Bijlage 7 Nota beantwoording zienswijzen-geanonimiseerd.pdf
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijzen
Inleiding Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht heeft op 1 oktober 2024 besloten om op basis van artikel 9.1, tweede lid Omgevingswet een voorlopig voorkeursrecht te vestigen op gronden op de locatie Sliedrecht-Noordwest. De gronden op deze locatie komen mogelijk in aanmerking voor nog nader uit te werken woningbouw met bijkomende voorzieningen. De betreffende gronden zijn aangegeven op de bij het collegebesluit behorende grondtekening en perceelslijst. De voorkeursrechtbeschikking is op 3 oktober 2024 ingeschreven in de openbare registers en ingegaan op het tijdstip van inschrijving. Door de vestiging van het voorkeursrecht moet een eigenaar (en beperkt gerechtigde) bij een voorgenomen verkoop de onroerende zaak eerst aan de gemeente aanbieden. De gemeente beoogt hiermee haar regierol te behouden, om ervoor te zorgen dat de beoogde ontwikkeling zoveel mogelijk tijdig en op de door de gemeente voorgestane wijze zal worden gerealiseerd. Het besluit van het college om een voorlopig voorkeursrecht te vestigen met een looptijd van drie maanden, zorgt voor een zogenaamde voorbescherming. Ook wordt aan de gemeenteraad voorgesteld om binnen drie maanden het voorkeursrecht te vestigen en daarmee het door het college gevestigde voorkeursrecht te bestendigen.
Bij het collegebesluit hoort een ontwerpraadsbesluit en ontwerp-raadsvoorstel, waarin de raad wordt voorgesteld om het voorkeursrecht te vestigen. Belanghebbenden (lees: de eigenaren van en de beperkt gerechtigden op de in het collegebesluit betrokken gronden) zijn in de gelegenheid gesteld om gedurende vier weken zienswijzen (schriftelijk of mondeling) over het ontwerp-raadsbesluit naar voren te brengen. De termijn is ingegaan op 3 oktober 2024 en eindigde op 30 oktober 2024 om 24:00 uur. Zienswijze Bij brief aan de raad van de gemeente Sliedrecht van 28 oktober 2024 heeft “Anoniem” een zienswijze ingediend. De zienswijze is binnen de termijn voor het indienen van zienswijzen naar voren gebracht. Ontvankelijkheid Met betrekking tot de vraag of een zienswijze ontvankelijk is, dat wil zeggen of er geen belemmeringen zijn om de zienswijze inhoudelijk te behandelen, merken wij het volgende op: a.
b.
c.
d.
Het recht om een zienswijze in te dienen is ingevolge artikel 4:8, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (‘Awb’) beperkt tot belanghebbenden. Op grond van artikel 1:2 Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In de context van het voorkeursrecht zijn uitsluitend als belanghebbenden aan te merken de eigenaren van en de eventuele beperkt gerechtigden (zoals genoemd in de Omgevingswet) tot de bij het vestigingsbesluit betrokken onroerende zaken. Dit heeft ermee te maken dat het rechtsgevolg van een vestigingsbesluit ingevolge de Omgevingswet is dat de vrije overdraagbaarheid van de desbetreffende onroerende zaak in de zin van artikel 3:83 BW wordt beperkt. Alleen de eigenaren en de beperkt gerechtigden (zoals genoemd in de Omgevingswet) worden door die beperking van de overdraagbaarheid direct in hun belangen geraakt. “Anoniem” heeft een zienswijze ingediend. Uit de zienswijze blijkt niet expliciet op welke onroerende zaken de zienswijze ziet. Blijkens de eigendomsinformatie van het Kadaster is “Anoniem” (deels) eigenaar van gronden waarop het voorkeursrecht is gevestigd, gelegen op de locatie Sliedrecht-Noordwest.
Volgens de eigendomsinformatie van het Kadaster is “Anoniem” van een aantal gronden alleen eigenaar en heeft hij van een aantal andere gronden een ½ aandeel in het recht van eigendom; het andere halve aandeel is in eigendom bij zijn partner/echtgenote. De zienswijze is (alleen) ondertekend door “Anoniem”. In de aanhef van de zienswijze zijn de gegevens van “Anoniem” opgenomen. Er zijn geen aanwijzingen dat de zienswijze is ingediend door “Anoniem”. Ten overvloede wordt daarover opgemerkt dat “Anoniem” geen eigenaar (of beperkte gerechtigde) van gronden is waarop het voorkeursrecht is gevestigd en om die reden geen belanghebbende is.
