CConstaterende datSluis
Koppel je AI →
Document · PDF

01 Collegebrief beantwoording vraag Parkeerbelasting.pdf

Commissie Samenleving/Middelen 14 maart 2023, gemeente SluisBij agendapunt: D-brieven (kennisnemen van de antwoorden en mededelingen vanuit het college)4.105 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

gemeentesLüss 23.0001134

Postadres: Postbus 27 4500 AA Oostburg

Inkomende documenten Gemeente Sluis

Bezoekadres: Nieuwstraat 22 4501 BD Oostburg Telefoon 140117 Telefoon +31 (0)117 457 000 Telefax +31 (0)117 452 241

Aan de gemeenteraad

IBAN: NL33INGB0661900169 BIC code: INGBNL2A BTW-nummer: 811046321B01 www.gemeentesluis.nl info@gemeentesluis.nl

ons kenmerk

21 OOCļ&lo

uw brief d.d.

Ge

uw kenmerk behandeld door

doorkiesnummer 0117-457272 onderwerp

Beantwoording vraag inzake Parkeerbelasting

bijlage(n)

twee

Oostburg,

- 3 FEB 2023

Dte Sluis Ingekomen

I.L Vermue-van den Oever

0 3 FEB. 2023 NR.

Geachte raadsleden,

In de vergadering van 22 december 2022 heeft raadslid mevrouw Poissonnier bij het agendapunt Belastingverordeningen 2023 gevraagd naar de onderliggende jurisprudentie omtrent het voorstel voor de Verordening Parkeerbelastingen 2023. In de bijlagen bij deze brief vindt u de gevraagde jurisprudentie. De kern van de uitspraak is als volgt: De Hoge Raad beperkt zich in haar uitspraak tot de mogelijkheden van het opleggen van naheffingsaanslagen op plekken waar een maximale parkeerduur geldt. 'Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen.’ Met andere woorden: gemeenten kunnen in die gevallen geen naheffingsaanslag (meer) opleggen. Gemeenten die op dit moment werken met een maximale parkeerduur, kunnen dat blijven doen. Als er langer dan de maximale parkeerduur geparkeerd wordt, kan er geen naheffing opgelegd worden. De overtreding moet dan als een Mulder-feit gezien worden. Dit betekent onder andere dat aanpassingen gedaan moeten worden in het al dan niet geautomatiseerde systeem van handhaving (technisch maar ook personeel nl. BOA). Bovendien is de constatering of bewijslast complexer geworden: om de juiste handhavingsactie toe te passen, moet de handhaver er in dit geval geheel zeker van zijn dat het voertuig niet verplaatst is tijdens de maximale parkeerduur.

Tot slot gaan in dit geval de opbrengsten niet naar gemeenten, omdat het een Mulder-feit betreft. Bovenstaande heeft geleid tot onbeperkt parkeren op locaties waar dit voorheen beperkt was. Uit de resultaten van het parkeeronderzoek moet blijken of deze situatie ongewijzigd kan blijven of niet.

Pag. 1/2

Hoogachtend, BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SLUIS,

De secretaris,

STTJēTRjēvit-Minnaert

^burgemeester,

mue

Pag. 2/2

ECLI:NL:HR:2022:346 Instantie

Hoge Raad

Datum uitspraak

11-03-2022

Datum publicatie

11-03-2022

Zaaknummer

21/00853

Formele relaties

In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2021:759 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:1013

Rechtsgebieden

Belastingrecht

Bijzondere kenmerken

Cassatie

Inhoudsindicatie Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet; een maximale parkeerduur; was belanghebbende gehouden voor de periode na ommekomst van de maximale parkeerduur parkeerbelasting op aangifte te voldoen?; artikel 20 AWR. Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Viditax (FutD), 11-3-2022 V-N Vandaag 2022/587 FutD 2022-0746 met annotatie van Fiscaal up to Date NTFR 2022/1072 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra V-N 2022/13.20 met annotatie van Redactie NLF 2022/0545 met annotatie van Rogier Froentjes Belastingblad 2022/147 met annotatie van R.A. Eskes NJB 2022/888 FED 2022/50 met annotatie van G. GROENEWEGEN BNB 2022/78 met annotatie van S. BOSMA

Uitspraak HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

BELASTINGKAMER

Nummer 21/00853 Datum 11 maart 2022

ARREST

in de zaak van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 januari 2021, nr, 19/017321, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 19/2089) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum.

