By 3 - Passende beoordeling omgevingsvisie Sliedrecht.pdf
Tekst van het document
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht
projectnummer 046922.100 definitief revisie 0.0 9 augustus 2021
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht
projectnummer 046922.100 definitief revisie 0.0 9 augustus 2021
Auteurs C. Schellingen
Opdrachtgever Gemeente Sliedrecht Industrieweg 11 3361 Hj Sliedrecht
Gecontroleerd:
datum 9 augustus 2021
beschrijving definitief
vrijgave T. Artz
Inhoudsopgave
Blz.
1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding omgevingsvisie Waarom een passende beoordeling? Doel passende beoordeling Leeswijzer
1 1 2 2
2
Wettelijk kader
3
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5
Vogel- en Habitatrichtlijn Wet natuurbescherming – Natura 2000 Wettelijk kader stikstof Programma Aanpak Stikstof (PAS) Spoedwet Aanpak Stikstof (SAS) Verkeersbesluit 19 december 2019 Stikstofregistratiesysteem (SSRS) Wet stikstofreductie en natuurverbetering
3 3 4 4 5 5 6 6
3
Planvoornemen
7
3.1 3.2
Keuzes per ontwikkellocaties Overige keuzes
7 8
4
Sliedrecht en Natura 2000-gebieden
10
4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.1.4
Natura 2000-gebied Biesbosch Kenmerken Instandhoudingsdoelstellingen Knelpunten Autonome ontwikkeling Natura 2000
11 11 12 14 17
5
Ingreep-effectanalyse: Voortoets
21
5.1 5.2 5.3
Bepalen van de potentiële effecten die kunnen optreden Afbakening niet-relevante storingsfactoren Conclusie ingreep-effectanalyse – voortoets Natura 2000
21 22 23
6
Impact van stikstofdepositie op Natura 2000
25
6.1 6.2 6.3
Verkeersaantrekkende werking bij woningbouw Energietransitie bij woningbouw Stimuleren duurzame vervoersmiddelen
25 28 29
7
Beoordeling omgevingsvisie
31
8
Aanbevelingen/mitigerende maatregelen
36
9
Conclusie
40
10
Bronnen
41
Bijlage I – Definitie verstoringsfactoren Bijlage II – Stikstofberekening verkeerseffecten Bijlage III – Stikstofberekening saldering
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
1
Inleiding
1.1
Aanleiding omgevingsvisie De gemeente Sliedrecht stelt een omgevingsvisie op. De omgevingsvisie beschrijft op hoofdlijnen het beleid voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving bevat thema’s zoals wonen, werken, natuur, milieu, verkeer en de inrichting van de openbare ruimte. De omgevingsvisie richt zich onder andere op de aanpak van de woningbouwopgave, groenbeleid, omgaan met klimaatverandering en effecten op verkeer en milieu. Beleid voor deze thema’s is op dit moment ondergebracht in afzonderlijke beleidsstukken. De omgevingsvisie bundelt dit beleid in één overkoepelende visie voor de gehele gemeente. Hiermee stelt ze de kaders voor toekomstige ontwikkelingen.
Figuur 1.1. Ligging gemeente Sliedrecht.
Voordat de visie wordt vastgesteld, wordt een Omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Hierin wordt onderzocht wat de impact van de omgevingsvisie is op de leefomgeving.
1.2
Waarom een passende beoordeling? De Omgevingsvisie Sliedrecht bevat nieuwe richtinggevende beleidskeuzes, waarvan niet op voorhand is uit te sluiten dat deze afzonderlijk of in samenhang kunnen leiden tot significante gevolgen op Natura 2000-gebieden, met name door het mogelijke stikstofeffect. Daarom dient op grond van de Wet natuurbescherming een Passende Beoordeling te worden opgesteld.
Blad 1 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
1.3
Doel passende beoordeling De passende beoordeling is de wettelijke plantoets die hoort bij kaderstellende plannen waarvan significante gevolgen op voorhand niet uitgesloten kunnen worden. Het doel van de passende beoordeling is daarbij: • Het in beeld brengen van de risico’s op significante gevolgen op de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-netwerk als gevolg van het nieuwe beleid uit de omgevingsvisies. • Beschrijven van mitigerende maatregelen en/of beleidsaanpassingen die nodig zijn om significante gevolgen te voorkomen. Het gaat hier met name om aanbevelingen voor de uitwerking van de uitvoeringsbesluiten. • Waar relevant: kansen op positieve effecten. Het detailniveau van de passende beoordeling sluit aan bij het detailniveau van een omgevingsvisie. Gezien het (deels) abstracte karakter van de beleidskeuzes is deze op hoofdlijnen. Het betreft daarom met name een risico-inschatting.
1.4
Leeswijzer In hoofdstuk twee is het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming beschreven. In hoofdstuk drie is het te toetsen plan beschreven. In hoofdstuk vier komt - als vertrekpunt voor deze passende beoordeling- de beschrijving van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in de omgeving (Biesbosch) aan bod. Aangegeven is ook wat de belangrijkste knelpunten zijn voor het behalen van de Natura 2000-doelen, waarmee ook de gevoeligheden van dit gebied duidelijk worden. In hoofdstuk 5 vindt de vertaling plaats van het plan naar mogelijke effecten en is bepaald voor welke onderdelen/storingsfactoren significante gevolgen bij voorbaat uit te sluiten zijn; de zogenaamde voortoets. Vervolgens is in hoofdstuk zes aandacht voor de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden aangezien dit het enige relevante aspect voor nader onderzoek is voor de aanwezige Natura 2000-gebieden en de aard van de ontwikkelingen. In hoofdstuk 7 worden de onderdelen van de omgevingsvisie beoordeeld op de risico’s ten aanzien van de Wnb-gebiedsbescherming. In hoofdstuk 8 worden aanbevelingen – ook te lezen als mitigerende maatregelen - voor het vervolgtraject beschreven. Hoofdstuk 9 bevat de conclusie van de passende beoordeling.
Blad 2 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
2
Wettelijk kader
2.1
Vogel- en Habitatrichtlijn Twee Europese richtlijnen, de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn(92/43/EEG), voorzien in de bescherming van belangrijke Europese natuurwaarden. De Europese Vogelrichtlijn (1979) regelt de bescherming van leefgebieden van Europees bedreigde en kwetsbare vogelsoorten. Met de Europese Habitatrichtlijn (1992) worden Europese (half-) natuurlijke habitats en bedreigde en kwetsbare dier- (andere dan vogels) en plantensoorten beschermd. In dat kader zijn speciale gebieden aangewezen die beschermd moeten worden. Deze zogenaamde Vogel- en Habitatrichtlijngebieden vormen samen het Natura 2000-netwerk. De afzonderlijke gebieden worden ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Het doel hiervan is om de aangewezen habitattypes en habitats van soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen. De lidstaten moeten maatregelen treffen om de kwaliteit van deze habitats en habitats van soorten niet te laten verslechteren en voorkomen dat er storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Het hoofddoel van Natura 2000 is het stoppen van de achteruitgang en de waarborging van de biodiversiteit in Europa.
