CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

BY 2 - Transitievisie_Warmte_Sliedrecht - Bijlagen.pdf

Beeldvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 26 mei 2021, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 2.b: Presentatie en documenten Regionale Energiestrategie (RES 1.0) en Transitievisie Warmte TVW 202117.749 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Transitievisie Warmte Bijlagen

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 1 van 54

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 2 van 54

Inhoudsopgave Inhoudsopgave................................................................................................................................................................................................ 2 1

2

3

4

Bijlage A: uitkomsten participatierondes................................................................................................................................................... 3 1.1

Resultaten online enquete.................................................................................................................................................................. 3

1.2

Resultaten participatieplatform.......................................................................................................................................................... 6

1.3

Resultaten bewonersavond 1 maart 2021.......................................................................................................................................... 7

1.4

Resultaten enquête over isoleren....................................................................................................................................................... 9

1.5

Reacties participatieplatform over isoleren...................................................................................................................................... 10

Bijlage B: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen..................................................................................................................... 12 2.1

Methodologie onderzoeksbeeld........................................................................................................................................................ 12

2.2

Methodologische verdieping Warmtetransitiemodel......................................................................................................................... 14

2.3

Resultaat onderzoeksbeeld............................................................................................................................................................... 16

2.4

Kengetallenoverzicht........................................................................................................................................................................ 18

Bijlage C: Warmteopties, bronnen en duurzaamheid............................................................................................................................... 22 3.1

Beperken van de warmtevraag......................................................................................................................................................... 22

3.2

Warmteopties................................................................................................................................................................................... 24

3.3

Energiedragers en -bronnen............................................................................................................................................................. 27

3.4

Duurzaamheid van de warmteopties................................................................................................................................................ 37

3.5

Conclusie warmteopties, bronnen en duurzaamheid........................................................................................................................ 41

Bijlage D: Onderbouwing transitiepad per buurt...................................................................................................................................... 42

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 3 van 54

1

Bijlage A: uitkomsten participatierondes

1.1

Resultaten online enquete

Via social media, het platform denkmee.drechtstedenenergie.nl en gemeentelijke nieuwsbrieven is een online enquête verspreid waarbij inwoners van de Drechtsteden gevraagd zijn om een aantal meerkeuzevragen over de warmtetransitie te beantwoorden. De resultaten van de enquête geven een beeld van wat bewoners belangrijk vinden in de warmtetransitie en de keuzes die in de transitievisie warmte gemaakt moeten worden. De enquête is meer dan 4.500 keer ingevuld en geeft daarmee inzicht in de voorkeuren van bewoners ten aanzien van de overstap naar aardgasvrij wonen. Uit de enquête blijkt dat het thema aardgasvrij bij vrijwel alle respondenten bekend is. Een behoorlijke groep van 40 procent geeft aan er al vrij veel over te weten, ruim 50 procent geeft aan erover gehoord te hebben. Veel inwoners zijn al bewust bezig met duurzamer wonen en zijn al aan de slag om hun aardgasverbruik te verminderen, maar er wordt ook ruimte voor verbetering gezien. Respondenten geven verder aan vooral de betaalbaarheid en wooncomfort (een comfortabele temperatuur) belangrijk te vinden als het gaat om de overstap naar aardgasvrij. Zo’n 30 procent geeft aan niet van het aardgas af willen. Uit de enquête komt een algemeen beeld naar voren dat het onderwerp leeft, men er al mee bezig is, maar ook dat mensen een aantal concrete zorgen hebben. Hieronder zijn de uitkomsten van de enquete weergegeven.

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 4 van 54

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 5 van 54

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 6 van 54

1.2

Resultaten participatieplatform

Via het participatieplatform (denkmee.drechtstedenenergie.nl) konden bewoners en ondernemers hun mening geven en ideeën delen over de warmtetransitie. Er zijn twee vragen gesteld: (1) hoe kiezen we de meest geschikte wijken om de overstap naar aardgasvrij te beginnen en (2) Bedrijven/ondernemers: hoe wordt de overstap naar aardgasvrij voor jullie interessant? Hieronder is een voorbeeld te zien van antwoorden op vraag 1. In de discussies kwamen een aantal onderwerpen vaker terug, namelijk de voorkeur voor een focus op isolatie, zorgen over betaalbaarheid en uitvoerbaarheid en een wens voor het behoud van bestaande infrastructuur, in combinatie met oplossingen die de komende jaren nog niet beschikbaar zullen zijn, zoals waterstof en kernenergie. De inbreng op het platform is gebruikt bij het opstellen van de uitgangspunten en afwegingscriteria in deze transitievisie warmte.

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 7 van 54

2

Nee, maar dat ben ik wel van plan

Mooi

3 4

Nee, maar dat ben ik wel van plan

5

Ja

Ziet er goed doordacht uit. Gerustgesteld door de mix van watmtebronnen. Niets doen is geen optie. Mooi dat de gemeente alvast nadenkt (en wij mee mogen denken). Proeftuin kost de gemeente geen (eigen) geld

6

Nee, maar dat ben ik wel van plan

Die geeft mij meer inzichtt welke wijken wanneer iets mogen verwachten, en e e n indicatie van de alternatieven

7

Ja

goed om te weten. Hoe weet ik wat ik nu het beste kan doen met mijn woning om mij voor te bereiden op de wijktransitie? Wordt dat ook per wijk / oplossingsrichtingen met bewoners opgepakt?

1.3

Resultaten bewonersavond 1 maart 2021

8

Deelnemer

Bent u al aardgasvrij of bent u bezig met gas besparen?

Nee, maar dat ben ik wel van plan

9

Nee, en ook niet van plan

1

Nee, maar dat ben ik wel van plan

Transitievisie Warmte Bijlagen

Wat is uw reactie na het zien van de kaart van de Transitievisie Warmte?

Hoop dat achteraf niet blijkt dat de proeftuin niet goed werkt/ veel geld heeft gekost. Want dan kunnen we niet terug

Pagina 8 van 54

10

Ja

11

Ja

Voor ons als bewoners van Baanhoek-West prima!

12

Nee, en ook niet van plan

Geen verrassingen als bewoner van BaanhoekWest

13

Nee, maar dat ben ik wel van plan

14

Ja

15

Nee, en ook niet van plan

16

Nee, en ook niet van plan

Goed om nu al te plannen richting de toekomst. Maakt wel dat ik mij afwachtend opstel tav alternatieven.

17

Ja

Fijn om op te hoogte te zijn van de ideeën. Woon op de Kerkbuurt, geen schokkende zaken.

18

Nee, maar dat ben ik wel van plan

nog afwachten weeren

19

Nee, en ook niet van plan

20

Ja

21

Nee, maar dat ben ik wel van plan

22

Nee, maar dat ben ik wel van plan

23

Nee, en ook niet van plan

Transitievisie Warmte Bijlagen

Goed over nagedacht. Maar is het goed genoeg?

wie gaat er voor deze kosten opdraaien. Beter, lage energie labels verhogen naar een iets hogere energie label. Beter isoleren bespaard direct aardgas. 24

Nee, maar dat ben ik wel van plan

Dat het een complex proces is. In de wijken zijn v erschillende types woningen. Complex proces.

25

Nee, en ook niet van plan

Goed ingedeeld. Goed om ook tijdspad te vermelden. Soms mag tijdspad iets worden opgerekt. Misschien om een kaart te maken met fase van isoleren

Ben benieuwd over 10 jaar hoe ver we xijn met waterstof

Enorme installatie wat veel storingen kan veroorzaken, Pagina 9 van 54

1.4

Resultaten enquête over isoleren

In maart 2021 heeft er naast de bewonersavond, ook een tweede enquête plaatsgevonden. Deze is uitgezet onder bewoners van de Drechtsteden, met deze enquête werden bewoners bevraagd over isoleren. Hier is 263 keer op gereageerd.