1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal R.L.H. Ijzerman heeft op 28 oktober 2021 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.* Belanghebbende heeft schríftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd omdat zijn auto op 2 februari 2019 stond op de Groest in Hilversum, een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum (hierna: het College) aangewezen plaats waar met betaling van parkeerbelasting maximaal een uur mag worden geparkeerd. Op het in de naheffingsaanslag vermelde tijdstip stond de auto daar langer dan een uur. 2.2 De auto stond voor het overgrote deel binnen, en voor een klein deel buiten het daarvoor bestemde parkeervak, dat zich binnen vijf meter vanaf een kruising bevindt. 2.3.1 Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. 2.3.2 Volgens het Hof was sprake van parkeren in de zin van de Verordening Parkeerbelastingen 2019 van de gemeente Hilversum (hierna: de Verordening) omdat de auto stond op een parkeerstrook die is aangewezen als parkeerplaats waarop tegen betaling van

parkeerbelasting mag worden geparkeerd, en belanghebbende zijn auto op zodanige wijze had geparkeerd dat andere weggebruikers van dit gedeelte van de aangewezen parkeerplaats geen gebruik meer konden maken. 2.3.3 Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de overschrijding van de maximale parkeerduur van een uur niet betekent dat er geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Vast staat immers dat parkeerbelasting díe op aangifte moest worden voldaan niet is betaald, aldus het Hof.

3 Beoordeling van de middelen 3.1 Het eerste middel dat zich keert tegen het hiervoor onder 2.3.2 weergegeven oordeel van het Hof met de stelling dat de auto gedeeltelijk stond op een plaats waar dat verboden is, faalt op de gronden die zijn vermeld in het heden uitgesproken arrest met nummer 20/03717, ECLI:NL:HR:2022:156, waarvan een geanonimiseerde kopie aan dit arrest is gehecht. 3.2.1 Het tweede middel is gericht tegen het hiervoor onder 2.3.3 weergeven oordeel van het Hof. Het middel betoogt dat niet in geschil is dat voor het eerste uur parkeren parkeerbelasting was voldaan. Het middel betoogt voorts dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag geen sprake meer was vem 'parkeren' van de auto in de zin van artikel 225, lid 1, Gemeentewet in

samenhang met de Verordening omdat parkeren na het verstrijken van de maximum parkeerduur van een uur niet meer was toegestaan en het laten staan van de auto dus in strijd was met een wettelijk voorschrift. 3.2.2 Artikel 225, aanhef en lid 1, Gemeentewet bepaalt dat in het kader van de parkeerregulering een belasting kan worden geheven ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij of krachtens belastingverordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze. 3.2.3 In dit geval heeft het College krachtens de Verordening bepaald dat op de Groest parkeren tegen betaling op aangifte is toegestaan voor een maximale parkeerduur van een uur. Daarvan uitgaande moest belanghebbende voor het eerste uur parkeren op de Groest parkeerbelasting op aangifte voldoen. Omdat belanghebbende niet langer dan dat uur mocht parkeren, was hij niet gehouden ook voor de tijd daarna parkeerbelasting op aangifte te voldoen. 3.2.4 Het Hof heeft aan zijn in 2.3.3 weergegeven oordeel dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd ten grondslag gelegd dat de verschuldigde parkeerbelasting niet was betaald.