2.2
Wet natuurbescherming – Natura 2000 Aanwijzing en beheer van Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn in de nationale Wet natuurbescherming (verder Wnb) overgenomen, in het onderdeel gebiedsbescherming. In hoofdstuk 2 van de Wnb is de bescherming van gebieden geregeld. De Wnb maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden. Deze gebieden worden aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. De essentie van het beschermingsregime voor de Natura 2000-gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudings-doelstellingen zijn vastgelegd in de (ontwerp-)aanwijzingsbesluiten1 voor de betreffende gebieden. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
De provincie (Gedeputeerde Staten) zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen voor de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook -indien daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Voor de Natura 2000-gebieden in de Rijkswateren, waaronder de Waddenzee, is Rijkswaterstaat verantwoordelijk. 1
Momenteel zijn op twee na alle gebieden definitief aangewezen, alleen het Krammer-Volkerak en het Zoommeer in Zeeland zijn nog niet definitief aangewezen. Voor deze 2 Natura 2000-gebieden is er nog geen definitief aanwijzingsbesluit.
Blad 3 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Voor ieder Natura 2000-gebied wordt een beheerplan opgesteld, dat elke zes jaar wordt geactualiseerd. In dit plan zijn de instandhoudingsdoelen nader uitgewerkt, zijn maatregelen beschreven die nodig zijn om deze doelen te realiseren en zijn kaders voor vergunningverlening voor menselijke activiteiten binnen de Natura 2000-gebieden aangegeven. Bescherming van Natura 2000-gebieden bij ruimtelijke plannen en projecten De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, ten aanzien van plannen en projecten die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. De Wnb maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen en anderzijds projecten. De Omgevingsvisie betreft een plan. Een plan dat -afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten- significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten (art. 2.8 lid 3 Wnb). Bij het toetsen aan de instandhoudingsdoelen dient rekening te worden houden met “externe werking”.
Dat wil zeggen dat niet alleen moet worden gelet op activiteiten binnen een Natura 2000-gebied, maar ook op activiteiten die buiten de grenzen van het betreffende Natura 2000gebied worden uitgevoerd en een mogelijk effect hebben op Natura 2000-gebieden. Het toetsingskader van de Wnb, onderdeel gebiedsbescherming kent de volgende procedurevarianten: 1. Er is zeker geen kans op significante gevolgen: geen vergunningplicht, plan is uitvoerbaar; 2. Er is een kans op significante gevolgen: passende beoordeling dient aan te tonen dat significante gevolgen uit te sluiten zijn voor een uitvoerbaar plan; (eventueel met ADC-toets = Alternatieventoets + Dwingende redenen van groot openbaar belang + Compensatie als in de passende beoordeling na het nemen van mitigerende maatregelen significant negatieve effecten nog steeds niet uit te sluiten zijn).
2.3
Wettelijk kader stikstof
2.3.1
Programma Aanpak Stikstof (PAS) PAS staat voor het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het Europees Hof van Justitie om advies gevraagd inzake een aantal pilotzaken om de juridische houdbaarheid van het PAS te toetsen. Naar aanleiding van de uitspraak van het Hof besloot de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 dat het PAS niet mag worden gebruikt als basis voor vergunningverlening. De Afdeling stelt dat de huidige motivering niet de wetenschappelijke zekerheid biedt dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuur. Toestemming voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor Natura 2000-gebieden vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden - mag daarom vooraf niet meer worden gegeven. Dit kan consequenties hebben voor concrete vervolgbesluiten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie en daardoor mogelijk significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden tot gevolg hebben.
Blad 4 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Met deze uitspraak zijn ook Bijlage 2 van het PAS, artikel 2 van het (vervallen) Besluit grenswaarden en artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming onverbindend verklaard.
2.3.2
Spoedwet Aanpak Stikstof (SAS) De Spoedwet Aanpak Stikstof is verschenen in het Staatsblad (Staatsblad 2019, 517) van 30-122019. De Spoedwet aanpak stikstof, met uitzondering van artikel IX (heeft betrekking op Omgevingswet), is in werking getreden met ingang van 1 januari 2020. De Spoedwet aanpak stikstof voorziet in aanvullende instrumenten om de stikstofproblematiek aan te pakken en moet nieuwe activiteiten met stikstofdepositie mogelijk maken. De Spoedwet voorziet in een permanente wijziging van onder andere de Wnb: • de vergunningplicht voor andere handelingen vervalt. • de Wnb bepaalt niet langer dat ook een vergunning nodig is indien een project de kwaliteit van de natuur kan verslechteren of daarop een significant verstorend effect kan hebben (gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied). Het nieuwe artikel bepaalt eenvoudigweg dat het verboden is zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Door deze wijziging is er geen verslechteringstoets meer nodig. • De Wnb maakt het mogelijk om categorieën van projecten aan te wijzen die significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied maar niet vergunningplichtig zijn op grond van de Wnb als aan nadere regels is voldaan.
De aanwijzing van die categorieën en het stellen van nadere regels gebeurt bij ministeriële regeling of bij provinciale verordening. Hiermee kunnen drempelwaardes worden ingevoerd. Bij het opstellen van dit natuurrapport zijn (nog) geen drempelwaardes vastgesteld. • De Wnb krijgt een nieuw artikel; artikel 5.5a. Dat artikel voorziet erin dat projecten die significante gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden toch toestemming krijgen als zij stikstofdepositieruimte hebben gekregen. In het stikstofregistratiesysteem wordt stikstofdepositieruimte opgenomen die ontstaat als gevolg van een daling van stikstofdepositie door aanvullende bronmaatregelen. De stikstofdepositieruimte kan vervolgens aan nieuwe activiteiten worden toegedeeld, zodat aan die nieuwe activiteiten toestemming kan worden verleend. Het instellen van een dergelijk stikstofregistratiesysteem kan alleen bij ministeriële regeling. Bij het opstellen van dit natuurrapport is een dergelijk stikstofregistratiesysteem inmiddels ingesteld voor woningbouw en zeven specifieke MIRT-projecten.
2.3.3
Verkeersbesluit 19 december 2019 Met zijn brief van 13 november 2019 (Brief van 13 november 2019, nr. DGNVLG / 19260351) heeft het kabinet het maatregelenpakket voor de stikstofproblematiek in de woningbouw- en infrastructuursector bekend gemaakt. Eén van de maatregelen betreft: “het doorvoeren van een snelheidsverlaging overdag op autosnelwegen. De maximumsnelheid wordt overdag (van 6:00 19:00 uur) op alle autosnelwegen verlaagd naar 100 km per uur. Voor de wegen waar nu een maximumsnelheid van 120 of 130 km per uur geldt, blijft deze maximumsnelheid gelden in de
Blad 5 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
avond en nacht (19:00 - 6:00 uur). Met het verkeersbesluit van 19 december 2019 is invulling gegeven aan voornoemd kabinetsbesluit. Per 16 maart 2020 is de snelheidsverlaging van kracht.
2.3.4
Stikstofregistratiesysteem (SSRS) Vanaf 23 maart 2020 kan een natuurvergunning worden aangevraagd op basis van het stikstofregistratiesysteem. Dit geldt in eerste instantie voor de woningbouwprojecten en zeven MIRT-projecten. Het stikstofregistratiesysteem is wettelijk verankerd in hoofdstuk 2 van de Regeling Natuurbescherming. Enkel voor projecten kan aanspraak gemaakt worden op stikstofruimte uit het SSRS. Voor plannen is dit niet mogelijk. Via het stikstofregistratiesysteem worden per Natura 2000-gebied de effecten van stikstofmaatregelen geregistreerd. Voorwaarde voor het systeem is dat er eerst stikstofruimte is gecreëerd door maatregelen die de stikstofneerslag verminderen. Het stikstofregistratiesysteem is gevuld met de afname van de stikstofdepositie door de snelheidsverlaging. De verlaging overdag van de maximumsnelheid op autosnelwegen naar 100 km/uur is de maatregel die het snelst stikstofruimte oplevert. Vervolgens wordt een deel van die ruimte (maximaal 70%) besteed aan ruimtelijke ontwikkelingen. De overige 30% valt toe aan de reductie van stikstof en daarmee aan natuur. Het registratiesysteem zorgt er voor dat voor ieder Natura 2000-gebied in beeld komt welke beschikbare depositieruimte verdeeld kan worden bij de vergunningverlening, in eerste instantie voor woningbouw en een beperkt aantal grote wegenprojecten.