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 10 van 54

1.5

Reacties participatieplatform over isoleren

Parallel aan de enquête over isoleren is ook het platform opengesteld voor discussies en ideeën rondom isoleren. Hier konden bewoners hun ideeën over het onderwerp kwijt en reageren op verschillende suggesties die gedaan werden, bijvoorbeeld ten aanzien van collectieve inkoopacties en buurtisolatieplannen.

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 11 van 54

2

Bijlage B: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen

Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag. Deze modelanalyses zijn in dit hoofdstuk besproken. Eerst is de methodologie achter het onderzoeksbeeld beschreven. Vervolgens is de methodologie van het Warmtetransitiemodel in detail uitgewerkt. Tot slot zijn alle gehanteerde kengetallen en uitgangspunten aan dit hoofdstuk toegevoegd.

2.1

Methodologie onderzoeksbeeld

Het onderzoeksbeeld is tot stand gekomen op basis van een vergelijking van drie modelstudies: 1. Warmtetransitiemodel (WTM) van Over Morgen 2. Openingsbod 1.0 van Stedin 3. Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Deze modelstudies zijn zowel vergeleken op methodologie als op resultaten per CBS-buurt. Eerst is geverifieerd of de modelstudies inderdaad vergelijkbaar zijn, en waar de verschillen zitten in rekenwijze of uitgangspunten, en daarna is per buurt gekeken in hoeverre de modelstudies dezelfde resultaten per CBS-buurt produceren en wat de reden is van eventuele verschillende uitkomsten per buurt. Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de drie gehanteerde modelstudies.

vergelijkbaar omdat ze een uitspraak doen over hetzelfde, namelijk welke warmteoptie de laagste kosten heeft. De modellen hanteren alle drie een verschillende typologie van warmteopties. Om de resultaten vergelijkbaar te maken zijn deze typologieën in het onderzoeksbeeld samengevoegd tot één typologie:  Gasnet  All-electric  Warmtenet Het WTM verschilt van zowel Openingsbod 1.0 als Startanalyse 2020 als het gaat om de aannames over warmtebronnen en duurzaam gas. De laatste twee gaan uit van aannames en open data over warmte en gas om deze vervolgens te “verdelen” over buurten op basis van de laagste kosten. Het WTM veronderstelt dat warmte onbeperkt is. Separaat (dus buiten het model) is getoetst of er ook daadwerkelijk voldoende warmte is. Deze exercitie is voor de Drechtsteden gedaan in samenwerking met HVC vanwege hun vergaande kennis van warmtebronnen in de regio. Voor duurzaam gas neemt het WTM aan dat deze beperkt is, maar kent daar geen waarde aan toe. In plaats daarvan wordt het gasnet toegekend aan buurten die op basis van praktijkervaring het meest kostbaar en complex zijn om gasvrij te maken, zoals oude binnensteden en dijklinten.

Uit de vergelijking van de modellen blijken de volgende, belangrijke overeenkomsten en verschillen: 

Alle drie de modestudies optimaliseren op maatschappelijke kosten. Daarmee zijn ze in beginsel

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 12 van 54

Tabel 1: Overeenkomsten en verschillen van de gehanteerde modelstudies in het onderzoeksbeeld Kenmerk

WTM 2020

Openingsbod 1.0

Startanalyse 2020

Algemene omschrijving

Ruimtelijk rekenmodel dat kosten berekent per BAG-pand en deze kosten vervolgens aggregeert naar buurten.

Vergelijkende analyse van drie onderliggende modellen: Vesta MAIS, Cegoia en ETM, met ieder hun eigen karakteristieken. Openingsbod is uitgerekend in drie scenario’s die verschillen in de beschikbaarheid van gas en warmte.

Maakt gebruik van het Vesta MAIS-model, dat kosten berekent per BAG-pand en deze kosten vervolgens aggregeert naar buurten.

Kostendefinitie

“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd.

“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd.

“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd (wordt “nationale kosten” genoemd in de Startanalyse)

Doorgerekende bouwkundige niveaus

Twee niveaus:

Modellen bepalen per scenario een optimaal isolatieniveau per buurt.

Twee niveaus:

Warmteopties

Warmtebronnen

Duurzaam gas

 Minimumniveau max. 80 kWh/m2  Basisniveau max. 65 kWh/m2  Gasnet

 Gasnet

 Schillabel D  Schillabel B  Groengas

 All-electric

 All-electric

 Waterstofgas

 Warmtenet (70°C)

 Warmtenet (70°C)

 All-electric

 Warmtenet (40°C)

 Warmtenet met MT/HT-bron

 Lokale bronnetten

 Warmtenet met LT-bron

Modelmatig onbeperkt verondersteld en separaat getoetst aan het bronperspectief i.s.m. HVC.

Beschikbare hoeveelheid gas is geen inputvariabele. De warmteoptie gasnet wordt toegekend op basis van buurtkenmerken zoals ouderdom. Transitievisie Warmte Bijlagen

Verondersteld beperkt en als input aan de modellen meegegeven op basis van openbare data.

Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data.

Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als warmteoptie wordt toegewezen op basis van maatschappelijke kosten.

Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als warmteoptie wordt toegewezen op basis van maatschappelijke kosten. Pagina 13 van 54

2.2

Methodologische verdieping Warmtetransitiemodel

Deze paragraaf geeft een methodologische verdieping van het WTM van Over Morgen. Voor een methodologische verdieping van het Openingsbod 1.01 en de Startanalyse 20202 wordt verwezen naar externe documentatie in de voetnoot. 2.2.1

Modelontwerp Warmtetransitiemodel

Het WTM is een ruimtelijk model dat geschreven is in Python 3. Het model maakt voornamelijk gebruik van de ArcPy library en maakt daarnaast gebruik van enkele PostGIS-libraries. De basis voor het modelontwerp is een database van gebouwen. Deze database is gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster. Deze gebouwendatabase is verrijkt met gegevens uit verschillende bronnen. Ook is informatie toegevoegd op basis van kentallen. De gebouwendatabase bevat zodoende van ieder gebouw in Nederland informatie over onder andere:      2.2.2

Bouwjaar en gebouwtype Buurtkenmerken, zoals bebouwingsdichtheid Gemodelleerd energieverbruik en energieprestatie, gevalideerd met werkelijke verbruiksgegevens Investeringsbandbreedtes voor verschillende bouwkundige en energetische maatregelen Bandbreedtes voor kosten en besparingen

Met deze kengetallen worden de warmteopties per buurt berekend. Het WTM maakt de warmteoptie met de laagst maatschappelijke kosten per buurt inzichtelijk. Kentallen worden bij woningbouw toegekend op basis van een woningtype - en bouwjaarcombinatie. Dit wordt een sleuteltype genoemd. Tabel 2: Bronvermelding Warmtetransitiemodel Bronhouder

Bron

Dataset

CBS

Wijk- en Buurtkaart

Buurtgeometrie

Energielevering aan woningen en bedrijven naar postcode

Energieverbruiken per postcode-6

Regionale netbeheerde rs

Kleinverbruiksdata

Energieverbruiken per postcode-6

Kadaster

Basisregistratie Adressen en Gebouwen

1

Openingsbod Warmtetransitie: https://www.stedin.net/zakelijk/branches/overheden/het-openingsbod 2

Startanalyse PBL: https://www.pbl.nl/publicaties/startanalyse-aardgasvrijebuurten-2020 Transitievisie Warmte Bijlagen

 Oppervlaktes  Gebouwfuncties  Bouwjaar

Brondata Warmtetransitiemodel

Het WTM maakt vrijwel geheel gebruik van open data uit betrouwbare bronnen, zie tabel 2. De gebouwendatabase is verrijkt met kengetallen over investeringskosten en operationele kosten en opbrengsten en een realistische besparingspotentie.