Indien het Hof daarmee heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende in het geheel geen parkeerbelasting heeft voldaan, dus ook niet voor het eerste uur, is die vaststelling zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk in het licht van de verklaring van de heffingsambtenaar ter zitting van het Hof dat belanghebbende voor een uur had betaald. Indien het Hof heeft bedoeld vast te stellen dat belanghebbende geen parkeerbelasting had betaald voor de periode na afloop van dat eerste uur, getuigt het daarop volgende oordeel dat die parkeerbelasting terecht is nageheven van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals in 3.2.3 is overwogen was belanghebbende niet gehouden voor de periode na ommekomst van het eerste uur parkeerbelasting op aangifte te voldoen. Naheffing van parkeerbelasting voor die periode is dan niet mogelijk omdat artikel 20 AWR de mogelijkheid tot naheffing beperkt tot belasting die op aangifte behoort te worden voldaan maar niet is betaald. 3.3 Het tweede middel slaagt. Gelet op hetgeen is overwogen in 3.2.4 kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.

4 Proceskosten Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. .

5 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover daarin de uitspraak van de Rechtbank is bevestigd, - verwijst het geding naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, - draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van C 134, en - veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op C 2.847 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel,

A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, M.T. Boerlage en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2022.

1 ECLI:NL:GFIARL: 2021:759. 2

ECLI:NL:PHR:2021:1013.

KOHLER Handhaving van maximale parkeerduur is bemoeilijkt als gevolg van een arrest van de Hoge Raad Arjen Schep1

1. Inleiding In een recent arrest over de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum beperkt de Hoge Raad2 de mogelijkheid van het opleggen van naheffingsaanslagen op plekken waar een maximale parkeerduur geldt. In deze notitie wordt dit arrest verduidelijkt en de gevol­ gen voor de praktijk op een rij gezet.3 Hierna wordt in onderdeel 2 het arrest uitgelegd. In onderdeel 3 wordt een drietal oplossingsrichtingen gepresenteerd. In onderdeel 4 wordt deze notitie samengevat.

2. Het arrest De situatie waarin door de Hoge Raad uitspraak is gedaan is de volgende: Aon belanghebbende is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Op basis van de verordening parkeerbelasting van Hilversum is ter plaatse parkeren tegen betaling van parkeerbelasting op aangifte slechts toege­ staan voor een maximale parkeerduur van een uur. Belanghebbende heeft voor een uur parkeerbelasting voldaanmaar heeft het voertuig ook na af­ loop van dat uur nog laten staan. Daarop is een naheffingsaanslag parkeer­ belasting opgelegd. De Hoge Raad vernietigt deze naheffingsaanslag omdat volgens de Hoge Raad geen na­ heffingsaanslag mogelijk is na het verstrijken van de maximale parkeerduur. Na verstrijken van de maximale parkeerduur is het maximum parkeertarief voldaan en is er formeel ge­ zien geen parkeerbelasting verschuldigd, gelet op het verbod om langer dan een uur te parkeren. Voor de naheffing van gemeentelijke belastingen gelden dezelfde spelregels als die voor alle belastingen in Nederland gelden. Deze zijn vastgelegd in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Op grond van art. 20 van de AWR is naheffing slechts mogelijk voor belasting die op aangifte behoort te worden voldaan, maar niet is betaald.

Nu na het eerste uur - vanwege de maximale parkeerduur - er geen verplichting meer bestaat om op aangifte belasting te voldoen, kan in dit geval niet worden nageheven, aldus de Hoge Raad. Met andere woorden: als je geen belasting verschuldigd bent, valt er ook geen be­ lasting na te heffen.

1 Arjen Schep is bijzonder hoogleraar heffingen van lokale overheden aan Erasmus School of Law en eigenaar van Kohier Beleidsadvies Lokale Belastingen. 2 HR 11 maart 2022, nr. 21/00853, ECLI:NL:HR:2022:346. Te vinden via: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id^ECLI:NL:HR:2022:346 3 Deze notitie is geschreven in opdracht van het Gemeentelijk Netwerk voor Mobiliteit en Infrastructuur (GNMI).

