Bijlage 5 - Publieksversie Verordening model ZHZ.pdf
Tekst van het document
Modeltoelichting voor Verordening Jeugdhulp gemeenten Zuid Holland-Zuid De gemeenten moeten ervoor zorgen dat dat ouders en kinderen jeugdhulp kunnen krijgen als dat nodig is. Dit is bepaald in de Jeugdwet. Dit betekent dat gemeenten afspraken maken met organisaties die verschillende soorten jeugdhulp kunnen bieden. Gemeenten moeten vastleggen of in bepaalde situaties jeugdhulp of een andere vorm van hulpverlening kan worden ingezet. Ook moeten zij regelen hoe ouders en kinderen hulp kunnen aanvragen en hoe gemeenten de aanvraag beoordelen. Dit leggen gemeenten vast in een lokale verordening. VOORAF Van ouders wordt verwacht dat zij dagelijkse zorg bieden aan hun kind, ook als dat kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Deze dagelijkse zorg kan ook door iemand uit het sociaal netwerk of een huisgenoot worden gegeven. Wordt de zorg voor het kind te zwaar of heeft het kind iets nodig wat de ouders niet zelf kunnen bieden? Dan kunnen ouders en kinderen een beroep doen op de jeugdhulp die de gemeente beschikbaar heeft. De gemeente moet dan wel eerst vaststellen of er echt jeugdhulp nodig is. In deze toelichting op de verordening wordt uitgelegd wanneer hier naar het oordeel van de gemeente sprake van is (zie hoofdstuk 4, paragraaf 2). In die gevallen wordt zoveel mogelijk samen met de ouders en het kind gekeken naar welke jeugdhulp het beste ingezet kan worden.
De gemeente kan zelf professionals inzetten die het gezin kunnen ondersteunen. Of als het nodig is jeugdhulpaanbieders inzetten die deskundigheid hebben om met bepaalde problemen in gezinnen om te gaan. Ouders en kinderen kunnen in sommige gevallen ervoor kiezen om zelf de hulp in te kopen. Bijvoorbeeld omdat zij graag willen dat iemand die zij kennen de hulp gaat bieden. Zij krijgen hiervoor dan een persoonsgebonden budget (PGB). Hieraan zijn bepaalde regels verbonden, om onder andere verzekerd te zijn van goede kwalitatieve hulp. Je leest hierover meer in deze toelichting. OUDERS EN KINDEREN In de meeste gevallen wonen ouders en kinderen bij elkaar en nemen ouders beslissingen voor hun kinderen, in ieder geval totdat de kinderen meerderjarig (18 jaar) zijn. Er zijn ook andere situaties denkbaar. Zoals kinderen die bij familie wonen. In de Jeugdwet staat omschreven wie worden bedoeld met ouders en jeugdigen, zodat duidelijk is voor wie de wet geldt. In het vervolg van dit document wordt voor de leesbaarheid jeugdigen en/of ouders1 gebruikt. De uitleg die de Jeugdwet aan van deze begrippen geeft, staat hieronder.
Een jeugdige is een persoon die: Jonger is dan 18 Ouder is dan 18 en jeugdreclassering heeft gekregen van de rechter Ouder is dan 18 maar nog geen 23 en o Die jeugdhulp kreeg voordat hij 18 wordt OF o Die jeugdhulp kreeg die maximaal 6 maanden voordat hij 18 is geworden is gestopt EN o Voor wie ook na zijn 18e nog jeugdhulp noodzakelijk is En die woont in de gemeente waar om jeugdhulp wordt gevraagd.
