laag mogelijk in het hellende dakvlak aangebracht. de hellingshoek van de panelen is gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. panelen in een recht aaneengesloten vlak aanbrengen op minimaal 0,5 meter afstand tot goot, nok en zijkanten van het dakvlak. meerdere panelen worden regelmatig gerangschikt in een rechthoekige vorm en hebben geen getrapte, onderbroken of asymmetrische opzet. Dakdoorbraken zoals dakkapellen, schoorstenen en dakvensters mogen de gesloten vorm niet aantasten.
Afwijkingsbevoegdheid In de praktijk is er een spanningsveld tussen erfgoedbeleid en de duurzaamheidsopgave. De eigenaren van gemeentelijke monumenten moeten de ruimte krijgen om hun woning te verduurzamen. Als concrete richtlijn voor het plaatsen van zonnecollectoren op gemeentelijke monumenten wordt de leidraad van Rijksdienst voor cultureel erfgoed gevolgd (bijlage 4). In sommige gevallen is het door omstandigheden echter niet mogelijk om op basis van deze leidraad zonnecollectoren te plaatsen. Het college van burgemeester en wethouders krijgt voor deze gevallen ingevolge artikel 2.10 lid 1d Wabo de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met de redelijke eisen van welstand, toch de vergunning te verlenen indien het college van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn. Indien het technisch niet mogelijk is om de zonnepanelen op het achterdakvlak te plaatsen, er geen reële alternatieven zijn en de wezenlijke kenmerken en waarden niet in grote mate onevenredig worden Pagina 18
aangetast, kan gemotiveerd afgeweken worden van de leidraad van de Rijksdienst voor cultureel erfgoed gevolgd (bijlage 4). De zonnepanelen dienen hierbij aan de volgende zaken te voldoen -
de zonnepanelen dienen reversibel geplaatst te worden geen verschillende typen panelen in één legplan. panelen hebben bij voorkeur een kleur die overeenkomt met het achterliggende dakvlak of een egale donkere kleur. panelen hebben bij de kleur passende randen en geen rasterpatroon of accenten. panelen reflecteren zo min mogelijk. Panelen worden bij voorkeur geplaatst op het achterdakvlak en niet zichtbaar vanaf de straat of gemotiveerd aan de zij- of voorkant. panelen worden op het dak geplaatst (niet aan gevels en wanden). de panelen worden zo laag mogelijk in het hellende dakvlak aangebracht. de hellingshoek van de panelen is gelijk aan de hellingshoek van het dakvlak. panelen in een recht aaneengesloten vlak aanbrengen op minimaal 0,5 meter afstand tot goot, nok en zijkanten van het dakvlak. meerdere panelen worden regelmatig gerangschikt in een rechthoekige vorm en hebben geen getrapte, onderbroken of asymmetrische opzet. Dakdoorbraken zoals dakkapellen, schoorstenen en dakvensters mogen de gesloten vorm niet aantasten.
2. Welstandsniveau “ nieuwbouw” De gebieden die vallen binnen het “nieuwbouw” welstandsniveau, kenmerken zich door bebouwing die voornamelijk dateert van na de Tweede Wereldoorlog. Trefwoorden voor de beoordeling van bouwplannen zijn: behoud en stimulering. De hieronder genoemde richtlijnen hanteren de Commissie ruimtelijke kwaliteit en de ontwerper altijd in samenhang met de algemene welstandscriteria en de omgeving waar het bouwwerk is gesitueerd. Concrete richtlijnen: - beperkte schaalvergroting mogelijk; - eenduidige hoofdvorm, afgestemd op de omgeving; - kapvorm van aanbouwen en bijgebouwen bij voorkeur afleiden van hoofdgebouw; dakvlakken groter dan 30m² bij voorkeur (gedeeltelijk) afdekken met een hellend dak (zie verder de sneltoetscriteria voor bijbehorende bouwwerken); - maatvoering dakkapellen aan de straatzijde ontwerpen conform de sneltoetscriteria; - kapvorm, -helling en -richting van het hoofdgebouw afleiden van het straatbeeld; - het welstandstoezicht beperkt zich in principe tot de gevels die zijn gericht naar de openbare ruimte; blinde gevels gericht naar de openbare ruimte zijn niet toegestaan; - toepassen van diverse raamvormen mogelijk mits consequent toegepast in het gehele gebouw; - zeecontainers, prefab units, nissenhutten en geglazuurde dakpannen zijn niet toegestaan; - detailleren in overeenstemming met de gekozen bouwstijl (stijlzuiver ontwerpen).