Met het stikstofregistratiesysteem is er aan de ene kant een afname van stikstofdepositie (door de snelheidsverlaging), waarvan de ruimte wordt opgespaard in een ‘spaarpot’, het SSRS. De toename van stikstofdepositie op natuur (door een project) wordt vervolgens gemitigeerd door middel van afboeking van stikstofruimte uit het SSRS.
2.3.5
Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet voorziet in de verplichting om een programma van maatregelen op te stellen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren, is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. Deze wet regelt ook een aanpassing van het Besluit natuurbescherming, waardoor nu een partiële vrijstelling geldt voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. Het partiële slaat hier op het feit dat de vrijstelling alleen geldt voor stikstofdepositie en niet voor de overige storingsfactoren. Er hoeven ten behoeve van een natuurvergunningaanvraag (gebiedsbescherming) voor een project dus geen berekeningen en daarbij behorende beoordeling van de stikstofdepositie voor de realisatiefase meer plaats te vinden. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd.
Blad 6 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
3
Planvoornemen In het OER (hoofdstuk 8) zijn de keuzes uit de Omgevingsvisie beschreven. De keuzes zijn weergegeven op onderstaande visiekaart. In dit hoofdstuk zijn de keuzes beschreven per ontwikkellocatie (paragraaf 3.1). In paragraaf zijn overige keuzes beknopt beschreven.
3.1
Keuzes per ontwikkellocaties Voor de opgave voor woningbouw zet de gemeente in op het toevoegen van circa 2.500 woningen. Ontwikkellocatie 1 Op locatie 1 voorziet de Omgevingsvisie niet in uitbreiding van ruimtebeslag voor woningen. De huidige groenstructuren en openbare ruimte moet behouden blijven. Toevoegen van woningen is alleen mogelijk door transformatie van bestaande bebouwing, zoals de oude sporthal of verouderde bedrijventerreinen. Verplaatsing van het Baggermuseum kan eventueel ruimte bieden voor woningen. Voor alsnog blijft de uitbreiding van de woningvoorraad hier beperkt tot enkele tientallen woningen. Op de lange termijn kan transformatie van grotere bedrijventerreinen ruimte bieden aan meer woningen, maar behoud van ruimte voor bedrijvigheid is het uitgangspunt.
Blad 7 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Ontwikkellocatie 2 De locatie tussen de A15 en het spoor moet getransformeerd worden tot een hoogwaardig verblijfsgebied met een mix van maatschappelijke functies, bedrijvigheid, wonen en horeca. Aan de oostkant moet een volwaardige verbinding met de polder de (auto)bereikbaarheid van het huidig woongebied verbeteren en tegelijkertijd het station en de polder beter ontsluiten voor (recreatief) verkeer. Voor woningbouw gaat het op deze locatie voornamelijk om transformatie van leegstaande kantoorpanden, nieuwbouw is slechts beperkt mogelijk. De ruimte voor woningbouw ligt hier naar verwachting tussen de 200 en 300 woningen. Ontwikkellocatie 3 Locatie 3 is het gebied waar de nieuwe verbinding richting de polder uitkomt. De verbinding moet doorlopen tot het centrumgebied. Daar omheen vindt uitbreiding van woningen en groenstructuren plaats. Herinrichting van dit gebied moet ruimte bieden aan ongeveer 500 tot 600 woningen. De groenstructuur moet doorlopen richting het zuiden van het woongebied. Ontwikkellocatie 4 Op locatie 4 zet de Omgevingsvisie in op een woonwijk van ongeveer 1.300 woningen. In deze wijk is ruimte voor duurdere grondgebonden woningen, appartementen en goedkope en middeldure woningen. Ontwikkeling van het gebied vindt in eerste instantie plaats ten oosten van de N482 en ten zuiden van de Kweldamweg.
Verdere uitbreiding wordt gezocht aan de westkant van de N482, direct ten noorden van het spoor. Kleinschalige woningbouw in de vorm van hofjes (landelijk wonen) is mogelijk ten noorden van de Kweldamweg. De ontwikkeling in de polder moet ook ruimte bieden aan (verdere uitbreiding van) recreatieve voorzieningen en sport. Ontwikkellocatie 5 Op ontwikkellocatie 5 worden terreinen herontwikkeld tot woongebied met in totaal ongeveer 300 woningen. Het gaat om de ontwikkeling van braakliggende terreinen en mogelijk transformatie van verouderde bedrijventerreinen langs het dijklint (lange termijn). Langs het water moet ruimte zijn voor horeca en (watergebonden) recreatie. Vanaf de dijk moeten doorkijken richting de rivier gerealiseerd of verbeterd worden.
3.2
Overige keuzes De Omgevingsvisie beschrijft meerdere keuzes, die niet alleen betrekking hebben op de opgaven en de ontwikkellocaties. Onder andere het verbeteren van landschappelijke kwaliteiten, historische waarden en het stimuleren van gezondheid en veiligheid zijn benoemd als doelen en uitgangspunten van de voorgenomen koers. Het voornemen uit de Omgevingsvisie is hier per deelopgave kort benoemd. Groen en water • Inzet op uitbreiding van groenstructuren op locatie 1 en 3; • Kleinschalige openbaar groen langs de rivier op locatie 5 • Groene verbindingen met de polder op locatie 1 en 3. Inzet op duurzaam vervoer • Mogelijkheden voor ontwikkeling van multimodaal overstappunt bij station Sliedrecht en aansluiting Sliedrecht-Oost; • Stimuleren van OV- en fietsgebruik
Blad 8 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
•
Optimaliseren van het OV en mogelijk uitbreiding van waterbus.
Sport en recreatie • Ontwikkeling van grootschalige sport- en recreatievoorzieningen in de polder (locatie 4); • Kleinschalige sportvoorzieningen in de openbare ruimte aan de zuidkant van de A15; • Onderzoeken van de mogelijkheid voor watergebonden recreatie langs de rivieroever (locatie 5). Verbinding met Alblasserwaard en Merwede • Creëren van een nieuwe verbinding richting de Sportlaan op locatie 1 (fiets) en 3 (fiets en auto); • Creëren van openbare ruimte langs de rivier op locatie 5.
Blad 9 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
4
Sliedrecht en Natura 2000-gebieden Binnen de gemeente Sliedrecht is geen Natura 2000-gebied aanwezig. Rond de gemeente ligt een aantal Natura 2000-gebieden (zie tabel 4.1 en figuur 4.1). Tabel 4.1: Natura 2000-gebieden in de (ruime) omgeving van Sliedrecht. Natura 2000-gebied Bescherming Biesbosch VRL + HRL2 Boezems Kinderdijk VRL Donkse Laagten VRL Uiterwaarden Lek HRL Zouweboezem VRL + HRL Lingebied & Diefdijk-Zuid HRL Loevestein, Pompveld & Kornsch Boezem HRL Hollands Diep VRL + HRL Oudeland van Strijen VRL Oude Maas HRL Langstraat HRL
Stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Niet stikstofgevoelig Niet stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Stikstofgevoelig Niet stikstofgevoelig Niet stikstofgevoelig Niet stikstofgevoelig Stikstofgevoelig
Figuur 4.1 De ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van Sliedrecht.