In het document wordt steeds gesproken over “hij” en “zijn”. Hier kan ook gelezen worden “zij” en “haar” of “persoon” of “hen” of “hun” of een ander genderneutraal woord. 1
&jeugd Postbus 142 2000 AC Haarlem
KvK: 81031653 Btw-id: NL861897869B01 IBAN: NL63INGB0008575141
085 04 78 111 info@enjeugd.nl www.enjeugd.nl
Een ouder is: Een ouder die het gezag over het kind heeft Een adoptieouder Een stiefouder Iemand die voor de jeugdige zorgt alsof de jeugdige tot zijn gezin behoort maar geen pleegouder met een pleegzorgcontact is. In de verordening wordt ook gesproken over de wettelijk vertegenwoordiger. In veel gevallen is dat de ouder met gezag. Als een kind geadopteerd is of onder het gezag van een ander dan zijn ouder staat (dat noemen we een ‘voogd’), dan is de adoptieouder of de voogd de wettelijk vertegenwoordiger. Hoofdstuk 1 Jeugdhulp Zowel in de Jeugdwet als in deze verordening staat een beschrijving van wat jeugdhulp is. Jeugdhulp volgens de Jeugdwet: 1. Ondersteuning van en hulp aan ouders en kinderen bij: a. Psychische problemen of stoornissen b. Psychosociale problemen c. Gedragsproblemen of d. Een verstandelijke beperking e. Opvoedproblemen van ouders of f. Problemen die te maken hebben met adoptie. Het doel van de jeugdhulp is om ervoor te zorgen dat de problemen niet erger worden en dat er als dat mogelijk is verbetering komt in de situatie. Soms moeten de problemen behandeld worden en ook dat valt onder jeugdhulp. Als het probleem niet verholpen kan worden, kunnen ouders en kinderen hulp krijgen bij het leren omgaan met het probleem. 2. Hulp bij het vergroten van de zelfstandigheid van een jeugdige en zorgen dat deze kan deelnemen aan de samenleving.
Dit kan nodig zijn bij jeugdigen die een lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of somatische beperking hebben. Een somatische beperking is een lichamelijke beperking waarbij nog verbetering mogelijk is door behandeling en/of hulpverlening. Bij een lichamelijke beperking staat vast dat zo’n verbetering niet meer mogelijk is. 3. Hulp bij persoonlijke verzorging als een jeugdige niet goed voor zichzelf kan zorgen. Hierboven is uitgelegd dat jeugdhulp soms ook kan worden ingezet als een jeugdige 18 jaar is. Maar dat geldt niet als het gaat om persoonlijke verzorging. Deze stopt echt als de jeugdige 18 is. De enige uitzondering hierop is als de jeugdige jeugdreclassering krijgt. Jeugdhulp bij de gemeente kan bestaan uit een “algemene voorziening” die voor alle inwoners van de gemeente dichtbij en gratis beschikbaar is. Deze jeugdhulp kan worden gegeven door een jeugdprofessional van het jeugdteam van de gemeente. Ook de behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie valt onder een algemene voorziening. De gemeente biedt ook jeugdhulp die bestaat uit een “individuele voorziening”. Die wordt pas toegekend als een algemene voorziening niet de passende hulp is. Wat de "individuele voorzieningen" zijn, staat in een bijlage, Annex I.
2
In de verordening staan verder de regels voor verschillende onderwerpen die hieronder beschreven worden. Het gaat om de volgende onderwerpen: Hoofdstuk 2 Grenzen met andere zorgwetten Wet passend onderwijs (WPO) Wet langdurige zorg (Wlz) Zorgverzekeringswet (ZvW) Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) Afstemming met regelingen voor ondersteuning bij werk en inkomen Hoofdstuk 3 Toegang tot jeugdhulp Via huisarts, medisch specialist of huisarts Via het jeugdteam of sociaal wijkteam van de gemeente Hoofdstuk 4 Paragraaf 1 Paragraaf 2 Paragraaf 3 Paragraaf 4
De procedure De aanvraag Onderzoek en deskundig oordeel en advies Draagkracht en draaglast Beschikking
Hoofdstuk 5
Regels voor het PGB
Bijlage: lijst met afkoringen
Hoofdstuk 2
Grenzen met andere zorgwetten
In dit hoofdstuk staat beschreven wanneer wel en geen beroep op jeugdhulp kan worden gedaan. Soms is er een andere wet die van toepassing is als er problemen zijn. Bijvoorbeeld als een jeugdige problemen heeft op school. Voor de gevallen waarin mogelijk twee wetten gelijktijdig van toepassing zijn (samenloop), heeft de gemeente regels gemaakt. Het gaat om de samenloop van de Jeugdwet met Wet passend onderwijs, de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet en de Wet maatschappelijke ondersteuning. Als laatste gaat de verordening in op de samenloop met gemeentelijke voorzieningen bij werk en inkomen. Zo wordt vastgesteld op grond van welke wet de hulpverlening wordt geboden. Paragraaf 1 De Wet passend onderwijs (WPO) Als een jeugdige hulp nodig heeft bij het volgen van onderwijs en zijn leerproces is dat geen jeugdhulp. Er wordt dan hulp voor de jeugdige ingezet die in de WPO is geregeld. Deze hulp heeft voorrang op de jeugdhulp. Dit is ook zo als de hulp vanuit de WPO bijdraagt aan doelen die ook in de Jeugdwet worden beschreven (zie hiervoor de definitie van jeugdhulp). Als de hulp wordt ingezet om begeleiding of persoonlijke verzorging te bieden op school bij opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische of problemen dan is dat wel Jeugdhulp. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van jeugdhulp op school (JOS) worden gegeven.