 Pandgeometrie

Basisregistratie Topografie (TOP10NL) Over Morgen

Terreingeometrie (voor berekening bebouwingsdichtheid) Energetische kengetallen en kostenkentallen op basis van eigen kennis en ervaring.

Pagina 14 van 54

Tabel 3: Combinaties van bouwjaarklassen en woningtypen vormen sleuteltypen in het Warmtetransitiemodel. Sleuteltypen voor utiliteitsbouw worden bepaald door combinaties van afgemelde energielabels en gebruiksfuncties. Indien labels niet bekend zijn, worden bouwjaarklassen gebruikt om een label te berekenen.

Woningen Bouwjaarklassen

Gebouwtype

<1920

Rijwoning

1920-1950

Twee-onder-een-kapwoning

1950-1975

Vrijstaande woning

1975-1990

Meergezinswoning

Bij utiliteitbouw worden de sleuteltypes bepaald op basis van energielabel en functie. Als er geen energielabel aanwezig is, dan wordt het sleuteltype bepaald op basis van het bijhorende bouwjaar. Daarnaast maakt het model nog onderscheidt tussen voor- en naoorlogs vastgoed.

1990-2005

Utiliteitsbouw

2.2.3

≥2005 Utiliteitsbouw Bouwjaarklassen

Energielabel

Functie

< 1945

G

Kantoren

1946-1973

G

Winkels

1974-1981

F

Gezondheidszorg

1982-1992

E

Onderwijs

1993-1999

D

Logies

2000-2003

C

Sport

2004-2005

B

Bijeenkomst

> 2005

A

Bouwkundige niveaus in het Warmtetransitiemodel

Het WTM rekent met vier bouwkundige niveaus. Voor een technische verdieping bij deze niveaus verwijzen we naar bijlage C. 

Bestaande situatie (meer dan 80 kWh/m2 ruimteverwarming)

Minimumniveau (max. 80 kWh/m2 ruimteverwarming)

Basisniveau (max. 65 kWh/m2 ruimteverwarming)

Hoog niveau (max. 50 kWh/m2 ruimteverwarming)

Het model neemt op basis van het sleuteltype aan op welk niveau ieder gebouw momenteel zit. Indien een gebouw nog niet op het minimum- of basisniveau zit, rekent het model door wat de kosten zijn om het minimum- en het basisniveau te bereiken en tot welke energiebesparingen dat leidt. Het model doet dit voor ieder gebouw en aggregeert deze getallen vervolgens naar buurten. 2.2.4

Warmteopties in het Warmtetransitiemodel

Het model kent een typologie van vijf warmteopties: 

Transitievisie Warmte Bijlagen

All electric: verwarmen en koken met gebruik van elektriciteit. In de woning wordt gebruikgemaakt van een warmtepomp.

Pagina 15 van 54

Gasnet in combinatie met hybride oplossingen: een gasinfrastructuur gevoed met duurzaam gas in combinatie met een gasketel en een elektrische warmtepomp.

Warmtenet (70°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een middentemperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van maximaal 70°C aangevoerd wordt tot bij het gebouw of de woning.

Warmtenet (40°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een lage temperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van circa 40°C aangevoerd wordt tot het gebouw of de woning.

Lokale bronnetten: lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet. In het gebouw is een warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling.

Deze warmteopties zijn in meer detail beschreven in bijlage C. De warmteopties worden toegekend aan buurten op basis van een aantal rekenregels. Het model doorloopt hiervoor vijf stappen: 1. Eerst worden op basis van bouwjaarklasse en dichtheid de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar het gasnet zal blijven liggen. Het model rekent niet met het aanbod van duurzaam gas, maar kijkt alleen naar de vraagkant: in welke wijken zou het gasnet blijven liggen als er een beperkt aanbod is van duurzaam gas. In de praktijk zijn het historische stads- en dorpskernen en lintbebouwing die uitkomen op het gasnet. 2. Vervolgens wordt op basis van gebouwfunctie de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar een bronnet de meest logische keuze is. Dit zijn dus wijken en buurten met relatief veel utiliteitsbouw. 3. In alle overige buurten kijkt het model vervolgens naar de dichtheid. Alleen als de dichtheid groter is dan 30 WEQ per hectare dan is een warmtenet een realistische

Transitievisie Warmte Bijlagen

oplossing. Wijken of buurten met een lagere dichtheid krijgen automatisch de warmteoptie all electric. 4. De buurten die dan nog overblijven krijgen op basis van een vergelijking van de maatschappelijke kosten de optie warmtenet of all-electric. 2.2.5

Berekening van de maatschappelijke kosten

Alleen in de buurten die overblijven in stap 4 wordt een maatschappelijke kostenberekening gemaakt om te komen tot de optimale warmteoptie. Deze berekening gaat als volgt. Op basis van de kengetallen per sleuteltype berekent het model per woning wat de investeringen, onderhoudskosten en de energierekening is van de warmteopties warmtenet en all electric, over een periode van 30 jaar. Op basis hiervan wordt met een netto contante waardeberekening de onrendabele top berekend van de warmteopties. Die onrendabele top wordt geaggregeerd naar buurt en gemiddeld naar een gemiddelde onrendabele top per woning per buurt. De omvang van de onrendabele top verschilt doorgaans sterk per buurt. De onrendabele top is het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend gedurende de exploitatie. De exploitatiekosten zijn over het algemeen lager, als gevolg van een lagere energierekening. Vrijwel altijd zullen duurzame warmteopties nog leiden tot een onrendabele top op buurtniveau. Als de financieringsperiode wordt verkort naar bijvoorbeeld 15 jaar dan zal de onrendabele top dus verder stijgen. Alle investeringskosten en de onrendabele top worden uitgedrukt in een gemiddelde bandbreedte met een onder- en bovengrens en zijn inclusief BTW. Uitgangspunt is dat de investeringen worden gecombineerd met natuurlijke momenten.

De gepresenteerde kosten zijn een gemiddelde van een bandbreedte met een onder- en bovengrens. De bandbreedtes zijn zodanig breed dat zij rekening houden met de volgende aspecten: 

De te nemen maatregelen zullen op woningniveau sterk variëren; Pagina 16 van 54

Technische variaties binnen warmteopties, afhankelijk van warmtebron, opslag, opwekker en infrastructuur;

Bestaande prijsverschillen op de markt door schaal en aanbestedingsvormen;

Marktontwikkelingen zoals schaarste en inzetbaarheid van personeel, materiaal, etc.;

Afwijking van de kengetallen als gevolg van sterk afwijkende woningen.

De omvang van de bandbreedte verschilt per maatregeltype, warmteoptie en sleuteltype, afhankelijk van de karakteristieken van die specifieke combinatie.

2.3

Resultaat onderzoeksbeeld

Het resultaat van het onderzoeksbeeld is weergegeven in figuur 1. Uit deze kaart blijkt de mate van overeenstemming tussen de modelstudies in het onderzoeksbeeld. Buurten waar geen overeenstemming is tussen de modelstudies zijn ook aangegeven als zodanig. Wat uit het onderzoeksbeeld naar voren komt is dat het warmtenet een belangrijke warmteoptie is in de Drechtsteden. Dit is gelet op het stedelijke karakter van de regio geen verrassende uitkomst. We zien dat het warmtenet in iedere gemeente een substantiële uitkomst is. De grootste overeenstemming over het warmtenet, dus waar alle drie modellen deze uitkomst geven, zie we ook in buurten waar nu al veel gebeurt op het gebied van warmtenetten, zoals Crabbehof in Dordrecht. All-electric zien we ook veel terugkomen. Buurten waar all-electric vaak terugkomt zijn bedrijventerreinen en relatief nieuwe wijken in lage dichtheden en wijken. Het gasnet is de kleinste warmteoptie in het

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 17 van 54

onderzoeksbeeld en zien we verspreid over de Drechtsteden, met name in oudere buurten en stukken (dijk)lintbebouwing. Ook dit is een logische uitkomst. Een groot deel van de buurten heeft als uitkomst “Geen overeenstemming”. In deze buurten geven de modellen verschillende uitkomsten of geven zij géén uitkomst, bijvoorbeeld omdat de uitkomst te onzeker is. Het is belangrijk deze uitkomst te verklaren omdat we ook in deze buurten een helder transitiepad moeten kunnen uitstippelen. Er zijn verschillende verklaringen voor deze uitkomst: 

Verkeerde inputdata. Alle drie de modelstudies in het onderzoeksbeeld maken gebruik van grotendeels openbare data. Deze is in sommige gevallen niet actueel genoeg om actuele situaties te reflecteren. We zien dit met name met recent gerealiseerde warmtenetten. Deze zijn nog niet goed verwerkt in het Gasregister van de Autoriteit Consument en Markt (ACM). Daardoor zien we bijvoorbeeld het warmtenet niet terugkomen in de Staatsliedenbuurt in Sliedrecht en de Volgerlanden-Oost in Hendrik-Ido-Ambacht.