2
VRL: Vogelrichtlijngebied, HRL: Habitatrichtlijngebied
Blad 10 van 49
Afstand Ca. 0,3 km Ca. 6 km Ca. 4 km Ca. 12 km Ca. 16 km Ca. 12 km Ca. 13 km Ca. 13 km Ca. 14 km Ca. 12 km Ca. 19 km
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Het Natura 2000-gebied Biesbosch is het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en daarmee zeker relevant voor voorliggende passende beoordeling3 omdat op dit gebied effecten niet uit te sluiten zijn. Dit is gebaseerd op: • de afstand van de voorgenomen projecten tot de in de omgeving aanwezige Natura 2000gebieden; • de voorgenomen projecten en het invloedsgebied hiervan. Gezien de ligging zullen andere Natura 2000-gebieden buiten het invloedsgebied van de ontwikkelingen uit de Omgevingsvisie liggen. Alleen stikstofdepositie kan effect hebben op natuurgebieden op grotere afstand. Voor de Natura 2000-gebieden op grotere afstand van Sliedrecht is alleen van belang of de gebieden stikstofgevoelig en stikstofoverbelast zijn. Om te kunnen bepalen welke invloed het beleid uit de Omgevingsvisie heeft voor de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden wordt gestart met een beschrijving van het meest relevante nabijgelegen gebied Biesbosch: de kenmerken, de instandhoudingsdoelen, de knelpunten en autonome ontwikkeling. Het detailniveau van deze beschrijvingen sluit aan bij het detailniveau van de Omgevingsvisie. Gezien het abstracte karakter van de Omgevingsvisie is met name de beschrijving van de knelpunten en de autonome ontwikkeling op hoofdlijnen.
Meer Natura 2000-gebieden specifiek meenemen in deze passende beoordeling wordt niet noodzakelijk en zinvol geacht voor de effectbeoordeling. Namelijk, het effect van ontwikkelingen doet zich in de eerste plaats voor op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, dat door de gevoeligheid het meest kritisch en maatgevend is. Effectafstanden van de meeste storingsfactoren, met uitzondering van stikstofstofdepositie en aanvaringsslachtoffers, zijn enkele honderden meters tot max 1,5 km (Arcadis, 2014). Hierdoor overlapt het gebied waar een effect van bijvoorbeeld geluidverstoring optreedt niet met enig Natura 2000-gebied, anders dan mogelijk Biesbosch. Daarmee liggen de meeste Natura 2000-gebieden buiten het invloedsgebied van de mogelijke effecten van de ontwikkelingen die de Omgevingsvisie mogelijk maakt, buiten stikstofdepositie. Effecten via stikstofdepositie op omliggende gebieden op ruimere afstand zijn sowieso kleiner. Op voorhand wordt verwacht dat de ontwikkelingen (mogelijk) significante effecten hebben via stikstofdepositie op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Maatregelen voor deze gebieden zoals bronmaatregelen of saldering) hebben ook een positief effect op verder weg gelegen gebieden. Als de stikstofproblematiek op deze gebieden opgelost wordt, zijn ook (eventuele) problemen op verder weg gelegen gebieden ook vaak opgelost.
4.1
Natura 2000-gebied Biesbosch
4.1.1
Kenmerken De Biesbosch was eeuwenlang een uitgestrekt zoetwatergetijdengebied, dat in Europa nauwelijks zijn weerga kende. Ontstaan in het begin van de vijftiende eeuw, tijdens de beruchte SintElizabethsvloed, werd het gebied lange tijd gekenmerkt door verraderlijke wilgenvloedbossen 3
Voor wat betreft stikstofdepositie kan het invloedsgebied ver reiken en zijn in principe alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden relevant. Deze gebieden worden in de voorliggende passende beoordeling niet afzonderlijk beschreven.
Blad 11 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
(deels in gebruik als grienden), afgewisseld met kale zand- en slikplaten, rietgorzen en biezenvelden. Door de uitvoering van de Deltawerken heeft de Biesbosch veel van zijn allure moeten prijsgeven. Na de afsluiting van het Volkerak in 1960 en het Haringvliet in 1970 viel het getij terug van gemiddeld 2 meter naar enkele decimeters. Het gebied bestaat uit drie delen: de Sliedrechtse en Dordtsche Biesbosch ten noorden van de Nieuwe Merwede en de Brabantse Biesbosch ten zuiden ervan. Alleen in de Sliedrechtse Biesbosch resteert nog een getijdeverschil van ongeveer 70 centimeter door de open verbinding met de Oude Maas. Het dynamische getijdengebied veranderde na de uitvoering van de Deltawerken in een verruigd moerasgebied waarin de hoogteverschillen tussen platen en geulen geleidelijk verminderden, wat ten koste ging van afkalving van de eilanden. De biezenvelden, rietgorzen en wilgenvloedbossen zijn grotendeels verdwenen; inpolderingen en de aanleg van reusachtige drinkwaterbekkens hebben verder hun tol geëist. Maar toch, ondanks dit alles bezit de Biesbosch ook in zijn huidige vorm grote botanische en faunistische kwaliteiten, terwijl het landschap van eilanden en slingerende waterwegen in wezen nog steeds bestaat. De Biesbosch is een belangrijk leefgebied voor de blauwborst; een broedvogel van verruigd rietland.
Daarnaast een belangrijk broedgebied voor andere moerasvogels (bruine kiekendief, porseleinhoen, snor en rietzanger) en broedvogels van waterrijke gebieden met opgaand bos (aalscholver en ijsvogel). Belangrijk rust- en foerageergebied voor fuut, lepelaar, kleine zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, smient, krakeend, wintertaling, kuifeend, grote zaagbek en grutto. Daarnaast van enig belang voor aalscholver, pijlstaart, slobeend, tafeleend, nonnetje, visarend en meerkoet. Voor de meeste van deze soorten is zowel de Brabantse als de Dordtse Biesbosch als slaap- en foerageergebied van betekenis. In de Dordtse Biesbosch heerst daarnaast voldoende rust voor een belangrijke functie als ruigebied (wintertaling) en als pleisterplaats voor verstoringsgevoelige soorten als lepelaar en nonnetje. De Sliedrechtse Biesbosch is vooral van belang voor ganzen.
4.1.2
Instandhoudingsdoelstellingen Het Natura 2000-gebied Biesbosch betreft een Vogel- en Habitatrichtlijngebied. Het gebied is in 2013 definitief aangewezen als Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelen zijn in Tabel 4.2 opgenomen. Op 23 februari 2018 heeft minister Schouten van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een ontwerp-wijzigingsbesluit voor diverse Habitatrichtlijngebieden getekend. Daarin zijn voor een groot aantal Natura 2000-gebieden (habitatrichtlijngebieden) instandhoudingsdoelen voor een aantal habitattypen en/of habitatsoorten toegevoegd, ook voor het Natura 2000-gebied Biesbosch (instandhoudingsdoel voor de platte schijfhoren). Het ministerie van LNV heeft aangegeven dit besluit niet te gaan vaststellen (kamerbrief Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, dd. 13-11-2019, kenmerk: DGNVLG / 19260351). Dit ontwerp-wijzigingsbesluit heeft echter tot doel heeft het Natura 2000-gebied tijdig de bescherming te bieden die nodig is op grond van de Habitatrichtlijn. Daarom zijn ook de ontwerpdoelstellingen meegenomen in de voorliggende rapportage. Deze doelen zijn ook in tabel 4.1 aangegeven.