3
Soms zijn er situaties waarin niet duidelijk is of het gaat om hulp bij onderwijs (WPO) of om hulp bij opgroei- of opvoedingsproblemen of psychische problemen (Jeugdwet). In die gevallen doet de gemeente haar best om in een gezinsplan een passende oplossing te vinden. Paragraaf 2 Wet langdurige zorg (Wlz) Bij sommige jeugdigen is sprake van een somatische aandoening, een beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap waarvoor het nodig is dat er 24 uur per dag zorg of toezicht is. Dit is nodig om nadeel voor de jeugdige te voorkomen of omdat de jeugdige niet in staat is voor zichzelf hulp in te roepen. Bij blijvende behoefte aan zorg en als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg dichtbij en altijd toezicht nodig heeft wordt er zorg vanuit de Wlz geleverd. Dit is ook zo als het kind fysieke problemen of zware regieproblemen heeft. De zorg die nodig kan zijn en door Wlz wordt geregeld is bijvoorbeeld: logeeropvang, verblijf in een instelling, vervoer van en naar een Wlz-locatie en een behandeling die nodig is vanwege de problemen die hierboven beschreven staan. Van jeugdigen en hun ouders wordt verwacht dat zij meewerken aan het krijgen van een Wlz-indicatie. Als zij niet genoeg meewerken mag de gemeente om die reden jeugdhulp op grond van de Jw weigeren.
Er zijn situaties waarin een jeugdige aanvullend hulp nodig heeft omdat de jeugdige een psychische stoornis heeft. Dan verleent de gemeente een individuele voorziening vanuit de Jw.
Paragraaf 3 Zorgverzekeringswet Als de jeugdige medische zorg nodig heeft, is dat geen jeugdhulp. Het gaat dan om hulpmiddelen, ziekenvervoer of om persoonlijke verzorging of verblijf buiten de thuissituatie die nodig is door een medische oorzaak. Wanneer de zorg nodig is omdat er meer problemen spelen bij de jeugdige, kan er wel zorg vanuit de Jeugdwet worden ingezet. Die zorg kan ook bestaan uit verblijf buiten de thuissituatie, behalve als de jeugdige in het ziekenhuis moet verblijven. Als vaktherapie (therapie door middel van doen, denk aan dans, sport en beweging) nodig is kan dat worden ingezet als dit een bijdrage levert aan de problemen die onder jeugdhulp vallen. Voor het beoordelen van hoeveel uren vaktherapie vanuit de Jeugdwet wordt verleend, wordt eerst gekeken of ouders en jeugdigen aanvullend verzekerd zijn voor medische kosten. Het aantal uren vaktherapie bedraagt maximaal 30 uren. De uren die de zorgverzekeraar vergoedt, worden afgetrokken van deze 30 uren. Als de vaktherapie vanuit de Jeugdwet wordt ingezet, dan moet er een advies vanuit de behandelaar of vanuit het jeugdteam liggen dat de vaktherapie een onderdeel is van de totale behandeling. In sommige gevallen is onduidelijk wat de problemen van de jeugdige veroorzaakt. Het kan dan zo zijn dat beide soorten zorg (Jeugdwet of Zorgververzekeringswet) ingezet zouden kunnen worden.