KOHIER Beleidsadvies Lokale Belastingen

Dit is een opvallende uitspraak van de Hoge Raad, omdat hij in 2000 nog in eenzelfde situ­ atie oordeelde dat wel kan worden nageheven.4 Het lijkt er derhalve op dat de Hoge Raad is 'omgegaan' op dit punt. Dit arrest leidt bij toepassing van de Hilversumse verordening (en waarschijnlijk is het in veel gemeenten niet anders) in combinatie met art. 20 AWR tot de vreemde situatie dat wie voor 59 minuten parkeerbelasting heeft voldaan op een 'max 1 uur'-plek en na 60 minuten terug bij de auto komt, kans heeft op een naheffingsaanslag. Voldoet dezelfde parkeerder voor het gehele uur parkeerbelasting en komt hij na het verstrijken van die tijd te laat terug, dan is hij niet langer parkeerbelasting verschuldigd en kan 'gratis' worden geparkeerd.

3. Oplossingsrichtingen Inleiding De vraag is nu hoe de in de praktijk gewenste vorm van het tegen betaling ergens parkeren voor een maximale parkeerduur alsnog kan worden gehandhaafd, met inachtneming van dit arrest. Hiervoor is een drietal oplossingsrichtingen. De eerste oplossingsrichting ligt buiten de fis­ caliteit: handhaving middels het opleggen van een 'Mulder-beschikking', oftewel een be­ stuurlijke boete. De tweede oplossingsrichting is wel een fiscale: het hanteren van een fors hoger tarief na afloop van een bepaalde tijdsperiode. Beide oplossingen worden hierna uitgebreider toegelicht. Ook een derde oplossingsrichting is eveneens een fiscale: door het andersformuleren van de belastingverordening te bewerkstelligen dattelkens opnieuw kan worden betaald vooreen bepaalde maximale tijdsduur.

Oplossing 1: Geen naheffing parkeerbelasting maar wel opleggen van een bestuurlijke 'Mulder'boete In deze variant kunnen de huidige regelingen van rond de parkeerbelasting blijven zoals ze nu zijn. Enkel de handhaving verandert nadat een voertuig nog staat geparkeerd nadat de maximale parkeerduur waarbinnen tegen betaling kan worden geparkeerd, is verstre­ ken. Er wordt geen naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd, maar een bestuurlijke boete. In deze variant wordt het doel van het voorkomen dat voertuigen op de betref­ fende plek langer dan gewenst geparkeerd staan, beter gediend dan door de tweede op­ lossingsrichting die verderop in deze notitie wordt gepresenteerd. Vraag is alleen wel of in dit geval wel een Mulder-beschikking (bestuurlijke boete) kan worden opgelegd. Definitie parkeren Gemeentewet De Gemeentewet definieert in de regeling van de parkeerbelasting in art. 225 lid 2 parkeren als het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, (...), op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.

4 HR 15 maart 2000, nr. 35201, ECLI:NL:HR:2000:AA5139. Ook in 2015 liet de Hoge Raad nog eenzelfde oordeel van Hof's-Hertogenbosch in stand: Hof 's-Hertogenbosch 5 juni 2015, nr. 14-00488, ECLI:NL:GHSHE:2015:2047 (cassatieprocedure: ECU:NL:HR:2015:3469).

