CConstaterende datSliedrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6e - Bijlage bij de toelichting Bestemmingsplan Sliedrecht Buiten & Stationspark III (groot bestand) - kopie_Deel5.pdf

Besluitvormend - Gemeenteraad Sliedrecht 28 mei 2024, gemeente SliedrechtBij agendapunt: 9: FYS – Vaststelling bestemmingsplan Sliedrecht Buiten en Stationspark III14.410 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aanvullend (indien specifiek voorgeschreven):

•

optioneel: bestaande bomen landmeetkundig ingemeten (art. 2.9a)

Uitvraagrelevante specificaties:

•

formuleren van de uitvraag

•

verwijzen in uitvraag naar eisen: Handboek Bomen 20181H21 Werken rond bomen

•

voorschrijven dat Handboek Bomen 2018 bij tegenstrijdigheden in de uitvraag (indien niet specifiek anders is voorgeschreven) prevaleert

•

voorschrijven van specifieke uitgangspunten en randvoorwaarden

•

beschikbaarheid (ter beschikking stellen van) uitvraagspecifieke data, kaartmateriaal en overige stukken:

-

vooronderzoek bestaande bomen (BEA) en groei- en standplaats (indien beschikbaar)

-

projecttekening(en), bestaande en nieuwe situatie (indien beschikbaar)

-

overzicht bestaande bomen en beschikbare data (indien beschikbaar)

-

overzicht, te handhaven bomen (indien beschikbaar)

Optionele (aanvullende) uitvraagspecificaties:

•

(optioneel) voorschrijven (bestaande) bomen landmeetkundig inmeten (art. 2.9a)

•

Indien BEA niet beschikbaar (gesteld) dan benadrukken in uitvraag dat opstellen BEA standaard onderdeel is van de de uitvraag

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

39

2.1 Werken rond bomen: het uitvoeren van (bouw)werkzaamheden (in de ruimste zin van het woord) in de (directe) omgeving van bomen mag alleen worden uitgevoerd door of onder directe begeleiding van vakbekwaam personeel dat specifiek en vakinhoudelijk op de hoogte is van de in het Handboek Bomen gestelde eisen ten aanzien van het werken rond bomen, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 6.

Hij/zij moet in staat zijn om het werken rond bomen volgens de gestelde eisen zelfstandig uit te voeren, te controleren en, indien nodig, te corrigeren. 2.2 De uitvoering van Werken rond bomen moet voldoen aan de in hoofdstuk 2 van het Handboek Bomen 2018 gestelde eisen. Voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven, zijn tevens de Algemene aanvullende bepa­ lingen van het Handboek Bomen 2018 van toepassing als waren deze integraal opgenomen in dit hoofdstuk. De werkzaamheden moeten zodanig plaatsvinden dat deze in relatie tot de (directe) omgeving schadevrij en veilig worden uitgevoerd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2 en 3. Onder schadevrij wordt tevens verstaan het voorkomen van schades aan (buur)bomen en beplantingen alsmede het voorkomen van schade aan de ondergrondse infrastructuur en de groei- en standplaats, zoals bodem­ verdichting, bodem- c.q. toplaagverslemping, rij- en inslagsporen et cetera. Bestaande schades dienen door de opdrachtnemer voorafgaand aan het werk gemeld te worden.

Voor de uitvoering van gestelde werkzaamheden kunnen op grond van landelijke wet- en regelgeving of lokale keuren of verordeningen verschillende (voor)onderzoeken, meldingen, vergunningen, ontheffingen, verklaringen et cetera benodigd zijn. Benodigde ‘vergunningen en ontheffingen’ dienen op het werk aanwezig te zijn, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 5. 2.3 De uitvoering van werkzaamheden rond bomen moet zodanig plaatsvinden dat er sprake is van het waar­ borgen van een verantwoorde inpassing van te handhaven bomen en mag nooit leiden tot beschadigingen of een bedreiging van de ‘beoogde’ (duurzame) instandhouding van een te handhaven boom. Onder duurzame instandhouding wordt verstaan: de (oorspronkelijk) beoogde omlooptijd van de boom als­ ook de kwaliteit, functie of bijzonder boomwaarde mogen niet door de werkzaamheden worden bedreigd. 2.4 Voor zover niet specifiek anders voorgeschreven vermeldt de opdrachtnemer, rekening houdend met de gestelde eisen, wanneer en op welke wijze de werkzaamheden worden gerealiseerd (Plan van Aanpak | Alge­ meen tijdschema aangevuld met een gedetailleerd ‘Goedgekeurd Werkplan’ (hierna te noemen ‘Werkplan’). Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 1. De opdrachtnemer borgt dat de werk­ zaamheden worden uitgevoerd conform het goedgekeurde Werkplan.

Werkplan: het Werkplan vermeldt onder andere gedetailleerd per boom: wanneer, op welke wijze, volgens welke (uitgewerkte) randvoorwaarden, met welk materieel en met welke hulpmiddelen werkzaamheden (moeten) worden uitgevoerd. 2.5 Alle benodigde randvoorwaarden (zie art. 2.18 e.v.) voor, tijdens en indien relevant na de werkzaamheden, voor het waarborgen van een verantwoorde inpassing van de te handhaven bomen moeten nader worden uitgewerkt in het Werkplan (art. 2.8). Het Werkplan omschrijft tevens belangrijke start-, stop- en contactmo­ menten met betrekking tot de, voor de bomen, kritische werkzaamheden en geeft een overzicht van de binnen het project betrokken contactpersonen en hun contactgegevens, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvul­ lende bepalingen | art. 1.3.

Als algemene regel geldt: zonder een (door de opdrachtgever of directie) ‘Goedgekeurd Werkplan’ mogen werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzones niet plaatsvinden!