Als dat zo is verleent de gemeente hulp vanuit de Jeugdwet. Paragraaf 4 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen
4
voorziening op grond van de Jeugdwet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het betreft dan bijvoorbeeld: Hulpmiddelen, woningaanpassing of een gebarentolk Vervoer om te kunnen reizen naar bijvoorbeeld sportverenigingen Tijdelijke opvang als de jeugdige meegaat met een ouder die de thuissituatie moet verlaten doordat er huiselijk geweld, mishandeling of huisuitzetting speelt. §5 Afstemming met werk en inkomen Het is belangrijk dat er tijdig wordt gesignaleerd als er bij jeugdigen en ouders financiële problemen spelen die ervoor zorgen dat gestelde doelen vanuit de jeugdhulp niet goed behaald kunnen worden. Het signaleren hiervan wordt gedaan door de professionals die bij de jeugdige en ouders betrokken zijn. Jeugdigen en ouders kunnen voor financiële problemen bij de gemeente andere ondersteuning krijgen, zoals bijvoorbeeld schuldhulpverlening of re-integratievoorzieningen.
Hoofdstuk 3
Toegang tot jeugdhulp
Er zijn twee routes om bij de gemeente een (algemene of individuele) voorziening voor jeugdhulp te krijgen. De eerste route is via een aanvraag bij de gemeente, zoals bijvoorbeeld bij het jeugdteam of sociaal wijkteam. De tweede route loopt de huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts. In beide gevallen wordt vervolgens bekeken of de jeugdhulp noodzakelijk is. Aanvraag bij de gemeente. Jeugdigen en ouders kunnen bij de gemeente een aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp indienen.[ Lokaal in te vullen: in de gemeente x kan dat door te gaan naar lokaal team/wijkteam/jeugdteam x] Als er een algemene voorziening nodig is kunnen jeugdigen en ouders zich rechtstreeks melden bij het [ Lokaal in te vullen: in de gemeente x kan dat door te gaan naar lokaal team/wijkteam/jeugdteam x]dat in die gevallen jeugdhulp biedt. Zie voor uitleg van de begrippen hoofdstuk 1. De medewerkers van de gemeente bevestigen schriftelijk dat een aanvraag is gedaan en helpen bij het verhelderen van de vraag. Als het nodig is wordt er onderzoek gedaan. De jeugdigen en/of ouders laten voor het onderzoek een kopie van hun identiteitsbewijs zien. De verdere procedure en wat het onderzoek inhoudt, worden in hoofdstuk 4 uitgelegd. Jeugdigen en ouders mogen tijdens de procedure gratis gebruik maken van een onafhankelijk cliëntondersteuner.
Jeugdigen en ouders hebben de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen. Dat is een plan dat wordt opgesteld door de jeugdige(n), ouders, hun familieleden en/of anderen mensen in hun sociale omgeving die willen helpen bij het oplossen van de problemen die spelen. Zij krijgen 2 weken de tijd om dit plan op te stellen. Zij kunnen hierbij ondersteuning krijgen van het [naam lokale team van gemeente x]. Als er sprake is van een noodsituatie kan de gemeente onmiddellijk een individuele voorziening verlenen. De aanvraag en het onderzoek kunnen daarna worden opgestart. Dit kan in ieder geval als er met een spoed een machtiging voor verblijf in de gesloten jeugdzorg (jeugdhulp plus) nodig is.
Verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts:
5
Hierbij is belangrijk dat de jeugdhulpaanbieder die de jeugdhulp gaat geven van oordeel is dat de hulp nodig is. Dit moet een jeugdhulpaanbieder zijn die met de gemeente afspraken heeft of met de gemeente een contract heeft gesloten. Als jeugdigen of ouders gebruik willen maken van een jeugdhulpaanbieder, die geen contract met de gemeente heeft, kan dit alleen in uitzonderlijke gevallen. Bijvoorbeeld een situatie waar bij een hele bijzondere vorm van jeugdhulp beslist nodig is die alleen wordt geleverd door een jeugdhulpaanbieder die geen contract met de gemeente heeft. Als de gemeente een besluit neemt over de jeugdhulp na de verwijzing door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts leggen ze dat schriftelijk vast in een beschikking (zie hiervoor ook hoofdstuk 4).