2| Pagi na

KOHįER Beleidsadvies Lokale Belastingen

Wanneer gemeenten in het kader van de parkeerregulering een maximale parkeerduur hanteren op aangewezen parkeerplaatsen, dan kan enkel parkeerbelasting worden vol­ daan voor een maximale tijdsduur. Na die tijdsduur is het laten staan van het voertuig op diezelfde plaats in beginsel verboden en is op basis van art. 225 lid 2 Gemeentewet geen heffing van parkeerbelasting mogelijk, gelet op strijd met een 'wettelijk voorschrift'. Hoewel er in die situatie dus geen sprake meer is van parkeren, kan er vanaf het moment van het verstrijken van de maximale parkeerduur wel sprake zijn van een verkeersovertre­ ding. Art. 2 lid 1 van de 'Wet Mulder'5 verwijst naar een bijlage bij deze wet waarin zoge­ noemde 'Muldergedragingen' staan opgesomd waarvoor een bestuurlijke boete kan wor­ den opgelegd. Bestuurlijke boete gaat naar staatskas Daarbij moet worden gerealiseerd dat bestuurlijke (strafrechtelijke) boeten geen inkomsten voor gemeenten zijn, maar voor het rijk. Overigens geldt dat ook de naheffingsaanslag par­ keerbelasting de facto geen inkomsten voor de gemeente betekenen, in de zin dat het kostenbedrag dat bovenop het te weinig betaalde tarief aan parkeerbelasting in rekening wordt gebracht, niet meer dan kostendekkend is.

Het kostenbedrag wordt bepaald door het totaal van de kosten die samenhangen met het opleggen van naheffingsaanslagen.6 Kan in dit geval een bestuurlijke boete worden opgelegd? Het is de vraag of er een 'Mulderfeit' geconstateerd kan worden na het verstrijken van de maximale parkeerduur en door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete op deze wijze kan worden gehandhaafd dat langer wordt geparkeerd dan de aangegeven maximale parkeerduur. Onderdeel X van de bijlage van de Wet Mulder somt beboetbare feiten op die te maken hebben met parkeren (vanaf feit R 397). Voor overtreding van art. 24 lid 1 sub d van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RW 1990) is in de betreffende bijlage van de Wet Mulder het feit 'R 397 e' opgenomen. Op basis daarvan kan een boete van 6 100,- worden opgelegd in geval er geparkeerd wordt, terwijl blijkens de aanduiding op het bord of het onderbord, het voertuig staat geparkeerd op een andere dan de aangegeven wijze. Bij een parkeerplaats waartegen betaling een maximale parkeerduur geldt, zal dit ter plaatse aangegeven zijn met een bord. Hoewel na het verstrijken van de maximale parkeer­ duur geen sprake meer is van parkeren in de definitie van de parkeerbelasting (art 225 lid 2 Gemeentewet), is nog steeds wel sprake van parkeren in de definitie van de RVV 1990.

In die regeling wordt parkeren gedefinieerd als: " het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstap­ pen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen;". Na het verstrij­ ken van de maximale tijdsperiode wordt er dus nog steeds geparkeerd in de zin van de RW 1990, maar niet langer tegen betaling. In die redenering wordt dan niet langer geparkeerd op de op het bord aangegeven wijze. Het opleggen van een Mulderboete op basis van feit R 397 e lijkt dan moaelijk te zijn.

5 De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wordt ook wel de 'Wet Mulder' genoemd. 6 De kosten die in rekening mogen worden gebracht zijn geregeld in art. 2 lid 1 Besluit gemeentelijke parkeerbe­ lastingen. Het maximaal in rekening te brengen kostenbedrag wordt jaarlijks door het rijk gemaximeerd. Dit jaar is dat C 65,30 (Stcrt. 2021, 40592). De raming van de kosten wordt door de gemeenteraad jaarlijks vastgesteld. 3 | P a g i n a