De conclusie ten aanzien van de ontvankelijkheid is dat de zienswijze in elk geval voor wat betreft de percelen/gronden die uitsluitend in eigendom zijn van “Anoniem” ontvankelijk is. Inhoud zienswijze “Anoniem” voert in de zienswijze – zakelijk samengevat weergegeven – het volgende aan. Onderdeel 1 Er ontbreekt een goede ruimtelijke ordening waarin doelen en belangen zorgvuldig zijn afgewogen en waar sprake is van een samenhangend stelsel van planning, besluiten en procedures. De afgelopen 20 jaar zijn er genoeg plannen en visies gepresenteerd op (een deel van) zijn gronden waarvan er geen enkele is uitgevoerd. Het wordt voor eigenaar door deze plannen en visies bijna onmogelijk om een melkveebedrijf te runnen. Er is te weinig en onvoldoende oog voor zijn belangen. In 2006 zou er al een voorkeursrecht door de gemeente zijn gevestigd op de gronden van eigenaar. Nu is er volgens eigenaar een plan voor een nieuwe woonwijk, waar nog geen benodigde ontsluiting voor is. Bovendien zou de gemeente gronden onderhands verpachten en eigenaar – in strijd met het Didam-arrest – niet in de gelegenheid stellen om in aanmerking te komen als pachter en daarmee niet meewerken aan en oog hebben voor de benodigde uitbreiding van zijn areaal. Onderdeel 2 Verder brengt eigenaar de omvang van het gebied waarop het college een voorkeursrecht heeft gevestigd onder de aandacht.
Het voorkeursrecht is gevestigd met het oog op woningbouw. Een derde van het gebied zou niet geschikt zijn voor woningbouw c.q. binnenstedelijke ontwikkeling door de ligging van de spoorlijn, de aanwezigheid van een gasleiding en een ondergrondse hoogspanningskabel. Die gronden zouden niet onder het voorkeursrecht kunnen vallen. De gronden zouden wel ingezet kunnen worden voor een park. Volgens eigenaar is de provincie ZuidHolland bereid om daaraan mee te werken met de eis dat de agrarische bedrijfsvoering wordt gerespecteerd. Dat gebeurt niet door het vestigen van het voorkeursrecht. Beantwoording zienswijze Algemeen De vestiging van een gemeentelijk voorkeursrecht strekt er in de eerste plaats toe de gemeente een voorrangspositie op de lokale grondmarkt te verschaffen. Het voorkeursrecht betekent niets meer en niets minder dan dat de eigenaar, indien hij het voornemen heeft opgevat om zijn gronden – waarop een voorkeursrecht is gevestigd – te vervreemden (verkopen), dit eerst aan de gemeente te koop moet aanbieden. Die aanbiedingsplicht vloeit voort uit het vervreemdingsvoornemen van de eigenaar zelf; het voorkeursrecht verplicht hem niet tot verkoop. De vestiging van een voorkeursrecht stelt de betrokken overheid in staat om de regie te behouden over de beoogde gebiedsontwikkeling.
Ook gaat de vestiging van een voorkeursrecht, die gewoonlijk in een vroeg stadium van planologische besluitvorming plaatsvindt, prijsopdrijving en grondspeculatie tegen. De vestiging van het gemeentelijk voorkeursrecht is een discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Een discretionaire bevoegdheid is een bevoegdheid waarbij het bestuursorgaan beleidsruimte heeft om daarvan al dan niet gebruik te maken, waarbij het bestuursorgaan moet afwegen of gebruikmaking van die bevoegdheid voor de betrokkenen geen gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat met de toepassing van die bevoegdheid wordt gediend. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de wet het met de vestiging van een voorkeursrecht te dienen algemene belang afgewogen tegen het (individuele) financiële belang van de betrokken grondeigenaar, zodat dit laatste niet meer afzonderlijk in de afweging hoeft te worden betrokken. De verdere belangenafweging dient uiteraard wel plaats te vinden, maar dat heeft de gemeente, zo blijkt uit het raadsvoorstel, gedaan. Onderdeel 1 Eigenaar heeft in zijn zienswijze kort samengevat aangevoerd dat een goede ruimtelijke ordening ontbreekt en er in de afgelopen 20 jaar genoeg plannen en visies zijn gepresenteerd die niet zijn uitgevoerd. Daarover wordt het volgende opgemerkt.
Voor de vestiging van een voorkeursrecht door de raad komen in principe drie grondslagen in aanmerking: • • •
het omgevingsplan (artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a Omgevingswet); de omgevingsvisie of een programma (artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder b Omgevingswet); een zelfstandige voorkeursrechtbeschikking waarin de toegedachte functie(s) wordt (worden) vermeld (artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet).