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

H2 | EISEN WERKEN ROND BOMEN

40

2.6 (Voor)onderzoek ‘ Bestaande bomen voor zover niet specifiek anders is voorgeschreven en indien niet bij de uitvraag ter beschikking gesteld, maakt een goedgekeurde BEA (Bomen Effect Analyse) als vooronderzoek integraal deel uit van het Werkplan. BEA (BESTAANDE BOMEN) Om inzicht te krijgen in en een betere waarborg te stellen voor de verantwoorde uitvoering van (bouw)werkzaamheden rond bomen, moeten de randvoorwaarden voor het We kplan (a t. 2.8) opgesteld of afgeleid worden op grond van een vooronderzoek middels een zogenoemde Bomen Effect Analyse (BEA).

Voor het opstellen van de BEA gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H16 | Bomen Effect Analyse (BEA). Toelichting BEA: een BEA geeft een overzicht van de binnen een project aanwezige bomen (nulmeting), de geplande (bouw) werkzaamheden en de gevolgen die de werkzaamheden hebben voor de binnen de reikwijdte van het project (c.q. werkzaam heden) aanwezige bomen. De BEA brengt risico's en knelpunten in beeld en geeft een overzicht van de voor de te handhaven bomen benodigde (beschermende) maatregelen en randvoorwaarden.

2.7 Het Werkplan (art. 2.4) moet ten minste bestaan uit een (digitale) werktekening van het werkterrein bovenaanzicht) en een bij het Werkplan behorende toelichting (motivering). Het Werkplan moet zijn opgesteld op basis van een goedgekeurde BEA (art. 2.6). 2.8 In de toelichting (motivering) van het Werkplan moeten minimaal onderstaande gegevens, juist zijn opgenomen en eenduidig (ter goedkeuring art. 2.4) zijn uitgewerkt.

A. Algemene projectgegevens: ? Projectnaam (projectkenmerk) ? Opdrachtgever en opdrachtnemer (rechtspersoon) en contactgegevens • Projectlocatie en plaats • Beknopte omschrijving en aanleiding van het project • Projectstatus B. Werktekeningen: (weergave op schaal en juist gepositioneerd) ? We kterrein van project (topografische ondergrond met omvang en grenzen van werkterre n) • Bomen binnen het project voorzien van uniek boomnummer (art. 2.9 en 2.13) • Bestaande inrichting werkterrein (actueel), inclusief relevante ondergrondse infrastructuur o.a. kabels en leidingen • Inrichting werkterrein tijdens projectfase (opslag, transport, tijdelijke infrastructuur, werkketen etc.) ? Geplande toekomstige inrichting werkterrein volgens projectplan (nieuwbouw, infrastructuur etc.) ? Weergave beoogde (project)werkzaamheden (indien van toepassing onderverdeeld in verschillende planfases) • Aanvullende (detail)tekeningen (art. 2.10) voor werkzaamheden binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16)

bomen: (volgens eisen Handboek Bomen 2018 | H14 | Dataregistratie bomen) • Boomnummer (Boom D) herleidbaar op werktekening (art. 2.9) • Boomsoort: wetenschappelijke naam en Nederlandse naam (volgens: Naamlijst Houtige Gewassen) • Specifiek benoemde beleidsstatus (art. 2.12) ? Boomtype, actuele boomhoogteklasse, stamdiameterklasse en kroondiameterklasse • Conditie en toekomstverwachting (zie ook art. 2.3) ? Bestaande schades en overige ‘ noemenswaardigheden’ (waaronder afwijkingen, ziekten en aantastingen)

D. Overige kenmerken bomen: (binnen kwetsbare boomzone = kroonprojectie +1,5 m) • Type maaiveld en het actuele en toekomstige gebruik van het maaiveld ? Benodigde en beschikbare vrije doorgang en benodigde obstakelvrije zone(s) ? Indien relevant voor het werk: - Ondergrondse en bovengrondse obstakels - Bodemsamenstelling (zand, klei, veen etc.) en bodemgeschiktheid (groeiplaats) - Actuele en toekomstige waterhuishouding (hangwater- | grondwater- | contactprofiel en GWST | GHVG in cm -m.v.)

E. Maatregelen en randvoorwaarden te handhaven bomen • Ve melding en motivering te handhaven te vellen te verplanten’ of ‘ nieuwe aanplant’ • Weergave bomenbalans (art. 2.11) ? Uitwerking eisen, randvoorwaarden en (besche mings)maatregelen ‘ te handhaven bomen’ (art. 2.5 en 2.18) • Start stop- en contactmomenten (art. 2.5) F. Bijlage: BEA-rapportage (art. 2.6)

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

41

Indien er binnen de beoogde werkzaamheden sprake is van een (tijdelijke) verlaging of verhoging van de grondwaterstand (art. 2.41 t/m 2.45) dan vallen mogelijk ook bomen buiten het directe werkterrein binnen de invloedsfeer van het werk. Een nadere inventarisatie van de werkelijke invloedsfeer en de daarbinnen betrokken bomen is dan noodzakelijk (art. 2.6).

Afgestorven (‘dode) bomen en bomen met ernstige afwijkingen of bomen met een toekomstverwachting van < 15jaar moeten (vooraj) gemeld worden, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 4.1. 2.9 a Optioneel, indien specifiek voorgeschreven, moeten bestaande bomen binnen de werktekening landmeet­

kundig worden ingemeten. 2.10 Indien voor de te handhaven bomen relevant (bijvoorbeeld wanneer kritische werkzaamheden moeten plaatsvinden binnen de kwetsbare boomzone, art. 2.15 en art. 2.16) moeten (ter verduidelijking) aanvullend in het Werkplan technische (detail)werktekeningen worden opgenomen.