2.3.1

Validatie van het onderzoeksbeeld

Zoals uit het onderzoeksbeeld blijkt, zijn modelstudies niet feilloos en het onderzoeksbeeld is dat dus ook niet. Daarom is het onderzoeksbeeld per gemeente met de lokale werkgroepen gevalideerd. Dat wil zeggen: per buurt is bekeken of de uitkomst van het onderzoeksbeeld logisch, begrijpelijk en herkenbaar is. Bij die validatie zijn dus ook de vakspecialisten van de diverse partijen betrokken. Eventuele onlogische uitkomsten per buurt zijn samen met de vakspecialisten verklaard en gedocumenteerd. Deze overwegingen zijn meegenomen in het opstellen van de uiteindelijke transitiekaart per gemeente.

2.4

Kengetallenoverzicht

Deze paragraaf geeft een overzicht van alle energetische en financiële kengetallen en parameters. 2.4.1

Investeringskosten

Tabel 4: Investeringskosten per woning voor isoleren, ventileren en elektrisch koken

Grote buurten. In het algemeen geldt: hoe groter een buurt, hoe diverser de gebouwtypologie van die buurt. Hoe groter de mix van gebouwtypen en bouwjaren, hoe minder duidelijk de uitkomst voor de buurt en hoe minder goed modellen daarmee kunnen omgaan We zien dit met name in Papendrecht, delen van Dordrecht en in mindere mate in Hendrik-Ido-Ambacht. Oude buurten. In het algemeen geldt ook: hoe ouder de bebouwing, hoe complexer de warmtetransitie. Die complexiteit vertaalt zich vaak in grote kostenbandbreedtes en dus een minder duidelijke uitkomst. Buurten met een onzekere uitkomst zijn dan ook vaker oudere buurten. We zien dit bijvoorbeeld aan het dijklint in Sliedrecht, Oud-Zwijndrecht en delen van de Dordtse binnenstad.

Minimumniveau3

Basisniveau

Min

Min

Max

Max

Meergezinswoning ≥ 2005

€ 1.000

€ 2.000

€ 1.000

€ 2.000

Rijwoning ≥ 2005

€ 1.000

€ 2.000

€ 1.000

€ 2.000

Twee-onder-een-kap ≥ 2005

€ 1.000

€ 2.000

€ 1.000

€ 2.000

Vrijstaande woning ≥ 2005

€ 1.000

€ 2.000

€ 1.000

€ 2.000

3

Inclusief de kosten voor het deels vervangen van radiatoren, indien nodig, om met maximaal 70°C comfortabel te kunnen verwarmen. Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 19 van 54

Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Meergezinswoning ≥ 1990 -

€ 2.500

€ 3.500

€ 1.000

Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 € 3.000

€ 4.000

€ 1.000

€ 4.000

€ 5.000

€ 1.000

€ 4.500

€ 5.500

€ 1.000

€

€

16.500

28.500

€

€

€

€

13.000

27.500

22.500

33.500

€ 7.000 Vrijstaande woning ≥ 1950 -

Twee-onder-een-kap ≥ 1990 -

€ 22.500

€ 7.000

2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005

€ 9.000

€ 9.500

€

€

€

€

1975

19.000

39.500

30.500

48.000

Meergezinswoning ≥ 1920 -

€ 8.000

2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 2005

€ 11.500

1950

Meergezinswoning ≥ 1975 -

€ 3.500

1990

€

€ 7.500

13.500

€

Rijwoning ≥ 1920 - 1950

€ 4.000

€

€

€

20.500

12.500

28.000

1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 -

Twee-onder-een-kap ≥ 1975 -

€ 5.000

1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 -

€ 6.000

1990

Meergezinswoning ≥ 1950 1975

Transitievisie Warmte Bijlagen

€ 7.500

€

€

11.500

31.500

€

€

€

€

10.000

37.500

19.500

46.000

14.500 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 -

Rijwoning ≥ 1975 - 1990

€ 26.000

€

€

€

25.000

18.000

35.000

€

€

€

32.500

22.500

47.500

€

€

€

14.500

10.500

17.500

1950

Meergezinswoning < 1920

Rijwoning < 1920

€

€

€

€

15.000

43.000

22.500

55.000

€

€

€

€

17.000

57.500

27.500

74.500

€

€

€

€

11.000

26.000

20.500

31.500

€

€

€

€

14.500

37.500

27.500

46.000

Pagina 20 van 54

Twee-onder-een-kap < 1920

Vrijstaande woning < 1920

€

€

€

€

16.500

43.000

32.500

55.000

€

€

€

€

18.000

56.000

38.500

72.500

Twee-onder-een-kap ≥ 1990 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 2005

€

€

€

€

18.000

23.000

24.000

31.000

€

€

€

€

18.000

23.000

25.000

32.000

Tabel 5: Investeringskosten aardgasvrij per woning inclusief afsluitkosten gas en verhogen capaciteit van elektriciteitsnet. Warmtenet

Meergezinswoning ≥ 1975 -

All electric4

1990 Min

Meergezinswoning ≥ 2005

Max

€5.500

Min €

€

€

10.500

17.000

24.000

Rijwoning ≥ 1975 - 1990

€

€

€

€

13.000

18.000

18.000

25.000

1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 -

Twee-onder-een-kap ≥ 2005

Vrijstaande woning ≥ 2005

€

€

€

€

18.000

23.000

24.000

31.000

€

€

€

€

18.000

23.000

25.000

32.000

1990

Meergezinswoning ≥ 1950 1975

Meergezinswoning ≥ 1990 2005

€ 5.500

€

€

€

10.500

17.000

24.000

Rijwoning ≥ 1950 - 1975

Twee-onder-een-kap ≥ 1950 Rijwoning ≥ 1990 - 2005

4

€

€

€

10.500

17.000

24.000

Max

Twee-onder-een-kap ≥ 1975 Rijwoning ≥ 2005

€ 5.500

€

€

€

€

13.000

18.000

18.000

25.000

1975

€

€

€

€

13.000

18.000

18.000

25.000

€

€

€

€

18.000

23.000

24.000

31.000

€

€

€

€

18.000

23.000

25.000

32.000

€

€

€

10.500

17.000

24.000

€

€

€

€

13.000

18.000

18.000

25.000

€

€

€

€

18.000

23.000

24.000

31.000

€ 5.500

Inclusief het vervangen van de radiatoren door laagtemperatuur radiatoren. Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 21 van 54

Vrijstaande woning ≥ 1950 1975

Meergezinswoning ≥ 1920 1950

Rijwoning ≥ 1920 - 1950

Twee-onder-een-kap ≥ 1920 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 1950