Hoofdstuk 4 De procedure In dit hoofdstuk wordt de procedure voor het aanvragen van jeugdhulp toegelicht. De volgende onderwerpen worden uitgelegd. Paragraaf 1 Paragraaf 2 Paragraaf 3 Paragraaf 4 Paragraaf 5
De aanvraag Onderzoek en deskundig oordeel en advies Draagkracht en draaglast Criteria voor de individuele voorziening Beschikking
Paragraaf 1 De aanvraag Jeugdigen en/of ouders kunnen schriftelijk een aanvraag voor jeugdhulp indienen. Zoals eerder uitgelegd in hoofdstuk 3 kunnen zij, eventueel met ondersteuning, een familiegroepsplan opstellen. Indien dat is gebeurd, houdt de het [naam lokale team van gemeente x] daarmee rekening. Als er geen familiegroepsplan is, stellen de jeugdprofessionals een actieplan op. Als er onderzoek (paragraaf 2) is gedaan, moeten de resultaten van dit onderzoek bij het actieplan betrokken worden. Als de jeugdigen en/of ouders daar hun handtekening onder zetten, kan het actieplan ook worden gezien als een schriftelijke aanvraag voor de individuele voorziening. De gemeente heeft 6 weken de tijd om een aanvraag te beoordelen. Die termijn van 6 weken gaat lopen nadat het onderzoek is afgerond en er met de jeugdigen en/of ouders over is gesproken. Als er meerdere gesprekken nodig zijn, gaat de termijn van 6 weken in nadat het laatste gesprek met het gezin over de uitkomsten van het onderzoek heeft plaatsgevonden. Als er een actieplan ligt, heeft de gemeente 2 weken de tijd om een beslissing te nemen die vast wordt gelegd in een beschikking. De gemeente kan nog extra regels en voorwaarden vaststellen voor de behandeling en beoordeling van een aanvraag voor een individuele voorziening.
Paragraaf 2 Onderzoek Als het nodig is kan er onderzoek worden gedaan naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren om de aanvraag van jeugdigen en/of ouders voor een individuele aanvraag te beoordelen. De uitkomsten van het onderzoek worden schriftelijk vastgelegd. Indien de jeugdige en/of ouders opmerkingen of aanvullingen hebben worden deze aan het verslag toegevoegd. De medewerkers van de het [naam lokale team van gemeente x] geven aan jeugdigen en/of ouders uitleg over de gang van zaken bij het onderzoek, over de beoordeling van de uitkomsten van het onderzoek en wat dit betekent
6
voor de aanvraag. Jeugdigen en/of ouders krijgen informatie over hun rechten en plichten met betrekking tot het onderzoek. Er wordt in ieder geval uitgelegd dat de jeugdige en/of zijn ouders verplicht zijn om mee te werken met het onderzoek. Zij verstrekken de gegevens die nodig zijn voor een beoordeling van het onderzoek en de aanvraag aan de gemeente. Als er een familiegroepsplan is gemaakt, wordt dit plan betrokken bij het onderzoek. Ook krijgen jeugdigen en/of ouders uitleg over de mogelijkheid om rekening houdend met de voorgeschreven voorwaarden te kiezen voor een persoonsgebonden budget (zie hierover hoofdstuk 5). Het is belangrijk dat aan jeugdigen en/of ouders een begrijpelijke uitleg wordt gegeven over de gevallen waarin een PGB kan worden ingezet en welke gevolgen dit heeft. Het onderzoek start binnen 6 weken na de aanvraag en richt zich op de volgende onderwerpen: a) De behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en/of zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en gezinssituatie. b) Of er sprake is psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, problemen voor ouders in de opvoeding of problemen die te maken hebben met een adoptie.