Deze technische (detail)werktekeningen (alsook dwarsprofielen) moeten (op schaal) zijn voorzien van de juiste positionering van de boom (incl. omvang van de kwetsbare boomzone). Tevens voorzien van maat­ voeringen en een overzicht en toelichting van beoogde werkzaamheden en dienen als ‘engineeringstekening’ op basis waarvan het feitelijk uitvoeringsplan kan worden berekend en gerealiseerd. Deze technische (detail)werktekeningen omvatten aanvullend ten minste één of meerdere ‘dwarsprofielen’ waarin de boom en de opbouw van de groei- en standplaatsen en het raakvlak van de beoogde werkzaamheden in detail zijn weergegeven. 2.11 Van bestaande bomen moet expliciet zowel op de werktekening als binnen de toelichting worden weer­ gegeven of ze binnen het Werkplan wel of niet gehandhaafd blijven (keuzeopties: ‘handhaven’, ‘vellen’ of ‘ver­ planten’). Indien binnen het Werkplan sprake is van nieuw aan te planten bomen moeten deze als zodanig als ‘nieuwe aanplant’ op de werktekening worden aangeduid en in de toelichting worden vermeld.

Bomenbalans: In het Werkplan moet een ‘bomenbalans’ worden opgenomen waarin wordt aangegeven hoeveel bomen er volgens het beoogde werkplan worden aangeplant, gehandhaafd blijven, worden verplant of zullen (moeten) worden geveld. Voor de te handhaven bomen moet tevens worden vermeld bij hoeveel bomen specifieke maatregelen tot behoud nodig zijn. BOMENBALANS • • • • • •

Totaal aan bomen binnen het werkplan Aantal ‘te handhaven bomen’ (zonder specifieke maatregelen tot behoud) Aantal ‘te handhaven bomen’ (met specifieke maatregelen tot behoud) Aantal ‘te vellen bomen’ Aantal ‘te verplanten bomen’ Aantal ‘nieuwe aanplant bomen’

2.12 Indien bomen of bomengroepen een specifiek benoemde (beleids)status hebben of krijgen moet dit zowel op de werktekening als binnen de toelichting worden vermeld. Bomen met een specifiek benoemde beleids­ status (beleidsstatus I of II) hebben een bijzondere meerwaarde. Als uitgangspunt voor bomen met een specifieke status geldt (voor zover niet anders is voorgeschreven) ‘Plan wijkt voor boom’. Beleidsstatus: voor de indeling van de beleidsstatus zie Handboek Bomen 2018 | H16 | Bomen Effect Analyse (BEA) | art. 16.18.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

2.9 Alle bomen binnen het werkterrein moeten op schaal en juist gepositioneerd en voorzien van een herleid­ baar en binnen het werkplan uniek boomnummer op de werktekening (bovenaanzicht) zijn weergegeven (art. 2.13). Bomen die buiten het werkterrein staan maar met de kroonprojectie of wortels binnen het werkterrein reiken, worden beschouwd als bomen die binnen (de invloedsfeer van) het werkterrein staan.

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

42

2.13 Op de werktekening (bovenaanzicht) moeten alle bomen als volgt worden aangeduid:

WERKTEKENING (BOVENAANZICHT) • • • • •

Op schaal en juist gepositioneerd (art. 2.9) Markering hart van de stamvoet (middels stip met herleidbaar ‘uniek’ boomnummer-ID, art. 2.9) Markering actuele kroonomvang c.q. kroonprojectie (middels doorgetrokken lijn) Vermelding per boom(groep): 'handhaven' 'handhaven met maatregel', 'v/erplanten', vellen' of ‘nieuwe aanplant' (art. 2.11) Vermelding (indien van toepassing) specifiek benoemde beleidsstatus (art. 2.12)

2.14 Werktekeningen dienen, naast de weergave van de bomen (art. 2.13), ook de juiste positionering en omvang weer te geven van relevante boven- en ondergrondse infrastructuur, obstakels en objecten als­ mede bouw- en sloopwerken zoals gevels, funderingen, openbare verlichting, kabel- en leidingtracés, huisaansluitingen, riolen et cetera.

Om de verschillende markeringen zichtbaar te maken en overzichtelijk te houden, moet indien aan de orde de kaartschaal worden aangepast en moeten voor zover nodig verschillende (digitale) kaartlagen worden aangemaakt. Alle werktekeningen moeten op schaal zijn getekend en ten minste (per kaartlaag) zijn voorzien van project­ naam of code, een herleidbaar tekeningnummer, de naam van de tekenaar, geografische noordpijl, dagteke­ ning, de actuele status en een legenda met verwijzing naar bijbehorende toelichting in het Werkplan. 2.15 Werkzaamheden die binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16) worden uitgevoerd moeten op een aparte detailkaart worden weergegeven en indien relevant (ter verduidelijking) worden voorzien van een aan­ vullende dwarsdoorsnede (detailwerktekening art. 2.10). 2.16 Kwetsbare boomzone: rond elke boom bevindt zich een boven- en ondergrondse, doorgaans in het veld niet direct zichtbare, kwetsbare boomzone (de ‘projectie’ van de kroon en het wortelpakket). Op basis van gericht vooronderzoek (art. 2.6) kan een beter inzicht verkregen worden in de feitelijk omvang van de ‘kwets­ bare boomzone’. De omvang en situering van deze kwetsbare boomzone is standaard gedefinieerd als (zie figuur 2.16): Kwetsbare boomzone = Kroonprojectie + 1,5 m.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

43

de kwetsbare boomzone is altijd expliciete toestemming nodig (Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2.3).

KWETSBARE BOOMZONE KROONPROJECTIE + 1,5 m

1,5 m

VOLLEDIGE FYSIEKE AFSCHERMING KWETSBARE BOOMZONE (ZIE 2.19)

1,5 m

1,5 m

MARKEER! - B—•

0 STAM— MIN. 2 m

—

-

1,5 m

7— •—- — -- — —)

-----

-

Kwetsbare boomzone = zone direct rond de boom tot 1,5 m buiten de kroonprojectie

FIGUUR 2.16 Kwetsbare boomzone | Handboek Bomen 2018

2.17 Binnen de kwetsbare boomzone zijn werkzaamheden (alsmede de opslag van materiaal en materieel) alleen toegestaan met toestemming via een ‘Goedgekeurd Werkplan’ (art. 2.5). Binnen de gehele kwetsbare boomzone art. 2.16 gelden als uitgangspunt de algemene verboden zoals weergegeven in overzicht 2.17.