€

€

€

€

18.000

23.000

25.000

32.000

€

€

€

12.500

17.000

24.000

€

€

€

€

15.000

20.000

18.000

25.000

€

€

€

€

20.000

25.000

24.000

31.000

€

€

€

€

20.000

25.000

25.000

32.000

€

€

€

12.500

17.000

24.000

€

€

€

€

15.000

20.000

18.000

25.000

€

€

€

€

20.000

25.000

24.000

31.000

€

€

€

€

20.000

25.000

25.000

32.000

€ 7.500

Meergezinswoning ≥ 2005

Rijwoning ≥ 2005

Twee-onder-een-kap ≥ 2005

Vrijstaande woning ≥ 2005

Warmtenet

All electric

Min

Min

Max

€ 6.500

Meergezinswoningen < 1920

Rijwoning < 1920

€ 7.500

Rijwoning ≥ 1990 - 2005

Twee-onder-een-kap ≥ 1990 Twee-onder-een-kap < 1920

2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 -

Vrijstaande woning < 1920

2005

€

€

€

12.500

18.000

26.000

€

€

€

€

14.000

20.000

19.000

27.000

€

€

€

€

19.000

25.000

25.000

33.000

€

€

€

€

19.000

25.000

26.000

34.000

€

€

€

€ 8.000

14.000

18.000

31.000

Meergezinswoning ≥ 1990 2005

Max

€

€

€

€

16.000

22.000

19.000

32.000

€

€

€

€

22.000

28.000

25.000

40.500

€

€

€

€

22.500

28.500

26.000

43.500

Tabel 6: Totale investeringskosten per warmteoptie

Transitievisie Warmte Bijlagen

Pagina 22 van 54

Meergezinswoning ≥ 1975 1990

€

€

€

€ 9.000

24.000

24.500

38.500

€

€

€

€

17.000

38.500

30.500

53.000

€

€

€

€

23.000

48.000

42.000

66.000

25.000 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 -

Rijwoning ≥ 1975 - 1990

1950

1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 1990

Meergezinswoning ≥ 1950 1975

Rijwoning ≥ 1950 - 1975

Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 1975

Meergezinswoning ≥ 1920 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950

Transitievisie Warmte Bijlagen

€

€

€

€

24.000

55.500

47.500

79.500

€

€

€

€

13.000

25.000

27.500

41.500

€

€

€

€

22.000

40.500

34.500

53.500

€

€

€

€

31.000

50.500

46.500

64.500

€

€

€

€

37.000

62.500

55.500

80.000

€

€

€

€

15.500

38.500

28.500

55.500

€

€

€

€

1950

Meergezinswoning < 1920

Rijwoning < 1920

Twee-onder-een-kap < 1920

Vrijstaande woning < 1920

2.4.2

37.500

71.000

€

€

€

€

35.000

68.000

46.500

86.000

Vrijstaande woning ≥ 1920 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 -

57.500

€

€

€

€106.50

37.000

82.500

52.500

0

€

€

€

€

18.500

38.500

37.500

55.500

€

€

€

€

29.500

57.500

45.500

71.000

€

€

€

€

36.500

68.000

56.500

86.000

€

€

€

€104.50

38.000

81.000

63.500

0

Onrendabele top

Tabel 7: Onrendabele top warmtetransitie per woningtype (isoleren, ventileren, elektrisch koken en aardgasvrij)

Meergezinswoning ≥ 2005

Warmtenet

All electric

Min

Min

€ 8.000

Max

Max

€

€

€

14.000

14.500

22.500

Pagina 23 van 54

Rijwoning ≥ 2005

Twee-onder-een-kap ≥ 2005

Vrijstaande woning ≥ 2005

€

€

€

€

15.000

21.000

13.500

21.500

€

€

€

€

20.000

26.000

16.000

24.000

€

€

€

€

19.500

25.500

12.000

20.000

Twee-onder-een-kap ≥ 1975 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 1990

Meergezinswoning ≥ 1950 1975 Meergezinswoning ≥ 1990 -

€ 9.000

2005

Rijwoning ≥ 1990 - 2005

Twee-onder-een-kap ≥ 1990 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 2005

€

€

€

15.000

13.500

26.000

€

€

€

€

17.000

23.000

11.500

24.500

€

€

€

€

22.500

28.500

13.500

27.000

€

€

€

€

23.000

29.000

10.500

25.500

Rijwoning ≥ 1950 - 1975

Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 1975

Meergezinswoning ≥ 1920 1950 Meergezinswoning ≥ 1975 1990

Rijwoning ≥ 1975 - 1990

Transitievisie Warmte Bijlagen

€

€

€

€

10.000

22.500

18.500

32.000

€

€

€

€

18.000

35.000

18.500

40.500

Rijwoning ≥ 1920 - 1950

Twee-onder-een-kap ≥ 1920 1950

€

€

€

€

23.500

41.500

22.000

45.000

€

€

€

€

24.000

55.500

25.500

54.500

€

€

€

€

10.500

18.500

16.000

30.000

€

€

€

€

16.000

31.500

17.000

36.000

€

€

€

€

25.000

38.000

23.500

41.500

€

€

€

€

28.500

47.500

26.000

50.500

€

€

€

€

12.500

33.500

16.500

42.500

€

€

€

€

17.000

47.000

17.000

49.500

€

€

€

€

23.500

53.500

20.000

57.500

Pagina 24 van 54

Vrijstaande woning ≥ 1920 1950

€

€

€

€

30.500

71.500

23.500

76.000

.

volgens CPI

Meetkosten

Euro

In

26,6

warmte

/ jr.

cl

3

. Meergezinswoning < 1920

Rijwoning < 1920

€

€

€

€

15.000

33.000

25.500

42.500

€

€

€

€

23.500

48.000

25.500

49.000

Twee-onder-een-kap < 1920

€

€

€

€

27.000

55.000

31.000

58.000

Euro

In

121,

warmte

/ jr.

cl

20

.

Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI

Euro /

E

0,24

3

x

85

Nm

leveranciers, geïndexeerd volgens CPI

Huur afleverset

Kale aardgasprijs

Gemiddelde 5 grootste

cl

ACM 2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar)

. Vrijstaande woning < 1920

2.4.3

€

€

€

€

30.000

70.000

36.000

74.000

Energiebelasting

Euro /

E

0,33

aardgas

Nm3

x

31

cl

Technische en financiële parameters

Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI

.

Tabel 8: Technische en financiële parameters Grootheid

Een heid

B T

Waa

Bron / Toelichting

ODE aardgas

rde

Euro /

E

0,07

Nm3

x

75

Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI

cl

W

. Tarieven Totale gasprijs Variabel tarief

Euro

In

25,2

warmte

/ GJ

cl

3

. Vastrecht warmte

In

0,79

Nm3

cl

75

.

leveranciers, geïndexeerd volgens CPI

Euro

In

363,

/ jr.

cl

13

Transitievisie Warmte Bijlagen

Gemiddelde 5 grootste

Euro /

Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd

Vastrecht

Euro

In

185,

Gemiddelde van 3 grootste

gasaansluiting

/ jr.

cl

95

regionale netbeheerders

.

Pagina 25 van 54

Vastrecht

Euro

In

62,8

energieleverancie

/ jr.

cl

2

r aardgas

ACM 2020

.

Technische uitgangpunten warmteopties COP warmtepomp

kWh

n.

ruimteverwarmin

/

v.

g

kWh

t.

Tarief kale

Euro

E

0,06

Gemiddelde van 3 grootste

elektriciteit

/

x

33

leveranciers d.d. 1/1/2020,

kWh

cl

geïndexeerd conform KEV

COP warmtepomp

kWh

n.

.

2019 (circa 2,1% per jaar)

WTW bereiding

/

v.

kWh

t.

Euro

In

Energiebelasting

Euro

E

0,09

elektriciteit

/

x

77

kWh

cl

Euro

E

0,02

/

x

73

kWh

cl

Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp

2,0

Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp

Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord,

Jaarlijkse

daarna volgens CPI

onderhoudskoste

cl

n warmtepomp

.