De gemeenteraad wordt voorgesteld om een voorkeursrecht te vestigen op grond van dit laatste punt: artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder c Omgevingswet. Dit is een zogeheten ‘vervroegd’ voorkeursrecht, vooruitlopend op planologische besluitvorming. In het raadsvoorstel is in de paragraaf ‘Grondslag vestiging voorkeursrecht’ uitgebreid gemotiveerd waarom dit de juiste grondslag is voor de voorkeursrechtbeschikking door de raad. Volgens jurisprudentie moet voor de vestiging van het voorkeursrecht worden uitgegaan van de meest actuele en concrete grondslag. Daarvan is in dit geval sprake. De meest actuele visie van de gemeente voor het gebied is (nog nader uit te werken) woningbouw met bijkomende voorzieningen. Dat de gemeente in het verleden mogelijk andere plannen en visies had voor de betreffende gronden, doet daar niets aan af. Ook benoemt eigenaar dat de gemeente eerder een voorkeursrecht heeft gevestigd op zijn gronden. De wetgever heeft in een dergelijke situatie voorzien. De wet kent een zogeheten ‘herhalingsverbod’ gedurende twee jaar na het van rechtswege vervallen of intrekken van een voorkeursrecht. Binnen die termijn mag niet door hetzelfde bestuursorgaan op dezelfde wettelijke grondslag een voorkeursrecht op dezelfde gronden zijn gevestigd. Het aan de raad voorgestelde voorkeursrecht is niet in strijd met dit herhalingsverbod.
Voor het overige is de ingebrachte zienswijze in onderdeel 1 grotendeels planologisch van aard. Dergelijke standpunten kunnen te zijner tijd naar voren worden gebracht in het kader van de ruimtelijke besluitvorming, maar hebben voor het te nemen raadsbesluit in het kader van het voorkeursrecht geen relevantie. Het argument van eigenaar dat de gemeente in strijd met het Didam-arrest gronden zou verpachten, is voor het vestigen van het voorkeursrecht niet relevant. Onderdeel 2 Volgens eigenaar is – samengevat – de omvang van het gebied waarop het voorkeursrecht door het college is gevestigd, respectievelijk door de raad gevestigd zal worden, te groot, omdat een deel van de gronden niet geschikt is voor woningbouw. De voorgestelde vestiging door de raad is – zoals aangegeven – een ‘vervroegd’ voorkeursrecht, vooruitlopend op planologisch besluitvorming, en geeft de mogelijkheid om in een pril stadium van planvorming een gebied onder de reikwijdte van het gemeentelijk voorkeursrecht te brengen. Het voorkeursrecht wordt gevestigd voor (nog nader uit te werken) woningbouw met bijbehorende voorzieningen (zoals onder meer ontsluiting, inpassing van groen en dergelijke).
Na de vestiging van het voorkeursrecht door de raad zal de gemeente als eerstvolgende stap in de planvorming de functies waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, toedenken in een omgevingsvisie of programma dan wel toedelen in het omgevingsplan. Tijdens de planvorming zal bekend worden hoe en in welke mate de gronden waarop het voorkeursrecht is gevestigd in deze planvorming worden betrokken. Indien en voor zover op de aangewezen gronden geen woningbouw mogelijk zou blijken vanwege de nabijheid van de spoorlijn of de aanwezigheid van een gasleiding of een hoogspanningskabel, zal daarmee in het planvormingsproces uiteraard rekening worden gehouden. Bovendien wordt opgemerkt dat inherent is aan het realiseren van een nieuwe woonwijk dat daarin niet alleen woningen worden gebouwd maar ook bijbehorende voorzieningen (zoals onder meer ontsluiting, inpassing van groen en dergelijke) moeten worden ingepast. Voor zover er op delen van de gronden waarop het voorkeursrecht is gevestigd geen woningen zouden kunnen worden gebouwd, zouden daar wellicht wel bijbehorende voorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Dit zal moeten blijken uit nadere ruimtelijke besluitvorming. Conclusie De zienswijze is in elk geval voor wat betreft de percelen/gronden die uitsluitend in eigendom zijn van “Anoniem” ontvankelijk. In de zienswijze worden geen gronden aangevoerd die raken aan de
rechtmatigheid van het voorgenomen vestigingsbesluit. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, geeft geen aanleiding om het voorgenomen besluit te heroverwegen. De zienswijze geeft derhalve geen aanleiding om het raadsvoorstel en het raadsbesluit voor de locatie Sliedrecht-Noordwest aan te passen.