KO HįE R Beleidsadvies Lokale Belastingen

Feit R 400 ab uit dezelfde bijlage vermeldt dat een boete kan worden opgelegd indien 'de toegestane parkeerduur is verstreken'. Hoewel op het eerste gezicht dit feit op deze situatie van toepassing lijkt, blijkt dit feit te verwijzen art. 25 lid 4 RW 1990, welke bepaling handelt over parkeren in een parkeerschijf-zone, of 'blauwe zone'. Een combinatie van een maxi­ male parkeerduur tegen betaling is in de praktijk niet te combineren met een blauwe zone, die juist wordt ingezet om zonder betaling ergens een maximale duur te kunnen staan. Is parkeercontroleur parkeerbelasting ook bevoegd om een Mulder-beschikking te nemen? Een parkeercontroleur kan dus, naar het zich laat aanzien, in casu wel een 'Mulder-beschik­ king' nemen. Daartoe moet hij echter wel bevoegd zijn. Bij een groot aantal gemeenten is de parkeercontroleur alleen bevoegd voor de fiscale handhaving van de parkeerbelasting (opleggen van naheffingsaanslagen) en niet voor de Mulder-handhaving. De Mulder-handhaving geschiedt in de meeste gevallen door Bijzondere Opsporingsambtenaren (BOA's). Wellicht is het mogelijk om de bevoegdheid tot handhaving van de betreffende Mulderovertreding ook te verlenen aan parkeercontroleurs. Is dat niet mogelijk, dan zal bij consta­ tering van overschrijding van de parkeerduur de parkeercontroleur een BOA kunnen vra­ gen dit feit bestuurlijk te beboeten.

Oplossing 2: Tariefverhoging na afloop van de maximale parkeerduur Een andere oplossingsrichting is het aanzienlijk verhogen van het verschuldigde parkeerbelastingtarief na het ve 'strijken van een bepaalde 'maximale' parkeerduur. Voordeel van deze oplossingsrichting is dat de handhaving van de maximale parkeerduur binnen fiscale wet- en regelgeving blijft. Wanneer na het eerste uur geen, of onvoldoende parkeerbelas­ ting is voldaan, kan er een naheffingsaanslag parkeerbelasting worden opgelegd. Er zijn ook nadelen: Het vereist aanpaissing van de (tarieventabel) van de regelgeving die ter plaatse geldt: de verordening parkeerbelasting en aanverwante regelgeving (formulering van de maximale parkeerduur) en mogelijk ook aanpassing van de bebording ter plaatse. Feítelijk is er geen sprake meer van een maximale parkeerduur. Het wordt enkel (aanzienlijk) duurder als langer dan de aangegeven 'maximale' parkeerduur wordt geparkeerd. Fiscaal-juridisch zijn er geen belemmeringen om na een bepaalde tijdsduur een aanzien­ lijk hoger tarief te hanteren. De parkeerbelastingen zijn bij uitstek om te reguleren mid­ dels het beprijzen van parkeren. Andersom komt in de praktijk ook al voor (na een be­ paalde tijdsduur geldt niet bedrag per uur, maar een bepaald maximaal dagtarief dat la­ ger ligt dan wanneer de hele dag per uur zou moeten worden betaald).

Oplossing 3: Andere formulering van parkeerbeDastingverordening In het arrest over de parkeerbelasting van de gemeente Hilversum was het technisch niet mogelijk om voor langer dan 1 uur parkeerbelasting te voldoen. Ook in de verordening/ta­ rieventabel was dit maximum opgenomen. Dat is niet in alle gemeenten op dezelfde manier geregeld. Er zijn ook gemeenten waar na het verstrijken van de maximale parkeerduur, op­ nieuw parkeerbelasting kan worden voldaan waarmee opnieuw de tijdsduur van maximaal 4 ļ P a g i n a

KOHįER Beleidsadvies Lokale Belastingen

een uur parkeren aanvangt. Dit is dan in de belastingverordening/tarieventabel geregeld door middel van bijvoorbeeld de volgende bepaling: "Het tarief voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen met een maximale parkeerduur van telkens 60 minuten bedraagt per 60 minuten: C x,xx". Mijns inziens is bij een dergelijke formulering in de verordening, gecombineerd met de feítelijke mogelijkheid om opnieuw voor een uur te betalen, er na het verstrijken van de maximale parkeerduur opnieuw een verplichting om parkeerbelas­ ting te voldoen. In dat geval is ook na het verstrijken van de maximale parkeerduur naheffing mogelijk. Feítelijk is hier ook geen sprake van een 'maximale parkeerduur'. Er wordt enkel een feítelijke belemmering opgeworpen voor de parkeerder omdat na een bepaalde tijdsperiode opnieuw voor eenzelfde tijdsperiode parkeerbelasting moet worden voldaan.