. ODE elektriciteit

4,0

Belastingdienst, geïndexeerd

Herinvesteringsko

volgens CPI

sten warmtepomp

Euro

200

Geïndexeerd volgens CPI

In

5.00

Geïndexeerd volgens CPI

cl

0

.

. Levensduur Totale

Euro /

In

0,22

elektriciteitsprijs

Nm3

cl

78

Jaren

warmtepomp

n.

15

v. t.

. Vastrecht

Euro

In

212,

Gemiddelde van 3 grootste

elektriciteitsaansl

/ jr.

cl

79

regionale netbeheerders

uiting

.

Vastrecht

Euro

In

42,0

energieleverancie

/ jr.

cl

0

r elektriciteit

.

Jaarlijkse

Euro

In

Gemiddelde kosten van

onderhoudskoste

cl

consument en

n gasketel

.

woningcorporatie,

Gemiddelde van 3 grootste

geïndexeerd volgens CPI

energieleveranciers Herinvesteringsko sten gasketel

Euro

In

1.60

cl

0

.

Transitievisie Warmte Bijlagen

100

Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie,

Pagina 26 van 54

geïndexeerd volgens CPI

warmtenet

v.

jaar aan.

t Levensduur

Jaren

gasketel

Rendement Hr-

%

ketel*

n.

18

v.

Aansluitdichtheid

t.

warmtenet

n.

87,0

v.

1

%

n.

80

Meer dan 80% van de

v.

vastgoedeigenaren/ panden

t

sluit aan.

ACM 2020

t. Calorische bovenwaarde

MJ/

n.

35,1

Op basis van calorische

3

v.

7

bovenwaarde aardgas

Nm

aardgas

t.

Financiële uitganspunten netto contante waarde Consumentenprijs

%

index

n.

2,0

v. t.

Disconteringsfact

%

n.

or

v.

vastgoedeigenaar

t.

Verdisconteringsp

Jaren

eriode

n.

3,0

30

v. t.

WACC

%

warmtebedrijf

n.

8,5

v. t.

Volloopsnelheid

Jaren

Transitievisie Warmte Bijlagen

n.

5

Eigenaren sluiten binnen 5

Pagina 27 van 54

3

Bijlage C: Warmteopties, bronnen en duurzaamheid

Deze bijlage behandelt de technische achtergrond bij warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid van warmteopties.

3.1

woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie voor de warmtevraag. Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, tweeonder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld oppervlak m2

Beperken van de warmtevraag

Bij een groot deel van de woningvoorraad, die gebouwd is voor de jaren ‘90, is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmte-opwekinstallaties, die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan gasketels, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten (en dus meer woningen per bron mogelijk te maken). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moeten daarnaast vaak radiatoren worden vervangen of toegevoegd om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Of dat nodig is kan niet op voorhand per woning(type) worden vastgesteld. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 10 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen.

Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag circa 20 kWh/m2. Met name bij de Transitievisie Warmte Bijlagen

Gemiddeld gasverbruik m3

Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2

Eengezinswoninge n < 1920

170

2200

95

≥ 1920 - 1950

135

2100

110

≥ 1950 - 1975

125

1800

100

≥ 1975 - 1990

130

1500

85

≥ 1990 - 2005

145

1400

65

≥ 2005

155

1200

50

Nieuwbouw

120

-

35

< 1920

85

1250

95

≥ 1920 - 1950

80

1200

95

≥ 1950 - 1975

75

1100

95

≥ 1975 - 1990

70

850

70

≥ 1990 - 2005

90

800

50

≥ 2005

90

700

40

Meergezinswoning en

Pagina 28 van 54

Nieuwbouw

70

-

25

Nederlands gemiddelde

119

1310

84

Tabel 9: Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming van woningen in Nederland gerelateerd aan bouwjaar.

De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie: 1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/ m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ongeveer 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. 2. Woningen, die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 80 kWh/m2). Deze woningen hebben reeds een aantal aanpassingen in de schil gekregen of hadden dit niveau al bij de bouw. Sommige woningen kunnen bij dit niveau al afdoende comfortabel worden verwarmd met 70°C op de koudste dagen, mits er voldoende radiatorvolume aanwezig is. Daarnaast is het afhankelijk van specifieke omstandigheden of de woning daadwerkelijk geschikt is voor verwarming met 70°C, zoals welke bouwdelen al zijn aangepakt en of de bewoners de ruimtes gebruiken die met dit niveau nog niet comfortabel warm worden op de koudste dagen. 3. Woningen, die een basisisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 65 kWh/m2). Bij dit niveau is er maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil. Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met 70°C als met maximaal 55°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken.

Woningen die op dit niveau zitten zijn woningen die grofweg

Transitievisie Warmte Bijlagen

gebouwd zijn in de periode 1990-2005. Idealiter zitten aan het einde van de transitie zoveel mogelijk woningen op minstens dit niveau. 4. Woningen met een hoog isolatieniveau en voorzien van een energiezuinig ventilatiesysteem (lager dan 50 kWh/ m2). Deze woningen zijn daarmee zeer geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C. Dit zijn recent gebouwde woningen na 2005 en woningen die nog gebouwd gaan worden de komende jaren (BENG). Bij de bestaande bouw moeten voor laagtemperatuur de radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. Voor warm tapwater geldt dat voor het veilig kunnen gebruiken van warm tapwater er met de huidige stand van de techniek en regelgeving een temperatuur van minimaal 55°C bij het tappunt nodig is. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in de praktijk een temperatuur van 60-70°C kunnen leveren. Als de aanvoertemperatuur onvoldoende is, moet er dus een aanvullende voorziening komen in de woning voor het opwekken of het boosten van de warmte voor warm tapwater. Mogelijk gaat de regelgeving wijzigen waarbij de minimale temperatuur aan het tappunt daalt van 55°C naar 40°C. Om deze temperatuur te kunnen garanderen moet het opweksysteem in praktijk een temperatuur van 45-50°C kunnen leveren. Samenvattend kan het volgende gesteld worden over de isolatieniveaus van woningen: 3.1.1

Woningen stapsgewijs isoleren naar het basisniveau

Het totale isolatieniveau is de optelsom van de verschillende bouwdelen: vloer, gevel, raam, dak. Het minimumniveau en basisniveau zijn gebruikt om modelmatig het onderscheid te maken in welke ingrepen per woningtype en bouwjaar op bouwdeelniveau nog minimaal nodig zijn om klaar te zijn voor een bepaalde warmteoptie. Als er een ingreep gedaan moet worden op een bouwdeel (vloer, gevel, raam, dak) is het van Pagina 29 van 54

belang dat dit onderdeel klaar is voor de energietransitie, onafhankelijk van de warmteoptie die in de buurt komt. Per bouwdeel is het advies om op het moment van ingreep dus zo goed mogelijk te isoleren, afhankelijk van wat de praktijksituatie toelaat (no regret). Daarmee wordt voorkomen dat dak, vloer of gevel in twee stappen worden aangepakt. Dat is kosteninefficiënt en het aantal natuurlijke momenten is beperkt. Het basisniveau kan door de meeste eigenaren worden bereikt door alle bouwdelen op een natuurlijk moment van onderhoud stapsgewijs zo goed mogelijk te isoleren. Zo kan spouwmuurisolatie aangebracht worden, isolatieglas geplaats worden in combinatie met een schilderbeurt en kan een plat dak zeer goed geïsoleerd worden als de dakbedekking wordt vervangen. Indien nodig zullen ook de radiatoren vervangen moeten worden. Bij zowel het minimum- als het basisniveau wordt er dus maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil op natuurlijke momenten, en het handelingsperspectief is dus voor alle gebouweigenaren gelijk. Het verschil tussen minimum en basis is enkel dat het minimumniveau eerder wordt bereikt, en dat er dus bij sommige woningen eerder kan worden begonnen met 70°C-oplossingen. Het is wenselijk dat zoveel mogelijk woningen in Nederland aan het einde van de warmtetransitie op het basisniveau zit.