Pagina 19
6.3
Sneltoetscriteria
Toelichting op de sneltoetscriteria Als uitwerking van de algemene criteria zijn sneltoetscriteria vastgesteld voor: - bijbehorende bouwwerken; - dakkapellen; - kozijnwijzigingen. De criteria betreffen uitsluitend de plaatsing, de maatvoering, de vorm, het materiaalgebruik en de kleur. Een plan dat voldoet aan de sneltoetscriteria voldoet aan redelijke eisen van welstand. Aan de hand van de sneltoetscriteria kan de aanvrager dus op een snelle en eenvoudige manier bepalen of het ontwerp voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een bouwplan dat niet voldoet aan de sneltoetscriteria is niet per definitie in strijd met redelijke eisen van welstand. De commissie toetst het bouwplan aan de overige criteria van hoofdstuk 6. De Commissie ruimtelijke kwaliteit wijkt alleen gemotiveerd af van de sneltoetscriteria. In bijzondere situaties kan het voorkomen dat de sneltoetscriteria niet toepasbaar zijn (denk bijvoorbeeld aan monumenten). Ook dan legt de gemeente het bouwplan voor advies voor aan de Commissie ruimtelijke kwaliteit. Bij de sneltoetscriteria maakt de gemeente onderscheid tussen een voor- of achterkant situatie. Het begrip voorkant houdt in: - de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; - de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde gekeerd is naar de openbare weg of het openbaar groen.
Het begrip achterkant houdt in: - de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; - de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde niet is gekeerd naar de openbare weg of het openbaar groen. De nadruk van de criteria ligt op de voorkantsituaties omdat bouwen aan de voorkant meer invloed heeft op de openbare ruimte dan aan de achterkant.
Pagina 20
6.3.1 Bijbehorende bouwwerken Het begrip “bijbehorend bouwwerk” wordt gehanteerd als verzamelterm voor uitbreidingen van een hoofdgebouw, aan- en uitbouwen, bijgebouwen, overkappingen en andere soorten bouwwerken met een dak. Kort gezegd gaat het om bouwwerken die leiden tot een uitbreiding van het bouwvolume van of bij een hoofdgebouw. Doelstellingen: - respecteren en in stand houden van het straatbeeld; - behoud van silhouet en contour van het hoofdgebouw of bouwblok; - in gebieden met een grote seriematigheid streven naar gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat. Algemeen: - een bijbehorend bouwwerk voldoet aan de gebiedsgerichte criteria van hoofdstuk 6.2; - een bijbehorend bouwwerk is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw; - een bijbehorend bouwwerk aan een bestaande aanbouw heeft in principe dezelfde hoofdvorm als de bestaande aanbouw; - het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op wat betreft rooilijnen, situering en afmetingen. Plaatsing: - aan de voorgevel zijn in principe alleen erkers mogelijk; - afstand van een bijbehorend bouwwerk aan de zijgevel tot de voorgevellijn bedraagt minimaal 1 meter; - afstand van een bijbehorend bouwwerk tot de zij-erfgrens, grenzend aan de openbare weg of het openbaar groen bedraagt minimaal 1 meter; - een bijbehorend bouwwerk aan de voorkant mag niet buiten de zijgevel steken.