Blad 12 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Tabel 4.2: Instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Biesbosch. Doelst. Opp.vl.
Doelst. Kwal.
Habitattypen H3260B Beken en rivieren met waterplanten (grote fonteinkruiden)
=
=
H3270
Slikkige rivieroevers
>
>
Stroomdalgraslanden
>
=
Ruigten en zomen (moerasspirea)
=
=
H6430B
Ruigten en zomen (moerasspirea)
>
=
H6510A
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
=
>
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
=
>
Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)
= (<)
>
Vochtige alluviale bossen (essen-ipenbossen) Habitatsoorten H1095 Zeeprik
>
>
=
=
>
H1099
Rivierprik
=
=
>
H1103
Fint
=
=
>
H1106
Zalm
=
=
>
H1134
Bittervoorn
=
=
=
H1145
Grote modderkruiper
=
=
=
H1149
Kleine modderkruiper
=
=
=
H1163
Rivierdonderpad
=
=
=
H1318
Meervleermuis
=
=
=
H1337
Bever
=
=
=
H1340
Noordse woelmuis
>
>
>
H1387
Tonghaarmuts
>
>
>
H4056
Platte schijfhoren
=
=
=
H1102
Elft
=
=
>
H6120 H6430A
H6510B H91E0A H91E0B
Doelstelling populatie
Broedvogels A017 Aalscholver
=
=
aantal broedparen 310
A021
Roerdomp
>
>
10
A081
Bruine kiekendief
=
=
30
A119
Porseleinhoen
>
>
9
A229
IJsvogel
=
=
20
A272
Blauwborst
=
=
1300
A292
Snor
=
=
130
Rietzanger
=
=
260
A295
A005
Fuut
=
=
Aantal overwinterende of doortrekkende individuen 450 f
A017
Aalscholver
=
=
330 s/r/f
A027
Grote zilverreiger
=
=
20 f 60 s/r
A034
Lepelaar
=
=
10f
Niet-Broedvogels
Blad 13 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Doelst. Kwal. =
Doelstelling populatie 10 s/r/f
A037
Kleine zwaan
A041
Kolgans
=
=
1800 f
A043
Grauwe gans
=
=
2300 s/r/f
A045
Brandgans
=
=
870 f
A050
Smient
=
=
330 s/r/f
A051
Krakeend
=
=
1300 f
A052
Wintertaling
=
=
1100 f
A053
Wilde eend
=
=
4000 f
A054
Pijlstaart
=
=
70 f
S056
Slobeend
=
=
290 f
A059
Tafeleend
=
=
130 f
A061
Kuifeend
=
=
3800 f
A068
Nonnetje
=
=
20 f
A070
Grote zaagbek
=
=
30 f
A075
Zeearend
=
=
2f
A094
Visarend
=
=
6f
A125
Meerkoet
=
=
3100 f
A156
Grutto
=
=
60 s/r/f
Legenda = > = (<) f s/r
4.1.3
Doelst. Opp.vl. =
Behoud Uitbreiding omvang of verbetering kwaliteit = (<) behoud oppervlakte, maar mag achteruit gaan ten gunste van een andere in besluit met name genoemde waarde Foerageergebied Slaap- en rustplaats en foerageergebied
Knelpunten De belangrijkste knelpunten om de doelstellingen voor behoud en verbetering in de Biesbosch te realiseren zijn: • het gebrek aan dynamiek: als gevolg van het wegvallen van de getijdewerking (wisseling van peil, periodieke overstroming) treden er lagere stroomsnelheden op (afzetting van slib tot gevolg), successie en verlanding op. Dat proces is begonnen met de afsluiting van het Haringvliet in de zeventiger jaren, maar is nog steeds gaande. • de hoge stikstofneerslag: een groot deel van de Biesbosch is stikstofgevoelig. De huidige depositie ligt voor de glanshaverhooilanden en voor de vossenstaarthooilanden rond de kritische depositiewaarden (KDW), maar lag er in het verleden boven (zie figuur 4.2). Voor stroomdalgraslanden is de huidige situatie enigszins gunstiger en ligt de depositie inmiddels net onder de KDW. Teveel stikstofdepositie uit zich in een toename van grassen in de vegetatie ten koste van andere soorten. De situatie uit het verleden ijlt zeker nog enige tijd na. De kwaliteit en omvang van de habitattypen staat daardoor onder druk. • beheer: doordat de agrarische bedrijfsvoering grootschaliger is geworden, is de interesse van agrariërs voor het beheer van de hooilanden en weidegronden in de Biesbosch afgenomen. Voor de vossenstaarthooilanden laat het hydrologisch beheer, zowel intern
Blad 14 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
•
•
•
•
als extern, te wensen over. De glanshaverhooilanden hebben te leiden van drainage door sloten in het Kraaijenest. Grote delen van voormalige landbouwgronden zijn benoemd tot procesnatuur. Dat betekent dat de graslanden minder geschikt zijn als foerageergebied voor kolganzen waardoor deze buiten het Natura 2000-gebied gaan foerageren. Migratiebarrières: de afsluiting van het Haringvliet en andere zeearmen heeft geleid tot een achteruitgang van de trekvissen in de Biesbosch die migreren tussen de Noordzee en de binnenlandse paaigronden. Exoten: Het voorkomen van sommige vissen wordt bedreigd door diverse exotische vissoorten en de monocultuur van invasieve plantenexoten als de reuzenbalsemien, Japanse duizendknoop en reuzenberenklauw verdringt die soorten behorende tot de habitattypen. Verstoring: rust is voor een groot aantal diersoorten een belangrijke factor voor het behoud van een gezonde populatie. Door intensieve recreatie is er sprake van optische verstoring en van verstoring als gevolg van geluid en (in mindere mate) licht. Er vindt momenteel een zonering plaats op basis van bereikbaarheid van het gebied. Een beperkt aantal delen is afgesloten voor publiek. Verstoring van vogels vindt plaats terwijl de doelstelling wel gehaald wordt. Hiermee lijkt de huidige verstoringsdruk door recreatie acceptabel.
Soorten waarvan de instandhoudingsdoelstellingen niet worden gehaald worden gestuurd door andere drukfactoren. Wel blijft rust een punt van zorg als de recreatieve druk in de Biesbosch de komende jaren nog verder toeneemt. Overige: Voor de hardhoutooibossen en voor de aalscholver zijn er knelpunten die niet in een van bovenstaande categorieën vallen. Hardhoutooibossen zijn in de Biesbosch nu beperkt tot enkele binnendijks gelegen aangeplante bossen. Buitendijks zijn er onvoldoende hooggelegen plekken waardoor de vorming van het habitattype maar moeizaam van de grond komt. De omvang van de aalscholverkolonie vertoont een negatieve trend. Het is onduidelijk waardoor dit wordt veroorzaakt.