ALGEMENE VERBODEN ‘KWETSBARE BOOMZONE’

werkzaamheden binnen kwetsbare boomzone uitslui tend toegestaan met 'Goedgekeurd Werkplan’ • • • • • • • • • • •

Geen beschadiging van wortels, stam(voet), kroon en/of groeiplaats van de boom Geen vel-of snoeiwerkzaamheden Geen materiaal of materieel aanbinden of stallen aan, op of tegen kroon, stam en wortels Geen (tijdelijke) opslag van materiaal of materieel, parkeren of transport Geen open vuur, geen hete of koude luchtstromen of uitlaatgassen Geen infiltratie van ‘bodemvreemde’ gassen of vloeistoffen Geen infiltratie van (afvoer)water, bronbemaling of wijzigingen in de grondwaterstand Geen graafwerkzaamheden of andere bodembewerkingen Geen plaatsing van kunstwerken, (reclame)bebordingen etc. Geen ophogingen of omvorming van het maaiveld Geen bouw, aanleg of voorzieningen binnen de obstakelvrije boomzone(s)

2.17 Overzicht: Algemene verboden binnen ‘Kwetsbare boomzone' I Handboek Bomen 2018

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

KWETSBARE BOOMZONE = KROONPROJECTIE + 1,5 M

Voor de uitvoering van werkzaamheden alsmede de (tijdelijke) opslag van materialen en het transport of parkeren van voertuigen binnen

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

44

H2 | INDELING RANDVOORWAARDEN 2.18 De in dit hoofdstuk opgenomen randvoorwaarden zijn onderverdeeld volgens de indeling van overzicht

2.18 en weergegeven op hoofdpunten. Indien er werkzaamheden of activiteiten binnen de ‘Kwetsbare boom­ zone art. 2.16’ (moeten) plaatsvinden, moeten de benodigde randvoorwaarden en (beschermings)maatregelen steeds per boom of bomengroep op basis van deze randvoorwaarden in het Werkplan nader worden gemotiveerd en uitgewerkt (art. 2.5, 2.6 en 2.15). RANDVOORWAARDEN (INDELING) • • • • • • •

Fysieke afscherming (boombescherming) Vel- en snoeiwerkzaamheden en aanbinden materialen Opslag, parkeren en transport Infiltratie en lozen van gassen en/of vloeistoffen Bronbemaling en veranderingen van de grondwaterstand Graafwerkzaamheden en andere bodembewerkingen Ophogingen en omvorming maaiveld

(art. 2.19 t/m 2.27) (art. 2.28 t/m 2.30) (art. 2.31 t/m 2.35) (art. 2.36 t/m 2.40) (art. 2.41 t/m 2.45) (art. 2.46 t/m 2.51) (art. 2.52 t/m 2.59)

2.18 Overzicht: Onderverdeling randvoorwaarden werken rond bomen I Handboek Bomen 2018

Een ‘Goedgekeurd Werkplan’ ontslaat de opdrachtnemer nooit van zijn verplichting om (in overleg) andere en aanvullende maatregelen te treffen indien deze voor een goede bescherming van de bomen (alsnog) nodig blijken. Indien de gestelde randvoorwaarden en (beschermings)maatregelen in het ‘Goedgekeurd Werkplan’ niet afdoende blijken voor een verantwoorde handhaving van een te handhaven boom, moet dit door de opdracht­ nemer (aannemer) direct (en aansluitend schriftelijk ten minste binnen 24 uur) gemeld worden. De (bouw) werkzaamheden en/of de randvoorwaarden kunnen dan in overleg tijdig worden aangepast of aangevuld. Werkzaamheden die de duurzame instandhouding van een te handhaven boom in gevaar brengen dienen (tijdelijk) zolang als nodig (in overleg) te worden onderbroken.

Het niet of onvoldoende naleven van randvoorwaarden kan grote (vaak onomkeerbare) schade aan de boom en zijn groeiplaats veroorzaken en daarmee de duurzame instandhouding (art. 2.3) van de betreffende boom in gevaar brengen, Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2. Bomenposters: om te attenderen op de 'Kwetsbare boomzones’ en de verplichting van een ‘Goedgekeurd Werkplan’, z,jn de bomenposters WERKEN ROND BOMEN ontwikkeld. Deze bomenposters dienen bj alle bj het werk betrokken partijen bekend te zijn en moeten zichtbaar op het werk zijn aangebracht (Bomenposter: H2 | Werken rond bomen | Bjlage 1 en 2).

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

45

2.19 Fysieke afscherming (boombescherming): rond de gehele kwetsbare boomzone (art. 2.16) van elke te handhaven boom (of bomengroep) binnen de reikwijdte van het Werkplan dient, voor zover niet specifiek anders voorgeschreven, een volledige (fysieke) afscherming geplaatst te worden. Dit op zodanige wijze dat deze afscherming de kwetsbare boomzone (boom en groeiplaats) volledig rondom en ononderbroken afschermt (art. 2.23). 2.20 Indien het plaatsen van een volledige fysieke afscherming niet mogelijk is, moet (met motivering en toe­

stemming in het Werkplan) ten minste een ‘beperkte’ of ‘minimale’ afscherming geplaatst worden (overzicht 2.20). Voor elke afscherming geldt dat deze de boom steeds volledig rondom en ononderbroken afschermt (art. 2.23) en gelden onderstaande maatvoeringseisen: FYSIEKE AFSCHERMINGEN A. Volledige afscherming (art. 2.19): de volledige kwetsbare boomzone (figuur 2.16) wordt fysiek afgeschermd B. Beperkte afscherming (art. 2.21): ten minste de obstakelvrije zone ondergronds + 0,5 m wordt fysiek afgeschermd (art. 2.50) C. Minimale afscherming (art. 2.22): ten minste de stam en stamvoet + wortelaanlopen zijn fysiek afgeschermd