Hierdoor zijn ze namelijk geschikt voor bijna alle alternatieve duurzame verwarmingstechnieken. Ook wordt de warmtevraag hierdoor nog verder verlaagd en wordt de retourtemperatuur lager, waardoor installaties efficiënter kunnen functioneren. Naast isolatie en het vervangen van radiatoren zijn er aanvullende gebouwgebonden maatregelen nodig om de woning te verduurzamen en geschikt te maken voor duurzame verwarming: 

Elektrisch koken, zoals inductiekoken;

Kierdichting;

Voldoende (mechanische) ventilatie.

Transitievisie Warmte Bijlagen

In 2050 zal ook een deel van de voorraad een hoog isolatieniveau hebben. Het grootste deel daarvan moet nog gebouwd worden de komende 30 jaar. Alle huidige en toekomstige nieuwbouw voldoet namelijk aan dit niveau. Het is de landelijke ambitie om jaarlijks 75.000 nieuwe woningen in Nederland bij te bouwen. Van de bestaande bouw zal maar een beperkt deel op dit niveau worden gebracht is de verwachting. Om dit niveau te kunnen halen moeten er namelijk grote en kostbare ingrepen gedaan worden aan de schil. Dit is voor veel huizenbezitters niet betaalbaar, technisch niet altijd mogelijk en ook niet altijd efficiënt vanuit het oogpunt van circulariteit. In gevallen dat er veel achterstallig onderhoud is en de kozijnen en het dak volledig vervangen moeten worden, kan het wel raadzaam zijn om deze optie te onderzoeken.

3.2

Warmteopties

In deze paragraaf worden de warmteopties in detail besproken. 3.2.1

All-electric

All-electric betekent dat er in principe alleen een elektriciteitsnet in de wijk is. Als dat het geval is, dan is er een warmteopwekinstallatie in de woning of het gebouw nodig die alleen elektriciteit gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld met infraroodpanelen of een warmtepomp. Het grote voordeel van deze oplossing is dat alle woningen en gebouwen al aangesloten zijn op het elektriciteitsnetwerk. Iedere individuele vastgoedeigenaar, met voldoende financiële middelen, kan dus de keuze maken om zijn huis niet alleen te isoleren, maar ook de gasketel te vervangen door bijvoorbeeld een warmtepomp. De individuele vastgoedeigenaar is dus veel minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. Ook is hij/zij veel minder afhankelijk van het tijdstip van deze keuzes. Er is echter ook een keerzijde. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is beperkt en deze is bijvoorbeeld ook nodig voor de realisatie van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Pagina 30 van 54

Het elektriciteitsnet zal dus bij all-electric extra verzwaard moeten worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal, nationaal en mogelijk internationaal niveau. All-electric leent zich vaak minder voor een wijkgerichte aanpak omdat er een tweetal beperkingen is. De eerste is het tempo waarmee gebouweigenaren hun pand gereed kunnen maken voor all-electric en de tweede zijn de beperkingen op het bestaande elektriciteitsnet en de tijd die nodig is om deze te vergroten. Rekening houdend met het feit dat we in de toekomst warmte kunnen gaan opslaan in woningen, is het ook sterk de vraag of het verstandig is om op korte termijn al hele buurten gelijktijdig elektrisch te gaan verwarmen. Dit kan ertoe leiden dat er onnodig hoge kosten gemaakt gaan worden voor netverzwaring op wijkniveau, die in de toekomst niet nodig blijken. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen verspreid over meerdere buurten en buurten. Met name voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten, is all-electric een goed alternatief.

Het moment van verzwaren van het elektriciteitsnet, en het moment waarop het gasnet wordt verwijderd, worden door de netbeheerder en gemeente in overleg bepaald op een moment dat de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk zijn. Als de warmte in de woningen op grotere schaal in een wijk worden opgewekt met infraroodpanelen of een warmtepomp zullen er aanpassingen gedaan moeten worden om de capaciteit van het elektriciteitsnet te vergroten. Uitgaande van de huidige stand van de techniek kan je alleen met warmtepompen of infrarood verwarmen de woningen minimaal op het basisniveau zitten (55°C of lager). Daarnaast moeten voor het kunnen toepassen van warmtepompen ook alle radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren. Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (luchtwater-warmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron Transitievisie Warmte Bijlagen

(water-water-warmtepompen). Een lucht-water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water-waterwarmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie of warmte uit zon (zonthermie). Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaats worden op het dak van de woning. Bij meergezinswoningen is er een collectief bronnet in het gebouw nodig om de individuele warmtepompen in de woningen te verbinden met de bodemlussen of de thermische zonnepanelen. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Deze kan worden gecombineerd met aquathermie. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij waterwater-warmtepompen. Meergezinswoningen kunnen ook collectief verwarmd worden met warmtepompen. Het is dan wel voor de efficiëntie van belang dat de maximale aanvoertemperatuur naar de gebouwen en woningen niet hoger is dan 70°C.

De bronnen voor een collectieve warmtepomp zijn vergelijkbaar met die van een individuele warmtepomp. Groot voordeel van een collectieve installatie is dat het ruimtegebruik en de techniek in de woning beperkt blijft. De collectieve warmtevoorziening kan relatief eenvoudig vervangen worden door nieuwe technieken passend bij alle infrastructuren, zonder dat je daarvoor nog aanpassingen hoeft te doen aan het gebouw of de woning (zie ook collectieve gasketels). Een variant op all electric is het lokale bronnet. Een bronnet is een lokale, vaak kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer laagtemperatuurnet. In het gebouw is een Pagina 31 van 54

warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk worden verhoogd. Een voorbeeld van een bronnet is een WKO-bron (mogelijk gecombineerd met aquathermie), die door enkele kantoorgebouwen wordt gedeeld en die door en bronnet zijn verbonden. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor een gehele wijk in veel gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor lokale warmtebronnen, waardoor een bronnet een optie is. In de bestaande bouw is in dat geval echter vaak een warmtenet een goedkopere optie omdat er dan minder gebouwgebonden maatregelen hoeven te worden genomen. De verwachting is daarom dat een bronnet voor de bestaande bouw hoofdzakelijk beperkt zal blijven tot utiliteitsbouw. Voor gebieden met relatief veel utiliteitsbouw wordt een bronnet interessant vanwege de hoge koudevraag en vanwege de relatief lage energiebelasting op elektriciteit die grotere gebouwen betalen vanwege het hogere verbruik. Hierdoor zullen zij vaak kiezen voor een lokale warmte- en koude-oplossing in de vorm van allelectric eventueel in combinatie met een collectief bronnet.

1.1.1.1 Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de temperatuur van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat er meer energie in de vorm van warmte wordt opgewekt dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte produceren voor ruimteverwarming (COP van 3-6). Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte één staat tot één, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan de COP doet vermoeden. Een ander Transitievisie Warmte Bijlagen

nadeel van infraroodpanelen is echter dat ze niet gecombineerd kunnen worden met een warmtebatterij. 1.1.1.2 Zonthermie als bron voor een warmtepomp Met de nieuwe generatie zonthermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook heel goed warmte kan winnen uit de buitenlucht. Hierdoor kan ook ‘s nachts en in de winter voldoende warmte geleverd worden aan een waterwaterwarmtepomp, zodat deze net zo efficiënt warmte kan produceren als een warmtepomp met een bodemlus. Voordeel is dat deze oplossing veel eenvoudiger is te installeren dan het boren van een bodemlus. De zonthermische panelen kunnen gecombineerd worden met zonnepanelen voor het opwekken van elektriciteit. 1.1.1.3 Nieuwe generatie warmtepompen Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt, die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen, zoals ammoniak (NH3) en CO2. Speciaal voor woningen is er nu ook een individuele lucht-water-warmtepomp op de markt met als koudemiddel CO2, die zonder problemen 70°C kan produceren. Voordeel is dat je dan dus niet meer de bestaande radiatoren hoeft te vervangen. De verwachting is dat er ook water-waterwarmtepompen voor woningen op de markt komen met dezelfde eigenschappen.