Figuur 4.2 Stikstofdepositie en overschrijding van de KDW voor de Biesbosch in 2017 (bron: Atlas Regio)
Blad 15 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Tabel 4.3: Samenvatting instandhoudingsdoelen Natura 2000-gebied Biesbosch met aanduiding van de doelen waarvoor er sprake is van een actueel knelpunt en de oorzaak ervan (geel gemarkeerd). De instandhoudingsdoelen die niet onder druk staan zijn groen gemarkeerd (RVO, 2017). Knelpunt
Oorzaak
Onbekend
Gebrekkige gegevens
Beperkte ruime voor ontwikkeling + successie Vergrassing en vervilting, verbossing, te weinig aanvoer zand Beperkte vestiging minder algemene soorten, groeit dicht met algemene ruigtekruiden Vergrassing en vervilting
Gebrek aan dynamiek
Habitattypen Beken en rivieren met waterplanten H3260B (grote fonteinkruiden) H3270
Slikkige rivieroevers
H6120
Stroomdalgraslanden
H6430A
Ruigten en zomen (moerasspirea)
H6430B
Ruigten en zomen (moerasspirea)
H6510A
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
H6510B
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (grote vossenstaart)
H91E0A
Vochtige alluviale bossen (zachthoutooibossen)
H91E0B
Vochtige alluviale bossen (essenipenbossen)
Vergrassing en vervilting + successie naar nattere vegetaties Geen
Stikstofdepositie/ gebrek aan dynamiek, te extensief beheer Gebrek aan dynamiek
Stikstofdepositie, te extensief beheer/ onvoldoende inundatie (gebrek aan dynamiek) Stikstofdepositie, te extensief beheer/ Hydrologisch beheerregime onvoldoende Geen
Moeizame vestiging oudbosplanten.
Gebrek aan hooggelegen plaatsen + successie naar bostype kost tijd
Beperkte verbinding met zee
Migratiebarrière
Habitatsoorten H1095
Zeeprik
H1099
Rivierprik
H1103
Fint
H1106
Zalm
H1102
Elft
H1134
Bittervoorn
Geen
Geen
Concurreert slecht met exoten
Exoten
Geen
Geen
H1145
Grote modderkruiper
H1149
Kleine modderkruiper
H1163
Rivierdonderpad
H1318
Meervleermuis
H1337
Bever
Geen
Geen
H1340
Noordse woelmuis
Onbekend
Gebrekkige gegevens
H1387
Tonghaarmuts
Onbekend
Gebrekkige gegevens
Platte schijfhoren
Geen4
Geen
H4056 Broedvogels A017
Aalscholver
Dalende aantallen
Onduidelijke oorzaak
A021
Roerdomp
Verruiging
Gebrek aan dynamiek
4
Soort is niet beschreven in het N2000-beheerplan. Inschatting knelpunt is op basis van het feit dat de soort een behouddoelstelling heeft in het ontwerp-wijzigingsbesluit aanwezige waarden van februari 2018.
Blad 16 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
A081
Bruine kiekendief
A119
Porseleinhoen
A229
IJsvogel
A272
Blauwborst
A292
Snor
A295
Rietzanger
Knelpunt Ongeschikte rietgorzen: verruiging Geen
Oorzaak
Geen
Geen
Geen
kleiner worden geschikt leefgebied a.g.v. verruiging en verbossing Successie en verlanding
Gebrek aan dynamiek
Geen
Geen
Geen
Geen
Minder geschikt foerageergebied door verlaten landbouwgrond Geen
Beheer
Geen
Geen
Niet-Broedvogels
4.1.4
A005
Fuut
A017
Aalscholver
A027
Grote zilverreiger
A034
Lepelaar
A037
Kleine zwaan
A041
Kolgans
A043
Grauwe gans
A045
Brandgans
A050
Smient
A051
Krakeend
A052
Wintertaling
A053
Wilde eend
A054
Pijlstaart
S056
Slobeend
A059
Tafeleend
A061
Kuifeend
A068
Nonnetje
A070
Grote zaagbek
A075
Zeearrend
A094
Visarend
A125
Meerkoet
A156
Grutto
Geen
Autonome ontwikkeling Natura 2000 Algemene ontwikkelingen voor Natura 2000 De komende decennia zal onder andere vanwege bevolkingsgroei en klimaatverandering de druk op Natura 2000-gebieden toenemen. Bevolkingsgroei leidt doorgaans tot meer uitstoot en verstoring, klimaatverandering zorgt met name voor temperatuurstijgingen en grotere weersextremen. Dit resulteert in verschuiving van geschikte verspreidingsgebieden en grotere fluctuaties van populaties. Het belang van een goede ruimtelijke samenhang neemt toe waardoor leefgebieden vergroot kunnen worden en soorten mee kunnen schuiven en fluctuaties beter opgevangen kunnen worden.
Blad 17 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Het Nederlandse beleid is erop gericht om de gunstige/veilige staat van de habitattypen en soorten vallend onder de Vogel- en Habitatrichtlijn binnen Nederland te realiseren. Voor de Natura 2000-gebieden zijn beheerplannen opgesteld waarin is aangegeven welke maatregelen getroffen moeten worden om op termijn de Natura 2000-doelen te halen. In de PAS-gebiedsanalyses die voor de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn opgesteld is betoogd dat de doelen op termijn kunnen worden gehaald. In de Natura 2000-beheerplannen zijn maatregelen geformuleerd die moeten bijdragen aan het realiseren van de doelen. Uit monitoring moet blijken of dit ook daadwerkelijk het geval is en of aanvullende maatregelen nodig zijn. De Natura 2000-gebieden zijn voor het grootste deel onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarmee ook de realisatie van het NNN een essentieel instrument is om de vereiste gunstige staat te bereiken voor de in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermde plantensoorten, diersoorten en habitattypen. In het kader van de realisatie van NNN is aandacht voor een robuuste omvang van de gebieden, voor een goede kwaliteit en voor de samenhang tussen de gebieden. Daarnaast dragen ook natuurmaatregelen buiten het NNN bij aan het realiseren van een gunstige staat van instandhouding.
Want uiteindelijk wordt de staat van instandhouding bepaald voor Nederland als geheel, ongeacht voorkomen binnen of buiten Natura 2000 gebieden of NNN. Specifieke autonome ontwikkelingen Natura 2000-gebied Biesbosch; natuurherstel In de afgelopen jaren zijn natuurherstelmaatregelen uitgevoerd om de knelpunten aan te pakken (bijvoorbeeld ook het Kierbesluit om de Haringvlietsluizen bij vloed op een kier te zetten om de barrière voor trekvissen te verminderen). Voor duurzaam behoud zijn ook in de komende jaren nog maatregelen nodig. Binnen de Biesbosch zijn echter wel verschillen in de huidige waarden en het historisch beheer, waardoor de aanpak van knelpunten niet in de hele Biesbosch gelijk is. Er wordt bij de aanpak van de knelpunten onderscheid gemaakt in: • Procesbeheer: wordt toegepast in het grootste deel van het Natura 2000-gebied, met uitzondering van de polders in de Sliedrechtse Biesbosch. Onder procesnatuur vallen de habitattypen beken en rivieren met waterplanten, slikkige rivieroevers, ruigten en zomen (A en B) en vochtige alluviale bossen (zachthout- en hardhoutooibos). Het belangrijkste knelpunt dat aangepakt wordt, is de afname van dynamiek in het systeem. Andere knelpunten zijn concurrentie door exoten, migratiebarrières en in de toekomst een afname van ganzenfoerageergebied.