Als uit het onderzoek blijkt dat deze problemen er zijn, dan moet verder worden onderzocht Welke problemen of stoornissen er zijn Welke ondersteuning, hulp en zorg het beste kan worden ingezet. Of de ondersteuning, hulp en zorg goed is afgestemd op de leeftijd en ontwikkelingsniveau van de jeugdige Of er de jeugdige en/of ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen, eventueel met ondersteuning van familie of andere personen die betrokken zijn bij het gezin en kunnen en willen helpen. Als de jeugdige en/of ouders zelf deze mogelijkheden hebben, moet uit het onderzoek blijken of er dan aanvullend nog ondersteuning, hulp en zorg nodig is. De gemeente houdt bij het kiezen van de meest aangewezen vorm van ondersteuning, hulp en zorg zo goed mogelijk rekening met de geloofs- en levensovertuiging en met de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouders. Ook houdt de gemeente rekening met de andere vormen van ondersteuning die het gezin krijgt. De verschillende vormen van hulp moeten goed op elkaar worden afgestemd. Als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag niet duidelijk genoeg is, zal de gemeente in uitzonderingssituaties het oordeel en advies van een specifieke deskundige opvragen en betrekken bij de beoordeling. De gemeente beoordeelt of dit nodig is.
Paragraaf 3 Draagkracht en draaglast Onder draagkracht wordt verstaan de mate van belastbaarheid van ouders (wat zij kunnen hebben). Draagkracht wordt onder andere beïnvloed door de ondersteuning die een ouder ervaart van de andere gezinsleden, van zijn sociale netwerk en van de werkgever. Onder draaglast wordt verstaan wat een ouder moet verwerken, moet verdragen. Dit wordt onder andere beïnvloed door factoren van buitenaf, zoals de aard en ernst van de problematiek van het kind, het ontbreken van een sociaal netwerk en eventuele eigen problemen van de ouder. De verhouding tussen draagkracht en draaglast is van belang bij de boordeling de noodzaak van jeugdhulp.
7
Aan het begin van deze toelichting op de verordening staat dat ouders, eventueel met ondersteuning van anderen uit hun sociale netwerk, bijvoorbeeld huisgenoten, de eerste verantwoordelijkheid hebben voor het bieden van normale dagelijkse zorg en hulp aan hun kinderen. Dit houdt in dat ouders hun kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hun houden, ook als een kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Bij een gezonde draagkracht kunnen ouders, eventueel met hulp vanuit hun sociale netwerk, zelf deze zorg voor hun kinderen dragen. Normale dagelijkse zorg betekent dat het vanzelfsprekend is dat ouders een beschermde woonomgeving aan hun kind bieden tot deze 18 jaar wordt. Als de draagkracht voldoende is, kan er geen beroep op een individuele voorziening voor jeugdhulp worden gedaan. In sommige gevallen is de noodzakelijke zorg (persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf) te zwaar voor ouders. Dit kan het geval zijn als de aard, frequentie en de benodigde tijd van de zorg langdurig te zwaar is in vergelijking met andere kinderen van dezelfde leeftijd. We spreken dan van een te zware draaglast. Als de verhouding tussen de draagkracht en draaglast uit balans is, dan zijn de mogelijkheden die ouders hebben om de problemen zelf, eventueel met ondersteuning uit hun netwerk, aan te pakken niet genoeg om de problemen weg te nemen of te verminderen.
In die gevallen kan wel een individuele voorziening voor jeugdhulp worden aangevraagd. De gemeente moet de balans tussen draagkracht en draaglast onderzoeken. Bij de beoordeling van deze balans is van belang of het gaat om een kortdurende situatie waarbij er binnen maximaal 3 maanden weer voldoende balans ontstaat en langdurige situaties. Als duidelijk is dat er langer dan 3 maanden of verschillende periodes van 3 maanden gedurende een kalenderjaar jeugdhulp nodig is, dan is er sprake van een langdurige situatie. Is er sprake van een kortdurende situatie (maximaal 3 maanden) dan gaat de gemeente ervan uit dat ouders (eventueel met anderen uit hun sociale netwerk, zoals huisgenoten) de extra zorg voor die korte periode kunnen opvangen tenzij die zorg naar zijn aard zoveel inhoudt dat dit redelijkerwijs niet van hun mag worden verwacht. Is er sprake van een langdurige situatie (meer dan 3 maanden of verschillende periode van 3 maanden per kalenderjaar) blijft de verantwoordelijkheid van ouders om hulp en zorg aan hun kinderen te bieden bestaan zolang de draagkracht en draaglast van ouders voldoende in balans is. De gemeente beoordeelt dit. Als de aard van de hulp zo zwaar is dat redelijkerwijs niet van ouders mag worden verwacht dat zij (geheel of gedeeltelijk)deze hulp bieden, dan kan een individuele voorziening voor jeugdhulp worden gegeven door de gemeente.