2.20 Overzicht: Indeling fysieke afscherming / werken rond bomen / Handboek Bomen 2018

2.21 Bij een ‘beperkte’ of ‘minimale’ afscherming is slechts een (klein) deel van de kwetsbare boomzone fysiek afgeschermd. Hierdoor gelden er voor werkzaamheden binnen de resterende, niet-afgeschermde kwetsbare boomzone nog steeds aanvullende randvoorwaarden (uitwerking en toelichting in Werkplan). 2.22 Een ‘minimale’ afscherming beschermt ten minste de stam en stamvoet plus de bovengrondse wortelaanzetten en (aan het maaiveld) zichtbare wortelaanlopen.

Indien een ‘minimale’ afscherming direct rond de stam van de boom wordt bevestigd (bijvoorbeeld door middel van verticaal geplaatste planken rondom de stam, rustend op een, rondom de stam gedraaide bemantelde ribdrain), dan mag deze de boom nooit beschadigen of afknellen. 2.23 Een fysieke afscherming (ongeachte het type afscherming art. 2.20) reikt minimaal vanaf 10 cm +m.v. tot

minimaal 2 m +m.v.

De fysieke afscherming is zonder specifiek gereedschap niet te verplaatsen of te verwijderen en sluit de toe­ gang tot de afschermingszone volledig af (bijvoorbeeld door koppelbare bouwhekken). De fysieke afscher­ ming is minimaal bestand tegen de gemiddelde impact van aanrij-stootschade van een personen-/werkvoertuig. 2.24 De fysieke afscherming moet voorafgaand aan de (sloop-/bouw)werkzaamheden worden geplaatst. Zolang de fysieke afscherming nog niet is geplaatst en goedgekeurd, mag geen aanvang worden gemaakt met de (sloop-/ bouw)werkzaamheden. Voor het plaatsen en aanbrengen van de afschermingen gelden onverkort de randvoorwaarden van dit hoofdstuk. Afschermingen moeten zodanig worden geplaatst dat voorafgaande aan het plaatsen geen voertuigbewegingen plaatsvinden binnen de kwetsbare boomzone (specifiek ‘open’ maaiveld).

2.25 De geplaatste afschermingen mogen uitsluitend met toestemming worden verwijderd nadat de werk­ zaamheden ter plaatse volledig zijn afgerond. Een eenmaal geplaatste (en goedgekeurde) afscherming mag zonder toestemming niet meer (tijdelijk) worden verplaatst.

2.26 Binnen de fysieke afschermingszone is de toegang (ook voor personen) zonder uitdrukkelijke toestem­ ming verboden en gelden onverkort alle algemene verboden voor de kwetsbare boomzone (art. 2.17). 2.27 Elke geplaatste afscherming binnen het werkterrein moet in het veld steeds duidelijk zichtbaar zijn gemarkeerd met een weersbestendige bomenposter ‘Kwetsbare boomzone’ (H2 | Werken rond bomen | Bijlage 2: Bomenposter: ‘Kwetsbare boomzone’).

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

H2 | RANDVOORWAARDEN FYSIEKE AFSCHERMING (BOOMBESCHERMING)

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

46

H2 | RANDVOORWAARDEN VEL- EN SNOEIWERKZAAMHEDEN EN AANBINDEN MATERIALEN 2.28 Voor bomen die binnen het werkterrein moeten worden geveld (uitsluitend met toestemming binnen het ‘Goedgekeurd Werkplan’) gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H12 | Vellen bomen en rooien stobben. Vellen en snoeien: voor het vellen is net als voor het verplanten en (ingrijpend) snoeien van bomen als regel een (omgevings)vergunning in het kader van de Wabo benodigd, Handboek Bomen 2018 | Algemene aan­ vullende bepalingen | art. 5.

2.29 Voor het snoeien van bomen (uitsluitend met toestemming binnen het ‘Goedgekeurd Werkplan’) gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H8 | Snoeien bomen en Hg | Specifieke vormsnoei bomen. Het snoeien van bomen mag alleen worden uitgevoerd na het verkrijgen van expliciete toestemming, dit geldt ook indien er sprake is van een minimale snoei-ingreep, bijvoorbeeld het snoeien van een gebroken of beschadigde tak.

Wortelsnoei of wortelkap gelden niet als reguliere beheermaatregel, hiertoe gelden de randvoorwaarden

en restricties voor graafwerkzaamheden (art. 2.48 tot en met 2.51). Wanneer wortelsnoei of wortelkap moet worden uitgevoerd (bijvoorbeeld in het kader van herstelwerkzaamheden ‘bestratingsopdruk’), dan is boomtechnisch advies op maat noodzakelijk. Het advies en daaruit voorvloeiende maatregelen en rand­ voorwaarden moeten (met als uitgangpunt art. 2.48 t/m 2.51) zijn opgenomen en gemotiveerd in het ‘Goed­ gekeurd Werkplan’. 2.30 Direct aan of tegen de boom (kroon, stam, wortels) mag geen materiaal of materieel worden gehangen, aangebonden of geplaatst. Het plaatsen van de voorgeschreven bomenposter of een afscherming (art. 2.22) mag nimmer schade veroorzaken aan de boom.