Meerdere naheffingsaanslagen op één dag en combinatie van naheffing en Mulderbeschikking Op basis van art. 234 lid 5 Gemeentewet kunnen de kosten gemoeid met het opleggen van een naheffingsaanslag niet vaker dan eenmaal per kalenderdag in rekening worden ge­ bracht. Wanneer bijvoorbeeld dus meerdere keren op een dag te laat opnieuw de parkeerapp is geactiveerd op een plaats waar een maximale parkeerduur geldt, kan wel de te weinig geheven parkeerbelasting meerdere keren worden nageheven, maar slechts een­ maal per kalenderdag ook het kostenbedrag in rekening worden gebracht. In de situatie waarin niet is betaald op een plaats waar een maximale parkeerduur geldt, en er in het eerste uur een naheffingsaanslag wordt opgelegd, is er mijns inziens geen wette­ lijke bepaling die eraan in de weg staat om na dat eerste uur (wanneer dus het opleggen van een naheffingsaanslag niet langer mogelijk is) ook een Mulder-beschikking op te leg­ gen. Er is eerst fiscaal gehandhaafd, vervolgens is er sprake van een verkeersovertreding waarvoor het Mulder-regime geldt.

4. Samenvatting handhaving maximale parkeerduur en parkeerregulering De reden dat gemeenten een maximale parkeerduur invoeren, is gelegen in het reguleren van de parkeerdruk in bepaalde gebieden. Door het arrest van de Hoge Raad is de hand­ having ervan bemoeilijkt. In beginsel is fiscale naheffing niet meer mogelijk in die situatie. Een niet-fiscaal alternatief is handhaving middels het opleggen van een bestuurlijke 'Mulder-boete' van 6 100,- na de maximale parkeertermijn. Hiervoor hoeft geen regelgeving te worden aangepast. Een fiscaal alternatief is het invoeren van een (fors) hoger tarief na afloop van een bepaalde maximale periode waarvoor een gematigd tarief geldt. In dat geval is ook na afloop van die maximale periode nog sprake van parkeren in de zin van de parkeerbelasting en is dus ook het opleggen van een naheffingsaanslag mogelijk indien niet, of onvoldoende parkeerbe­ lasting is voldaan. In sommige gemeenten kan na het verstrijken van de maximale parkeerduur opnieuw wor­ den betaald voor eenzelfde periode. De maximale parkeerduur is in dat geval dus niet meer dan het opwerpen van een administratieve drempel voor parkeerders die van hen na het verstrijken van de maximale parkeerduur een actie/handeling vereist. Ook in dat geval kan nog steeds fiscaal worden gehandhaafd. Er is dan feítelijk geen sprake van een parkeerver­ bod na afloop van de maximale termijn.

5 I P a g ī n a

KOHįER Beleidsadvies Lokale Belastingen

Gemeenten die de maximale parkeerduur effectief willen blijven handhaven, zullen dus of­ wel hun fiscale parkeerregelingen danwel hun handhavingspraktijk moeten aanpassen. Wordt gekozen voor bestuurlijke handhaving, vereist dit mogelijk wel overheveling van be­ voegdheden naar de parkeercontroleur danwel intensiever samenwerken met bevoegde BOA's. De Mulderboete (ě 100,-) is overigens hoger dan een fiscale naheffingsaanslag, waarvan het kostenbedrag in 2022 is gemaximeerd op C 66,50. Rotterdam, 11 mei 2022

6

agina

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Sluis&id=c7927703-3169-4f7b-8171-305337a08f98