De gemeente kan nog meer regels maken over de balans tussen draagkracht en draaglast of het onderzoek daarnaar. Dit kan je terugvinden in de nadere regels van je gemeente. Paragraaf 4 Criteria voor de individuele voorziening jeugdhulp In hoofdstuk 3 is uitgelegd dat het mogelijk is om door het indienen van een aanvraag bij het [naam lokale team van gemeente x] jeugdhulp te krijgen. De andere mogelijkheid is een verwijzing van een huisarts, medisch specialist of een jeugdarts jeugdhulp te krijgen. De gemeente gaat dan als het nodig is na onderzoek beoordelen of er jeugdhulp in de zin van de wet nodig is (zie ook definitie aan het begin van dit document) en in hoeverre de eigen kracht van het gezin, waar mogelijk met ondersteuning van hun sociale netwerk genoeg is om de problemen aan te kunnen. Ook bekijkt de gemeente of mogelijk een andere voorziening beter ingezet kan worden om de problemen weg te nemen (zie hoofdstuk 2).
8
Als een individuele voorziening jeugdhulp wordt verstrekt door de gemeente, wordt de goedkoopst adequate en tijdig beschikbare voorziening ingezet. De jeugdige en/of ouders mogen kiezen voor een duurdere voorziening als die passend is, maar dan dragen zij zelf de extra kosten van die voorziening. De jeugdige en/of ouders krijgen dan een persoonsgebonden budget (PGB) toegewezen, gebaseerd op de goedkoopst passende voorziening. Bij de keuze voor de soort jeugdhulp die de gemeente inzet, wordt gebruik gemaakt van aanbieders met wie de gemeente een contract heeft. Ook wordt gelet op de dienstomschrijvingen die door de gemeente zijn vastgesteld. Hierbij kan rekening worden gehouden met de mogelijkheid om ervaringsdeskundigheid in te zetten en ook let de gemeente er op of de jeugdprofessional samen met de jeugdige en de ouders een gezamenlijk beeld over de aanvraag en de meeste gepaste jeugdhulp heeft gekregen. De keuze voor de soort jeugdhulp wordt bij voorkeur pas gemaakt als dit gesprek heeft plaatsgevonden en er een gemeenschappelijk beeld over de aanvraag en de in te zetten hulp is gekomen. Als er een algemene voorziening is die ook ingezet kan worden om de problemen te bestrijden (die passend en toereikend is) dan moeten de jeugdige en de ouders eerst daar gebruik van maken. De gemeente neemt dit uitgangspunt mee in de beoordeling van de aanvraag.
Als de algemene voorziening gelijk kan worden ingezet en passend en toereikend is dan komen de jeugdige en de ouders niet in aanmerking voor een individuele voorziening. Paragraaf 5 De Beschikking Als de gemeente een beslissing neemt op de aanvraag van de jeugdige en/of de ouders, dan wordt deze beslissing schriftelijk vastgelegd in een beschikking. De beschikking kan een verlening van jeugdhulp of een weigering daarvan zijn. Als de ouders/jeugdige het niet eens zijn met de beslissing van de gemeente kunnen zij hiertegen bezwaar maken. In de beschikking staat hoe de jeugdige en/of ouders bezwaar kunnen maken tegen de beslissing van de gemeente. Indien jeugdhulp wordt verleend staat in de beschikking uitgelegd of de jeugdhulp door een jeugdhulpaanbieder wordt geleverd, dit wordt een voorziening in natura genoemd, of dat de jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt gegeven. In het volgende hoofdstuk staat meer over de hoogte van het PGB. Als de gemeente beslist dat jeugdhulp in natura nodig is, staan de volgende onderwerpen in ieder geval in de beschikking: Welke voorziening in natura wordt ingezet, wat de omvang daarvan is en welke resultaten men hoopt te behalen; Wat de ingangsdatum van de zorg is en voor welke duur deze kan worden gebruikt; Op welke wijze de jeugdhulp wordt verstrekt. Eventuele andere voorzieningen die nog van belang kunnen zijn.