H2 | RANDVOORWAARDEN OPSLAG, PARKEREN EN TRANSPORT 2.31 Ter bescherming van de bodem en de groeiplaats van de boom zijn de (tijdelijke) opslag van materialen en het berijden, verplaatsen of parkeren van voertuigen (materieel en materiaal) evenals het plaatsen van een (werk)keet, container of aggregaat et cetera binnen de kwetsbare boomzone (art. 2.16) zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. Dit geldt in het bijzonder op locaties waar rond de boom sprake is van een open (onverhard) maaiveld, grasberm of een open boomspiegel. 2.32 De (tijdelijke) opslag van materiaal en materieel of transport mogen de bodemstructuur alsmede de in­ filtratie van regenwater en de diffusie van (bodem)lucht (art. 2.36 en overzicht 2.37) in de bodem binnen de kwetsbare boomzone niet verstoren (art. 2.34). 2.33 Het (tijdelijk) storten of opslaan van modder, klei, slib of slootbagger (alsook onverteerd organisch materiaal) mag nimmer binnen de kwetsbare boomzone plaatsvinden. 2.34 Werkzaamheden en activiteiten rond bomen mogen nooit leiden tot bodemverslemping of structuurbederf van de bodem. Met name in een natte (verzadigde) bodem nemen de risico’s van structuurbederf van de bodem sterk toe.

Indien werkzaamheden (hieronder wordt ook verstaan: opslag, parkeren of transport) als gevolg van weers- of terreinomstandigheden (bijvoorbeeld aanhoudende zware regen) structuurbederf van de bodem kunnen veroorzaken, moeten deze tijdelijk en zolang als nodig (in overleg) worden onderbroken. Plasvorming duidt op bodemverslemping of structuurbederf en moet gemeld en in overleg verholpen worden.

2.35 Drukverdelende rijplaten of elementen: indien opslag of het berijden, verplaatsen of parkeren van mate­ rieel en materiaal binnen de kwetsbare boomzone (open maaiveld of niet-dragende verharding) toch moet plaatsvinden (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan geldt als randvoorwaarde ten minste het aan­ brengen van drukverdelende rijplaten of elementen. Indien het maaiveld kleihoudend is moet vooraf aan het plaatsen van de rijplaten eerst een laag van 20 cm (zoet) grof zand (als extra afscherming) op het bestaande maaiveld worden aangebracht. Rijplaten en eventuele zandlaag moeten zodanig worden geplaatst dat vooraf­ gaande aan het plaatsen geen voertuigbewegingen plaatsvinden op het bestaande (open) maaiveld.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

47

‘Ploffen’: bodemverdichting of verslemping van de bodem (toplaag) binnen de kwetsbare boomzone kan (met toestemming of Goedgekeurd Werkplan) onder andere worden behandeld (herstelmaatregel) met be­ hulp van het met luchtimpulsen losbreken van de bodemstructuur. Dit zogenoemde ‘ploffen’ ofpneumatisch losbreken van de bodemstructuur kan ook worden toegepast nadat genoemde rijplaten zijn verwijderd, zodat eventuele negatieve effecten van de bodemverdichting kunnen worden verminderd (zie Handboek Bomen 2018 | H4 | Aanleg groeiplaatsen voor bomen | Bijlage ‘ploffen).

H2 | RANDVOORWAARDEN INFILTRATIE EN LOZEN VAN GASSEN EN/OF VLOEISTOFFEN 2.36 Binnen en in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone mogen ‘bodemvreemde’ gassen of vloeistof­ fen niet in de bodem infiltreren. Lozingen van water en/of andere vloeistoffen zijn binnen of in de (directe) omgeving van de kwetsbare boomzone eveneens niet toegestaan. In terreinen met reliëf moet de inspoeling naar en binnen de kwetsbare zone worden voorkomen.

Ter voorkoming van ongewenste infiltratie binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone is opslag of verwerking van potentieel lekkende vloeistoffen (vaten of tanks) verboden. Eveneens verboden is opslag of verwerking van brandstof (aftanken), oliën en de aanwezigheid van smeermiddelen binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone. Verboden zijn voorts cementspecie, cementmolens of cementsilo’s alsmede loos-/spoelwater van werkketen, (mobiele) toiletten et cetera binnen of in de directe omgeving van kwetsbare boomzones. Water lozen: ook schoon (drink)water kan bij een verzadigde bodem de zuurstof huishouding sterk negatief beïnvloeden en daarmee het voortbestaan van een boom in gevaar kan brengen. Infiltratie als gevolg van lozing, lekkende, verspilde of gemorste materialen alsmede water(afvoer) is binnen of in de directe omge­ ving van de kwetsbare boomzone niet toegestaan (Bronbemaling en grondwaterfluctuaties, zie art. 2.42).

2.37 Gaslekkages in de bodem, binnen of in de directe omgeving van een kwetsbare boomzone zijn doorgaans acuut en zeer bedreigend voor de zuurstofhuishouding in de bodem. Deze kunnen op (zeer) korte termijn (binnen enkele uren) bodemzuurstofproblemen en daarmee wortelsterfte en de afsterving van bomen veroor­ zaken. Gaslekkages en bodemzuurstofproblemen moeten worden voorkomen.

Gasschade en zuurstofproblemen kunnen ook ontstaan indien (bijvoorbeeld door bodembewerking) in de bodem bestaande afsluitende bodemlagen worden doorbroken waaronder moerasgas (CH) is opgesloten of wanneer onvoldoende verteerde organische (rest)materialen in of op de bodem zijn terechtgekomen. Zuurstofproblemen kunnen ook ontstaan wanneer de bewortelde bodemzone is verzadigd met water (bij­ voorbeeld bij wateroverlast, waterstagnatie of een verhoogde grondwaterstand) of de bodem onder te natte bodemomstandigheden wordt bewerkt. Indien gaslekkages of zuurstofproblemen worden geconstateerd (O2% ten minste 12 tot 16%) dan moeten deze direct (Handboek Bomen 2018 | Algemene aanvullende bepalingen | art. 2) gemeld en ook (in overleg, maat­ werk) direct verholpen worden, bijvoorbeeld door het beluchten van de bodem of het geforceerd afzuigen van gas of overtollig water. Als resultaat dient het zuurstofpercentage in de bodem snel te worden genormaliseerd tot ten minste 12 tot 16% (streefwaarde 16 - 18%). Daarnaast zijn aanvullende nazorg en monitoring van de bodemluchthuishouding noodzakelijk. Monitorwaarden voor bodemlucht- en waterhuishouding zijn weer­ gegeven in overzicht 2.37).