• Patroonbeheer: wordt toegepast in de polders in de Sliedrechtse Biesbosch en rond de binnendijks gelegen kreken aan de oostzijde. Onder patroonnatuur vallen de habitattypen stroomdalgraslanden (H6120), glanshaver- en vossenstaarthooilanden (H6510-A en H6510_B) en hardhoutooibossen (H91E0_B). Knelpunten die aangepakt worden, zijn de gevolgen van overmatige stikstofdepositie en van de hydrologische veranderingen als gevolg van aantakken rivierarmen, te extensief beheer en het gebrek aan geschikt habitat voor hardhoutooibossen. Maatregelen die in het Natura 2000-beheerplan benoemd zijn, betreffen: • Verwijderen stortsteen langs de oevers (langsdammen) aan de noord- en zuidzijde van de Kop van de Oude Wiel • Aanvoer en verwerken rivierzand Merwede
Blad 18 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
• • • • •
• • • • • • • •
Verwijderen rasters, ruigten en andere opgaande begroeiing (bomen) langs de noord- en zuidoevers van de Kop van de Oude Wiel De Haringvlietsluizen worden permanent enigszins geopend (Kierbesluit) Periodiek en grootschalig terugzetten van successie in natuurontwikkelingsgebieden Het areaal stroomdalgraslanden wordt extra gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd Op het huidige areaal stroomdalgraslanden en op de aanliggende potentieel geschikte gebiedsdelen wordt de beweiding geïntensiveerd (incidenteel ook met schapen in de winter) In het huidige areaal stroomdalgrasland wordt de uitgebreide verjonging van meidoorns en opslag van wilgen bestreden Het areaal van de glanshaverhooilanden (H6510A) wordt intensiever beheerd door extra te maaien en door het maaisel af te voeren Op het areaal glanshaverhooiland (H6510A) wordt de nabeweiding geïntensiveerd Op het areaal vossestaarthooilanden (*H6510_B) wordt de nabeweiding geïntensiveerd Het waterbeheer voor vossestaarthooilanden (*H6510_B) aanpassen Kraaijennest: dempen van de afvoerkreek Kwaliteitsverbetering hardhoutooibos Realisatie NNN
Onderzoeken die in het Natura 2000-beheerplan benoemd zijn om op termijn de juiste maatregelen te kunnen treffen, zijn: • Instellen van onderzoek naar de verandering in de hydrologische standplaatscondities (grondwaterpeilen) in delen van de Sliedrechtse Biesbosch • Onderzoek naar het optimale hydrologische beheerregime H6510_A en H6510_B • Onderzoek naar de kolonie en de metapopulatie aalscholvers • Invullen van inventarisatielacunes omdat van een aantal habitatrichtlijnsoorten de huidige verspreiding en de aantalsontwikkeling onvoldoende bekend zijn. • Maatregelen voor verbetering leefgebied instandhoudingsdoelen KRW-Maatregel Boven- en beneden Merwede In de Boven en Beneden Merwede, in het deltagebied van Dordrecht tot aan Gorinchem wil Rijkswaterstaat in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) ruim 60 hectare aan getijdennatuur inrichten. De exacte inrichting en locaties zijn nog niet bekend. Momenteel is de planstudie opgestart. Deze maatregel kan bijdragen aan de versterking van het Biesbosch systeem. Programma Aanpak Grote Wateren Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) werken in de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) samen aan een robuust en duurzaam riviersysteem. Dit gebeurt in opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).
De omgeving van de Biesbosch vormt een van de hotspots bij PAGW voor de grote rivieren (figuur 4.3). Deze maatregel zullen bijdragen aan de versterking van het Biesbosch systeem. Tussen 2018 en 2020 wordt op basis van de Natuurverkenning Grote Rivieren de opgave bepaald. Dit gebeurt in samenhang met de Kaderrichtlijn Water (KRW) en Natura 2000. De projecten kunnen naar verwachting vanaf eind jaren twintig worden gerealiseerd.
Blad 19 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Figuur 4.3. Ontwikkelkaart PAGW Rivieren met hotspots en corridors. (Projecten Grote Rivieren - Helpdesk water)
Blad 20 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
5
Ingreep-effectanalyse: Voortoets
5.1
Bepalen van de potentiële effecten die kunnen optreden Als gevolg van de ontwikkelingen uit de omgevingsvisie kunnen zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase effecten optreden op beschermde gebieden. De effectenindicator en daarbij horende achtergronddocumentatie (onder meer Broekmeyer et al (2005)) zijn geraadpleegd om na te gaan welke mogelijke effecten als gevolg van de ontwikkelingen kunnen optreden. De effectenindicator is een instrument waarmee mogelijke schadelijke effecten ten gevolge van de activiteit en plannen worden verkend. Het dient als leidraad; geanalyseerd is of alle aangegeven effecten daadwerkelijk optreden en of aanvullende effecten relevant zijn. In tabel 5.1 zijn alle storingsfactoren uit de effectenindicator weergegeven. Voor een omschrijving van de storingsfactoren wordt verwezen naar Bijlage 1. Tabel 5.1: Overzicht storingsfactoren die bij activiteiten kunnen ontstaan.
Storingsfactoren Oppervlakteverlies en versnippering (1 en 2) Verandering dynamiek substraat (12) Stikstofdepositie (verzuring en vermesting) (3 en 4) Verstoring door geluid (13) Verzoeting (5) Verstoring door licht (14) Verzilting (6) Verstoring door trilling (15) Verontreiniging (7) Verstoring door optische effecten (16) Verdroging (8) Verstoring door mechanische effecten (17) Vernatting (9) Verandering in populatiedynamiek (18) Verandering stroomsnelheid (10) Bewuste verandering soortensamenstelling (19) Verandering overstromingsfrequentie (11)
Op basis van de effectenindicator van het ministerie van LNV en expert judgement in combinatie met de gevoeligheid/knelpunten van de Natura 2000-gebieden en het invloedsgebied van de storingsfactoren zijn de volgende storingsfactoren relevant bevonden: • Verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van vervuilende gassen door bijvoorbeeld bedrijven en (vracht)voertuigen, maar ook door de stookinstallaties van woningen ten behoeve van verwarming. Deze ontwikkeling vindt in alle (woningbouw)projecten plaats. De uitstoot bevat onder andere zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (VOS). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. Van dit laatste is bij voorgenomen ontwikkelingen geen sprake. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof).
Om deze reden zijn beide effecten hier samengenomen. De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstofdepositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen
Blad 21 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
tussen de plantensoorten. Wanneer door stikstofdepositie de hoeveelheid beschikbaar stikstof boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van meerdere andere. Diersoorten hoger in de voedselketen krijgen te maken met een mineralen-onbalans als gevolg van de samenstelling van plantaardig voedsel. Hierdoor neemt de biodiversiteit af. Dit heeft ook effect op de fauna, doordat hierdoor veranderingen van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als broed- of foerageergebied. Stikstofdepositie kan bij alle ontwikkelingen spelen. Stikstofdepositie is relevant voor alle aspecten uit de omgevingsvisie, maar met name voor verkeersaantrekkende werking bij woningbouw en nieuwe wegen. In beperkte mate ook bij aanlegfase van bijvoorbeeld nieuwe groen- en waterstructuren, van nieuwe verbindingen met de Alblasserwaard en de Merwede en aanleg van openbare sport- en recreatievoorzieningen. Sinds de inwerking treding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1-7-2021 zijn bouwwerkzaamheden voor wat betreft stikstofdepositie vrijgesteld van Wnb-vergunningplicht. Daarom worden aanlegwerkzaamheden niet getoetst.
Omdat de Biesbosch nog een stikstofknelpunt ondervindt, het invloedsgebied van stikstofdepositie groot kan zijn en er diverse stikstofgevoelige gebieden op grotere afstand liggen, zijn significante gevolgen door stikstofdepositie niet bij voorbaat uit te sluiten.