Om op grotere schaal individuele warmtepompen in buurten toe te passen is het wel van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt wel de nodige extra ruimte in de woning. 1.1.1.4 Individuele opties met biomassa In all-electric buurten bestaat het risico dat huiseigenaren de keuze maken om houtachtige biomassa te gebruiken, bijvoorbeeld met een pelletketel of houtkachel. Deze oplossing moet echter niet gestimuleerd worden in verband met de risico’s Pagina 32 van 54

op uitstoot van fijnstof en stankoverlast. Daarnaast is het de vraag hoe betaalbaar houtpellets op de langere termijn zullen zijn. 3.2.2

woningcorporaties is dit een zeer geschikte en toekomstbestendige oplossing. Het is daarbij wel van belang dat de woningen met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C verwarmd kunnen worden.

Gasnet

Veruit de meeste woningen zijn nu aangesloten op het gasnet. In de meeste buurten wordt voor 2050 overgegaan op een andere infrastructuur, maar voor oude of anderszins complexe buurten zijn op dit moment alternatieven voor een gasnet economisch of praktisch onhaalbaar en zal voorlopig het gasnet blijven liggen. Een gasnet is aardgasvrij als er in plaats van aardgas een vorm van duurzaam gas wordt gebruikt. Binnen de warmteoptie gasnet zien we twee logische varianten: 1. Individuele gasketel en hybride warmtepomp. Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er naast de individuele Hr-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik verder te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het minimumisolatieniveau bereikt heeft. 2. Collectieve gasketel en hybride warmtepomp. Meergezinswoningen kunnen ook collectief verwarmd zijn. Met name de grotere complexen gebouwd na 1950 zijn zeer geschikt om collectief verwarmd te worden. In het complex komt een geïsoleerde aanvoer- en retourleiding. Per woning komt er op de plek van de oude gasketel een afleverset. Als er ook elektrisch wordt gekookt zijn de woningen aardgasvrij en heeft alleen het gebouw nog een gasaansluiting. De individuele gasaansluitingen kunnen dan dus afgesloten worden. Een voordeel van een collectieve installatie is dat het ruimtegebruik en de techniek in de woning beperkt blijft.

De collectieve warmtevoorziening kan relatief eenvoudig vervangen worden door nieuwe technieken passend bij alle infrastructuren, zonder dat je daarvoor nog aanpassingen hoeft te doen aan het gebouw of de woning. Dit is dus een zeer robuust, flexibel en onderhoudsarm systeem. Met name voor complexen in bezit van Transitievisie Warmte Bijlagen

3.2.3

Warmtenet

Een warmtenet is een infrastructuur van ondergrondse leidingen die warm water vervoeren naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Er is daarom sprake van een collectieve warmtevoorziening. De temperatuur van het warme water moet voldoende zijn om de woningen te kunnen verwarmen. 1.1.1.5 Warmtenetten en bestaande bouw Om in een bestaande wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt. Omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. Woningcorporaties, die vaak meerdere woningen bezitten in buurten kunnen makkelijker de benodigde schaal bereiken dan particuliere woningeigenaren. Bij een warmtenet komt er per gebouw of cluster van eengezinswoningen of kleinere gebouwen een afleverstation. Hier kan de temperatuur worden geregeld. De temperatuur van het net kan dus lokaal worden verlaagd als een gebouw daarvoor geschikt is. Bij de realisatie van een warmtenet is de schaalgrootte op wijkniveau veel minder gelimiteerd dan bij allelectric. Bij warmtenetten is juist een minimale schaal nodig. De schaal die nodig is, hangt sterk samen met de beoogde warmtebron. In de praktijk blijkt het organiseren van deze schaal zeer complex, omdat je te maken hebt met veel verschillende stakeholders.

Ook voor woningcorporaties is het zeer moeilijk om deze schaal te realiseren. Niet alleen vanwege de investeringen die dan gedaan moeten worden, maar ook omdat momenteel 70 procent van de huurders akkoord moet geven voor het

Pagina 33 van 54

ombouwen van een individuele gasketel naar een collectieve warmtevoorziening.

van deze voorziening en het aanvullende elektriciteitsverbruik zien we in praktijk dat daarom dat ook bij nieuwbouwwoningen deels wordt gekozen voor warmtelevering op 70°C.

1.1.1.6 Warmtenetten en corporatiebezit Om een nieuw warmtenet in de bestaande buurten te kunnen realiseren is het van essentieel belang dat vastgoed in het bezit van woningcorporaties wordt aangesloten. Woningcorporaties (en VvE’s) moeten er dus in de planning rekening mee houden dat de grotere complexen met meergezinswoningen collectief verwarmd gaan worden, indien nodig tijdelijk met een collectieve gasketel. Om desinvesteringen te voorkomen is het dus vaak niet verstandig om complexmatig individuele ketels te vervangen (“verketelen”). Ook moeten bestaande verouderde collectieve verwarmingsinstallaties (blokverwarming) worden gemoderniseerd. Een collectieve warmtevoorziening met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C is zeer flexibel. Ook als het warmtenet er niet komt zijn er voldoende alternatieven beschikbaar om de woningen duurzaam en betaalbaar te verwarmen. De investering in een collectieve warmtevoorziening bij grotere complexen is dus no-regret. 1.1.1.7 Warmtenetten en nieuwbouw In de Drechtsteden is er de komende jaren een grote nieuwbouwopgave. Nieuwbouwontwikkelingen kennen vaak een hoge dichtheid en de woningen zijn relatief klein. De nieuwbouw, met veel gestapelde bouw, is in veel gevallen zeer geschikt voor het ontwikkelen van een collectieve warmtevoorziening.

Omdat met nieuwbouw relatief eenvoudig een grote schaal bereikt kan worden, kan nieuwbouw tevens voor een versnelling zorgen bij het aansluiten van omliggende bestaande bouw. Het is niet voor niets dat tot nu toe veel van de warmtenetten ontwikkeld zijn bij nieuwbouwprojecten. Bij nieuw te bouwen wijken kan de aanvoertemperatuur verder verlaagd worden naar 40°C (laagtemperatuur). Bij woningen moet in dat geval wel een aanvullende boostervoorziening geplaats worden voor warm tapwater. Gezien het ruimtebeslag Transitievisie Warmte Bijlagen

3.3

Energiedragers en -bronnen

De vorige paragraaf ging in op warmteopties. Deze paragraaf gaat in op energiebronnen. Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (elektriciteitsnetnet) en/of water (warmtenet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen en (on)mogelijkheden om energie, die nodig is voor het verwarmen van woningen en gebouwen, op te slaan. Daarnaast is de bron en bijhorende energie-infrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte die kan worden gerealiseerd. In elk scenario en bij elke infrastructuur zijn we in de energietransitie voorlopig nog afhankelijk van fossiele bronnen. Geleidelijk zullen we eerst afscheid nemen van kolen en daarna ook van aardgas. Deze uitfasering kost tijd en daarom is het tijdelijk gebruikmaken van fossiele bronnen noodzakelijk. Bij de keuze voor een nieuwe energie-infrastructuur is het wel belangrijk dat er voldoende en bewezen alternatieven beschikbaar zijn, zodat de fossiele bronnen zo snel als mogelijk uitgefaseerd kunnen worden. Belangrijk is dus dat door de keuze van een alternatief voor aardgas per buurt op korte termijn minder fossiele brandstoffen nodig zijn en de afhankelijkheid ervan op de langere termijn zoveel als mogelijk beperkt wordt. 3.3.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/96/documents/1358