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

Wanneer op het bestaande maaiveld een organische toplaag aanwezig is (bijvoorbeeld gras of een strooisellaag) en de situatie langer dan circa 2 weken zal aanhouden, moet deze organische toplaag binnen de kwets­ bare boomzone eerst worden verwijderd, voorafgaand aan het opbrengen (van zand) en het plaatsen van drukverdelende rijplaten (art. 2.46).

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

48

MONITORWAARDEN BODEMLUCHT- EN WATERHUISHOUDING

(in relatie tot wortelgroei | in groeiseizoen gemeten op 50 cm -m.v.) Bodemzuurstofwaarde (O2%): Optimaal 19 tot 20% (maximale buitenluchtwaarde = ca. 21%) Goed 18 tot 19% Voldoende 16 tot 18% Matig 14 tot 16% Zeer matig 12 tot 14% Slecht 10 tot 12% Zeer slecht < 10% (beneden 10% risico van acute wortelsterfte) Bodemkoolzuurgaswaarde: kooldioxide (CO,%): Normaal 0,5 tot 5% Te hoog > 5%

Bodemgaswaarde (CH4%) Te hoog > 0,5% Referentiewaarden bodemvochtkarakteristiek (indicatie vochtgehalte %)

Bodemsoort:

Verwelkingspunt (te droog)

Streefwaarde (bij verwerking)

Veldcapaciteit

Humusarm zand Humeus zand Kleigrond

< 5% < 00% < 25%

10 - 15 % 15 - 20 % 30 - 40 %

ca. 10% ca. 35% ca. 50%

2.37 Overzicht: Monitorwaarden bodemlucht- en waterhuishouding bomen / Handboek Bomen 2018

2.38 Zout en zuurinfiltraties in de bodem zijn voor het bodemleven en de bomen zeer bedreigend. Zoutschade kan onder meer ontstaan door inspoeling van opgelost strooizout (als gevolg van gladheidsbestrijding), een overmaat aan anorganische meststoffen of zout of brak kwelwater dat infiltreert vanuit de bodem of brak water dat wordt gebruikt bij het water geven.

Zout- en zuurschades moeten voorkomen worden en, indien aan de orde, direct gemeld en (in overleg, maat­ werk) verholpen worden (bijvoorbeeld: spoelen van de bodem met zoet water). Voor de gemiddelde zouttolerantie van bomen geldt een toelaatbare EC-zoutwaarde van de bodem van 0,6 tot maximaal 1,5 mS/cm.

Zuren beïnvloeden ook de pH-waarde van de bodem. Voor de meeste bomen geldt een gewenste pH-KCLwaarde van circa 5,0 tot 6,0 (= pH-H2O circa 6 tot 7); deze is echter sterk boomsoortafhankelijk. Voor ver­ schillende boomsoorten is eveneens de inspoeling van kalk bedreigend.

Zouten, zuren en kalk kunnen bij infiltratie in de bodem directe wortelschade veroorzaken en zijn door uitspoeling (achteraf) vaak niet of onvoldoende in de bodem traceerbaar. Zo is strooizout dat in de winter­ periode is gestrooid en is geïnfiltreerd in de bodem al vaak in het voorjaar weer (ten dele) uitgespoeld en daardoor nietjuist traceerbaar in de bodem, terwijl de boom het zout al wel heeft opgenomen en daardoor (ernstige) zoutschade kan ondervinden. Tijdig controleren en monitoren maar vooral ‘het voorkomen van’ is dus noodzakelijk! 2.39 Binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone mag geen sprake zijn van open vuur. Daar­ naast is het binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone verboden om gassen af te fakkelen of (kunstmatig) hete of koude luchtstromen of uitlaatgassen af te blazen. 2.40 Binnen of in de directe omgeving van de kwetsbare boomzone mogen geen afval of andere materialen

(art. 2.31) worden gestort of opgeslagen.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

49

2.41 Veranderingen in de grondwaterstand: kunstmatige fluctuatie of bronbemaling zijn binnen de kwetsbare boomzone zonder toestemming (Goedgekeurd Werkplan) niet toegestaan. Het (tijdelijk) verhogen van de grond­ waterstand (GWST) met meer dan 10% of het (tijdelijk) verlagen van de GWST met meer dan 20% van de be­ staande bewortelingsdiepte kan schade aan de wortels en daarmee aan de bomen veroorzaken (overzicht 2.41).

Een ‘verhoging’ van de GWST is voor bomen extra bedreigend. Een (kortstondige) verhoging van de GWST in het groeiseizoen kan leiden tot acute wortelsterfte (verdrinken) vanwege zuurstofgebrek en daarmee leiden tot de afsterving van bomen (art. 2.37). Een ‘daling’ van de GWST in het groeiseizoen is vooral bedreigend wanneer deze langere tijd (meerdere weken) aanhoudt. Naast de mate van verandering (fluctuatie) zijn dus ook de tijdsduur en de periode waarin de GWST-veranderingen plaatsvinden van belang. In een droge periode (zonder neerslag) kan een (> 20%) van meer dan twee weken reeds aanzienlijke invloed hebben op de waterhuishouding van de boom en kunnen er dus gerichte maatregelen noodzakelijk zijn (art. 2.43).