Maatvoering: - dakvoethoogte is niet hoger dan de eerste verdieping van het hoofdgebouw + 0,3 meter, blijft minimaal 0,5 meter onder de goot van het hoofdgebouw en is niet hoger dan 3 meter; - nokhoogte moet lager zijn dan het hoofdgebouw en blijft minimaal 1 meter onder de nok van het hoofdgebouw; - een aanbouw aan de voorgevel (erker) heeft een breedte die past in de oorspronkelijke raamopening en bedraagt maximaal 50% van de oorspronkelijke voorgevel; - de diepte van een erker bedraagt maximaal 1,5 meter gemeten loodrecht vanaf de oorspronkelijke voorgevel. Vormgeving: - vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond; - plat afgedekt, uitgevoerd met lessenaarsdak of uitgevoerd met een kap waarvan de dakhelling en kapvorm identiek zijn aan die van het hoofdgebouw; - erkers plat afgedekt, serres desgewenst met een flauw hellend transparant dak; - geen doorgetrokken voorgeveldakvlak van het hoofdgebouw over de aanbouw toepassen; - gevelopzet, indeling en detaillering is eenvoudig en is afgestemd op het hoofdgebouw, behalve bij serres. Bij serres regelmatige verdeling van ranke kozijnstijlen toepassen; - gevels gericht naar de openbare ruimte bestaan voor ca. 20% uit raamopeningen - hoogte boeiboord is maximaal 0,25 meter voor erkers en 0,3 meter voor andere aanbouwen; overstek bedraagt maximaal 0,15 meter
Pagina 21
Materiaal en kleur: - materiaal- en kleurgebruik dienen afgestemd te worden op het hoofdgebouw (m.u.v. materiaalgebruik serres); - bij tussenwoningen een eenvormige en ondergeschikte overgang door bijvoorbeeld een gemetselde muur op de erfgrens ter plaatse van het bijbehorend bouwwerk; - garagedeuren en betimmeringen van topgevels uitvoeren in donkere gedekte kleuren.
Pagina 22
6.3.2 Dakkapellen Een dakkapel is een (bescheiden) uitbouw in de kap, bedoeld om de lichttoetreding te verbeteren en het bruikbaar vloeroppervlak te vergroten. Dakkapellen zijn, als ze zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte, voor het straatbeeld zeer bepalend. Later toegevoegde dakkapellen zijn zelden een verrijking van het straatbeeld. Indien mogelijk zal de Commissie ruimtelijke kwaliteit adviseren de dakkapel op/in het achterdakvlak te situeren. De volgende criteria zijn ook richtinggevend als de dakkapel deel uitmaakt van een aanvraag om vergunning (nieuwbouw woning) of in het geval van een beschermd monument of beschermd dorpsgezicht. Voor deze dakkapellen vraagt de gemeente altijd advies aan de welstands- en/of monumentencommissie. Doelstellingen: - respecteren en in stand houden van het straatbeeld; - behoud van silhouet en contour van het hoofdgebouw of bouwblok; - in gebieden met een grote seriematigheid streven naar gelijkvormige exemplaren die passen bij het karakter van de straat.
Algemeen: - dakkapellen voldoen aan de gebiedsgerichte criteria van hoofdstuk 6.2; - de dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw; - het verdient aanbeveling bij het ontwerp van een nieuwe woning rekening te houden met de mogelijkheden van een toekomstige dakkapel; - dakkapellen op een aanbouw alleen mogelijk op het achterdakvlak; - geen dakkapellen op vrijstaande bijgebouwen; - het bestemmingsplan treedt in eerste instantie regelend op wat betreft situering en afmetingen. Plaatsing: - regelmatige rangschikking op horizontale lijn met dakkapellen op hetzelfde dakvlak of bouwblok; - geen dakkapellen boven elkaar; - de afstand van de dakkapel tot de dakvoet minimaal 0,5 meter en maximaal 1 meter; - minimaal 0,5 meter onder de nok en minimaal 1 meter aan weerszijden van de dakkapel; - niet meer dan twee dakkapellen in hetzelfde dakvlak, tenzij het dakvlak zich leent voor meer dakkapellen; - maten tussen de dakkapel en de nok of dakvoet van het hoofdgebouw verticaal gemeten; - geen dakkapellen op verlengde dakvlakken van een dakopbouw.
Maatvoering: - plat afgedekt: hoogte maximaal 1,75 meter loodrecht gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot bovenzijde boeiboord of daktrim; - aangekapt: hoogte maximaal 1,2 meter loodrecht gemeten vanaf de voet van de dakkapel tot de gootlijn van de dakkapel, aankapping minimaal 1,5 meter uit de nok; - dakvlak aan de voorkant of zijkant gericht naar de openbare weg of openbaar toegankelijk groen: totale breedte aan dakkapellen in totaal max. 50% van de breedte van het dakvlak en met een maximum van 3,5 meter; - dakvlak aan de achterkant of zijkant niet gericht naar de openbare weg of openbaar toegankelijk groen en voor zover niet vergunningsvrij: totale breedte aan dakkapellen in totaal max. 50% van de breedte van het dakvlak en met een maximum van 5 meter