Als er een PGB wordt verleend, dan staan in de beschikking de volgende onderwerpen: Welk resultaat men probeert te behalen door de inzet van het PGB; Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB; Wat de hoogte van het PGB is en hoe dit is vastgesteld (zie ook hoofdstuk 5); Voor welke duur de jeugdhulp waarvoor het PGB bedoeld is kan worden ingezet; De wijze waarop de besteding van het PGB moet worden verantwoord.
9
Hoofdstuk 5 Regels voor het PGB. De gemeente stelt de hoogte van het PGB als volgt vast. De gemeente sluit bij de bepaling van de hoogte van het PGB aan bij de regels in de Regeling jeugdwet. De jeugdige en/of zijn ouders stellen een plan op als zij een PGB willen ontvangen waarin in ieder geval het volgende staat: Welke jeugdhulp de jeugdige en/of de ouders willen inkopen en Als er iemand vanuit het sociale netwerk van de jeugdige en/of de ouders de jeugdhulp gaat bieden, wie deze persoon is. De hoogte van PGB wordt berekend op basis van een uurtarief of prijs. Hierbij geldt het volgende: Er moet duidelijk zijn dat de jeugdhulp die vanuit het PGB wordt betaald kwalitatief goed is en tijdig kan worden ingezet. Hierbij wordt rekening gehouden met redelijke overheadkosten 2 van degene die de jeugdhulp gaat bieden. De jeugdhulp die vanuit het PGB wordt betaald is niet duurder dan kosten van jeugdhulp in natura. De jeugdhulp vanuit het PGB kan ook worden geboden door een zelfstandige professional (ZZP-er) of iemand uit het sociale netwerk van de jeugdige en/of de ouders. In het geval de jeugdige en/of zijn ouders voor de jeugdhulp iemand inzetten uit hun sociale netwerk is de vergoeding die deze persoon ontvangt minimaal 100% van het wettelijk minimumloon.
Als er meer wordt betaald dan het wettelijk minimumloon dan bedraagt de vergoeding maximaal het bedrag dat de gemeente vergoedt aan een jeugdhulpaanbieder die passende, beschikbare en goedkoopste jeugdhulp in natura biedt. Ook moet duidelijk zijn dat deze jeugdhulp tijdig beschikbaar is en kwalitatief goed is. Er wordt bovendien uitleg gegeven over de gezinssituatie en de kwalificaties en werkervaring van de persoon uit het sociale netwerk die de jeugdhulp gaat bieden. Tot slot moet duidelijk zijn dat het leveren van de jeugdhulp niet leidt tot overbelasting van die persoon uit het sociale netwerk. In het geval de persoon uit het sociale netwerk voor het vrijwillig verlenen van de jeugdhulp kosten maakt voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of vervoer wordt hiervoor een vergoeding gegeven op basis van door de gemeente vastgestelde bedragen. Het geld van het PGB mag niet worden gebruikt om tussenpersonen of belangenbehartigers te betalen.
Facultatief in te voegen door gemeenten die dit in de verordening hebben staan: In het geval de persoon uit het sociale netwerk voor het vrijwillig verlenen van de jeugdhulp kosten maakt voor schoonmaakmiddelen,
2 Overheadkosten: indirecte kosten, zoals bijvoorbeeld administratieve kosten, die niet bestaan uit het feitelijk bieden van
jeugdhulp
10
levensmiddelen, kleding of vervoer wordt hiervoor een vergoeding gegeven op basis van door de gemeente vastgestelde bedragen.
11
Afkortingen: FGP JH JW PGB WLZ WMO WPO ZIN Zvw
familiegroepsplan jeugdhulp jeugdwet persoonsgebonden budget wet langdurige zorg Wet maatschappelijke ondersteuning wet passend onderwijs zorg in natura Zorgverzekeringswet
12