5.2
Afbakening niet-relevante storingsfactoren De ontwikkelingen liggen allemaal buiten Natura 2000-gebied waardoor van oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging geen sprake is. Verder leiden de ontwikkelingen niet tot een verandering in chloridegehaltes in water waardoor effecten van verzoeting of verzilting in de aanleg- of gebruiksfase zijn uitgesloten. De ontwikkelingen leiden evenmin tot lagere of hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel, veroorzaakt door menselijk handelen. Verdroging en vernatting is hierdoor uit te sluiten. De ontwikkelingen leiden niet tot verandering van de stroomsnelheid, overstromingsfrequentie of verandering in bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen, omdat de projecten niet leiden tot aanslibbing of verstuiving. Significante gevolgen door verstoring door geluid en optische verstoring zijn ook bij voorbaat uit te sluiten. Door de ontwikkeling van woningen kan er sprake zijn van verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen zoals geluid door wegverkeer, door bedrijvigheid of door mensen. Gezien de afstand tussen de ontwikkelingslocaties en de Natura 2000-gebieden is verstoring door geluid en aanwezigheid van mensen in de realisatiefase niet aan de orde.
Van verstoring door geluid tijdens de gebruiksfase van woningen kan, samen met optische verstoring (verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem) is ook geen sprake gezien deze gerealiseerd worden binnen een omgeving van bestaande woningen en bedrijvigheid. Significante gevolgen door mechanische effecten zijn ook bij voorbaat uit te sluiten. Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding (door
Blad 22 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
recreanten) of golfslag en dergelijke, die optreden ten gevolge van menselijke activiteit. Om dit soort effecten te krijgen, moeten activiteiten in de Natura 2000-gebieden plaatsvinden. Deze effecten zijn aan de orde als het plan leidt tot een wezenlijke toename van de recreatiedruk (op het land en/of het water). De realisatie van woningen leidt tot groei van het aantal inwoners en daardoor van het aantal recreanten. Toename van de recreatiedruk in de Biesbosch – met name op basis van cumulatieve ontwikkelingen – is gezien de zeer geringe afstand, en de goede bereikbaarheid per boot - te verwachten. Gezien het plan voorziet in de realisatie van groen-, sport en recreatievoorzieningen in de woonomgeving, leidt het plan niet tot een significante toename van de recreatiedruk in Natura 2000-gebieden. Er wordt voorzien in alternatieve recreatiemogelijkheden in de polder. Daarnaast is de recreatiedruk in de Biesbosh al groot en zijn er daarom maatregelen getroffen om de gewenste rust te realiseren. Er vindt momenteel een zonering plaats op basis van bereikbaarheid van het gebied. Een beperkt aantal delen is afgesloten voor publiek. Deze maatregelen zijn afgestemd op een recreatiedruk van ca 1,5 miljoen bezoekers die de Biesboschregio naar schatting per jaar ontvangt.
De toename in recreatiedruk is door circa 5250 nieuwe bewoners (2500 woningen met gemiddeld 2,1 mensen per woning (https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/bevolking/cijferscontext/huishoudens#:~:text=In%202020%20gemiddelde%20huishoudensgrootte%202,hun%20d agelijkse%20behoeften%20kunnen%20voorzien), is beperkt ten opzichte van het totaal aantal bezoekers. Niet alle nieuwe bewoners zullen de beschikking hebben over een bootje om daarmee de Biesbosch te bezoeken. De woningbouw leidt daarmee niet tot de noodzaak om de bestaande recreatiezonering te intensiveren. Daarmee zijn significante gevolgen als gevolg van toename recreatiedruk bij voorbaat uit te sluiten. Er is sprake van verstoring door trillingen in bodem en water als dit door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren of heien. Dit betreft met name bouwwerkzaamheden in de aanlegfase. Gezien de afstand van de ontwikkelingen tot de Natura 2000-gebieden en het feit dat de gemeente gescheiden is van de Biesbosch door de (druk bevaren) Beneden Merwede is hier geen sprake van. Tevens is er gezien de afstand tot Natura 2000-gebieden geen sprake van verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en bedrijventerreinen. Van verandering van soortensamenstelling is geen sprake omdat de projecten niet voorzien in herintroductie van soorten of introductie van exoten.
5.3
Conclusie ingreep-effectanalyse – voortoets Natura 2000 In tabel 5.2 is de afbakening van relevante storingsfactoren voor het Natura 2000-gebied Biesbosch en de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in de omgeving weergegeven. Geconcludeerd kan worden dat de effecten via stikstofdepositie nader onderzocht dienen te worden.
Blad 23 van 49
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
Blad 24 van 49
Verdroging, vernatting , verontreiniging, verzoeting, verzilting
Verandering stroomsnelheid en/of overstromingsfrequentie en/of dynamiek substraat
Verstoring door mechanische effecten
Verandering in populatiedynamiek en/of Bewuste verandering soortensamenstelling
Biesbosch en overige stikstofgevoelige gebieden Uitbreiding en vernieuwing van de woningvoorraad (alle X √ scenario’s) Uitbreiding van groen- en X √ waterstructuren Verbindingen met de X √ Alblasserwaard en de Merwede Openbare sporten X √ recreatievoorzieningen
Verstoring door geluid , licht, trillingen en optische verstoring
Verzuring en vermesting door N-, depositie uit de lucht,
Ruimtebeslag en versnippering
Tabel 5.2 Afbakening relevante storingsfactoren bij de verschillende ontwikkelingen voor Natura 2000gebieden, waarbij √ = nader te onderzoeken en X- significante gevolgen bij voorbaat uit te sluiten
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
X
Passende beoordeling Omgevingsvisie Sliedrecht projectnummer 046922.100 9 augustus 2021 revisie 0.0 Gemeente Sliedrecht
6
Impact van stikstofdepositie op Natura 2000 Op basis van de analyses in het vorige hoofdstuk is geconcludeerd dat effecten vanuit de nieuwe ontwikkelingen in Sliedrecht een type effect betreft: • Impact van stikstofdepositie Dit effect kan vanwege de aard en afstand voor een groot aantal stikstofgevoelige Natura 2000gebieden relevant zijn: Biesbosch, maar ook gebieden op grotere afstand (zie tabel 4.1). Het voorkeursalternatief van de Omgevingsvisie heeft op diverse manieren een effect op de stikstofdepositie. Enerzijds zullen de ruimtelijke ingrepen mogelijk een beperkte toename van stikstofemissies teweeg kunnen brengen, maar per saldo treedt verbetering op. In deze paragraaf is dit onderbouwd door in te gaan of effecten op Natura 2000 door: • Verkeersaantrekkende werking door extra woningen bij woningbouw • de energietransitie bij woningbouw • het stimuleren van duurzame vervoersmiddelen
6.1
Verkeersaantrekkende werking bij woningbouw De woningen worden gasloos gerealiseerd (zie paragraaf 6.2), daardoor leiden extra/nieuwe woningen alleen via de verkeersaantrekkende werking tot een toename aan stikstofdepositie. Dat effect is te beperken door het stimuleren van duurzame vervoersmiddelen (zie paragraaf 6.3). In bijlage 2 is een Aerius-berekening van het effect van 2.500 nieuwbouwwoningen opgenomen. Het planvoornemen is de berekening van de verkeerseffecten van de woningbouwontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkelingen uit de Omgevingsvisie leiden tot stikstofemissies als gevolg van de netwerkeffecten door de aanleg van een nieuwe autoweg en toename van verkeer door woningbouwontwikkeling. Toename van stikstofdepositie op (bijna) overbelaste hexagonen kan leiden tot aantasting van natuurkwaliteiten. Tabel 6.1 toont de toename van depositie per habitattype (hexagoon met hoogste bijdrage).