(Kunstmatige) grondwaterfluctuaties die buiten het groeiseizoen (periode november tot en metfebruari) plaatsvinden, hebben doorgaans minder invloed op bomen. Binnen een hangwaterprofiel heeft een grondwaterreductie (doorgaans) geen invloed op de bomen. LEIDRAAD MAXIMAAL TOELAATBARE GRONDWATERFLUCTUATIE Bestaande doorwortelbare diepte of actuele grondwaterstand (GWST)

Maximaal toelaatbare % grondwaterfluctuatie verlaging ▼GWST (= -20%) of verhoging ▲GWST (= +10%)

tot 50 cm -m.v.

▼ GWST 20% ▲ GWST 10%

= max. 10 cm = max. 5 cm

tot 100 cm -m.v.

▼GWST 20% ▲GWST 10%

= max. 20 cm = max. 10 cm

tot 150 cm -m.v.

▼GWST 20% ▲GWST 10%

= max. 30 cm = max. 15 cm

tot 200 cm -m.v.

▼GWST 20% ▲GWST 10%

= max. 40 cm = max. 20 cm

2.41 Overzicht: Leidraad maximale grondwater fluctuatie I Handboek Bomen 2018

2.42 Bronbemalingen, retourbemalingen en infiltraties hebben doorgaans invloed op de grondwaterstand, ook op grote afstand van de bron (en daarmee dus mogelijk ook buiten het werkterrein). Indien kunstmatige fluc­ tuaties van het grondwater aan de orde zijn (art. 2.41) dan moeten binnen en rond het werkterrein (ten minste in alle windrichtingen) peilbuizen ter controle (monitoring) van de grondwaterfluctuaties worden geplaatst, zodanig dat een goed beeld wordt verkregen van de gevolgen van de fluctuaties voor de bomen die binnen de invloedssfeer ervan staan (art. 2.9 en art. 2.43).

Monitoring start voordat de werkzaamheden aanvangen, zodat een goed beeld wordt verkregen van de zo­ genaamde nulwaarden. Periodiek monitoren van de (maximale) fluctuaties (overzicht 2.41) is noodzakelijk (ten minste eens per week), zolang de werkzaamheden aanhouden en de ‘nulwaarden’ niet zijn hersteld. 2.43 Indien een (tijdelijke) bronbemaling of infiltratie de genoemde maximale fluctuatiewaarden (overzicht

2.41 ) overschrijdt (uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan), dan gelden als potentiële randvoorwaarden: het toepassen van een gesloten bronbemaling, het individueel water geven of het afvoeren van overtollig water.

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

H2 | RANDVOORWAARDEN BRONBEMALING EN VERANDERINGEN IN DE GRONDWATERSTAND

NORMINSTITUUT BOMEN HANDBOEK BOMEN 2018 H2 WERKEN ROND BOMEN

50

Water geven: te veel of te vaak water geven kan wortels eveneens ernstig bedreigen. Een waterg^ft van circa 150 tot 200 liter per m3 per watergeefronde is doorgaans (ruim) voldoende; te veel water spoelt uit of veroorzaakt een verzadigde bodem en (tijdelijke) zuurstofproblemen (art. 2.37). Voor het monitoren van het bodemvochtgehalte kunnen in de bodem (binnen de wortelzone) bodemvochtmeters worden geplaatst (zie referentiewaarden vochtkarakteristiek ter indicatie overzicht 2.37). Wanneer de veldcapaciteit wordt over­ schreden is de bodem verzadigd met water (‘te nat).

Gebruik voor het water geven nooit sterk ijzerhoudende, zuurstofloze retourbemalingen. Voor het water geven van bomen gelden de eisen Handboek Bomen 2018 | H7 | Nazorg en hergroeigarantie bomen | art. 7.17 tot en met 7.19. 2.44 Het vervangen van bestaande riolen en waterafvoersystemen alsmede het dempen van sloten en water­ gangen (art. 2.45) kan eveneens (op afstand) grote invloed hebben op de grondwaterstand, waardoor ge­ noemde maximale fluctuaties (overzicht 2.41) kunnen worden overschreden en er, evenals bij bemaling en infiltratie, specifieke randvoorwaarden nodig zijn.

Herinrichting groeiplaats: indien er sprake is van een blijvende verandering van grondwaterstanden waarbij de genoemde maximalefluctuaties worden overschreden, dan is eventueel een structurele herinrichting c.q. aanpassing van de groeiplaats noodzakelijk (nadere uitwerking ‘maatwerk’ in Goedgekeurd Werkplan).

2.45 Bij het dempen van sloten of watergangen binnen (of in de directe omgeving van) de kwetsbare boomzone

(uitsluitend met Goedgekeurd Werkplan) gelden minimaal de onderstaande aanvullende randvoorwaarden. DEMPEN VAN SLOTEN EN WATERGANGEN • Verwijder eerst bestaande slootbagger en organische componenten uit sloot of watergang; deze bij het dempen van de water­ gang niet niet opsluiten of doormengen (bodemluchthuishouding art. 2.37) • Vrijkomende slootbagger en organische componenten nimmer (tijdelijk) opslaan op maaiveld rond de boom (art. 2.33) • Demp de sloot of watergang niet met organische, onvoldoende verteerde materialen (zuurstofhuishouding art. 2.37) • Voorkom wortelschade bij ontgraven en dempen van de sloot of watergang (art. 2.46 e.v.) • Borg bodeminfiltratie en -diffusie (voorkom bodemverslemping en/of structuurbederf van de bodem (art. 2.46 e.v.) • Draag zorg (na demping) voor continuering van afwatering (drainage/afvoer) • Monitor en bewaak grondwaterstanden (art. 2.41) en zuurstofhuishouding (art. 2.37) binnen kwetsbare boomzone

HANDBOEK BOMEN 2018 Toepassing, inclusief verwijzing naar, uitsluitend toegestaan voor genoemde licentiehouder.

LICENTIEHOUDER: BOMENWACHT NEDERLAND

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.sliedrecht.nl/api/v1/meetings/723/documents/9216